← België

Arrest 177414 - Milieuvergunningen - 29/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.414 Rolnummer: A. 68754/VII-13962 Zaak: Arrest 177414 - Milieuvergunningen - 29/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:19 Fiche Arrest nr 177.414 van 29 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.414 van 29 november 2007 in de zaak A. 68.754/VII-13.

  1. In zake : Frans LEENAERTS, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : de stad HOOGSTRATEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans LEENAERTS op 2 mei 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad HOOGSTRATEN van 4 maart 1996 houdende weigering van aktename van de melding ingediend door verzoeker betreffende de overname van de vergunningen afgeleverd aan Gerardus BOEREN tot het exploiteren van een varkensbedrijf, gelegen aan Groot Eyssel te Hoogstraten, gekadastreerd aldaar vierde afdeling, sectie C, nummers 218g en 218h; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur C. ADAMS; Gelet op de beschikking van 18 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; VII-13.962-1/8 Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 oktober 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. VANBRABANT die, loco advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor verzoeker, en van burgemeester A. VAN APEREN, secretaris E. PALMANS en juridisch adviseur A. OTTEN, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Op de percelen te Hoogstraten , Groot Eyssel, gekadastreerd aldaar vierde afdeling, sectie C, nummers 218g en 218h, wordt oorspronkelijk een varkenshouderij uitgebaat door Gerardus BOEREN. Deze laatste beschikt over een aktename, gegeven onder het ARAB-stelsel door het college van burgemeester en schepenen van de stad Hoogstraten op 8 oktober 1977 voor het houden van 600 mestvarkens en 80 zeugen. Ingevolge een latere melding, wordt aan Gerardus BOEREN met een besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 17 februari 1994 akte gegeven voor 389 m³ mestopslag, elektromotoren met een totaal vermogen van 1,5 kW en de opslag van 4 ton voeder. Met hetzelfde besluit wordt aktename geweigerd voor het houden van 710 gespeende varkens. 1.
  4. Begin 1996 neemt verzoeker de inrichting van Gerardus BOEREN over. VII-13.962-2/8 Op 16 januari 1996 meldt verzoeker de overname van een vergunde inrichting met 80 zeugen, 600 mestvarkens, 389 m³ mestopslag, elektromotoren met in totaal 1,5 kW en de opslag van 4 ton voeder. De Vlaamse Landmaatschappij adviseert op 16 februari 1996 om de gevraagde overname niet te akteren. Met het thans bestreden besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad HOOGSTRATEN van 4 maart 1996 wordt geen akte genomen van de gemelde overname, in essentie omdat bij de Mestbank vanaf 1 januari 1991 geen aangifte van varkens meer werd ingediend, omdat de vergunningen aldus gedurende minstens twee jaar niet meer werden geëxploiteerd en van rechtswege zijn vervallen, zodat de aanvraag tot overname zonder voorwerp is geworden;
  5. De gegrondheid 2.
  6. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van artikel 15 van het ARAB, van artikel 28, § 1, 3 /, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van artikel 46, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het gemis aan de rechtens vereiste feitelijke grondslag, doordat het bestreden besluit geen akte neemt van de melding gedaan door verzoeker teneinde een exploitatievergunning over te nemen, afgeleverd door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 17 februari 1994, met verwijzing naar een advies uitgebracht door de Mestbank waarin gesteld wordt "dat de vergunningen gedurende minstens 2 jaar niet werden geëxploiteerd en derhalve van rechtswege vervallen zijn", terwijl enerzijds de vergunning die het "provinciebestuur" bij wege van aktename had verleend op 17 februari 1994 op het ogenblik van de melding onmogelijk kon "vervallen" zijn, omdat dit verval slecht intreedt na een termijn van twee jaar en terwijl anderzijds het bestreden besluit niet afdoende is gemotiveerd door de loutere verwijzing naar het advies van de Mestbank, omdat de omstandigheid dat de vorige uitbater geen "aangifte" zou hebben gedaan van varkens nog niet betekent dat de inrichting gedurende de vermelde periode niet zou zijn uitgebaat en deze mogelijke nalatigheid van de rechtsvoorganger van verzoeker in elk geval niet aan verzoeker kan worden tegengesteld; VII-13.962-3/8 2.
