← België

Arrest 177396 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 29/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.396 Rolnummer: A. 183003/XIV-29441 Zaak: Arrest 177396 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 29/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-20 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:18 Fiche Arrest nr 177.396 van 29 november 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.396 van 29 november 2007 in de zaak A. 183.003/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. VERHELST, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 2 mei 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 20 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen waarbij zijn verzoek tot hervorming van de beslissing van 24 oktober 2005 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling wordt verworpen; Gelet op de beschikking nr. 644 van 6 juni 2007 waarbij het cassatiebe- roep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 november 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.441-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. VERHELST, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché S. BOTTU, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL genomen uit de schending van artikel 39/65 van de Vreemdelin- genwet gelezen in samenhang met artikel 235 §2 derde lid van de Wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, artikel 49/3 tweede lid van de Vreemdelingenwet, en artikel 149 van de Grondwet; Doordat de bestreden beslissing het verzoek tot subsidiaire bescherming afwijst op grond van een eenvoudige verwijzing naar het weigeringsmotief met betrekking tot de toekenning van de vluchtelingenstatus, met name de zogenaamde ongeloofwaardigheid van het asielrelaas; Terwijl artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de uitspraken van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met redenen omkleed dienen te zijn; Dat dit artikel middels de overgangsbepaling opgenomen in artikel 235 §2 derde lid van de Wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van toepassing wordt verklaard op de beroepen die op 1 december 2006 voor de Vaste Beroepscommissie aanhangig waren zonder dat een rechtsdag was bepaald; Dat artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de subsidiaire beschermingssta- tus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade; Dat te dezen ten onrechte wordt gesteld dat het asielrelaas van verzoeker niet geloofwaardig zou kunnen worden geacht, en dat op grond daarvan het asielrelaas niet eens werd onderzocht; Dat verwerende partij uit dit vermeend gebrek aan geloofwaar- digheid meent te kunnen afleiden dat ook het verzoek om toepassing te maken van de subsidiaire beschermingsstatus niet moet worden onderzocht; Dat artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet immers het subsidiair beschermingsstatuut toekent aan éénieder van wie in redelijkheid kan aangenomen worden dat er gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico zou lopen op ernstige schade; Dat te dezen het zogenaamd gebrek aan geloofwaardigheid blijkt gesteund te zijn op een aantal antwoorden van verzoeker die werden gegeven op detailvragen naar de parareligieuze organisatie waarvoor hij werkzaam is geweest; Dat echter niet wordt betwist dat verzoeker wel degelijk afkomstig is uit Iran - gegeven dat overigens XIV-29.441-2/9 gesteund is op originele documenten die worden voorgelegd (met name het rijbewijs van verzoeker); Dat artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet in de Belgische rechtsorde werd ingevoerd naar aanleiding van de Europese Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming; Dat het hoofddoel van deze richtlijn is te verzekeren dat er in alle lidstaten een minimaal niveau aan bescherming wordt geboden aan personen die werkelijk bescherming behoeven omdat zij redelijkerwijze niet erop kunnen vertrouwen dat hun land van herkomst deze bescherming zou verstrekken (overweging 6 bij de richtlijn); Dat dan ook diende onderzocht te worden of verzoeker risico loopt op ernstige schade wanneer hij zou worden teruggestuurd naar Iran; Dat dit onderzoek echter niet werd gedaan; Dat enkel werd onderzocht of er in hoofde van verzoeker een vrees tot vervolging zou kunnen bestaan gebaseerd op een toebehoren tot een bepaald ras, godsdienst, nationaliteit of het toebehoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging; Dat de verhoren die werden gevoerd tot doel hadden hieromtrent - en enkel hieromtrent -feitelijke vaststellingen te doen; Dat de bepalingen in verband met de subsidiaire beschermingsstatus zelfs nog niet van toepassing waren op het moment dat deze verhoren werden georganiseerd; Dat door verzoeker werd