id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.403 Rolnummer: A. 74245/XII-2616 Zaak: Arrest 177403 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 29/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-13 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:19 Fiche Arrest nr 177.403 van 29 november 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.403 van 29 november 2007 in de zaak A. 74.245/XII-
- In zake : Luc BRUELEMANS, die woonplaats kiest bij advocaat J. De Ketelaere, kantoor houdende te Leuven, Bondgenotenlaan 155 a tegen : de STAD LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaat B. Beelen, kantoor houdende te Leuven, Justus Lipsiusstraat 20 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc Bruelemans op 7 mei 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 13 maart 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven waarbij zijn “bijzonder bewijs van taxichauffeur” definitief wordt ingetrokken; Gelet op het arrest nr. 66.249 van 15 mei 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en het verzoek tot het opleggen van een dwangsom worden verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 30 mei 1997 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 6 juli 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2616-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. De Ketelaere, die loco advocaat J. De Ketelaere verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. Van Stipelen, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
- In de nacht van 20 op 21 februari 1997 stelt de politie van Leuven tegen verzoeker, taxichauffeur, een proces-verbaal op omdat hij het verbodsbord C3 (verboden voor iedere bestuurder) negeerde, omdat hij geen onmiddellijk gevolg gaf aan het bevel van een bevoegd persoon, omdat hij weigerde zijn exploitatie- vergunning van de stad Leuven voor het jaar 1996-1997 en zijn bijzonder bewijs voor taxibestuurder te tonen, en omdat hij zich als taxibestuurder onbeleefd opstelde. De hoofdcommissaris van politie vraagt op 12 maart 1997 aan het college van burgemeester en schepenen van de stad om “het bijzonder bewijs van taxichauffeur” van verzoeker in te trekken. Hieraan gevolg gevend beslist het college op 13 maart 1997 “het ‘bijzonder bewijs van taxichauffeur’ van de heer Luc Bruelemans definitief in te trekken gezien het onaanvaardbaar en bijzonder gevaarlijk verkeersgedrag alsook de arrogantie en het onmiskenbaar misprijzen ten aanzien van de politieambtenaren van de stad”. XII-2616-2/5 Intussen is verzoeker voorlopig opnieuw in het bezit gesteld van zijn bijzonder bewijs, op grond van de beschikking van 15 mei 1997 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Ten gronde
- Verzoeker bekritiseert in een eerste middel “de simplistische wijze, waarop de litigieuze beslissing werd genomen”. Hij voert onder meer aan : “dat alleszins vaststaat en blijft vaststaan dat het College van Burgemeester en Schepenen zich louter heeft gebaseerd op volledig éénzijdig ingewonnen informatie, zonder op enige wijze verzoeker toe te laten zich omtrent eventuele aantijgingen te verdedigen of nog maar verzoeker in de mogelijkheid te stellen om vooraf te worden gehoord; dat bij gebreke aan een elementaire procedure, met waarborgen voor de rechten van verdediging, o.a. art. 6 e.v. E.V.R.M. en de beginselen van behoorlijk bestuur werden geschonden”.
- Verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord in essentie dat de tenlasteleggingen ten opzichte van verzoeker niet voor betwisting vatbaar zijn, dat er terzake door de politiediensten een proces-verbaal en een bestuurlijke akte is opgesteld, dat de sanctie in evenredigheid met de feiten is, dat verzoeker geen werknemer van de stad is en dat hij zich niet “dient te beklagen nopens het feit dat hij niet nogmaals werd uitgenodigd ten einde zijn standpunt kenbaar te maken temeer daar hij iedere samenwerking weigerde met de politiediensten dewelke hem op het politiecommissariaat voor verhoor hadden uitgenodigd”. In de laatste memorie voegt verwerende partij daar nog aan toe “dat er geen schending kan zijn van het recht van verdediging om de zeer eenvoudige reden dat dit beginsel, behoudens andersluidende bepaling in de teksten zelf, hetgeen in deze niet het geval is, uitsluitend van toepassing is op tuchtdossiers”, dat de bestreden beslissing “een eenvoudige maatregel” is “opzichtens een derde, die evenmin een personeelslid is van de stad Leuven of op welkdanige wijze deel uitmaakt van de stad Leuven”, dat verzoeker op geen enkel ogenblik enige uitleg heeft verstrekt aan de verbalisanten, dat hij de feiten geenszins betwist, dat hij heeft nagelaten zijn argumentatie schriftelijk aan de stad mee te delen, en dat hem horen “niet meer klaarheid had kunnen brengen over de feitelijke vaststellingen”. XII-2616-3/5
- De bestreden beslissing trekt verzoekers “bijzonder bewijs van taxichauffeur” in met toepassing van artikel 8 van het op 13 februari 1996 door de gemeenteraad vastgestelde aanvullend politiereglement inzake taxi-auto’s, waarvan de eerste zin luidt : “Het bijzonder bewijs van de taxi-chauffeur-personeelslid zal ingetrokken worden ingeval van wangedrag, ernstige wetsovertredingen of inbreuken op de voorschriften van de politieverordeningen”. Meer bepaald wordt tegen verzoeker “onaanvaardbaar en bijzonder gevaarlijk verkeersgedrag” evenals arrogantie en “onmiskenbaar misprijzen ten aanzien van de politieambtenaren van de stad” ingebracht. Krachtens een beginsel van behoorlijk bestuur kan een dergelijke beslissing, die de betrokkene op een meer dan geringe wijze nadelig in zijn belangen treft en gesteund is op gegevens die hem als een tekortkoming worden aangerekend, in principe niet rechtmatig worden genomen dan na hem voorafgaandelijk in de gelegenheid te hebben gesteld zijn standpunt op nuttige wijze naar voor te brengen. De omstandigheid dat de bestuurde geen ambtenaar is in dienst van de verwerende partij, is in dit verband totaal irrelevant.
- Verwerende partij heeft tot de aangevochten intrekking beslist op grond van een verslag over de overtredingen die de politie op 21 februari 1997 ten laste van verzoeker vaststelde en op grond van het verzoek van 12 maart 1997 van de hoofdcommissaris van politie. Aan verzoeker heeft zij vooraf niets gevraagd of gezegd. Het blijkt evenmin dat verzoeker tenminste ervan op de hoogte was dat een intrekking van zijn bijzonder bewijs naar aanleiding van de feiten van 21 februari 1997 overwogen werd. Alleen al om die reden gaat het niet op hem tegen te werpen dat hij niet eigener beweging zijn verweer schriftelijk aan de stad heeft meegedeeld. Ook het argument dat de feiten op zich niet voor betwisting vatbaar zijn omdat zij door de politie werden vastgesteld en verzoeker het niet nodig vond aan de politie uitleg te verstrekken, kan niet verantwoorden dat de hoorplicht werd voorbijgezien. Zelfs al zouden, louter per hypothese, de feiten inderdaad voor vaststaand gehouden moeten worden, dan nog behoorde de verwerende partij XII-2616-4/5 verzoeker te hebben gehoord over de voorgenomen maatregel. Of de feiten al dan niet dienen te leiden tot een intrekking door de verwerende partij van het bijzonder bewijs van taxichauffeur, laat staan nog een définitieve intrekking ervan, is immers niet een kwestie van gebonden bevoegdheid, maar staat ter vrije, discretionaire beoordeling van het bestuur.
- Verwerende partij kwam tekort aan de hoorplicht. Het middel is in die mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 13 maart 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven waarbij het “bijzonder bewijs van taxichauffeur” van Luc Bruelemans definitief wordt ingetrokken. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig november 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2616-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.403 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.66.249 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div