← België

Arrest 176948 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 21/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.948 Rolnummer: A. 115584/IX-3178 Zaak: Arrest 176948 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 21/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-29 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:09 Fiche Arrest nr 176.948 van 21 november 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.948 van 21 november 2007 in de zaak A. 115.584/IX-

  1. In zake : Luc VAN OPPEN, die woonplaats kiest bij advocaten D. RENDERS en B. CAMBIER, kantoor houdende te BRUSSEL, Winston Churchilllaan 253 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc VAN OPPEN op 17 januari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 14 november 2001 tot aanwijzing van bepaalde personeelsleden van het ministerie van Binnenlandse Zaken die naar het administratief en logistiek kader van de federale politie overgaan en houdende de graad- en loonschaaltoewijzing aan bepaalde personeelsleden van de federale politie, in zoverre het zijn benoeming in de graad van inspecteur van politie betreft; Gelet op het arrest nr. 106.124 van 29 april 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 29 mei 2002 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; IX-3178-1/14 Gelet op de beschikking van 20 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. WAUTERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van hoofdcommissaris-jurist-directeur M. DE MESMAEKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  3. Verzoeker is gedurende meerdere jaren tewerkgesteld op de luchthaven van Brussel-Nationaal. Hij oefent er de functie van eerste onderluchtha- venmeester bij de luchtvaartpolitie uit. Als zodanig bezit hij de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie én van officier van bestuurlijke politie. Ter uitvoerring van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, (de zogenaamde “kleine integratie”) wordt verzoeker met een ministe- rieel besluit van 20 oktober 2000 met ingang van 26 juni 1999 benoemd tot eerste wachtmeester bij de rijkswacht binnen de personeelscategorie met bijzondere politiebevoegdheid, dienst luchtvaartpolitie van het operationeel korps. Het besluit van 20 oktober 2000 vormt het voorwerp van een beroep van de verzoeker in de zaak nr. G/A 99.057/IX-
  4. Dat beroep is nog niet beslecht. Met het arrest nr. IX-3178-2/14 176.946 van heden worden de debatten in die zaak heropend en wordt een verder onderzoek bevolen. Indien het besluit van 20 oktober 2000 vernietigd wordt, zal de verwerende partij ambtshalve, en los van de uitspraak in de thans voorliggende zaak, alle beslissingen die in dat besluit hun noodzakelijke grondslag vinden moeten heroverwegen. Er is dan ook geen reden om de procedure in de voorliggende zaak te vertragen en te wachten tot er een uitspraak is in de zaak nr. G/A 99.057/IX-
  5. 1.
  6. Met het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (het RPPol) wordt het personeel van de rijkswacht ingevoegd in de nieuwe politiestructuur, tot stand gebracht met de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: de wet van 7 december 1998). Het betreft de zogenaamde “grote integratie”. Overeenkomstig artikel XII.II.15 van dat besluit en de tabel B van bijlage 11 worden de titularissen van de graad van eerste wachtmeester bij de rijkswacht opgenomen in het basiskader in de nieuwe graad van inspecteur van politie. Met een ministerieel besluit van 14 november 2001 houdende de graad- en loonschaaltoewijzing aan bepaalde personeelsleden van de federale politie zijn de voormelde bepalingen van het RPPol geïndividualiseerd. Verzoeker, alsdan titularis van de graad van eerste wachtmeester bij de rijkswacht, krijgt aldus de nieuwe graad van inspecteur van politie toegewezen. Die beslissing vormt het voorwerp van het onderhavig beroep. 1.
  7. De wetgever heeft artikel XII RPPol bekrachtigd (artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001). Met zijn arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 vernietigt het Grondwettelijk Hof evenwel artikel XII.II.15 RPPol in de mate dat de inschaling van de onderluchthavenmeesters en de eerste onderluchthavenmeesters, die gekozen hadden voor het behoud van hun oorspronkelijk statuut en die aldus opgenomen zijn in de categorie “Bijzonder Politiepersoneel” van de rijkswacht, hun niet toelaat hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie en van officier van bestuurlijke politie te behouden. Verzoeker, die inmiddels de graad bekleedt van eerste wachtmeester bij de rijkswacht, behoort niet tot die categorie. IX-3178-3/14 1.
