← België

Arrest 176998 - Milieuvergunningen - 22/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.998 Rolnummer: A. 135897/VII-29613 Zaak: Arrest 176998 - Milieuvergunningen - 22/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-03 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:10 Fiche Arrest nr 176.998 van 22 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 176.998 van 22 november 2007 in de zaak A. 135.897/VII-29.

  1. In zake : de c.v.b.a. INTERCOMMUNALE HOOGE MAEY, thans de c.v.b.a. INTERCOMMUNALE VERENIGING HOOGE MAEY, die woonplaats kiest bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v.b.a. INTERCOMMUNALE HOOGE MAEY, thans de c.v.b.a. INTERCOMMUNALE VERENIGING HOOGE MAEY, op 25 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "het Besluit van de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw van 26 februari 2003 (...) houdende uitspraak over een aanvraag ingediend door CV HOOGE MAAY, (...), exploitant van een stortplaats gelegen Moerstraat z/n te 2030 Antwerpen, strekkende tot het bekomen van een toelating tot afwijking van artikel 5.2.4.5.1 van Titel II van het VLAREM"; Gelet op het arrest nr. 127.085 van 15 januari 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-29.613-1/12 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 2 april 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 31 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat S. BEECKMAN die, loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten 1.
  4. De verzoekende partij wordt op 14 december 1998 opgericht als een intercommunale. Vanaf 1 januari 1999 baat zij de stortplaats "de Hooge Maey" uit op terreinen die toebehoren aan de stad Antwerpen, één van haar stichtende leden. Deze verkrijgt op 19 juli 1990 vergunning voor het exploiteren van die stortplaats. Op 20 april 1998 wordt een nieuwe vergunning verleend aan de c.v.b.a. AVERPA voor een termijn eindigend op 20 november
  5. De huidige uitbating geschiedt op grond van deze vergunning. 1.
  6. Voor de stortplaats wordt ook een bodemsaneringsdossier ingediend. Het bodemsaneringsproject wordt door de Openbare Afvalstoffenmaat- schappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) conform verklaard op 12 december VII-29.613-2/12
  7. De bodemsaneringswerken zoals omschreven in dit project worden begroot op 1,8 miljard BEF en omvatten de volgende aspecten: - afgraven industrieel slib; - isolatie door middel van een waterremmende bovenafdichting; - percolaatpomp en gasonttrekking; - behandeling van het percolaatwater in een waterzuiveringsinstallatie; - herprofilering stortmassief en gecontroleerde afvoer van regenwater; - monitoring grondwater; - consolidatie slibs. 1.
  8. Overeenkomstig artikel 48 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna: bodemsaneringsdecreet) wordt te dezen door de minister van Leefmilieu en Tewerkstelling vrijstelling verleend voor het stellen van financiële zekerheden voor de uit te voeren bodemsaneringswerken. 1.
  9. Op 5 september 2001 dient de verzoekende partij bij de Vlaamse minister van Leefmilieu een aanvraag in voor een afwijking van artikel 5.2.4.5.1 van Vlarem II, dat, in zijn oorspronkelijke versie, als volgt luidde : "§
  10. Een bankgarantie, overeenstemmend met de kosten van de afdichtlaag, de eindafdek en de nazorg van de stortplaats, wordt door de exploitant bij een financiële instelling gesteld ten voordele van de Openbare Afvalstoffenmaat- schappij voor het Vlaamse Gewest. Een afschrift van het bankgarantieattest wordt ten minste 30 kalenderdagen vóór de aanvang van de stortactiviteiten toegezonden aan de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en aan de toezichthoudende overheid. De stortactiviteiten mogen niet worden aangevat wanneer toezending van bedoeld afschrift niet is gebeurd. (...)". 1.
  11. Deze bepaling wordt naderhand, bij besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001, met inwerkingtreding op 16 juli 2001, als volgt gewijzigd : "§
  12. Voor de aanvang van de stortactiviteiten worden door de exploitant van de stortplaats financiële zekerheden gesteld ten voordele van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest. De financiële zekerheden moeten volgende risico's waarborgen: 1/ de kosten voor de afdichtlaag en de eindafdek van de stortplaats; 2/ de kosten voor de nazorgactiviteiten. §
  13. De financiële zekerheden kunnen de volgende vormen aannemen, afzonderlijk of in combinatie : VII-29.613-3/12 - een verzekering; - een garantie van een financiële instelling; - een andere persoonlijke of zakelijke zekerheid. (...)". 1.
