← België

Arrest 177028 - Examens (onderwijs) - 22/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.028 Rolnummer: A. 185799/XII-5267 Zaak: Arrest 177028 - Examens (onderwijs) - 22/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-28 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:11 Fiche Arrest nr 177.028 van 22 november 2007 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.028 van 22 november 2007 in de zaak A. 185.799/XII-

  1. In zake : Kathleen PAUWELS, die woonplaats kiest bij advocaten Chr. De Nyn en J. Pinoy, kantoor houdende te Londerzeel, Oudemanstraat 25, bus 3 tegen : de VZW SINT-THERESIACOLLEGE, die woonplaats kiest bij advocaten P. Mensalt en L. De Munck, kantoor houdende te Grimbergen, Gemeentehuisstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de minderjarige Kathleen Pauwels, vertegenwoordigd door haar ouders Herman Pauwels en Karin Cautaert, op 12 november 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 6 november 2007 van de delibererende klassenraad van het vijfde jaar Wetenschappen-Wiskunde van het Sint-Theresiacollege te Kapelle-op-den-Bos waarbij haar een C-attest wordt toegekend, evenals van de eerdere beslissingen van 25 juni 2007, 29 juni 2007 en 17 september 2007 van de klassenraad; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 november 2007, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-5267-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat Chr. De Nyn, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaten P. Mensalt en L. De Munck, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De voorgaanden
  3. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2006-2007 ingeschreven als leerling in het eerste jaar van de derde graad Wetenschappen-Wiskunde van het Sint-Theresiacollege te Kapelle-op-den-Bos. Tijdens de deliberatie van 25 juni 2007 beslist de klassenraad haar een oriënteringsattest C te verlenen. Na overleg hierover op 28 juni 2007 tussen de ouders en de school, bevestigt de klassenraad het C-attest op 29 juni
  4. De beroepscommissie adviseert op 23 augustus 2007 dat er geen elementen zijn die een derde bijeenroeping van de klassenraad rechtvaardigen. Met een verwijzing naar dit advies, beslist de raad van bestuur van verwerende partij op 28 augustus 2007 om de klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Op 5 september 2007 wordt de weigering van 28 augustus 2007 evenwel ingetrokken en wordt de klassenraad eens te meer samengeroepen. Deze beslist op 17 september 2007 het C-attest te handhaven. Daarvoor wordt onder meer gesteund op “de jaartekorten voor Frans, geschiedenis en wiskunde”. Bij arrest nr. 175.279 van 2 oktober 2007 beveelt de Raad van State op vordering van verzoekster de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 17 september 2007 (zaak met nr. A 185.237/XII-5213). Met betrekking tot het ernstig bevonden tweede middel, afgeleid uit de schending van de materiële- motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, overweegt de Raad dat voor de beslissing om verzoekster in het tweede semester 19,6 op 70 te geven voor het mondelinge examen geschiedenis “elke mogelijkheid [lijkt te ontbreken] voor de rechter om te beoordelen of die quotering berust op de rechtens vereiste feitelijke grondslag”. Overwogen wordt nog : XII-5267-2/8 “Het zal de delibererende klassenraad toevallen om te oordelen of hij voldoende voorgelicht is over de kennis en de kunde van verzoekster aan de hand van de niet-betwiste concrete gegevens van het dossier, om over haar slagen te oordelen. Zo is het denkbaar dat een klassenraad die niet over de punten beschikt van alle examens [...] toch van oordeel is zich over die leerling een voldoende beeld te hebben gevormd om zich te kunnen uitspreken met kennis van zaken. Dat zal die klassenraad dan wel afdoende moeten motiveren. Zeker indien de beslissing uitvalt in het nadeel van de leerling zal de klassenraad overtuigend moeten uiteenzetten waarom de ontbrekende punten de betrokken