  8. Met de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten komt de wetgever tegemoet aan het genoemde arrest van het Grondwettelijk Hof. Wat de leden van de voormalige luchtvaartpolitie betreft die geen aanvraag hadden ingediend om naar het operatio- neel kader van de rijkswacht over te gaan, wijzigt de wetgever hun inschaling in het nieuwe politiestatuut van het basiskader naar het middenkader (artikel 10) en bepaalt hij dat de onderluchthavenmeesters en de eerste onderluchthavenmeesters de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie hebben (artikel 8). Voor de categorie personeelsleden waartoe verzoeker behoort, heeft de wetgever met artikel 7 van de wet -bepaling die in werking getreden is op 1 april 2001- formeel vastgesteld dat de leden van de politiediensten die vóór hun opname in het operationeel korps van de federale politie de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie (OGP), officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en officier van bestuurlijke politie (OBP) bezaten, die hoedanigheden behouden, ongeacht de graad waarin zij in de nieuwe politiestructuur worden ingevoegd. Voor het overige worden geen wijzigingen gebracht in de rechtstoestand van die politieambtenaren. De ontvankelijkheid
  9. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat het bestreden besluit geen wijzigingen aanbrengt in de juridische situatie van verzoeker, aangezien het slechts concretiseert wat reeds in het RPPol vastgelegd is. Dergelijke beslissing is slechts rechtserkennend en past slechts vooraf bepaalde regels toe. Verzoeker had die vooraf vastgestelde algemene regels moeten bestrijden.
  10. Verzoeker is van oordeel dat het RPPol een algemene regeling bevat en dat pas met het bestreden besluit, waarbij hij effectief ingeschakeld wordt in het operationeel korps van de federale politie, zijn rechtstoestand gewijzigd wordt.
  11. Artikel XII.II.1, tweede lid, RPPol bepaalt dat de graadverande- ring en loonschaaltoewijzing van de actuele personeelsleden -de personeelsleden die op 1 april 2001 opgenomen worden in het nieuwe kader van de politie op basis van de op dat ogenblik bestaande situatie- voor ieder personeelslid vastgesteld wordt bij een geïndividualiseerd besluit uitgaande van de benoemende overheid. Derhalve IX-3178-4/14 wordt de juridische toestand van verzoeker binnen het operationeel kader van de federale politie slechts definitief vastgesteld door het bestreden besluit. Het gaat derhalve om een rechtscheppende beslissing die met een annulatieberoep bestreden kan worden. De grond van de zaak
  12. In het eerste middel voert verzoeker aan dat het bestreden besluit steunt op artikel XII.II.15 RPPol, terwijl die laatste bepaling zelf door een aantal onwettigheden is aangetast. Verzoeker voert met name aan dat artikel XII.II.15 de eerste wachtmeesters, voorheen onderluchthavenmeester, integreert als inspecteur van politie die geen OGP of OBP-hoedanigheid bezitten, terwijl zij geïntegreerd dienden te worden in een graad waaraan deze hoedanigheid wel gekoppeld is, terwijl het protocol nr. 11 van 21 april 2000 van het Comité van onderhandelingen voor de politiediensten voor hen voorzag in hun integratie in een graad van officier en terwijl de integratie van de eerste wachtmeesters, voorheen onderluchthavenmeester op dezelfde wijze als de eerste wachtmeesters die uit de rijkswacht zelf afkomstig waren, voor de eerstgenoemden discriminerend is en derhalve strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
  13. Deel XII van het RPPol is door de wetgever bekrachtigd bij artikel 131 van de programmawet van 30 december
  14. Zulks betekent dat de Raad van State niet meer bevoegd is om eventuele onwettigheden van de desbetreffende bepalingen vast te stellen.
  15. In zoverre in het middel evenwel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is de Raad van State in beginsel verplicht, op grond van artikel 26, § 2, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, om vragen die te dien aanzien rijzen, voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof. Te dezen blijkt echter dat het Grondwettelijk Hof in zijn genoemde arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 reeds uitspraak gedaan heeft over een middel waarin dezelfde grondwettigheidskritiek tegen artikel XII.II.15 RPPol werd aangevoerd. In dat arrest heeft het Hof die grief op grond van de volgende overwegingen verworpen: “B.17.
  16. De verzoekers in de zaak nr. 2455 voeren de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere grondwettelijke, wettelijke of reglementaire bepalingen, in zoverre artikel XII.II.15 van het besluit van 30 maart 2001, bekrachtigd bij artikel 131 IX-3178-5/14 van de programmawet van 30 december 2001, in de graad van inspecteur van politie van de geïntegreerde politie, enerzijds, de onderluchthavenmeesters en eerste onderluchthavenmeesters bij de rijkswacht integreert, en, anderzijds, de wachtmeesters en eerste wachtmeesters bij de rijkswacht die de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie en van officier van bestuurlijke politie, terwijl zij, volgens hen, geïntegreerd hadden moeten worden in de graad van officier of in de functies van brigadecommandant van de rijkswacht en vandaar in de graad van officier van de geïntegreerde politie. B.17.