  14. De verzoekende partij betoogt in haar afwijkingsaanvraag in essentie dat deze bankwaarborg betrekking heeft op de kosten van de afdichtlaag en de eindafdek van de stortplaats alsook op de kosten voor de nazorgactiviteiten, doch deze kosten zitten ook reeds vervat in het bodemsaneringsproject. De afdichtlaag en de eindafdek vormen volgens haar een wezenlijk onderdeel van de sanering en zij dienen dus geen tweede maal te gebeuren in het kader van de exploitatie. Zij stelt dat hiervoor een bedrag was geraamd van 400,5 miljoen BEF. 1.
  15. Op 26 februari 2003 wordt het thans bestreden besluit genomen. De motivering ervan luidt als volgt : "Overwegende dat de huidige aanvraag tot afwijking betrekking heeft op het verminderen van de opgelegde bankgarantie voor zone C (circa 39 ha groot) in de volgende zin : - bedrag totale bankgarantie, zoals bepaald in het Vlarem II : 394.780 m² * 1.400 BEF/m² * 126.74/119.73 = 585.051.é BEF; - bedrag voorzien in het saneringsplan voor de afwerking van zone C : 400.000.000 BEF; - verschil : 185.051.é BEF; - jaarlijkse borgstelling: 185.051.é BEF/11 jaren (periode voor opvulling zone C) = 16.822.839 BEF; Overwegende dat overeenkomstig de bepalingen van titel II van het Vlarem een bankgarantie, overeenstemmend met de kosten van de afdichtlaag, de eindafdek en de nazorg van de stortplaats, door de exploitant bij een financiële instelling wordt gesteld ten voordele van de Openbare Afvalstoffenmaatschap- pij voor het Vlaamse Gewest; dat dit impliceert dat de bankgarantie wordt berekend op basis van de oppervlakte van de aan te brengen afdichtlaag en eindafdek van de stortplaats; Overwegende dat de exploitant voorstelt om 400 miljoen, die door het bodemsaneringsproject is gebudgetteerd voor de afdichtlaag van zone C, mee te laten tellen voor de bankgarantie; Overwegende evenwel dat saneringsplichtige financiële zekerheden dienen te worden gesteld tot waarborg van verbintenissen voor de kosten van de bodemsanering zoals geregeld door het decreet van 22 februari 1995 betreffen- de de bodemsanering; dat de saneringsplichtige exploitant deze financiële zekerheden om de bodemsaneringskosten te waarborgen niet kan aanwenden om zijn verplichtingen inzake de kosten van de afdichtlaag, de eindafdek en de nazorg van de stortplaats mee te betalen; dat de bodemsaneringskosten duidelijk gescheiden zijn van de kosten die de normale exploitatie en eindafwerking van een stortplaats met zich meebrengt; dat de bodemsanering van de stortplaats niet in het gedrang kan gebracht worden door gelden bestemd voor de bodemsanering aan te wenden voor andere doeleinden die niets te maken hebben met die bodemsanering; VII-29.613-4/12 Overwegende dat de bevoegde minister Kelchtermans inderdaad vrijstelling heeft gegeven voor het stellen van financiële zekerheden, conform artikel 39 van het bodemsaneringsdecreet; dat er evenwel geen vrijstelling is gegeven voor de door de titel II van het VLAREM voorgeschreven bankgarantie overeenstemmend met de kosten van de afdichtlaag, de eindafdek en de nazorg van de stortplaats; Overwegende dat krachtens het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 (implementaire van de Europese richtlijn betreffende stortplaatsen) houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergun- ning en het besluit van Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne de kosten voor het stellen van de financiële zekerheden dienen doorgerekend in de kostprijs voor het storten van afvalstoffen; Overwegende dat er op heden bijgevolg geen enkel nieuw objectief argument voorhanden is om van de sectoraal geldende voorwaarden inzake bankgarantie af te wijken; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde toelating tot afwijking te weigeren".
  16. De beoordeling 2.1.
  17. In het verzoekschrift wordt het enig middel als volgt omschreven : "Genomen uit de schending van artikel 20 van het Decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en artikel 5.2.4.7.
