id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.397 Rolnummer: A. 183132/XIV-29546 Zaak: Arrest 177397 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 29/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-20 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:18 Fiche Arrest nr 177.397 van 29 november 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.397 van 29 november 2007 in de zaak A. 183.132/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. HAYFRON-BENJAMIN, kantoor houdende te 1040 BRUSSEL, Sint-Antoonplein 49 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ethiopische nationaliteit, op 7 mei 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 27 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, waarbij haar verzoek tot hervorming van de beslissing van 29 september 2006 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling wordt verworpen; Gelet op de beschikking nr. 883 van 28 juni 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 november 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.546-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. HAYFRON-BENJAMIN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché S. BOTTU, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “Schending van de artikelen 57/12 en 57/22 van de vreemdelingenwet van 15.12.
- Op grond van artikel 57/12, 2de lid, eerste zin, bestaan de kamers van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hetzij uit drie vaste leden, namelijk een voorzitter en twee bijzitters, hetzij uit één vast lid. Op grond van artikel 57/12, 3de lid, kan de voorzitter of de door hem gemachtigde bijzitter, wanneer hij, na inzage van het verzoekschrift, oordeelt dat het beroep onontvankelijk of kennelijk ongegrond is, het beroep zelf behandelen als alleenrecht- sprekend lid. Indien na behandeling blijkt dat het beroep noch onontvankelijk noch kennelijk ongegrond is, verwijst het alleenrechtsprekend lid de behandeling van het beroep naar een drieledige kamer. Krachtens artikel 57/22 worden de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen met redenen omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak. Uit de bepalingen van artikel 57/12 voornoemd volgt dat een zaak voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen in regel behandeld wordt door een kamer samengesteld uit drie rechters, doch dat in sommige gevallen een zaak door één rechter alleen kan behandeld worden. De regel is drie rechters, de uitzondering is één rechter. Daaruit volgt dat, wanneer een zaak door één rechter wordt behandeld, de redenen hiervan moeten blijken uit de beslissing of beslissingen genomen door de Vaste Beroepscommissie. Het is niet zeker dat uit de beschikking gevoegd bij de oproeping voor de zitting, door de alleenzetelende rechter moet uitgelegd worden waarom hij meent dat het beroep hetzij als onontvankelijk hetzij als kennelijk ongegrond voorkomt. Deze beschikking kan immers beschouwd worden als een voorbereidende beslissing. Evenwel dient hetzij uit deze beschikking, hetzij uit de definitieve beslissing, wanneer deze betrokkene weigert te erkennen als vluchteling, afgeleid te kunnen worden waarom het beroep kon behandeld worden door één rechter, omdat het hetzij onontvankelijk is, hetzij kennelijk ongegrond. Deze verplichting volgt uit: - enerzijds het feit dat in regel een zaak voor drie rechters behandeld wordt en slechts bij uitzondering door één rechter - de motiveringsplicht van artikel 57/
- Dat 'voor een vlotte werking van de Vaste Beroepscommissie kan het nuttig zijn dat elk lid een aantal dossiers onderzoekt. In principe volgt dan een behandeling door drie rechters. XIV-29.546-2/4 Indien het dossier laattijdig is, geen middelen bevat, of niet aanwijst waarom de beslissing moet worden hervormd, kan het aangewezen zijn alleen te oordelen. Indien de enige rechter omwille van nieuwe elementen ter zitting meent dat een grondiger behandeling noodzakelijk is, moet hij verwijzen naar een kamer met drie rechters'. (Senaat, 1992-93, nr. 555/2, blz. 126). De Vaste Beroepscommissie moet bijgevolg in zijn beschikking of in zijn definitieve beslissing motiveren waarom, ondanks het feit dat het vluchtverhaal noch door de Commissaris-generaal noch later door de Vaste Beroepscommissie zelf, in twijfel werd getrokken, enerzijds de zaak meende te kunnen vaststellen voor één rechter, wat maar kan indien het beroep kennelijk ongegrond lijkt omdat geen enkel middel wordt aangehaald, en anderzijds waarom na verhoor van de verzoekers de zaak niet diende verwezen te worden naar een kamer met drie rechters. Zulke uitleg ontbreekt volkomen. In de aangevochten beslissing van 27 maart 2007 wordt verklaard dat het beroep wordt verworpen. Dat het middel is bijgevolg gegrond;”; 1.
- Overwegende dat, overeenkomstig artikel 235, § 2, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen inzake beroepen die op de datum vastgesteld in artikel 234, derde lid, aanhangig zijn en waarvoor nog geen rechtsdag is bepaald, dezelfde bevoegdheid heeft als die welke bij deze wet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt toegekend en worden de beroepen behandeld overeenkomstig de procedure en de bepalingen bepaald bij de artikelen 39/10, 39/17, 39/18, 38/56 tot 39/67, 39/69 tot 39/77 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat artikel 39/10 van de Vreemdelingenwet, waaraan in voormeld artikel 235, § 2, wordt gerefereerd, bepaalt wat volgt: “De kamers houden zitting met één lid. Zij houden evenwel zitting met drie leden: 1/ in de zaken die aan de tweetalige kamer zijn opgedragen; 2/ wanneer de Raad (lees: de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen) geroepen wordt om zaken die na cassatie verwezen zijn, te berechten; 3/ wanneer de kamervoorzitter om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren, toepassing maakt van artikel 39/6, § 3, derde lid. De kamervoorzitter kan, als de verzoeker daarom op gemotiveerde wijze vraagt in zijn verzoekschrift of ambtshalve, bevelen dat een zaak wordt verwezen naar een kamer met drie leden wanneer de juridische moeilijkheid of het belang van de zaak dan wel bijzondere omstandigheden daartoe grond opleveren.”; dat verzoeksters hoger beroep van 4 oktober 2006 bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen tegen de weigeringsbeslissing van 29 september 2006 van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen derhalve overeenkomstig voormelde bepalingen door één lid diende te worden behandeld; dat verzoekster niet aantoont - en uit het administratief dossier evenmin blijkt - dat haar zaak om één van de in artikel 39/10 van XIV-29.546-3/4 de Vreemdelingenwet vermelde redenen door een kamer met drie leden diende te worden behandeld; dat het enig middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenen- twintig november tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.546-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.397 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.