aangevoerd in zijn aanvullend verzoekschrift voor de Vaste Beroepscommissie waarin werd verzocht om toepassing te maken van de regeling subsidiaire bescherming (stuk 3 , dat -benevens de elementen aangedragen in zijn asielrelaas tevens het feit dat hij intussen reeds bijna vier jaar geleden Iran heeft ontvlucht om zonder papieren in het Westen te verblijven hem zou worden ten laste gelegd bij een eventuele gedwongen terugkeer naar zijn land van herkomst; Dat geen enkel onderzoek werd gedaan omtrent dit bijkomend motief; Dat integendeel het verzoek om subsidiaire bescherming werd afgewezen op grond van zogenaamde tegenstrijdigheden in verhoren die werden afgenomen nog vóór dit verzoek werden geformuleerd, en dat het bijkomend motief eenvoudig werd genegeerd; Dat het nochtans aan verwerende partij toekomt om het verzoek om subsidiaire bescherming te onderzoeken, zoals de asielaanvraag ook dient te worden onderzocht; Dat artikel 49/3 tweede lid van de Vreemdelingenwet immers voorschrijft dat een asielaanvraag ambtshalve bij voorrang wordt onderzocht in het kader van het Verdrag van Genève en vervolgens in het kader van het statuut van subsidiaire bescherming; Dat dit laatste onderzoek thans niet is gebeurd, vermits de verhoren reeds dateren van voor het in voege treden van de bepalingen in verband met de subsidiaire bescherming; Dat trouwens ook geen actueel onderzoek werd verricht met betrekking tot de huidige situatie in het land van herkomst, onderzoek dat nochtans cruciaal is om te kunnen inschatten of er in hoofde van verzoeker een gevaar op ernstige schade bestaat bij een terugkeer naar dit land van herkomst; Dat dergelijk onderzoek des te crucialer is gelet op de overweldigende evidentie die voorhanden is met betrekking tot dagdagelijkse schendingen van de mensenrechten in Iran, wat reeds in het inleidend verzoekschrift voor de bodemrechter werd aangevoerd (stuk 2); Dat ook geen enkele motivering op dit punt voorhanden is, laat staan een afdoende motivering; Dat een vermeende ongeloofwaardigheid van het vluchtrelaas in dit verband immers volstrekt irrelevant is; Zodat de bestreden beslissing werd genomen met schending van de in het middel opgesomde bepalingen;”; 1.1.
  4. Overwegende dat, overeenkomstig artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), dat de omzetting naar Belgisch XIV-29.441-3/9 recht is van de Richtlijn 2004/83EG van 29 april 2004, de subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij een terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico zou lopen op ernstige schade; dat artikel 18 van voormelde Richtlijn 2004/83EG bepaalt dat de subsidiaire beschermingsstatus wordt verleend “aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming”; dat overeenkomstig artikel 4 van hoofdstuk II (Beoordeling van verzoeken om internationale bescherming”) van voormelde Richtlijn “mogen (de lidstaten) van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient”, waarbij onder “elementen” wordt verstaan “de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en van eerder verblijf, eerdere asielverzoeken, reisroutes, identiteits- en reisdocumenten en de redenen waarom een verzoek om internationale bescherming indient”; dat het voordeel van de twijfel daarbij slechts wordt verleend wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden: “a) de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven; b) alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, of er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen; c) de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek; d) de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan geven waarom hij dit heeft nagelaten, en e) vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd”; dat overeenkomstig voormeld artikel 4.3 van de Richtlijn 2004/83/EG de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming op individuele basis plaatsvindt en daarbij rekening wordt gehouden met, onder meer, alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip van de beslissing, met de door de verzoeker afgelegde verklaringen en overgelegde documenten en met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, “teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen”; dat elke aanvraag met andere woorden, individueel wordt onderzocht, waarbij de aanvrager op een voldoende concrete manier dient aan te tonen dat hij een persoonlijk risico op ernstige schade loopt; dat de loutere verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst in principe niet voldoende is; dat de aanvrager de link dient te leggen tussen deze algemene toestand en zijn persoonlijke situatie, waarbij de persoonlijke invulling minder zwaar door weegt voor subgrond c) (ernstige bedreiging XIV-29.441-4/9 van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict); dat in casu niet wordt betwist dat verzoeker zich in zijn verzoek tot voortzetting van 29 december 2006 ter staving van zijn verzoek om internationale bescherming beriep op de feiten die aan de basis lagen van zijn initiële asielaanvraag; dat voormelde feiten op grond van de door de Vaste Beroepscommis- sie voor vluchtelingen (wettig) gedane vaststellingen ongeloofwaardig werden bevonden zodat zij het verhaal van verzoeker dan ook niet aan artikel 1, A