  17. (...) B.17.
  18. Het bekrachtigde artikel XII.II.15 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten bepaalt: ‘De actuele personeelsleden bedoeld in tabel B, derde kolom, van bijlage 11 worden opgenomen in het basiskader, en worden, naar gelang van het geval, benoemd of aangesteld in de overeenstemmende graad bedoeld in de eerste kolom van diezelfde tabel B en verkrijgen één van de volgende overeenstem- mende loonschalen bedoeld in de tweede kolom van diezelfde tabel B : 1/ B1 : indien hun gecorrigeerde geldelijke anciënniteit bedoeld in artikel XII.XI.17, § 1, minder dan zes jaar bedraagt; 2/ B2 : indien hun in 1/ bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit ten minste zes jaar doch minder dan twaalf jaar bedraagt; 3/ B3 : indien hun in 1/ bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit ten minste twaalf jaar doch minder dan achttien jaar bedraagt; 4/ B4 : indien hun in 1/ bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit ten minste achttien jaar doch minder dan vierentwintig jaar bedraagt; 5/ B5 : indien hun in 1/ bedoelde gecorrigeerde geldelijke anciënniteit ten minste vierentwintig jaar bedraagt.’ Tabel B, derde kolom, van bijlage 11, waarnaar de voormelde bepaling verwijst, bepaalt dat benoemd worden in de graad van inspecteur van politie, de wachtmeesters bij de rijkswacht, de onderluchthavenmeesters bij de rijkswacht, de eerste wachtmeesters bij de rijkswacht en de eerste onderluchtha- venmeesters bij de rijkswacht. (...) B.17.4.
  19. Met toepassing van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, alsmede met toepassing van het koninklijk besluit van 26 januari 1999 tot vaststelling van de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de voormelde wet, zijn de personeelsleden van de luchtvaartpolitie die gekozen hebben voor een overplaatsing naar de categorie van het personeel met bijzondere politiebevoegdheid van het operationeel korps van de rijkswacht, alsmede de personeelsleden van de spoorwegpolitie, overgeplaatst in de graad van wachtmeester, van eerste wachtmeester, van opperwachtmeester of van eerste opperwachtmeester bij de rijkswacht, op basis van de graad en anciënni- teit die ze in hun vroeger korps genoten. Artikel 11, § 2, vierde lid, van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht, gewijzigd bij artikel 2, 2/, van de wet van 17 november 1998, bepaalde dat de politieambtenaren die, vóór hun overplaatsing naar de rijkswacht, de hoedanigheid hadden van officier van bestuurlijke politie, officier van gerechtelijke politie of van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, die hoedanigheid behielden. De Minister van Binnenlandse Zaken heeft, naar aanleiding van een amendement dat ertoe strekte artikel 2, 2/, van de wet aan te vullen, verklaard dat hij van mening was dat men de titel van officier van bestuurlijke politie alleen kan dragen als men daadwerkelijk die functies uitoefent en er geen sprake van kan zijn om eretitels toe te kennen op grond van persoonsgebonden IX-3178-6/14 criteria, en niet op grond van uitgeoefende functies (Parl. St. , Kamer, 1997-1998, nr. 1618/4, pp. 30-31). Het in artikel 2, 2/, van de wet van 17 november 1998 vermelde beginsel is behouden bij de oprichting van een geïntegreerde politiedienst. Artikel 253, derde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreer- de politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, garandeert immers aan de ambtenaren van de bijzondere diensten die worden overgeplaatst naar het operationeel korps van de rijkswacht met bijzondere politiebevoegdheid, het behoud van hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie of van officier van bestuurlijke politie. De parlementaire voorbereiding van de wet geeft aan : ‘Teneinde niet alle wetteksten en reglementen te moeten wijzigen die aan de rijkswacht en de gerechtelijke politie bij de parketten bevoegdheden toekennen, kent [artikel 253] globaal alle bevoegdheden van de geïntegreerde politiediensten toe aan de federale politie. Het derde lid van deze bepaling garandeert bovendien dat iedereen zijn bevoegdheden inzake gerechtelijke of bestuurlijke politie behoudt. » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1676/1, p. 119) B.17.4.
