id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.281 Rolnummer: A. 180248/XIV-28198 Zaak: Arrest 177281 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 27/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-14 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:14 Fiche Arrest nr 177.281 van 27 november 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.281 van 27 november 2007 in de zaak A. 180.248/XIV-28.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat I. VERHELLE, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46 bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Sierraleoonse nationaliteit, op 15 januari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 12 december 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; Gelet op de beschikking nr. 168 van 30 januari 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 9 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. VERHELLE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat N. LUCAS, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; XIV-28.198-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van het motiveringsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de rechten van verdediging opwerpt; dat zij een theoretische uiteenzetting over de motiveringsplicht in jurisdictionele zaken geeft en aanvoert dat uit de bestreden beslissing niet duidelijk blijkt waarom de middelen van de verzoekende partij worden verworpen, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich niet als een jurisdictioneel orgaan maar als “een soort super-bestuur” opstelt, dat de documenten van de verzoekende partij over de verkeerde identificatie van vingerafdrukken in de bestreden beslissing slechts met de verwijzing naar een handboek uit 1989 worden weerlegd, dat geen ernstige verdediging kon worden gevoerd tegen de bewering dat haar vingerafdruk overeenstemt met die van een persoon uit Nederland, vermits zich zelfs geen kopie van de vingerafdrukken in het dossier bevindt, dat de rechten van verdediging aldus zijn geschonden, dat vanuit het oogpunt van een vorige vermeende asielaanvraag de middelen van de verzoekende partij met het adagium “fraus omnia corrumpit” worden uitgeschakeld, dat de verzoekende partij bij haar aankomst in België geen woord Nederlands sprak alhoewel zij volgens de commissaris-generaal en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in 2002 in Nederland asiel zou hebben gevraagd en zo toch een en ander van het Nederlands zou moeten hebben opgepikt, dat haar gebrek aan kennis van het Nederlands blijkt uit een verklaring van haar lerares Nederlands en dat het compleet onwaarschijnlijk is dat de verzoekende partij twee psychologen zou hebben kunnen manipuleren met een geveinsd getraumatiseerd gedrag; 1.
- Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de asielaanvraag van de verzoekende partij wordt verworpen omdat zij haar identiteit niet bewijst en omdat zij door het voortdurend afleggen van bedrieglijke verklaringen heeft getracht de Belgische autoriteiten te misleiden, in het bijzonder wat betreft een asielaanvraag uit 2002 in Nederland onder een andere naam; dat in de bestreden beslissing wordt aangegeven waarom niet wordt aanvaard dat dezelfde vingerafdrukken aan verschillende personen kunnen toebehoren; dat daarmee aan de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen is XIV-28.198-2/6 voldaan, zodat het eerste middel ongegrond is in de mate dat de schending van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet, zoals het gold op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, wordt voorgehouden; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als administratief rechtscollege op het ogenblik van de bestreden beslissing in graad van beroep met volle rechtsmacht uitspraak kon doen over de al dan niet gegrondheid van de asielaanvraag, hetgeen zij in casu ook gedaan heeft; dat de kritiek over het optreden “als een soort super-bestuur” derhalve faalt naar recht; Overwegende dat de verzoekende partij in het middel voorhoudt dat de rechten van verdediging zouden zijn geschonden omdat zich geen kopie van de in Nederland genomen vingerafdrukken in het dossier bevindt; dat reeds in de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 januari 2006 naar het Nederlandse dossier met vingerafdrukken wordt verwezen en dat de verzoekende partij nadien noch in haar beroepsschrift, noch in haar brief van 29 november 2006, geldend als conclusie, noch op de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 5 december 2006 een kopie van de kwestieuze stukken of eventueel een tegenexpertise heeft gevraagd; dat zij zulks dan ook niet voor het eerst als nieuw middel voor de Raad van State als administratieve cassatierechter kan doen gelden; dat het eerste middel in die mate niet- ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij de beoordeling van de vingerafdrukken als bewijs van het bedrieglijke karakter van de asielaanvraag, de door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen gebruikte informatie en de andere motieven betwist; dat zulks echter betrekking heeft op de beoordeling van feitelijke gegevens, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur op administratieve beslissingsprocedures doch niet op jurisdictionele procedures van toepassing is; dat het eerste middel ook in die mate niet-ontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenverdrag), van het protocol betreffende de status der vluchtelingen, ondertekend te New-York op 