  18. VLAREM II, vroeger artikel 5.2.4.5.
  19. VLAREM II juncto artikel 19, § 2, 29, 39 van het Decreet van 22 februari 1995 betreffende de Bodemsanering juncto de materiële en formele motiveringsplicht in het bijzonder artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen juncto de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldig- heidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel. het evenredigheidsbeginsel en het zuinigheidsbeginsel alsook het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Doordat de bestreden beslissing ten onrechte tot het besluit komt dat de financiële zekerheden die dienen gesteld te worden tot waarborg van de verbintenissen van de Intercommunale Hooge Maey als saneringsplichtige voor de kosten van de bodemsanering niet mogen aangewend worden om de kosten van de afdichtlaag en de eindafdek van de stortplaats mee te betalen en dat overeenkomstig de bepalingen van het VLAREM II een bankgarantie dient gesteld te worden voor de (gehele) kosten van de afdichtlaag, de eindafdek en de nazorg van de stortplaats. Terwijl eerste onderdeel kan worden aangetoond dat de afdichtlaag en eindafdek met betrekking tot de stortactiviteiten die voorafgaan aan de oprichting en werking van de lntercommunale Hooge Maey onderdeel zijn van de sanering en niet van de exploitatie van de stortplaats, waardoor alleen voor de kosten van de afdichtlaag en eindafdek van het deel van de exploitatie van de stortplaats dat hierna bijkomend nog plaatsvindt en niet gedekt wordt in het saneringsproject, met name tussen 40 TAW en 55 TAW, nog financiële zekerheden moeten gesteld worden. Het is dan ook in rechte en in feite onjuist te stellen dat de bodemsanering in het gedrang kan worden gebracht door gelden bestemd voor de bodemsane- ring aan te wenden voor andere doeleinden die niets te maken hebben met die bodemsanering waardoor er een schending is van de motiveringsplicht. VII-29.613-5/12 Terwijl tweede onderdeel aangezien er een manifeste onjuiste toepassing wordt gemaakt van artikel 5.2.4.7.1 vroeger artikel 5.2.4.5.
  20. VLAREM II op basis van een verkeerde feitelijke inschatting er ook een schending is van het zorgvuldigheidsbeginsel en daarenboven de bestreden beslissing niet daadwer- kelijk alle belangen afweegt en geen rekening houdt met de historiek van het dossier en het niet nemen van milieubeschermende maatregelen door de vroegere exploitant, de zeer zware financiële lasten terzake de sanering die hieruit voortvloeien, de betrokkenheid van het Vlaamse Gewest hierbij gezien de noodzaak van het behoud van deze stortplaats van gewestelijk belang en de door haar ondertekende intentieverklaring met het oog op het instandhouden van een gunstig klimaat van overleg tussen de verschillende betrokken overheden en de zeer ernstige gevolgen van deze interpretatie van de verplich- ting tot het stellen van financiële zekerheden waardoor zowel de verdere sanering als exploitatie van de stortplaats effectief in gevaar wordt gebracht, er ook een schending is van het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het zuinigheidsbeginsel en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel". 2.1.
  21. In de toelichting bij het eerste onderdeel van het middel betoogt de verzoekende partij kort samengevat nog dat zij als opdrachten heeft, enerzijds, de exploitatie van het stort de Hooge Maey, en anderzijds, de sanering ervan. Zij stelt verder dat het financiële draagvlak van het saneringsdos- sier wordt geboden door de verdere stortactiviteiten en dat de milieuvergunningen enkel konden worden bekomen als er een conform verklaard bodemsaneringsproject bestond. Zij zet uiteen dat voor de aanvang van de stortactiviteiten de exploitant financiële zekerheden moet stellen tot dekking van de kosten voor de afdichtlaag, de eindafdek en de nazorg van de stortplaats, maar dat in het verleden evenwel geen provisies werden aangelegd, en dat mede daarom een intercommunale werd opgericht die onder meer de sanering moet doorvoeren. Er moet dus volgens de verzoekende partij een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de aanvang van de nieuwe stortactiviteiten sedert de oprichting van de intercommunale, en de vroegere stortactiviteiten die hieraan voorafgingen. Op basis van artikel 5.2.4.5.1 (oud) van Vlarem II en artikel 5.2.4.7.1 (nieuw) van Vlarem II is het volgens haar niet mogelijk dat retroactief aan de intercommunale een financiële zekerheid wordt gevraagd voor stortactiviteiten uit het verleden. Zij stelt dat de kosten voor de afdichtlaag en de eindafdek met betrekking tot de vroegere stortactiviteiten worden opgenomen in het door OVAM goedgekeurde saneringsproject en niet meer het voorwerp uitmaken van de exploitatie van de stortplaats. De verzoekende partij legt eveneens uit dat in het saneringsplan wordt opgesomd wat het voorwerp uitmaakt van de sanering. Hierbij is het VII-29.613-6/12 aanbrengen van een eindafdek met