  20. De graden van wachtmeester en eerste wachtmeester bij de rijkswacht, waarnaar een deel van de verzoekers zijn overgeplaatst, houden noch de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie noch de hoedanig- heid van officier van bestuurlijke politie in. Dat heeft de Raad van State overigens ertoe gebracht verscheidene arresten uit te spreken, op 30 maart en 27 juni 2001, tot vernietiging van de ministeriële besluiten waarbij de verzoekers waren benoemd in de graad van wachtmeester of eerste wacht- meester. De hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie wordt bovendien niet toegekend aan de opperwachtmeesters en de eerste opperwachtmeesters bij de rijkswacht. Het Hof kan echter niet de wettigheid onderzoeken van de voorwaarden waaronder de verzoekers van de luchtvaartpolitie (...) zijn overgeplaatst naar de rijkswacht. Aan de hand van de graad die de leden van de voormalige luchtvaartpolitie bekleedden in de rijkswacht, kan evenwel de graad worden bepaald die ze in de nieuwe politie genieten. Bij het Hof is echter enkel het beroep aanhangig gemaakt dat is gericht tegen de artikelen XII.II.15 en XII.II.18 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001, bekrachtigd bij de programmawet van 30 december
  21. Het is dus de enkele overplaatsing van de wachtmeesters en de eerste wachtmeesters in de graad van inspecteur van de geïntegreerde politie (...) die het Hof vermag te toetsen. B.17.
  22. Artikel 10 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht bepaalde, vóór de opheffing ervan bij wet van 27 december 2000, dat om benoemd te worden in de graad van wachtmeester men onder meer een opleidingscyclus van ten minste één studiejaar op het niveau van hoger niet-universitair onderwijs moest hebben gevolgd. Artikel 2, 6/, van het koninklijk besluit van 9 april 1979 betreffende de werving en vorming van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht bepaalde, vóór de opheffing ervan bij besluit van 24 augustus 2001, dat om toegelaten te worden tot de opleidingscyclus men houder diende te zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat ten minste gelijkwaar- dig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving van de ambtenaren van niveau 2 bij de rijksbesturen. Artikel 7 van het voormelde besluit vereiste bovendien dat men geschikt moest worden bevonden door een selectiecommissie, op grond van een selectieonderzoek. Het bekrachtigde artikel IV.I.7 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 alsmede artikel 15 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten bepalen dat om in dienst te worden genomen in de graad van inspecteur van IX-3178-7/14 politie de kandidaat houder moet zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de indienstneming in de betrekkingen van niveau 2 bij de federale besturen. Artikel 142quinquies van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalt dat de basisopleiding van het basiskader (waartoe de inspecteurs van politie behoren) theoretische en praktische opleidingsactiviteiten met een duurtijd van ten minste negen maanden omvat. Ten aanzien van de uitgeoefende functies bepaalt artikel 117 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructu- reerd op twee niveaus, dat de politieambtenaren die in drie kaders zijn verdeeld, namelijk het basiskader, het middenkader en het officierskader, bevoegd zijn voor de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie. Die opdrachten worden beschreven in de artikelen 14 en volgende van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en zijn identiek gebleven met die welke werden uitgeoefend door de rijkswacht en de andere politiekorpsen vóór de hervorming. B.17.
  23. Uit wat voorafgaat volgt dat de maatregel waarbij de wachtmeesters en eerste wachtmeesters bij de rijkswacht in de graad van inspecteur van de geïntegreerde politie worden geïntegreerd niet zonder redelijke verantwoording is.” Met toepassing van artikel 26, § 2, tweede lid, 2/, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof is de Raad van State niet gehouden om de desbetreffende vraag opnieuw aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Uit het arrest nr. 102/2003 volgt integendeel dat, in zoverre verzoeker een exceptie van ongrondwettigheid opwerpt, het middel niet gegrond is.
