← België

Arrest 177405 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 29/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.405 Rolnummer: A. 77588/XII-953 Zaak: Arrest 177405 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 29/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 04:19 Fiche Arrest nr 177.405 van 29 november 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.405 van 29 november 2007 in de zaak A. 77.588/XII-

  1. In zake : de VZW GAIA, die woonplaats kiest bij advocaat J. Verstraeten, kantoor houdende te Leuven, Vaartstraat 70 tegen : de BURGEMEESTER VAN DE STAD GERAARDSBERGEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat VZW Gaia op 20 april 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de politieverordening van 19 februari 1998 van de burgemeester van Geraardsbergen waarbij een aantal “handelingen” op het Krakelingenfeest van 22 februari 1998 worden verboden; Gelet op het arrest nr. 160.765 van 29 juni 2006 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 10 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-953-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Verstraeten, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat K. Krikilion, die loco advocaat P. De Brauwer verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
  2. De rijkswacht van het district Oudenaarde deelt in een bericht van 12 februari 1998 aan de burgemeester van de stad Geraardsbergen mee dat door verzoekster een protestactie zal worden gevoerd naar aanleiding van het jaarlijkse krakelingenfeest op 22 februari 1998 “waarbij levende visjes uit een beker wijn worden gedronken”. Verzoekster protesteerde ook al ter gelegenheid van het krakelingenfeest 1997 tegen die praktijk. Verwijzend naar artikel 134, § 1, van de nieuwe gemeentewet, besluit de burgemeester op 19 februari 1998 op het krakelingenfeest van 22 februari 1998 eenieder te verbieden om spandoeken binnen te brengen die van aard zijn de veiligheid, de rust of de gezondheid van de aanwezigen te schaden, om door geweld, feitelijkheden of luid te roepen het normale verloop van het krakelingenfeest onmogelijk te maken, te vertragen, te hinderen of gevaarlijk te maken, en om het werk van de algemene politiediensten, de hulpdiensten, de inrichters van het krakelingenfeest en haar aangestelden opzettelijk te hinderen. Het besluit wordt op 10 maart 1998 door de gemeenteraad bekrachtigd. Het belang van verzoekster
  3. In haar aanvullend verslag bevindt de auditeur het beroep ontvankelijk en gegrond. Verwerende partij, die nog geen enkele memorie ten gronde indiende, doet dat ook niet in reactie op het aanvullend verslag. XII-953-2/5 In het zicht van de openbare terechtzitting gevraagd naar “nieuwe gegevens” die zich intussen mochten hebben voorgedaan, komt verwerende partij in een brief van 16 juli 2007 plots aanzetten met een arrest van 30 november 2001 van het hof van beroep te Gent en een arrest van 5 november 2002 van het Hof van Cassatie, om te concluderen dat het annulatieberoep “zonder voorwerp is geworden en geenszins nog enig belang kan dienen”. Een afschrift van de arresten wordt niet meegedeeld; evenmin wordt hun inhoud verduidelijkt. Verzoekster, dan weer, deelt in een brief van 23 augustus 2007 mee dat de arresten niets van doen hebben met de onderhavige vordering, maar betreffen zij “een totaal ander voorwerp”.
  4. De beweringen van verwerende partij in de brief van 16 juli 2007 zijn te laat en te onprecies om de Raad van State ervan te kunnen overtuigen dat verzoekster zonder actueel belang is. De grond van de zaak
  5. Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van artikel 134, § 1, van de nieuwe gemeentewet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Toegelicht wordt onder meer dat de burgemeester slechts bevoegd is om een politieverordening uit te vaardigen in geval van oproer, kwaadwillige samenscholing, ernstige stoornis van de openbare rust of andere onvoorziene gebeurtenissen, dat verzoekster ook al in 1997 heeft geprotesteerd, dat verwerende partij één jaar de tijd heeft gehad om de nodige maatregelen te nemen, dat er reeds gedurende weken onderhandeld werd tussen de burgemeester en de voorzitter van verzoekster, en dat uit die gesprekken bleek dat de burgemeester zeer goed op de hoogte was van het feit dat verzoekster op vreedzame wijze haar mening zou uiten.
  6. Verwerende partij heeft geen enkele memorie ingediend. Zij kan haar verzuim om aldus verweermiddelen te doen gelden, niet ter terechtzitting goedmaken. Immers mogen in principe, overeenkomstig artikel 29, derde lid, van het algemeen procedurereglement, in verband met de terechtzitting, geen andere middelen worden aangevoerd dan die welke in het verzoekschrift of in de memorie zijn uiteengezet. XII-953-3/5
  7. De bestreden beslissing is tot stand gekomen met toepassing van artikel 134, § 1, lid 1, van de nieuwe gemeentewet. Die bepaling luidt : “In geval van oproer, kwaadwillige samenscholing, ernstige stoornis van de openbare rust of andere onvoorziene gebeurtenissen, waarbij het geringste uitstel gevaar of schade zou kunnen opleveren voor de inwoners, kan de burgemeester politieverordeningen maken, onder verplichting om daarvan onverwijld aan de gemeenteraad kennis te geven, met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden”. De bepaling vereist onder meer dat de gebeurtenis die de uitoefening van de bevoegdheid verantwoordt, onvoorzien is.
  8. Met de aangevochten verordening heeft de burgemeester kennelijk de acties willen beteugelen dat hij vanwege verzoekster verwachtte tegen het drinken van levende visjes op het jaarlijkse krakelingenfeest. Redelijkerwijze moet hij dit protest, en de eventuele stoornis die het meebracht, geruime tijd van tevoren hebben zien aankomen. Niet alleen had verzoekster ook al het vorige jaar tegen het drinken van levende visjes op het krakelingenfeest geprotesteerd, bovendien betwist de verwerende partij niet dat er met betrekking tot de voorgenomen acties “reeds gedurende weken” gesprekken werden gehouden tussen de burgemeester en de voorzitter van verzoekster. In die omstandigheden -en de verwijzing in de beslissing van 19 februari 1998 naar “het verslag van de politiediensten van heden” (begrijp : het verslag van 12 februari 1998 van de rijkswacht district Oudenaarde) ten spijt- zijn de protestacties van verzoekster bezwaarlijk als een nieuw en onverwacht gegeven te bestempelen, en is het niet aannemelijk dat het betrokken risico op stoornis zich als een plots opdoemend gevaar heeft voorgedaan.
  9. Bij ontstentenis van een onvoorziene gebeurtenis verkeerde de burgemeester niet in de voorwaarden om, alleen optredend, politieverordeningen te maken. Het eerste middel is in de besproken mate gegrond; het brengt de vernietiging mee van de door de gemeenteraad bekrachtigde beslissing van de burgemeester. XII-953-4/5 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
  10. Vernietigd wordt het besluit van 19 februari 1998 van de burgemeester van Geraardsbergen, bekrachtigd middels gemeenteraadsbeslissing van 10 maart 1998, waarbij een aantal “handelingen” op het krakelingenfeest van 22 februari 1998 worden verboden. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig november 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-953-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.405 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.71.984 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.765 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.