een afdichtingslaag ook vermeld, meer bepaald: "het herprofileren van de stortmassa op zone C en het aanbrengen van een afdichtlaag bestaande uit bentonietmatten of folie op de taluds en een minerale laag slecht doorlatend materiaal op het bovenoppervlak". Het bodemsaneringsplan vermeldt in de tabel "uitvoering, planning en raming" expliciet de kostprijs van deze operatie, namelijk 400 miljoen BEF of 9.915.740,9 euro. Het aanbrengen van een afdichtlaag en een eindafdek vormt dan ook volgens de verzoekende partij een wezenlijk onderdeel van de sanering en dient bijgevolg niet meer in het kader van de exploitatie van de stortplaats te gebeuren. De nazorg is dan weer volledig een last van de stortplaatsexploitatie. De verzoekende partij betoogt dat men er voor de effectieve berekening van de nog te stellen financiële zekerheden overeenkomstig artikel 5.2.4.7.1 van Vlarem II dient van uit te gaan dat de aspecten sanering en exploitatie strikt gescheiden moeten blijven. Zij stipt aan dat de minister een vrijstelling verleende voor het stellen van financiële zekerheden in het kader van de verbintenis tot sanering en de uitvoering van het bodemsaneringsproject aangezien de financiering van de sanering opgenomen is in het financieel plan dat opgesteld werd voor de oprichting van de Intercommunale Hooge Maey. Het is volgens de verzoekende partij in rechte en in feite onjuist te stellen dat de bodemsanering in het gedrang kan worden gebracht door gelden bestemd voor de bodemsanering aan te wenden voor andere doeleinden die niets te maken hebben met die bodemsanering. Uit wat voorafgaat blijkt volgens de verzoekende partij dat het bestreden besluit rechtens en feitelijk niet correct is gemotiveerd en geen antwoord biedt op de door haar ontwikkelde argumenten. 2.1.
  22. Wat betreft het tweede onderdeel van het middel betoogt de verzoekende partij in de toelichting nog dat het bestreden besluit de beginselen van het behoorlijk bestuur schendt. Zij stelt dat het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden is doordat geen onderscheid wordt gemaakt tussen de financiële zekerheden die moeten worden gesteld bij de aanvang van de stortactiviteiten en dus vanaf de oprichting van de Intercommunale Hooge Maey en de financiële zekerheden met betrekking tot de hieraan voorafgaande activiteiten van de vroegere exploitant, die desbetreffend in gebreke is gebleven, en die thans worden opgevangen in de kosten voor sanering van de stortplaats krachtens de voorschriften van het bodemsanerings- decreet. Er anders over oordelen zou volgens de verzoekende partij betekenen dat er een dubbele garantiestelling zou zijn vereist. VII-29.613-7/12 Wat betreft het redelijkheids-, evenredigheids- en zuinigheidsbe- ginsel betoogt de verzoekende partij dat de afwijkingsaanvraag ook moest worden beoordeeld in het licht van de historiek van het dossier en de belangen bij voortzetting van de activiteiten van sanering en exploitatie van de stortplaats. In het verleden werden diverse milieubeschermende maatregelen niet genomen, waardoor thans tot sanering moet worden overgegaan. Toen werden ook geen financiële zekerheden opgebouwd. Met het oog op sanering en verdere exploitatie werd de vennootschap van de verzoekende partij opgericht. Het Vlaamse Gewest is hier duidelijk bij betrokken, en het stelde dat de Hooge Maey in het kader van het stortplaatsenbeleid een bijzondere rol krijgt toebedeeld: dit stort fungeert als sluitstuk indien er in Vlaanderen te weinig stortcapaciteit zou zijn. Het Vlaamse Gewest is, samen met andere overheden, ook bij de sanering betrokken. In dat verband werd een intentieverklaring getekend. Het Vlaamse Gewest deed ook nog een financiële tegemoetkoming van 500 miljoen (toenmalige) BEF, en de minister verleende een vrijstelling tot het stellen van financiële zekerheden. De verzoekende partij leidt daaruit af dat indien thans niet met redelijkheid wordt geoordeeld over de nog te stellen financiële zekerheid zulks leidt tot een financiële catastrofe die de verdere exploitatie en het bestaan van de stortplaats onmogelijk maakt en derhalve ook de sanering hypothekeert. Er is volgens haar nochtans een borg voor de reeds gestorte hoeveelheden vanuit de sanering en er zal een nieuwe borgstelling zijn vanuit de exploitatie voor de gestorte hoeveelheden vanaf 1 januari
  23. Overeenkomstig het zuinigheidsbeginsel dient een dubbele garantie vermeden te worden. Aangaande het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel betoogt zij dat, gelet op de antecedenten van het dossier, men ervan uit kon gaan dat voor de financiële zekerheden te stellen in het kader van de verdere exploitatie, eenzelfde constructieve kostenbesparende houding zou worden aangenomen door OVAM en het Vlaamse Gewest, waarbij in ieder geval een dubbele garantiestelling zou worden vermeden. Bovendien meent de verzoekende partij dat zij in een lange periode van onzekerheid werd gelaten. 2.