leerling hoe dan ook niet kunnen helpen aan een gunstiger resultaat. Anderzijds is het ook denkbaar dat een klassenraad meent dat het ontbreken van de punten voor een welbepaald examen of examenonderdeel tot gevolg heeft dat hij onvoldoende voorgelicht is, wat er dan op neerkomt, zo lijkt, dat hij zijn beslissing moet uitstellen om de leerling uitgestelde proeven te laten afleggen. Die afweging mag de Raad van State evenwel niet in de plaats van de delibererende klassenraad maken”. Ten gevolge van het arrest van de Raad van State en “in het belang van Kathleen” trekt de klassenraad op 15 oktober 2007 zijn beslissing van 17 september 2007 in. Tevens wordt besloten verzoekster een bijkomende proef te laten afleggen voor het vak geschiedenis. Verzoekster legt de proef af op 5 november
  5. Op 6 november 2007 beslist de delibererende klassenraad opnieuw aan verzoekster een C-attest te geven. De ontvankelijkheid
  6. Verwerende partij werpt in de nota twee ontvankelijkheidsexcepties op. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden zich slechts opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan mocht zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is. De schorsingsvoorwaarde van de ernstige middelen
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. XII-5267-3/8
  8. Verzoekster voert, aangaande de eerste voorwaarde, vier middelen aan. In een eerste middel doet zij gelden, eensdeels, dat uit geen enkel element blijkt dat de volledige klassenraad is bijeengekomen en de bestreden beslissing heeft genomen en, anderdeels, dat de beslissing die haar werd meegedeeld niet de voornamen vermeldt van de leden die de beslissing mee hebben ondertekend.
  9. Het eerste onderdeel van het middel lijkt achterhaald door stuk 15 van het administratief dossier, zijnde een 16 november 2007 gedateerde verklaring waarin de leden van de klassenraad bevestigen op 6 november 2007 te zijn samengekomen en unaniem beslist te hebben verzoekster een C-attest uit te reiken, om de redenen die het aangevochten besluit vermeldt.
  10. Wat het tweede onderdeel betreft leidt verzoekster uit de omzendbrief SO 64 van 25 juni 1999 betreffende de structuur en de organisatie van het voltijds secundair onderwijs af dat de bestreden beslissing benevens de handtekening en de naam van drie leden van de delibererende klassenraad ook de voornaam van die leden had moeten vermelden. Nu dat niet gebeurd is zou het voor haar “onmogelijk [zijn] om na te gaan of de beslissing op regelmatige wijze werd getroffen”. Op welke wijze het feit dat de drie leden van de klassenraad die de bestreden beslissing ondertekenden alleen de beginletter van hun voornaam vermeldden en niet hun volledige voornaam, verzoekster heeft belet “om na te gaan of de beslissing op regelmatige wijze werd getroffen”, is niet spontaan in te zien en wordt evenmin verduidelijkt. Nog daargelaten of de verwerende partij terecht betwist dat de omzendbrief verordenende kracht heeft en te dezen toepasselijk is, lijkt verzoekster in de huidige stand van de procedure tenminste zonder belang bij het onderdeel.
  11. Het eerste middel is niet ernstig.
  12. In een tweede en vierde middel voert verzoekster de schending aan van de materiële-motiveringsplicht, respectievelijk het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel. In verband met het tweede middel licht verzoekster toe dat haar resultaat voor het mondelinge proefwerk geschiedenis van juni heeft meegespeeld bij het nemen van de bestreden beslissing, ofschoon de Raad van State in zijn arrest van 2 oktober 2007 beslist had dat het niet mocht meetellen bij de eindbeoordeling. Met betrekking tot het vierde middel wordt uiteengezet dat verwerende partij geen XII-5267-4/8 rekening heeft gehouden met de bijkomende proef voor geschiedenis waarnaar zelfs niet verwezen wordt, terwijl verzoekster erop moet kunnen vertrouwen dat wanneer gevraagd wordt een bijkomende proef af te leggen, het resultaat ervan effectief in overweging wordt genomen.
