id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.170 Rolnummer: A. 137661/IX-3815 Zaak: Arrest 177170 - Varia (openbaar ambt) - 26/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-06 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 04:13 Fiche Arrest nr 177.170 van 26 november 2007 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.170 van 26 november 2007 in de zaak A. 137.661/IX-3815 In zake : Alfons JANSSENS, die woonplaats kiest bij advocaat J. HUYSMANS, kantoor houdende te MECHELEN, Berthoudersplein 57 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de minister van Pensioenen,
- de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alfons JANSSENS op 6 juni 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 25 maart 2003 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij zijn aanvraag tot herziening van de beslissing van 16 november 1981 van die commissie, waarbij zijn invaliditeit op 0 % wordt vastgesteld, ongegrond verklaard wordt; Gezien de memorie van antwoord van de eerste vertegenwoordi- ger van de verwerende partij en gezien de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en van de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 november 2007; IX-3815-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. HUYSMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van eerste attaché J. HEEMERYCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Verzoeker is beroepsmilitair en vraagt op 8 december 1978 een vergoedingspensioen aan wegens een zenuwziekte als gevolg van twee mislukking- en -in 1974 en 1975- voor het bevorderingsexamen van adjudant-chef en van zijn verplichte overplaatsing naar Duitsland. 1.
- Op 22 april 1980 beslist de commissie voor vergoedingspensioe- nen dat niet bewezen is dat de aandoening opgedaan werd in de dienst of verergerd is door het feit van de dienst. 1.
- Op 16 november 1981 bevestigt de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen (hierna: de commissie van beroep) die beslissing, nadat de kamer van beroep van de gerechtelijk-geneeskundige dienst (hierna: de GGDB), net als in eerste aanleg, een aanrekenbare invaliditeit van 0 % vastgesteld had, zijnde een invaliditeit van 10 % maar met aftrek van 10 % gelijktijdige vreemde factoren. 1.
- Op 30 november 1999 doet verzoeker een aanvraag tot herziening van de beslissing van 16 november 1981 wegens nieuwe feiten. 1.
- Met een brief van 19 augustus 2002 wordt het dossier aan de GGDB voorgelegd, met de volgende vraag: “Worden er hier nieuwe gegevens ingebracht die op de aanvraag destijds een ander licht werpen ? De gegevens dienen IX-3815-2/7 te slaan op de periode waarvoor betrokkene een aanvraag ingediend had en die destijds door de desbetreffende commissie onderzocht werd.” 1.
- De GGDB antwoordt in zijn verslag van 15 oktober 2002 als volgt: ““ De Medische Beroepskamer neemt kennis van de nieuwe stukken: ! Het gaat hier niet over arbeidsongeschiktheid, wel over invalidi- teit. ! Schattingsdatum: 01.12.
- In ieder geval kunnen latere elementen deze schatting niet beïnvloeden. ! Dr. Lowenthal (verslag 12.03.1979) schrijft: “Er moet ook rekening gehouden worden met het feit dat patiënt een ernstige maagziekte vertoond heeft en dat hij een gastrectomie heeft moeten ondergaan”. “ De Kamer van Beroep is van oordeel dat er geen nieuwe elementen werden aangebracht om de beslissing van de Kamer van Beroep in 1981 te wijzigen, dit na studie van de toegevoegde stukken aan het dossier.” 1.
- Op 25 maart 2003 verklaart de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen verzoekers herzieningsaanvraag ongegrond. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt gemotiveerd is: “Overwegende dat de Commissie zich aansluit bij het advies van de GGDB en stelt dat er geen nieuwe gegevens worden aangebracht die toelaten de bestreden beslissing te wijzigen”. De grond van de zaak
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 9, § 1, tweede lid, van de samengeordende wetten van 5 oktober 1948 op de vergoedingspensioenen (hierna: de SWVP). Hij is van oordeel dat de commissie van beroep “geen genoegzame wetenschappelijke argumenten naar voren brengt om haar bewering en de daaruit gehaalde conclusie te staven”. Zijn medisch raadgever Dr. DE CONINCK had aan de commissie van beroep gevraagd dat de deskundigen hun beslissing zouden steunen op wetenschappelijke argumenten, overeenkomstig punt 3 van de Officiële Belgische Schaal der Invaliditeit (OBSI) en artikel 9, § 1, tweede lid, van de SWVP, maar de commissie heeft in één zin zijn beroep ongegrond verklaard en het zichzelf gemakkelijk gemaakt door te verwijzen naar een bijzonder verslag. IX-3815-3/7 In een daarbij aansluitend tweede middel voert verzoeker de schending aan van het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de bestreden beslissing niet gemotiveerd is of minstens geen wetenschappelijke grondslag bevat. Hij verwijst naar het arrest Van de Mergel, nr. 45.725 van 14 januari 1994, waarin de Raad van State geoordeeld zou hebben dat een rechterlijke of administratieve beslissing, die enige deskundigheid vereist, gestaafd moet worden aan de hand van wetenschappe- lijke argumenten.
