← België

Arrest 177169 - Varia (openbaar ambt) - 26/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.169 Rolnummer: A. 162516/IX-4897 Zaak: Arrest 177169 - Varia (openbaar ambt) - 26/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-06 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:13 Fiche Arrest nr 177.169 van 26 november 2007 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.169 van 26 november 2007 in de zaak A. 162.516/IX-

  1. In zake : Marc DESNYDER, wonende te TERVUREN, H. Boulengerlaan 52 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc DESNYDER op 13 mei 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 1 maart 2005 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij vastgesteld wordt dat zijn totale aanrekenbare invaliditeitsgraad onvoldoende is om recht te hebben op een vergoedingspensioen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 30 november 2005 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4897-1/8 Gehoord de opmerkingen van verzoeker en van advocaat P. MALUMGRÉ, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van eerste attaché J. HEEMERYCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  2. Verzoeker, beroepsmilitair, dient op 15 december 1998 een aanvraag in tot het verkrijgen van een vergoedingspensioen voor een posttraumati- sche lumbalgie en voor een peesscheur laterale malleolus aan de linkerenkel. De lumbalgie zou het gevolg zijn van auto-ongevallen op 1 oktober 1984 en op 19 september 1990, de peesscheur van een sportongeval op 5 april
  3. 1.
  4. Op 4 juli 1999 concludeert de gerechtelijk-geneeskundige dienst (hierna: de GGD) dat de aanrekenbare lumbalgie als gevolg van het ongeval in 1984 4% bedraagt, dat de aanrekenbare lumbalgie als gevolg van het ongeval in 1990 ook 4% bedraagt en dat de aanrekenbare invaliditeit als gevolg van de peesscheur eveneens 4% bedraagt. 1.
  5. Op 28 december 1999 dient verzoeker een nieuwe aanvraag in voor dezelfde kwalen en vermeldt hij, wat de lumbalgie betreft, bijkomend een auto- ongeval op 18 september
  6. 1.
  7. Op 11 mei 2000 concludeert de GGD dat dit ongeval in 1983 geen enkele nasleep had op het vlak van de lumbalgie. 1.
  8. Op 27 september 2001 beslist de commissie voor vergoedingspen- sioenen dat de lumbalgie als gevolg van de auto-ongevallen op 18 september 1983 en op 1 oktober 1984 niet te wijten is aan de dienst, dat de aanrekenbare lumbalgie als gevolg van het auto-ongeval van 19 september 1990 4% bedraagt en dat de IX-4897-2/8 aanrekenbare invaliditeit als gevolg van de scheur van de ligamenten ook 4% bedraagt, waardoor verzoekers totale aanrekenbare invaliditeitsgraad 8% bedraagt, wat onvoldoende is om recht te hebben op een vergoedingspensioen. 1.
  9. Op 16 november 2001 tekent verzoeker beroep aan tegen deze beslissing van de commissie. 1.
  10. Op 5 februari 2002 concludeert de kamer van beroep van de gerechtelijk geneeskundige dienst (hierna: de GGDB) dat de lumbalgie als gevolg van de auto-ongevallen op 1 oktober 1984 en op 19 september 1990 op 5% geraamd kan worden, maar dat door de aftrek voor vreemde factoren 0% aanrekenbaar is, dat de lumbalgie als gevolg van het auto-ongeval op 18 september 1983 eveneens 0% aanrekenbaar is en dat de invaliditeit als gevolg van de scheur van de ligamenten, veroorzaakt door het sportongeval op 5 april 1982, voor 3% aanrekenbaar is. 1.
  11. Ingevolge de voorlegging van nieuwe documenten, concludeert de GGDB op 28 april 2003 dat de aanrekenbare invaliditeit als gevolg van de scheur van de ligamenten 4% bedraagt. De overige conclusies van zijn verslag van 5 februari 2002 blijven behouden. 1.
