id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.165 Rolnummer: A. 109097/IX-2998 Zaak: Arrest 177165 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 26/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:13 Fiche Arrest nr 177.165 van 26 november 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.165 van 26 november 2007 in de zaak A. 109.097/IX-
- In zake : Vera JACOBS, die woonplaats kiest bij advocaten J. COCH, Ph. THIERY en Th. BEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Geraetsstraat 19 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Vera JACOBS op 17 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 19 juni 2001 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen van het ministerie van Middenstand waarbij haar vrijstelling wordt geweigerd van de driemaandelijkse bijdragen voor de periode 1/2000 tot 2/2001; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 26 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 november 2007; IX-2998-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Ph. THIERY, die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Verzoekster baat als zelfstandig handelaarster een huwelijks- en relatiebureau uit. 1.
- Op 2 februari 2001 vraagt verzoekster een vrijstelling aan van betaling van haar sociale bijdragen als zelfstandige. Blijkens het “inlichtingsformulier A” vraagt zij om vrijstelling van sociale bijdragen voor zelfstandigen voor het volledige jaar 2000 en voor het eerste kwartaal van
- Als verantwoording voert zij aan wat volgt: “Al sinds verschillende jaren ’n terugval v.d. omzet;
(1)als reden van teveel marktdeelnemers.
(2)Constante negatieve publiciteit!
(3)nieuwe wetgeving die ons verplicht de consument te bescher- men; geen betaling voor de bedenktijd v 7 dagen + de verplichting de betalingen te spreiden.” Volgens het formulier bedraagt het bruto-beroepsinkomen van verzoekster voor het jaar 1998 843.330 fr. en het netto-inkomen 229.726 fr. Voor het jaar 1999 is dat respectievelijk 1.087.674 fr. en 487.654 fr. In bijlage bij het formulier is een brief van het OCMW van Lummen gevoegd waaruit blijkt dat er vanwege de bevoegde intercommunale een verzoek was ontvangen om verzoeksters elektriciteit af te sluiten. Volgens een IX-2998-2/5 tweede bijlage werd verzoekster aangemaand om 125.262 fr. achterstallige schulden aan te zuiveren bij een grafisch bedrijf. 1.
- Op 19 juni 2001 weigert de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen, opgericht bij het ministerie van Middenstand (hierna: de Commissie), de vrijstelling. Dit besluit, dat het voorwerp vormt van het onderhavig beroep, bevat volgende motieven : “(...) Overwegende dat de aanvraag op de volgende driemaandelijkse bijdragen betrekking heeft: van 1/2000 t.e.m. 1/2001; Gelet op de andere stukken van het dossier; Aangezien uit de stukken van het dossier niet blijkt dat de betrokkene zich bevindt in een staat van behoefte of in een toestand die de staat van behoefte benadert.” De procedure
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat de memorie van antwoord niet ondertekend is door de minister van Middenstand, maar door iemand die in zijn opdracht gehandeld heeft. Zij kan niet uitmaken wie de memorie ondertekende, noch wat zijn hoedanigheid was of wat zijn opdracht inhield. De memorie van antwoord moet derhalve uit de debatten geweerd worden. Noch de organieke wet op de Raad van State, noch het procedure- reglement schrijven voor door wie een memorie van antwoord ondertekend moet worden. Overeenkomstig artikel 42 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de Staat in rechtsgedingen vertegenwoordigd door de minister die de betrokken aangelegen- heid in zijn bevoegdheid heeft. Een analoge toepassing van die bepaling op gedingen voor de Raad van State betekent dat de memorie van antwoord in de onderhavige aangelegenheid ondertekend moet worden door de minister van Middenstand. Niets belet de minister zijn bevoegdheden ter zake te delegeren. In dat geval dient de verwerende partij wel het bewijs van deze delegatie voor te brengen. Te dezen doet zij dit niet. De memorie van antwoord is derhalve niet regelmatig ingediend en wordt als processtuk uit de debatten geweerd. De grond van de zaak
- In een enig middel voert verzoekster de schending aan van de motiveringsplicht, vervat in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke IX-2998-3/5 motivering van de bestuurshandelingen. Volgens haar is de in het bestreden besluit vermelde motivering niet afdoende, aangezien er enkel een vage uitleg wordt gegeven die onduidelijk en stereotiep, geijkt en gestandaardiseerd is en waarmee niet geantwoord is op de argumenten die zij aan de Commissie voorgelegd heeft, inzonderheid waar zij verwezen heeft naar haar netto-inkomsten en de zwaarte van haar financiële lasten. In haar memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster nog dat de redengeving zo algemeen is dat er geen aanknopingspunt meer bestaat om de beslissing inhoudelijk te toetsen.
- De bestreden beslissing valt onder toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Dit betekent dat het bestuur de verplichting heeft om in het besluit zelf uiteen te zetten welke de juridische en feitelijke elementen zijn die het tot de bestreden beslissing gebracht hebben. Dit impliceert niet dat het besluit zelf een expliciet antwoord moet bevatten op alle argumenten die de betrokkene heeft aangebracht, maar wel dat de betrokkene in de motivering de precieze redenen moet kunnen lezen waarom zijn aanvraag verworpen wordt.
- Artikel 17, eerste lid, van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, bepaalt dat de zelfstandigen die zich in een staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, bij de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen een aanvraag kunnen indienen om volledig of gedeeltelijk vrijgesteld te worden van de verschuldigde bedragen. Verzoekster heeft overeenkomstig de geldende voorschriften een aanvraag tot vrijstelling ingediend voor de bijdragen van de vier kwartalen van 2000 en het eerste kwartaal van
- De Commissie heeft die aanvraag verworpen op grond dat “uit de stukken van het dossier niet blijkt dat (verzoekster) zich bevindt in een staat van behoefte of in een toestand die de staat van behoefte benadert”.
- Dergelijke motivering is stereotiep. Verzoekster kan op grond daarvan niet uitmaken waarom de Commissie van oordeel is dat zij niet in een staat van behoefte of van bijna-behoefte verkeert. De verwijzing naar “de stukken van het IX-2998-4/5 dossier” laat wel veronderstellen dat de Commissie alle door verzoekster verstrekte gegevens onder ogen genomen heeft, maar daarmee duidt zij niet aan welke concrete gegevens, die zij in het dossier van verzoekster aantreft, rechtvaardigen dat de vraag tot vrijstelling geweigerd wordt. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 19 juni 2001 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen van het ministerie van Middenstand waarbij Vera JACOBS de vrijstelling wordt geweigerd van de driemaandelijkse bijdragen voor de periode 1/2000 tot 2/
- Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 26 november 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2998-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.165 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div