id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.115 Rolnummer: A. 185840/IX-5788 Zaak: Arrest 177115 - Penitentiair recht - 23/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:13 Fiche Arrest nr 177.115 van 23 november 2007 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.115 van 23 november 2007 in de zaak A. 185.840/IX-
- In zake : Pascal HINDERYCKX, die woonplaats kiest bij advocaat N. LORENZETTI, kantoor houdende te BRUGGE, Walakker 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Pascal HINDERYCKX op 16 november 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Directeur van de Strafinrichting te Brugge - Mannenafdeling 1 van 12 november 2007 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd: “- drie dagen strafcel vanaf 10.11.2007 om 10.10 u. tot en met 13.11.2007 om 10.10 u.; - 2 weken strikt vanaf 13.11.2007 tot en met 26.11.2007; - 1 maand glasbezoek vanaf 27.11.2007 tot en met 26.12.2007”; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 19 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2007, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. LORENZETTI, die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché K. VAN DRIESSCHE, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-5788-1/7 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker verblijft in het Penitentiair Complex te Brugge. Bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Gent van 12 juli 2007 is hem het voordeel van de beperkte detentie toegekend. Op 10 november 2007 werd in de gevangenis een drugscontrole met drugshond uitgevoerd. De verzoeker, die op dat ogenblik de uitvoering onderging van een te dezen niet relevante tuchtstraf, bevond zich niet in zijn gewone cel, met nummer 3969, maar in cel
- In cel 3969, waar gewoonlijk vier gedetineerden verblijven, waaronder de verzoeker, werd een joint gevonden, toebehorend aan een van de andere gedetineerden, en verbrand zilverpapier in een aan de verzoeker toebehorende t-shirt. Meteen werd een rapport aan de directeur opgesteld. Een eerste versie van dat rapport werd later vervangen door een tweede, meer uitgebreide versie. Volgens die tweede versie zou de verzoeker toegegeven hebben dat er sporen van drugs in zijn t-shirt aanwezig waren. De verzoeker betwist evenwel dat hij iets zou hebben toegegeven. Nadat de directeur van de gevangenis op 10 november 2007 bij voorlopige maatregel beslist heeft om de verzoeker te laten verblijven op cel 3154, start hij op 11 november een tuchtprocedure. Een hoorzitting vindt plaats op 12 november. De verzoeker betwist dat hij iets met de gevonden drugs te maken heeft, en wijst erop dat zijn cel 3969 er een is “op halve vrijheid”, waar “iedereen bij iedereen op cel (kan)”, en dat hij op het ogenblik van de controle in een andere cel zat. In die andere cel is trouwens niets gevonden. IX-5788-2/7 Dezelfde dag wordt de thans bestreden beslissing genomen. Die beslissing is gemotiveerd als volgt: “Gelet op de positieve reactie van de drugshond in de cel van betrokkene; Gelet dat dit wijst op het feit van druggebruik en/of -bezit in de inrichting; Gelet op het aanwezig zijn van getuigen; Gelet op het feit dat drugs niet (kunnen) getolereerd (worden) binnen de inrichting; Gelet op het feit dat dergelijk gedrag niet kan getolereerd worden en dit de goede orde en veiligheid van de inrichting in het gevaar brengt.” Aan de verzoeker wordt de volgende tuchtsanctie opgelegd: “- drie dagen strafcel vanaf 10.11.2007 om 10.10 u. tot en met 13.11.2007 om 10.10 u.; - 2 weken strikt vanaf 13.11.2007 tot en met 26.11.2007; - 1 maand glasbezoek vanaf 27.11.2007 tot en met 26.12.2007.”
- Ondertussen was aan het parket bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge mededeling gedaan van het resultaat van de controle in de cel van de verzoeker. Op 11 november 2007 beval de Procureur des Konings de voorlopige aanhouding van de verzoeker. Dit bevel is gevolgd door een beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank te Gent van 14 november 2007, waarbij de beperkte detentie van de verzoeker gedurende één maand geschorst wordt. Ontvankelijkheid van de vordering 3.
- Ter terechtzitting werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, in zoverre deze gericht is tegen de beslissing waarbij drie dagen strafcel worden opgelegd, van 10 november tot 13 november
- Volgens de verwerende partij is die straf al volledig ondergaan, en heeft de verzoeker dus geen belang meer bij een schorsing van de uitvoering van de bedoelde beslissing. 3.
- Het bedoelde deel van de opgelegde tuchtstraf was weliswaar reeds ondergaan op het ogenblik dat de verzoeker de voorliggende vordering heeft ingesteld. Voor dat deel van de tuchtstraf, op zich beschouwd, kan die vordering de verzoeker dus geen enkel nut meer opleveren. De verzoeker wijst er evenwel terecht op dat de bestreden tuchtstraf tot gevolg heeft gehad dat het voordeel van de beperkte detentie is IX-5788-3/7 geschorst, en dat dit voordeel later mogelijk wordt ingetrokken. Alleen al om die reden blijft de verzoeker een belang behouden bij de vordering tot schorsing van de bestreden beslissing, ook wat de plaatsing in een strafcel betreft. De exceptie is ongegrond. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 12 november 2007, dat ze dezelfde dag aan de verzoeker ter kennis is gebracht, en dat de opgelegde sanctie gedeeltelijk uitwerking heeft met ingang van 10 november
- De verzoeker heeft met een op 16 november 2007 ter post aangetekend verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. Uit die gegevens kan worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed heeft ingesteld. Ter terechtzitting heeft de verwerende partij de uiterst dringende noodzakelijkheid trouwens niet betwist. 6.