(2), van het Vluchtelingen- verdrag diende te toetsen; dat wat het onderzoek naar de nood aan subsidiaire bescherming betreft, de loutere verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst in principe niet volstaat en verzoeker dient aan te tonen dat hij persoonlijk door de door hem ingeroepen algemene toestand van mensenrechtenschendingen in zijn land van herkomst zou worden getroffen; dat vermits de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen tot de vaststelling kwam dat de door verzoeker aangehaalde feiten tot staving van de noodzaak aan subsidiaire bescherming ongeloofwaardig zijn, zij dan ook kon vaststellen dat er geen verder onderzoek nodig was naar de nood aan subsidiaire bescherming; dat het eerste middel niet gegrond is; 1.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL genomen uit de schending van artikel 4.5 van de Europese Richtlijn nr. 2004/83/EG “Inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internatio- nale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming", van artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet gelezen in samenhang met artikel 235 §2 derde lid van de Wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, artikel 49/3 tweede lid van de Vreemdelingenwet, artikel 149 van de Grondwet, bepalingen voor zoveel als noodzakelijk genomen in samenhang met artikel 159 van de Grondwet; Doordat zowel het verzoek tot toekenning van de asielstatus als de subsidiaire bescherming werden afgewezen op grond van een zogenaamd gebrek aan kennis van verzoeker, wat meer bepaald zou blijken uit het feit dat de naam van de organisatie waarvoor hij werkzaam is geweest éénmaal verkort werd aangehaald en het feit dat met betrekking tot bepaalde activiteiten van deze organisatie door verzoeker geen toelichting kon worden gegeven; Terwijl, eerste onderdeel, in dit geval door verwerende partij kennelijk informatie werd ingewonnen met betrekking tot de organisatie waar verzoeker werkzaam is geweest op de juridische dienst (stuk 4); Dat deze informatie bevestigd heeft wat verzoeker steeds heeft aangevoerd, met name dat dit een zeer grote en invloedrijke organisatie is in Iran, die tal van activiteiten uitoefent; Dat het rapport van het Commissariaat-generaal verwijst - ten indicatieven titel (“ook”) - naar de opleiding van geestelijken, het uitvoeren van propaganda, ondersteuning van culturele activiteiten, spionage- activiteiten in het buitenland, recrutering van spionnen in het buitenland; Dat dit dus geenszins tegenstrijdig is met hetgeen verzoeker heeft verklaard; Dat verzoeker echter een gebrek aan geloofwaardigheid wordt verweten omdat hij geen toelichting zou kunnen verschaffen omtrent deze precieze doelstellingen en activiteiten van de organisatie; Dat uit het ganse document, waaruit een resem aan diverse activiteiten blijkt, enkel wordt weerhouden "het feit dat voornamelijk geestelijken opgeleid worden" (zie p. 3 van de bestreden beslissing - stuk 1); XIV-29.441-5/9 Dat verzoeker bovendien een fax heeft voorgelegd van zowel zijn werkcontract met de genoemde organisatie en zijn werkbadge, maar dat aan deze documenten geen bewijswaarde gehecht zou kunnen worden omdat zij niet zouden in samenhang staan met het afgelegde relaas en omdat zij te gemakkelijk te vervalsen zouden zijn; Dat dit echter een absurde redenering is; Dat het getuigenis van verzoeker immers uiteraard wel wordt ondersteund door deze documenten; Dat het loutere feit dat de voorgelegde documenten kopie's betreffen niet tot de conclusie kan leiden dat deze niet bewijskrachtig zijn; Dat dit nog minder het geval is wanneer deze precies het relaas van verzoeker ondersteunen, relaas dat immers mede is geschraagd op de arbeidsverhouding waarvan het bewijs wordt voorgelegd; Dat het de Raad toekomt om in het kader van zijn cassatietoezicht te onderzoeken of de bodemrechter de relevante feiten tot zich heeft laten doordringen, met name of geen feiten over het hoofd werden gezien alhoewel zij toch voorgelegd waren, of dat deze integendeel geen feiten heeft gemeend te zien daar waar zij geenszins zijn (F. FRANCEUS, “Een (vooruit)blik op de rol van de Raad van State bij het cassatiecon- tentieux ten aanzien van asielbeslissingen, T.B.P. 2002, 529 met verwijzingen); Dat het de