  13. Volgens de verwerende partij had zij “ingevolge het schorsingsarrest van 2.10.2007” de keuze om hetzij opnieuw te delibereren abstractie makend van de proef geschiedenis in juni, hetzij opnieuw te delibereren na het opleggen van een bijkomende proef geschiedenis, dan op basis van het gehele dossier en alle gekende resultaten, inbegrepen het resultaat voor de proef geschiedenis in juni. Die zienswijze is op het eerste gezicht verkeerd. De strekking van het schorsingsarrest lijkt integendeel te zijn dat aangezien niet blijkt dat de quotering van 19,6 op 70 voor het mondelinge examen geschiedenis in juni op de rechtens vereiste feitelijke grondslag berust, de klassenraad hieruit kon kiezen: ofwel meteen uitspraak doen op grond van de niet-betwiste concrete gegevens van het dossier, ofwel uitspraak doen na het ontbreken van de punten voor geschiedenis in het tweede semester te hebben opgevangen door verzoekster uitgestelde proeven te laten afleggen. In de beide gevallen mag geen rekening gehouden worden met de punten van het tweede semester voor geschiedenis omdat verwerende partij van die punten nu eenmaal, in strijd met de materiële-motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, niet aannemelijk kon maken dat er de noodzakelijke “feitelijke grondslag” voor bestond. Aldus bekeken, bekritiseert verzoekster terécht dat op de bladzijden 4, 5, 8 , 9 en 10 van de bestreden beslissing naar de punten van geschiedenis in juni wordt verwezen.
  14. Daartegenover staat dan weer dat, gelet op het geheel van de redengeving van de bestreden beslissing, die verwijzingen op het eerste gezicht maar een bijkomstig belang vertonen en zonder decisieve waarde lijken. In het cijfer voor geschiedenis in juni meer dan een marginaal, aanvullend motief zien, lijkt de beslissing van de klassenraad onrecht te doen. Benevens op het gewraakte semestertekort voor geschiedenis steunt verwerende partij zich voor haar conclusie dat verzoekster “ondanks haar inzet en goede wil, niet over de nodige capaciteiten beschikt om de studierichting Wetenschappen-Wiskunde verder te zetten”, immers ook nog: op acht andere XII-5267-5/8 semestertekorten, op twee jaartekorten (43,2 % voor Frans en 45 % voor wiskunde), op “de onvoldoendes voor de wetenschappelijke vakken en wiskunde” die inzonderheid problematisch zijn “in het vooruitzicht van vervolgonderwijs in het zesde jaar Wetenschappen-Wiskunde”, en op de tussentijdse rapporten en de vaststellingen en adviezen van de begeleidende klassenraad. Waarbij onder andere wordt toegelicht : “Het probleem begon bij de instap in het vijfde jaar Wetenschappen-Wiskunde waardoor het advies op het einde van het vierde jaar Wetenschappen om niet te beginnen in een vijfde jaar met 6u wiskunde, werd genegeerd. Op de scharniermomenten van Kerstmis 2006 werd tijdens het oudercontact minstens mondeling geadviseerd (en schriftelijk bij het vak wiskunde) om alsnog over te stappen naar een studierichting met 3 of 4 u wiskunde. Bovendien bevat het rapport enkele elementen die het advies van de klassenraad ondersteunen”.
  15. Tenminste in de huidige stand van de rechtspleging blijkt niet dat de onterechte verwijzingen naar het tekort voor geschiedenis in juni, een determinerende invloed hebben gehad op de beslissing om verzoekster een C-attest te geven. De verwijzingen zijn niet van aard de onwettigheid van die beslissing wezenlijk aan te tasten.