  12. Op 1 maart 2005 verklaart de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen het beroep ontvankelijk en stelt zij vast “dat de totale aanrekenbare invaliditeitsgraad onvoldoende is om de uitbetaling van een pensioen te verzekeren (4%)”. Dit is de bestreden beslissing, die met een brief van 17 maart 2005 ter kennis gebracht wordt van verzoeker en die blijkens het bijzonder verslag waarnaar uitdrukkelijk verwezen wordt, verantwoord wordt als volgt: “Overwegende dat de Commissie zich aansluit bij het advies van de GGDB waarin 4 % kan aanvaard worden voor de scheur ligamenten li. enkel; De andere letsels worden verworpen.” De grond van de zaak
  13. In een enig middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de formele motiveringswet) en de IX-4897-3/8 schending van het motiveringsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij betoogt dat waar de bestreden beslissing steunt op “de redenen, aangeduid in bijgaand bijzonder verslag” en waar zij overweegt “dat de Commissie zich aansluit bij het advies van de GGDB waarin 4 % kan aanvaard worden voor de scheur ligamenten li. enkel”, zij zonder meer de motivering van de GGDB overneemt om tot het besluit te komen dat de totale aanrekenbare invaliditeitsgraad slechts 4% bedraagt. Hij wijst erop dat de beroepscommissie noch de GGDB de reden vermeldt waarom de gevolgen van de ongevallen van 1 oktober 1984 en van 19 september 1990 te wijten zouden zijn aan vreemde factoren, noch waarom het ongeval van 18 september 1983 geen invaliditeit teweeggebracht zou hebben. Hij stelt vast dat de beroepscommissie teneinde de aanrekenbare invaliditeitsgraad op 4% te ramen, enkel het letsel aan de linkerenkel weerhoudt, terwijl de commissie in eerste aanleg de aanrekenbare invaliditeitsgraad op 8% geraamd had, als gevolg van het letsel aan de linkerenkel (4%) en van de lumbalgie, veroorzaakt door het ongeval in 1984 (4%). De verwerende partij blijft in gebreke aan te tonen welke vreemde factoren het letsel dat het gevolg is van laatst vermeld ongeval veroorzaakt hebben en waarom het ongeval uit 1983 geen invaliditeit met zich gebracht heeft. Uit het advies van de GGDB blijkt ook niet met welke eigen fysieke factoren rekening gehouden werd. Wat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, stelt verzoeker dat de beroepscommissie, zonder zelf nadere informatie in te winnen, zich beperkt heeft tot het overnemen van het advies van de GGDB dat de ongevallen van 1984 en 1990 volledig wijt aan vreemde factoren en geen enkele invaliditeit in aanmerking neemt als gevolg van het ongeval in
  14. De verwerende partij antwoordt dat het middel enkel betrekking heeft op de gevolgen van de lumbalgie, veroorzaakt door de ongevallen van 18 september 1983, 1 oktober 1984 en 19 september
  15. De commissie van beroep heeft de bestreden beslissing gemotiveerd door te verwijzen naar de verslagen van de GGDB van 5 februari 2002 en van 28 april 2003 die de lumbale pathologie verwerpen wegens vroegere vreemde factoren zoals scoliose en verkorting van het linkerbeen, wegens discushernia‘s die geen verband vertonen met de ongevallen en wegens een gebrek aan continuïteit van zorgen in de periode van 1984 tot
  16. De commissie van beroep motiveert haar beslissingen op IX-4897-4/8 afdoende en op wettige wijze door haar overtuiging, wat de medische aspecten van de zaak betreft, te steunen op de overwegingen van een college dat specifiek door de wet ingesteld is om medische aangelegenheden te onderzoeken. De Raad van State is niet bevoegd om zijn beoordeling in de plaats te stellen van deze van de commissie van beroep wat betreft de “bewijskracht” van het verslag van de GGDB en zodoende heeft de commissie van beroep eigenmachtig kunnen oordelen dat een gebrek aan continuïteit van zorgen in de periode van 1984 tot 1995 samen met andere factoren voor haar volstond om de aftrek voor vreemde factoren te verantwoorden. Wanneer de GGDB geen causaal verband ziet tussen de lumbalgie en de ingeroepen ongevallen, vertoont de vraag of het dienstongevallen betreft geen belang meer.
  17. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de bestreden beslissing verwijst naar twee adviezen van de GGDB maar dat die adviezen niet gelijkluidend zijn, nu de scheur in de ligamenten volgens het eerste advies aanleiding geeft tot een invaliditeit van 3% en datzelfde letsel volgens het tweede advies 4% invaliditeit met zich brengt. Hij stelt ook nog dat een verwijzing naar een advies als motivering kan volstaan, maar dat dit advies dan wel zelf voldoende gemotiveerd moet zijn, wat hier niet het geval is. Er wordt immers niet verduidelijkt waarom de gevolgen van de arbeidsongevallen uit 1983, 1984 en 1990 aan vreemde factoren te wijten zouden zijn. Evenmin wordt aangeduid waarom de commissie van beroep een andere beslissing neemt dan de commissie in eerste aanleg.