  24. Het middel kan in zijn geheel niet aangenomen worden.
  25. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 33, 39, 107 en 184 van de Grondwet. De bestreden beslissing is genomen zonder dat de wetgever of de uitvoerende macht een personeelskader vastgesteld heeft, terwijl de benoeming van een overheidsambtenaar moet gebeuren op een plaats op het personeelskader van de dienst, dat beantwoordt aan de behoeften van de dienst. Verzoeker is dan ook benoemd in een niet-bestaande betrekking. In het daarbij aansluitend derde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 10, 11, 30, 33, 39, 105, 107, 108 en 184 van de Grondwet en van de artikelen 43, 44 en 46 van de bestuurstaalwet. De wetgever en de uitvoerende macht hebben nagelaten ook de taalkaders van de nieuwe politie vast te stellen of minstens aan te passen, terwijl dit nochtans noodzakelijk was om het personeel in de nieuwe politiestructuur in te voegen. IX-3178-8/14 IX-3178-9/14
  26. De verwerende partij antwoordt dat het RPPol, dat genomen ter uitvoering van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, ertoe strekt het statuut van het personeel vast te stellen en te bepalen waar de actuele personeelsleden ingeschaald zullen worden in de nieuwe structuur. Alle personeelsleden krijgen een nieuwe graad en een nieuwe loonschaal toegewezen. Dat heeft niets te maken met een administra- tief kader of een taalkader. Het bestreden besluit maakt toepassing van de algemene regeling en wijst de actuele personeelsleden een nieuwe graad toe in het kader van de uitoefening van een gebonden bevoegdheid.
  27. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de wetgever met de goedkeuring van artikelen 116 en 117 van de programmawet van 30 december 2001- waarin met betrekking tot primo-benoemingen gesteld is dat zij konden gebeuren zonder dat voorafgaandelijk taalkaders waren vastgesteld- zelf het bewijs levert dat benoemingen moeten gebeuren op een kader.
  28. Het bestreden besluit betreft de individualisering van de door het RPPol vastgestelde wijzigingen inzake graad en loonschaal van het personeel van de politiediensten dat in dienst was op 1 april
  29. Dergelijke wijzigingen die betrekking hebben op de herstructurering van de dienst en de integratie van alle actuele personeelsleden in de nieuwe structuur van de ééngemaakte politie, vormen geen personeelsbeweging die gebonden is aan een vooraf vastgesteld personeels- en taalkader.
  30. Dat geldt uiteraard niet voor de aanwijzingen in nieuwe betrekkingen opgericht bij de centrale diensten van de federale politie en bij de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie, noch voor de eerste aanstelling in voorheen niet bestaande functies. Te dien einde heeft de wetgever met artikelen 116 en 117 van de programmawet van 30 december 2001 de wet van 7 december 1998 gewijzigd -invoeging van een artikel 246bis en aanvulling van artikel 247 met een tweede en een derde lid waarbij uitdrukkelijk gesteld wordt dat de aanwijzingen en aanstellingen kunnen gebeuren zonder dat voorafgaandelijk een taalkader en/of een personeelskader vastgesteld is. Ten onrechte leidt verzoeker daar evenwel uit af dat de overheveling van de actuele leden van de politiediensten naar de nieuwe politiestructuur afhankelijk was van een vooraf vastgesteld personeels- en taalkader. Het tweede en het derde middel zijn niet gegrond. IX-3178-10/14
  31. In het vierde middel stelt verzoeker dat het bestreden besluit totstandgekomen is zonder dat de minister voorafgaandelijk het advies van de Inspecteur van Financiën ingewonnen heeft en het akkoord van de minister van Begroting verkregen heeft. Nochtans maken artikel 46 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, gelezen in samenhang met de artikelen 1, 5, 8, 14, 17 en 22 van het koninklijk besluit van 16 november 1994 betreffende de administratieve en begrotingscontrole, van dat advies en akkoord een substantiële formaliteit voor alle besluiten die een invloed hebben op de inkomsten of uitgaven van de Staat.
  32. De verwerende partij wijst in haar memorie van antwoord op de irrelevantie van het middel. Zij stelt dat te dezen de minister slechts gebruikgemaakt heeft van een gebonden bevoegdheid, dat het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de wet van 7 december 1998 niet moest onderworpen worden aan de administratieve en de begrotingscontrole en dat de door verzoeker bedoelde adviezen ingewonnen zijn bij de totstandkoming van het RPPol. Er moest dan ook geen advies of akkoord meer worden gevraagd omtrent een toepassingsmaatregel van het RPPol.
  33. Verzoeker repliceert dat het bestreden besluit, dat een benoeming inhoudt, het voorwerp moet uitmaken van een administratieve en budgettaire controle. Dit geldt in dit geval des te meer, aangezien de benoeming gebeurd is zonder dat een personeelskader bestond, zodat er ook op dat vlak geen onderzoek gebeurd is naar de behoeften van de dienst, terwijl het personeelskader dat in de toekomst nog zal opgemaakt worden, dan wel rekening zal moeten houden met de bestreden beslissing.