- De verwerende partij antwoordt dat de herziening wegens nieuwe gegevens overeenkomstig artikel 40 SWVP een uitzonderingsprocedure is die beperkend uitgelegd dient te worden. De commissie mag enkel nagaan of er nieuwe gegevens aangevoerd worden met betrekking tot de feiten die het voorwerp uitgemaakt hebben van de oorspronkelijke aanvraag en of die gegevens reeds gekend of onderzocht geweest zijn door de commissie die de beslissing nam waarvan de herziening gevraagd wordt. Zij mag geen rekening houden met nieuwe feiten die zich na de initiële procedure voorgedaan hebben. Een verschillende interpretatie door de GGDB van dezelfde feiten vormt geen nieuw feit zoals bedoeld in artikel
- Met betrekking tot de feiten waarop de initiële aanvraag steunt, met name het mislukken voor examens en de verplichte mutatie, wordt niets nieuws meegedeeld, en de latere attesten bevatten geen informatie over de periode waarover de commissie uitspraak diende te doen. De vraag van verzoeker om de aftrek wegens vreemde factoren wetenschappelijk te onderbouwen moet bij gebrek aan nieuwe gegevens niet beantwoord worden, terwijl een gebrek aan motieven in de vroegere beslissing niet het voorwerp kan uitmaken van een herziening. Door zich aan te sluiten bij het advies van de GGDB, neemt de commissie van beroep diens motivering over. Uit geen van die stukken blijkt enig verband tussen de mislukte examens en de mutatie en de depressie van verzoeker en het feit dat hij zes jaar na de initiële beslissing ongeschikt verklaard werd om zijn functie uit te oefenen en depressief was, werpt geen nieuw licht op de zaak. Waar verzoeker als gevolg van de mislukking voor twee examens en van een verplichte mutatie, een vergoedings- pensioen wegens zenuwziekte aangevraagd heeft, moet de herzieningsaanvraag met betrekking tot die feiten nieuwe gegevens aanbrengen. Het bestreden besluit stelt vast dat verzoeker dat niet doet.
- Artikel 9, § 1, eerste en tweede lid, SWVP luidt als volgt: IX-3815-4/7 “Elke verminking, impotentie of lichaamsgebrek, aangevoerd en erkend als vallend onder toepassing van deze wet dient afzonderlijk geschat overeenkom- stig de specificaties van de Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit. Bij het schatten van deze invaliditeit dienen de, op grond van de Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit, bepaalde percenta- ges verminderd met de bedragen der invaliditeit welke, voor hetzelfde orgaan, hetzelfde toestel of dezelfde functies, te wijten is aan de gevolgen van vreemde factoren die dagtekenen van voor of na de aangevoerde dienst of het aang- evoerd oorlogsfeit, of daarmee gepaard gingen.” Overeenkomstig de onderrichtingen, opgenomen in rubriek “III. Vreemde factoren” van de Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit, mag de deskundige niet uit het oog verliezen dat hij de verminde- ring wegens vreemde factoren door wetenschappelijke argumenten moet staven en is de aftrek ingevolge een vroegere toestand slechts gerechtvaardigd voor zover wordt bewezen dat vóór het schadelijk feit een positief te schatten vermindering van de fysische integriteit van de aanvrager bestond. Rekening houdend met die teksten, is het de taak van de deskundige om na te gaan of de schatbare vermindering van de fysieke integriteit van de betrokkene te wijten is aan het schadelijk feit. Uit de beslissing waarbij de aftrek voor vreemde factoren toegepast wordt, dient direct of indirect te blijken dat het bestaan van de vroegere vreemde toestand wetenschappelijk bewezen is.
- Te dezen ligt evenwel een aanvraag tot herziening van de beslissing van 16 november 1981 wegens nieuwe gegevens voor. Artikel 40 SWVP bepaalt : “Alle beslissingen inzake vergoedingspensioenen (...) kunnen herzien worden wanneer bevonden wordt dat de eerste beslissing op een vergissing berust of wanneer nieuwe gegevens aangevoerd worden en de herziening rechtvaardigen. (...)”
- Een aanvraag tot herziening, als bedoeld in artikel 40 SWVP, houdt niet in dat het dossier opnieuw in zijn geheel onderzocht moet worden. De beroepscommissie moet zich enkel uitspreken over de waarde van de voorgelegde nieuwe gegevens en wanneer zij die relevant acht, haar eerdere beslissing op grond daarvan herzien. Zodoende moest de commissie van beroep in de onderhavige zaak nagaan of de voorgelegde gegevens nieuw waren en van aard om haar eerdere IX-3815-5/7 beslissing te wijzigen, meer bepaald of ze een verband tussen de zenuwziekte en de initieel ingeroepen dienstfeiten van mislukking voor twee examens en verplichte mutatie konden aantonen.
- Met de bestreden beslissing verwerpt de commissie van beroep verzoekers aanvraag tot herziening van haar beslissing van 16 november 1981, omdat “er geen nieuwe gegevens worden aangebracht die toelaten (die) beslissing te wijzigen”. Met dit oordeel heeft de commissie de opdracht die zij overeenkomstig artikel 40 SWVP te vervullen heeft, correct ingevuld, zonder dat zij zich nog moest uitspreken over de destijds door haar toegepaste aftrek voor vreemde factoren, laat staan deze nogmaals wetenschappelijk te bewijzen. De commissie van beroep heeft geen verkeerde toepassing gemaakt van artikel 9 § 1, tweede lid, SWVP.
- De commissie van beroep heeft de vraag tot herziening voorge- legd aan de GGDB. Deze heeft na onderzoek van de zaak geadviseerd dat geen nieuwe gegevens worden voorgelegd. De commissie van beroep is die motivering bijgevallen. In het kader van artikel 40 SWVP volstaat die motivering. Verzoeker maakt voor het overige niet duidelijk op welke wijze het door hem ingeroepen rechtszekerheidsbeginsel, in zoverre het niet samenvalt met het motiveringsbeginsel, tot de vernietiging van het bestreden besluit zou kunnen leiden.
- De ingeroepen middelen zijn niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het cassatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-3815-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 26 november 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, de H. W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3815-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.170 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div