  18. In zijn laatste memorie licht verzoeker nog toe dat de Raad van State in andere zaken, waarin beslissingen van administratieve rechtscolleges bestreden werden, het middel gesteund op de miskenning van beginselen van behoorlijk bestuur en van de motiveringsplicht wel degelijk onderzocht heeft.
  19. De commissie van beroep voor vergoedingspensioenen is geen orgaan van het actief bestuur, maar een administratief rechtscollege. De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en ongeschreven beginselen van behoorlijk bestuur gericht tot het bestuur zijn op dit jurisdictioneel orgaan niet van toepassing. IX-4897-5/8 De verplichting voor administratieve rechtscolleges om hun beslissingen formeel te motiveren ligt vervat in artikel 149 van de Grondwet en is, in de aangelegenheid van de vergoedingspensioenen, nader uitgewerkt in de artikelen 6 en 13 van het besluit van de Regent van 15 juni 1949 tot bepaling van de rechtspleging voor de commissie voor vergoedingspensioenen. In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van de wet van 29 juli 1991 en van het motiveringsbeginsel, kan het wel zo geïnterpreteerd worden dat daarin de schending van de genoemde grondwetsbepaling en de genoemde voorkomende bepaling wordt aangevoerd.
  20. De verwerende partij stelt terecht dat het middel enkel betrekking heeft op de gevolgen van de ongevallen van 18 september 1983, van 1 oktober 1984 en van 19 september
  21. De vraag naar de deugdelijke motivering van de bestreden beslissing moet dan ook enkel vanuit dat oogpunt onderzocht worden.
  22. Voor de motivering van haar beslissing mag de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen zich aansluiten bij het verslag van de GGDB op voorwaarde dat dit verslag zelf genoegzaam met redenen omkleed is. Wat de ongevallen van 1 oktober 1984 en van 19 september 1990 betreft, concludeert het verslag van 5 februari 2002 van de GGDB als volgt: “Het klinisch onderzoek toont het volgende: (...) “ Rx linker enkel: restletsels oude peesscheur. “ Rx 11.84: S - S-vormige scoliose (bevestigd Rx op 23/03/1995) klinisch “ “ Verkorting li onderste lidmaat (1.7 cm) Compensatiezooltje 0.5 cm onder li hiel - niet meer gedragen. (...) } van minder De lumbale pathologie: - Er zijn elementen (scoliose, verkorting linker OL) onder te brengen onder vroegere vreemde factoren. - De beschreven discushernia (L4 - L5, L5 - S1) zijn niet in verband te brengen met de beschreven ongevallen. Ook is er geen continuïteit van zorgen (1984 - 1995). Deze pathologie evalueert verder naar eigen rekening. Toepassing art 31a, 32a, 34 - aftrek in vreemde factoren. (...)” De GGDB geeft aldus genoegzaam aan dat de aftrek voor vreemde factoren wordt toegepast wegens de reeds bestaande scoliose, wegens de verkorting van het linker onderste ledemaat en wegens het gebrek aan continuïteit van verzorging. In tegenstelling tot wat verzoeker laat gelden, geeft de GGDB IX-4897-6/8 duidelijk aan waarom de gevolgen van de ongevallen van 1 oktober 1984 en van 19 september 1990 volledig te wijten zijn aan vreemde factoren. Wat het ongeval van 18 september 1983 betreft, concludeert het verslag van 11 mei 2000 van de GGD dat er geen invaliditeit in aanmerking genomen wordt als gevolg van de lumbalgie veroorzaakt door dit ongeval, aangezien de diagnose “commotio cerebri (was) met bewusteloosheid gedurende 2 uren”, en dit ongeval “geen enkel nasleep (...) op gebied van lumbalgie” heeft gehad. Verzoeker heeft dit nooit betwist voor de commissie van beroep. Hij heeft enkel aangevoerd dat het ongeval te wijten was aan de dienst omdat hij op het ogenblik ervan op weg was om zijn eenheid, die dezelfde nacht nog op NAVO- manoeuvre vertrok, te vervoegen. Bij gebrek aan enige betwisting van de conclusies van de GGD ter zake, kon de GGDB zich ertoe beperken de raming gemaakt in eerste aanleg, zonder meer over te nemen.
  23. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  24. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  25. De kosten van het cassatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-4897-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 26 november 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, de H. W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-4897-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.169 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.