Raad toekomt om na te gaan of de Vaste Beroepscommissie aan de door haar vastgestelde feiten de correcte juridische gevolgen verbindt, en meer bepaald of de motieven, waarop de beslissing is gesteund, voldoende draagkracht vinden in de feitelijke gegevens van het dossier (R.v.St., nr. 79.276, 15 maart 1999); Dat te dezen moet vastgesteld worden dat de beschikbare documentatie selectief werd gelezen om zo tegenstrijdigheid te creëren waar zij in werkelijkheid niet bestaat; Dat immers enkel wordt weerhouden dat de organisatie in kwestie "voornamelijk" geestelijken zou opleiden, daar waar nochtans ook nog een ganse reeks andere activiteiten worden opgesomd, en dat er dan bovendien ook nog melding wordt gemaakt van geheime afdelingen; Dat bovendien een onredelijke kennisstandaard wordt verwacht van verzoeker waar men van hem kennelijk verwacht dat hij het afgeleverde rapport van CEDOCA zonder meer volledig zou kunnen dupliceren; Dat het echter logisch is dat verzoeker het doel van de kwestieuze organisatie vanuit zijn eigen ervaring heeft ingevuld, i.e. dus vanuit zijn ervaringen in de periode dat hij op de juridische dienst werkzaam was; Dat verder de aangebrachte documenten (opgenomen in het administratief dossier) ofwel niet bewijskrachtig zouden zijn, ofwel het relaas niet zouden ondersteunen; Dat het relaas van verzoeker is gesteund op zijn arbeidsverhouding als jurist met een gewelddadige Iraanse organisatie; Dat ten eerste een universiteitsdiploma in origineel werd neergelegd waaruit blijkt dat verzoeker inderdaad jurist is; Dat voor dit diploma inmiddels trouwens een niveaubepaling werd afgeleverd door het Vlaamse Gewest; Dat dit document dus wel degelijk het gedane verhaal ondersteunt; Dat ten tweede een fax van zowel het werkcontract (gedateerd 16 augustus 2002) als de werkbadge van verzoeker werden voorgelegd; Dat daaruit duidelijk blijkt dat verzoeker inderdaad bij de organisatie "Sazemane Tablighate Fadayan Eslam" werkzaam is geweest; Dat ten derde ook nog een Iraans rijbewijs werd voorgelegd waaruit zijn identiteitsgegevens blijken; Dat deze stukken derhalve naadloos aansluiten bij het asielrelaas; Dat de bodemrechter op grond van de gegeven motivering dan ook niet in redelijkheid vermocht te besluiten tot een gebrek aan geloofwaardigheid van het asielrelaas; Terwijl, tweede onderdeel, ingeval - zoals in België - de lidstaat het beginsel hanteert luidens hetwelk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, artikel 4.5 van de Richtlijn nr. 2004/83/EG het voordeel van de twijfel toekent aan degene die om internationale bescherming verzoekt wanneer (
  1. a)de verzoeker een oprechte inspanning heeft geleverd om zijn verzoek te staven; (
  2. b)alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, of een bevredigende verklaring werd gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen; (
  3. c)de afgelegde verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek; (
  4. d)het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk werd XIV-29.441-6/9 ingediend, en (
  5. e)vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaar- dig kan worden beschouwd; Dat in zoverre een parallelle bepaling niet terug te vinden is in de Belgische wetgeving, deze bepaling uit de richtlijn rechtstreeks kan ingeroepen worden; Dat de richtlijn immers als uiterste omzettingsdatum 10 oktober 2006 bepaalt; Dat de rechtsonderhorige zich dan ook vanaf deze datum kan beroepen op de zgn. directe werking van deze richtlijnen; dat het Hof van justitie immers aanvaardt dat particulieren zich ten aanzien van de overheid rechtstreeks kunnen beroepen op de bepalingen van een richtlijn, indien aan drie voorwaarden is voldaan, met name (
  6. i)dat de overheid verzuimd heeft om de richtlijn om te zetten in nationaal recht, (
  7. ii)dat de daartoe voorziene termijn verstreken is, en (iii) dat de bepaling waarvan de rechtstreekse werking wordt ingeroepen, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is (H.vJ. 6 oktober 1970, zaak 9/70, Grad/Finanzamt Traunstein, Jur. H.v.J. 1970, 825; H.vJ. 17 december 1970, zaak 33/70, SACE/Ministerie van Financiën van Italië, Jur. H. v.J. 1970, 1213; H.v.J. 4 december 1974, zaak 41/74, van Duyn/Home office, Jur. H.v.J. 1974, 1337; H.v.J. 19 januari 1982, zaak 8/81, Becker/Finanzamt MünsterInnenstadt, Jur. H.v.J. 1982, 53; zie ook S. PRECHAL, Directives in EC Law, Oxford, Oxford University Press, 2005, 241 e.v.); Dat dit in casu het geval is; Dat uit het eerste onderdeel van dit middel reeds is gebleken dat voldaan is aan de voorwaarden om aan verzoeker het voordeel van de twijfel toe te kennen; Dat verzoeker immers een oprechte inspanning heeft gedaan om zijn verzoek te staven, zo blijkt uit de voorgelegde documenten; Dat niet wordt betwist dat alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, werden voorgelegd; Dat verder de afgelegde verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn, bovendien ondersteund worden door de voorgelegde documenten, en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor het verzoek; Dat de asielaanvraag zo spoedig als mogelijk werd ingediend; Dat de bestreden beslissing alleszins niet stelt dat het asielrelaas niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd; Dat de bestreden beslissing alleszins zelfs nog geen begin van motivering bevat met betrekking tot deze criteria; Dat het nochtans toekomt aan de Vaste Beroepscommissie om een asielaanvraag zelfs ambtshalve te onderzoeken in het kader van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet, en vervolgens in het kader van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet (zie artikel 49/3 van de Vreemdelingenwet); Dat de aanvraag dan ook aan voormelde criteria diende getoetst te worden, wat echter niet is gebeurd, of dat alleszins toch niet gemotiveerd werd waarom naar het oordeel van verwerende partij het voordeel van de twijfel in casu niet kon spelen; Dat dis te meer klemt wanneer het precies op grond van een zogenaamd gebrek aan geloofwaar- digheid is, i.e. met andere woorden omwille van bewijsproblemen, dat het verzoek om internationale bescherming wordt verworpen (correcter: zelfs niet wordt onderzocht); Zodat de bestreden beslissing werd genomen met schending van de in het middel opgesomde bepalingen;”; 1.2.2. Overwegende dat, overeenkomstig het in het middel aangehaalde artikel 4.5 van de Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 aan de verzoeker het voordeel van de twijfel wordt gegund wanneer de feitenrechter overtuigd is van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen, hetgeen naar het oordeel van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in casu niet het geval was; dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing het verzoek tot hervorming van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt verworpen omdat het niet aannemelijk is dat verzoeker zich vergist omtrent de officiële naam van een organisatie XIV-29.441-7/9 waarvoor hij twee jaar zou hebben gewerkt, omdat hij geen nadere informatie kan geven over de organisatie, omdat van hem kan verwacht worden dat hij kennis zou hebben van de doelstellingen en activiteiten van de organisatie, met name het feit dat voornamelijk geestelijken worden opgeleid, en omdat aan de voorgelegde kopieën geen bewijswaarde kan worden gehecht omdat ze gemakkelijk te vervalsen zijn; dat aldus genoegzaam wordt aangegeven waarom zijn verzoek tot hervorming wordt verworpen; dat waar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vaststelt dat het doel van de organisatie voornamelijk de opleiding van geestelijken is, - in tegenstelling tot hetgeen verzoeker beweert - de beschikbare informatie door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins selectief wordt gelezen; dat uit het antwoorddocument van CEDOCA immers het volgende blijkt: “‘Sazemane Tablighate F. Eslam’ is (e)en zeer grote en invloedrijke organisatie in Iran. (...) Het betreft een religieuze organisatie die vooral geestelijken opleid. Ze krijgen er o.a. talen aangeleerd waarna ze naar verschillende landen worden uitgestuurd om het Sjiisme te verspreiden. In eigen land doen ze ook aan propaganda en hebben ze een cultureel centrum (...). De organisatie heeft echter ook een geheime afdeling waar geestelijken worden opgeleid om spionageactiviteiten uit te voeren in het buitenland. Onder het mom van culturele activiteiten dienen ze in het buitenland spionnen te recruteren. (...).”; dat derhalve geenszins wordt aangetoond dat het gehanteerde document zou zijn verdraaid of dat eruit onjuiste gevolgtrekkingen zouden zijn gehaald, laat staan dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen voormelde informatie selectief zou hebben gelezen en hierdoor een tegenstrijdigheid zou hebben gecreëerd; dat het voorts uitsluitend aan de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen als feitenrechter toekomt om te oordelen over de bewijswaarde van de voorgelegde stukken en om te oordelen of redelijkerwijze van verzoeker kan worden verwacht dat hij kennis zou hebben van de doelstellingen en activiteiten van de organisatie waarvoor hij twee jaar zou hebben gewerkt; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat het tweede middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, XIV-29.441-8/9 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenen- twintig november tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.441-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.396 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.