  24. In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij kort samengevat dat de verzoekende partij overeenkomstig haar statuten de bewuste stortplaats moet exploiteren en saneren en dat deze twee activiteiten niet los te koppelen zijn. Zij vervolgt dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt, de eindafwerking, het aanbrengen van de afdeklaag en de nazorg uitdrukkelijk zijn voorgeschreven als activiteiten die deel uitmaken van de exploitatie van de inrichting binnen de milieuvergunning. Ook de kost voor het VII-29.613-8/12 stellen van de financiële zekerheden met het oog daarop is volgens de verwerende partij een substantieel deel van de exploitatie binnen de betrokken milieuvergunning. Zij betoogt verder dat de sanering van de Hooge Maey de bodem en ondergrond betreft, terwijl de eindafwerking is opgelegd als milieuvoorwaarde, zodat zij niet gefinancierd kan worden met middelen die gebudgetteerd zijn voor de sanering. De financiële zekerheid voor de eindafwerking staat volgens haar in functie van de af te werken oppervlakte, en bij de Hooge Maey was dat de gehele oppervlakte, zodat de kosten daarvoor moeten worden doorgerekend in de kostprijs voor het storten van de afvalstoffen. Zij beklemtoont dat de verzoekende partij geen financiële zekerheden - voorzien voor de saneringsplicht - kan aanwenden om de kosten voor de afdichtlaag, de eindafdek en de nazorg van de stortplaats mee te betalen, want anders kan de bodemsanering in het gedrang komen. Zij benadrukt nog dat het bestreden besluit steunt op deskundige adviezen en dat de motieven voor het weigeren van de afwijking van de sectorale voorwaarden duidelijk kenbaar zijn gemaakt in het bestreden besluit en rechtens en feitelijk correct zijn. Zij besluit dat, rekening houdend met de rechten en belangen van de burgers en met de noden en de mogelijkheden van de samenleving, de overheid enkel bestaande milieunormen kan versoepelen indien daarvoor dwingende redenen voorhanden zijn en dat de minister niet wou afwijken van het principe "de vervuiler betaalt". 2.