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij voert vooreerst aan dat de bestreden beslissing steunt op feiten die niet bewezen zijn. Tot voor kort verbleef hij in cel 3969, in halve detentie. Die cel wordt bevolkt door vier gedetineerden, en de drugsporen die in die cel zijn aangetroffen kunnen bijgevolg van gelijk wie zijn. Bovendien kan iedereen die op IX-5788-4/7 de sectie halve vrijheid verblijft de cellen binnen- en buitengaan. Niets bewijst dus dat de aangetroffen drugsporen van de verzoeker zijn. Bovendien verbleef de verzoeker op het ogenblik van de beweerde inbreuk op cel 3154, waar het onderzoek naar drugs overigens negatief was. Bij gebreke van enig bewijs van een verband tussen de drugsporen en de verzoeker, bestaat er geen redelijk verband tussen de feiten en de beslissing. Voorts voert de verzoeker aan dat het tweede rapport aan de directeur wordt voorgesteld als een correctie van het eerste rapport, terwijl in werkelijkheid niet enkel een correctie (in verband met het celnummer) is aangebracht, maar een gans ander rapport, met een totaal verschillende inhoud en met de vermelding van een bijkomende getuige, is opgesteld. Die werkwijze brengt de juistheid, de nauwkeurigheid en de objectiviteit van het rapport in het gedrang. 6.
- Met betrekking tot de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, moet opgemerkt worden dat het aan de betrokken overheid, te dezen de directeur van de gevangenis, staat om de feiten vast te stellen. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of die overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij naar recht en redelijkheid is kunnen uitgaan van de door haar vastgestelde feitelijke gegevens. Te dezen blijkt uit het -gecorrigeerde- verslag aan de directeur dat in een t-shirt van de verzoeker sporen van drugs werden gevonden. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de verzoeker betwist heeft dat de drugsporen van hem afkomstig zouden zijn, daarbij aanvoerend dat gelijk wie de sporen in zijn t-shirt verborgen zou kunnen hebben. In de bestreden beslissing wordt verwezen naar de “positieve reactie van de drugshond in de cel van de betrokkene”, hetgeen “wijst op het feit van druggebruik en/of -bezit in de inrichting”. Het door de verzoeker gevoerde verweer lijkt te dezen niet van geloofwaardigheid ontbloot. De motieven van de bestreden beslissing moeten dan ook, opdat ze afdoende zouden zijn, duidelijk maken waarom de directeur van de gevangenis meent dat verweer niet te kunnen aannemen. Te dezen maken die motieven echter niet duidelijk waarom de directeur oordeelt dat de gevonden drugsporen niet door een andere gedetineerde in het t-shirt van de verzoeker geplaatst zijn en dus wel degelijk van hem afkomstig zijn. IX-5788-5/7 In zoverre is het middel dan ook ernstig. 7.
- Wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voert de verzoeker aan dat de tuchtmaatregel leidt tot isolatie, hetgeen ongetwijfeld een negatieve impact heeft op zijn psychisch en fysiek welzijn. Eens de tuchtstraf uitgevoerd, kan ze niet meer worden teruggeschroefd. Daarenboven heeft de bestreden beslissing tot gevolg gehad dat zijn voorlopige aanhouding op 11 november 2007 is bevolen, zodat de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie, toegekend bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van 12 juli 2007, is ingetrokken. 7.
- De bestreden beslissing houdt onder meer in dat de verzoeker thans nog het voorwerp is van een strikt regime, en dat hij vanaf 27 november 2007 gedurende één maand slechts bezoek achter glas zal kunnen genieten. Op zich gaat het om maatregelen die, in het geval van een gedetineerde die tot dan het voordeel van de halve vrijheid genoot, een ernstig nadeel opleveren. Bovendien blijkt uit de motieven van het bevel tot voorlopige aanhouding, gegeven door de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 11 november 2007, en van het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Gent van 14 november 2007, dat de schorsing van de beperkte detentie steunt op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de thans bestreden beslissing. Minstens onrechtstreeks lijkt de vaststelling, door de tuchtrechtelijk bevoegde overheid, dat de verzoeker schuldig is aan die feiten, tot die schorsing te hebben bijgedragen. Aldus levert de bestreden beslissing een bijkomend ernstig nadeel op. Gelet op de aard van de genomen maatregelen, gaat het om nadelen die moeilijk te herstellen zijn.
- Er is voldaan aan de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. IX-5788-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de Directeur van de Strafinrichting te Brugge, Mannenafdeling 1, van 12 november 2007 waarbij aan de verzoeker de volgende tuchtsanctie wordt opgelegd: - drie dagen strafcel vanaf 10 november 2007 om 10.10 u. tot en met 13 november 2007 om 10.10 u.; - 2 weken strikt vanaf 13 november 2007 tot en met 26 november 2007; - 1 maand glasbezoek vanaf 27 november 2007 tot en met 26 december
- Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 23 november 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5788-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.115 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.029 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.