31 januari 1963 (Vluchtelingenpro- tocol), van de artikelen 48 en 52, § 2, van de Vreemdelingenwet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur “als daar zijn het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldig- XIV-28.198-3/6 heidsbeginsel, het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel (...) alsook het beginsel dat elke bestuurshandeling door een materieel motief gedragen moet worden”; dat de verzoekende partij aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar asielaanvraag slechts met de verwijzing naar een gedateerd handboek en enkele bijkomende motieven afwijst, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wel stelt niet door de motieven of de vaststellingen van de commissaris-generaal te zijn gebonden doch die motieven en feiten klakkeloos overneemt, dat het verzuim van een voorafgaand verhoor een manifeste schending van de rechten van de verdediging vormt, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verder genoegen neemt met de vermelding dat een geboorteakte geen bewijs van identiteit vormt en het beginsel “fraus omnia corrumpit” citeert wanneer doorslaggeven- de elementen in het voordeel van de verzoekende partij worden aangehaald, dat de verzoekende partij ter zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de gronden van haar aanvraag van de subsidiaire beschermingsstatus heeft verduidelijkt en dit schriftelijk heeft uiteengezet in haar conclusie van 29 november 2006 en dat een gedwongen terugkeer naar Sierra Leone een reëel risico voor ernstige schade zou betekenen omdat daar geen vangnet voor psychiatrische patiënten bestaat; 2.
- Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet, zoals het gold op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, betrekking had op de ontvank- elijkheidsfase van de behandeling van de asielaanvraag, terwijl de bestreden beslissing in de gegrondheidsfase is genomen; dat die bepaling derhalve niet op de bestreden beslissing van toepassing is; dat de verzoekende partij niet aangeeft welke bepaling van het Vluchtelingen- verdrag of het Vluchtelingenprotocol zij geschonden acht, daargelaten de vraag of het om bepalingen met rechtstreekse werking in het Belgische recht zou gaan; dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals opgesomd door de verzoekende partij, van toepassing zijn op zuivere administratieve beslissingsprocedures doch niet op procedures voor administratieve rechtscolleges zoals de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat het tweede middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de kritiek als zouden de rechten van verdediging zijn geschonden doordat de verzoekende partij niet werd gehoord alvorens de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing nam, op afdoende wijze in de bestreden beslissing wordt weerlegd door de overwegingen betreffende de devolutieve werking van het beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat het de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen daarbij niet is verboden zich aan te sluiten bij de bevindingen van de commissaris-generaal; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; XIV-28.198-4/6 Overwegende dat in de oproepingsbrief van 10 november 2006 voor de zitting van 5 december 2006 de “aandacht wordt gevestigd op artikel 235, § 1, tweede lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (...) op grond waarvan de bevoegdheid van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen inzake aanhangige beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-Generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uitgebreid wordt tot de bevoegdheid om te onderzoeken of u voldoet aan artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (subsidiaire bescherming)”; dat de enkele omstandigheid van een ambtshalve onderzoek naar de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, de vreemdeling niet ontslaat van de verplichting om de motieven uiteen te zetten op grond waarvan hij meent voor deze beschermingsstatus in aanmerking te komen; dat noch uit de conclusie van 29 november 2006 noch uit het verslag van de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 5 december 2006 blijkt dat de verzoekende partij een middel betreffende de subsidiaire bescherming heeft ontwikkeld; dat de enkele zinsnede in de voornoemde conclusie dat “(m)instens dient aangenomen te worden dat mijn cliënt een reëel risico op ernstige schade loop(t) zoals bepaald in de definitie van bescherming overeenkomstig artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet” niet als de uiteenzetting van een middel kan worden aangenomen; dat te dezen ook wat de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus betreft aan de motiveringsplicht als vormvereiste voor beslissingen van administratieve rechtscolleges is voldaan en dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het gebrek aan een vangnet voor psychiatrische patiënten in het land van herkomst niet voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen is opgeworpen; dat geen rekening kan worden gehouden met een argument dat voor het eerst voor de administratieve cassatierechter wordt opgeworpen; dat het tweede middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- XIV-28.198-5/6 Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenen- twintig november tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-28.198-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.281 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.