  25. In de memorie van wederantwoord brengt de verzoekende partij kritiek uit op de inhoud van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging werd verworpen en stelt zij dat men niet zonder meer en ongenuanceerd kan stellen dat het stellen van een waarborg voor de eindafwerking van de stortplaats totaal verschillend is van de provisies die in het vermogen van de vennootschap met het oog op de sanering worden opgebouwd. Zij zet uiteen dat zij niet de exploitatie van de stortplaats uit het verleden overnam, en dus evenmin de verplichting had tot het stellen van financiële zekerheden voor de eindafdek met betrekking tot deze vroegere activiteiten waarvoor de stad Antwerpen in gebreke bleef. Zij stelt dat op grond van art. 5.2.4.7.1 van Vlarem II niet retroactief kan worden gevraagd om financiële zekerheden te stellen voor de stortactiviteiten uit het verleden. De kosten voor wat betreft de afdichtlaag en de eindafdek met betrekking tot de vroegere stortactiviteiten zijn volgens de verzoekende partij opgenomen in het door OVAM goedgekeurde saneringsproject en maken bijgevolg niet het voorwerp uit van de exploitatie van de stortplaats. Zij betoogt dat men aldus ook niet kan stellen dat de gelden bestemd voor de bodemsanering worden VII-29.613-9/12 aangewend voor andere doeleinden die niets te maken hebben met deze bodemsane- ring. Zij benadrukt ook opnieuw dat voor de berekening van de nog te stellen financiële zekerheden overeenkomstig artikel 5.2.4.7.1 van Vlarem II men een onderscheid moet maken tussen de aspecten sanering en de (actuele) exploitatie. Zij stelt verder dat de stad Antwerpen indertijd geen financiële waarborg voor de eindafdek stelde, ook niet toen dit reglementair verplicht werd. De Hooge Maey werd daarna de nieuwe exploitant van de stortplaats en er werd een saneringsplan opgesteld dat onder meer voorziet in een eindafdek van de zone C. De verzoekende partij merkt op dat de verwerende partij ten onrechte in de memorie van antwoord stelt dat de sanering van de Hooge Maey enkel op de bodem en ondergrond zou slaan. Zij beweert verder dat de vrijstelling van de financiële zekerheid, die destijds werd verleend in het kader van de bodemsanering, betekent dat het Vlaamse Gewest deze borgstelling overnam. Het Vlaamse Gewest zegde volgens de verzoekende partij daarenboven een financiële tegemoetkoming toe. Er waren dus, steeds volgens de verzoekende partij, voldoende financiële garanties. Zij herhaalt dat men een duidelijk onderscheid moet maken tussen sanering (de toestand vóór 1/1/1999) en de exploitatie. Gesteld dat de reeds bestaande stortplaats (vóór 1/1/1999) geen voorwerp zou uitmaken van de sanering maar in zijn geheel voorwerp zou uitmaken van de exploitatie, dan had de intercommunale, volgens de verzoekende partij, reeds op 1 januari 1999 een borg moeten stellen van 400 miljoen (toenmalige) BEF. Van een geleidelijke opbouw van de borgstelling kon hier volgens haar geen sprake zijn, gelet op de exploitatie in het verleden. Zij benadrukt ook nog dat het stellen van een bijkomende financiële zekerheid aanleiding zou geven tot onoverkomelijke financiële problemen voor de sanering en de verdere exploitatie van de stortplaats, waardoor haar voortbestaan in het gedrang zou komen. Zij zal zowel op de saneringszone van de vroegere stortplaats als op de exploitatiezone een eindafdek aanbrengen conform de Vlarem-voorschriften. Dus de eindafdek is volgens haar in beide gevallen identiek en sluit op elkaar aan. Volgens planning zal deze eindafdek in zijn totaliteit aangebracht zijn tegen
  26. De verzoekende partij zet uiteen dat het financieel gezien niet evident is dat de kosten van de bodemsanering worden doorgerekend aan de klant vermits de sanering voor het overgrote deel wordt betaald door de stortopbrengsten. VII-29.613-10/12 2.
  27. Geen enkele in het middel aangehaalde rechtsregel verhindert dat, op grond van artikel 5.2.4.5.1 van Vlarem II, een zekerheid zou worden gesteld voor werken die reeds in het kader van een bodemsaneringsproject werden voorzien, zeker niet wanneer tot waarborg van die bodemsaneringswerken geen zekerheid moest worden gesteld en de verzoekende partij bovendien niet aannemelijk maakt dat de beide waarborgen -die geen betalingen zijn- elkaar zouden overlappen. In het licht van het voorgaande, hoefde de verwerende partij niet te antwoorden op de uitgebreide argumentatie die de verzoekende partij in haar beroepschrift had ontwikkeld, omdat deze argumentatie was uitgebouwd rond het verkeerde uitgangspunt dat een beweerd "dubbele" zekerheidstelling was uitgesloten. Los van de vraag of dit aspect van de zaak door de Raad van State kan worden beoordeeld, maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat haar beweerd recht op vrijstelling of vermindering van zekerheidstelling in het kader van de Vlarem II-regeling voor het vergunnen van een stortplaats zou zijn verworven. Het bestreden besluit is met redenen omkleed en de verwerende partij verantwoordt ten genoege van recht waarom zij van oordeel was dat de verzoekende partij te dezen niet kon worden bevrijd van de zekerheidstelling of waarom deze niet kon worden gereduceerd. Het middel is niet gegrond, BESLUIT: Artikel
  28. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  29. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-29.613-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-29.613-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.998 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.127.085 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.