  34. Artikel XII.II.1, eerste lid, RPPol bepaalt dat de dienst-, kader- of niveau-, graad- en loonschaalanciënniteit van de actuele personeelsleden bekleed met de graad bedoeld in artikel II.II.1, voor wat de personeelsleden van het operationeel kader betreft, vastgesteld wordt overeenkomstig de bepalingen van dat deel XII. Het tweede lid van hetzelfde artikel bepaalt dat de nieuwe graad en loonschaal voor ieder personeelslid afzonderlijk wordt vastgesteld. Konden deze overgangsbepalingen van het RPPol niet genomen worden zonder het voorafgaand advies van de Inspecteur van Financiën en het akkoord van de minister van Begroting -waaromtrent overigens niet betwist wordt dat deze formaliteit nageleefd werd-, dan is dat niet het geval voor de individuele toepassingsbesluiten ervan. Overigens stelt verzoeker ten onrechte dat het bestreden besluit niet kadert in een vooraf vastgestelde personeelsformatie en dat er dus nog geen onderzoek gebeurd IX-3178-11/14 is naar de noden van de dienst. Het besluit regelt immers gewoon, volgens de voorschriften van het RPPol, de overgang van een personeelslid van een bestaande politiedienst naar de nieuwe structuur en daar hoeft geen behoeftenonderzoek aan vooraf te gaan. Het middel is niet gegrond.
  35. In het vijfde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 32 van de Grondwet, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelij- ke motivering van de bestuurshandelingen, van het protocol nr. 11 van 21 april 2000 van het Comité van onderhandelingen voor de politiediensten, van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” en van de afwezigheid van deugdelijke motieven. Hij stelt dat hij, ondanks zijn dubbele hoedanigheid van OGP en OBP, toch als inspecteur van politie ingeschaald wordt, terwijl het protocol nr 11 bepaalt dat het bezit van deze hoedanigheden zou leiden tot een inschaling bij de officieren van de nieuwe politie. Hij wijst erop dat het bestreden besluit geen redenen opgeeft die de bestreden beslissing kan verklaren.
  36. De verwerende partij antwoordt in essentie dat, zo de wet van 29 juli 1991 vereist dat de motivering van een besluit afdoende is, het volstaat dat de betrokkene begrijpt waarom de bestreden beslissing getroffen is en dat, in geval van gebonden bevoegdheid van het bestuur, niet nuttig naar de schending van deze wet verwezen kan worden. In dit geval refereert het bestreden besluit aan het RPPol, waarvan het de uitvoering vormt. De minister kon hem in geen andere graad dan deze van inspecteur inschalen en verzoeker weet waarom hij in die graad ing- eschaald is.
  37. Verzoeker repliceert dat hij, afgaande op de reglementering en op de vernietigingsarresten die over de betrokken aangelegenheid reeds zijn gewezen, niet kan begrijpen waarom hij als inspecteur van politie in de nieuwe politiestructuur ingeschakeld is.
  38. De verwerende partij beschikte bij het nemen van het bestreden besluit over geen discretionaire bevoegdheid. Zij moest integendeel op basis van de op dat ogenblik beschikbare gegevens met betrekking tot de situatie van verzoeker -hij was toen eerste wachtmeester bij de rijkswacht-, toepassing maken van de desbetreffende bepalingen van het RPPol en kon niet anders dan verzoeker inschalen in de graad van inspecteur van politie. Bijlage 11 RPPol maakt geen onderscheid naargelang de eerste wachtmeesters van de rijkswacht al dan niet bekleed zijn met de hoedanigheid van OGP of OBP. Verwerende partij hoefde dan ook niet uiteen te IX-3178-12/14 zetten waarom die hoedanigheden niet bij de inschaling betrokken werden en waarom de inschaling in het basiskader gebeurde. In zoverre het middel zo begrepen zou moeten worden dat het kritiek uitbrengt op het RPPol, wordt verwezen naar de uiteenzetting als antwoord op het eerste middel. De Raad van State is, wegens de wettelijke bekrachtiging van deel XII RPPol, niet meer bevoegd om de wettigheid van dat besluit te onderzoe- ken. In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van een bepaling van de Grondwet, namelijk van artikel 32, wordt niet gepreciseerd waarin die schending zou bestaan. Het middel kan niet aangenomen worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  39. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  40. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-3178-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 november 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, de H. W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3178-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.948 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.106.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.