  16. Dat de verwerende partij zelfs niet eens naar de bijkomend opgelegde proef zou verwijzen, zoals verzoekster in het vierde middel betoogt, lijkt niet te kloppen. Op bladzijde 5 komt de proef uitdrukkelijk ter sprake en wordt er de gevolgtrekking uit gemaakt dat de resultaten voor geschiedenis “dus min of meer dezelfde [blijven]: met Kerstmis 38,8/70 en nu 36,2/70”. Ook in “De motivering” op bladzijde 10 worden de 36,2 op 70 punten van de bijkomende proef vermeld. Iets anders is of dat resultaat verwerende partij belet moest hebben om verzoekster opnieuw een C-attest uit te reiken. Voor zoveel verzoekster zulks zou beweren, wordt het vooralsnog niet bijgevallen. Er is op het eerste gezicht geen reden om aan te nemen dat de verwerende partij het betrokken resultaat niet het gewicht heeft gegeven dat het verdiende en dat zij, door te dezen een C-attest uit te reiken, niet binnen de grenzen is gebleven van haar -ruime- beoordelingsbevoegdheid
  17. Het tweede en het vierde middel zijn niet ernstig.
  18. In een derde middel, ten slotte, doet verzoekster de schending van het gelijkheidsbeginsel gelden. Zij betoogt dat het bij verwerende partij een gewoonte is om in geval van twee tekorten gunstig te delibereren, minstens een uitgestelde proef XII-5267-6/8 uit te schrijven. Verwijzend naar andere leerlingen is zij van mening dat “zij het voordeel [had] dienen te genieten van uitgestelde proeven en zelfs deliberaties”.
  19. Verwerende partij antwoordt in de nota onder andere “dat niet enkel met het jaartekort resp. de resultaten op de proeven wordt rekening gehouden maar met de globale inzet, adviezen en resultaten van de betrokken leerling over een heel jaar alsmede met diens studieverleden en slaagkansen in het volgend schooljaar”. Ter terechtzitting specificeert de verwerende partij dat verzoekster zich ten onrechte vergelijkt met bijvoorbeeld leerlingen die een geattesteerde leerstoornis hebben en met Kerstmis geen tekorten hadden.
  20. Voorlopig wordt met de verwerende partij aangenomen dat het “deliberatiedossier” van verzoekster zich niet laat vergelijken met dat van de leerlingen waarnaar zij verwijst. Daartoe wordt niet alleen rekening gehouden met de toelichting van verwerende partij ter terechtzitting, maar ook met de notulen aangaande de deliberatie van verzoeksters klasgenoten, welke notulen als stukken 2a en 2b deel uitmaken van het administratief dossier dat verwerende partij heeft neergelegd naar aanleiding van verzoeksters vordering tot schorsing in de zaak met nr. A. 185.237/XII-
  21. Naar uit die notulen op het eerste gezicht kan worden opgemaakt is er in het geval van verzoekster sprake van”willen maar niet kunnen”: zij werkt zeer hard, maar kan het niet aan. Voor de klasgenoten daarentegen lijkt vooral te gelden dat zij onvoldoende hebben gewerkt, een kwestie dus -zo lijkt- van onvoldoende willen. Het is een verschil dat niet zonder pertinentie lijkt bij de beoordeling of er al dan niet een bijkomende proef wordt opgelegd. Overigens wijzen de genoemde stukken 2a en 2b uit dat van de drie klasgenoten waarmee verzoekster zich vergelijkt, twee ervan uiteindelijk evengoed als verzoekster een C-attest hebben gekregen. De derde klasgenoot, die finaal een A-attest verkreeg, liep haar jaartekorten uitsluitend in het tweede semester op. Verzoekster van haar kant scoorde -in de lijn van het advies bij het einde van het vierde jaar om geen vijfde jaar met zes uur wiskunde te beginnen- ook al met Kerstmis ruim ontoereikend voor onder andere wiskunde.
  22. Het middel overtuigt niet voldoende om een schorsing te kunnen verantwoorden. XII-5267-7/8
  23. Verzoekster voert geen ernstige middelen aan. Er is aldus niet voldaan aan een van de drie cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  24. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  25. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november 2007, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5267-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.028 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.356 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.444 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.