  7. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 17 februari 1994 uitdrukkelijk geen aktename heeft gedaan van de stallen voor 710 gespeende varkens, dat verzoeker uitgaat van verkeerde feiten waaraan hij dan ook verkeerde gevolgen verbindt, dat het argument dat de vergunning die werd verleend op 17 februari 1994 bij wijze van aktename, op het ogenblik van de melding onmogelijk kan vervallen zijn, omdat dit verval slechts intreedt na een termijn van twee jaar, dan ook "op zeer losse schroeven" lijkt te staan, dat verzoeker in zijn verzoekschrift geen enkele aanduiding geeft dat er in bedoelde periode wel een exploitatie van varkens zou hebben plaats gehad, dat er op deze inrichting in de periode na 1990 geen varkens werden gehouden, dat deze feitelijke situatie uitdrukkelijk in de volgende bewoordingen werd bevestigd in het advies van de Mestbank van 16 februari 1996 : "overwegende dat de aanvrager reeds op 1 januari 1991 geen varkens meer had (volgens de aangifte). Overwegende dat volgens Vlarem I een vergunning die twee jaar geheel of gedeeltelijk niet geëxploiteerd werd geheel of gedeeltelijk van rechtswege vervallen is; Overwegende dat de vergunning (aktename) van de Bestendige Deputatie gebaseerd is op de situatie van het bedrijf in 1990 en het een vaststelling van een momentopname betreft; Overwegende dat deze situatie zodanig gewijzigd is aangezien de aanvrager geen varkens meer houdt maar wel runderen"; dat de waarheidsgetrouwheid van haar uitgangspunt uitdrukkelijk bevestigd werd door het controle-onderzoek van 30 juli 1996 dat werd uitgevoerd door de bevoegde ambtenaar van de Mestbank, dat het verhoor van de voormalige exploitant, Gerardus BOEREN, ondubbelzinnig is : "Ik ondergetekende was strafrechtelijk verantwoordelijk voor het bedrijf gelegen Groot Eyssel z.n. te Meerle tot 1 februari 1996 . (...) Ik heb zelf de stal laten bouwen en heb er varkens in gehouden, zowel zeugen als mestvarkens. Ik ken niet de exacte datum van stopzetting, maar na 1990 hebben er zeker geen varkens meer ingezeten. Er is geen speciale reden waarom het bedrijf nu slechts verkocht is"; dat zij tot slot argumenteert dat het bestreden besluit wel degelijk op juiste feitelijke en juridische overwegingen steunt, dat gezien het feit dat er na 1990 geen varkens meer aanwezig waren, er dan ook geen sprake kan zijn van een aangifteverzuim, dat de sanctie van verval wegens niet-exploitatie, de vergunde inrichting betreft en niet de exploitant; 2.
  8. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord stelt dat voor het bedrijf een vergunning werd afgeleverd door het "provinciebestuur" bij wege van aktename op 17 februari 1994, dat de verwerende VII-13.962-4/8 partij correct stelt dat deze beslissing niet gold voor het onderdeel varkens, en enkel voor 389 m³ mestopslag, 1,5 kW elektromotoren en 4 ton veevoeder, dat de vaststelling blijft dat er een vergunning werd afgeleverd en dat deze op het ogenblik dat de vraag tot akteneming van de overname van de inrichting door beroeper onmogelijk vervallen kon zijn, dat artikel 15 van het ARAB immers bepaalt dat de inrichting daartoe gedurende minstens twee jaar "werkloos" moet zijn gebleven, dat ook de afgifte van de "gedeeltelijke" vergunning bij wege van aktename alleszins impliceert dat het om een vergunde inrichting gaat; dat hij voorts verwijst naar arrest nr. 58.939 van 28 maart 1996 van de Raad van State, waarin wordt aanvaard dat een slachthuis nog moest worden beschouwd als een vergunde inrichting, zelfs indien enkel nog voor een stoomketel een geldige exploitatievergunning voorhanden was; dat hij voorts meent dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen klaarblijkelijk bij vergissing geen akte heeft genomen van de gedane aangifte voor 710 gespeende varkens, dat in de beslissing terzake wordt gesteld dat de aktename niet gedaan wordt omdat de inrichting voor dit onderdeel reeds vergunningsplichtig zou zijn geweest voor 3 april 1990, dat dit evenwel onjuist is, gezien het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 1990 dat onder meer het houden van meer dan 200 gespeende varkens vergunningsplichtig stelt, terwijl voorheen de grens was bepaald op 1.000 dieren, dat dit betekent dat de inrichting zoals deze is aangegeven door Gerardus BOEREN, omvattende 710 gespeende varkens, voorheen helemaal niet vergunningsplichtig was en dat de aktename dus wel degelijk diende te gebeuren, dat de conclusie moet zijn dat verzoeker helemaal geen inrichting wenst over te nemen waarvan de exploitatievergunningen reeds vervallen waren; 2.
  9. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat hij het standpunt dat de vergunning onmogelijk kon zijn vervallen op het ogenblik van de melding van overname op 16 januari 1996, maar dat de vergunning wel kon zijn vervallen op datum van het bestreden besluit, niet volgt, dat door zich vast te houden aan de datum van het bestreden besluit teneinde na te gaan of de vergunning al dan niet vervallen was, men de weg vrijlaat voor misbruiken door de overheid, dat deze immers de beslissing omtrent de aktename kan laten liggen tot wanneer de vergunning vervallen zou zijn, indien zij deze aktename omwille van bepaalde redenen liever weigert, dat de enige manier om dergelijk misbruik te voorkomen is om de datum van melding van overname te nemen als ijkpunt; VII-13.962-5/8 2.
  10. Overwegende dat de betwisting gaat over de vraag of de vergunning van 17 februari 1994 al dan niet is vervallen wegens niet-exploitatie gedurende twee opeenvolgende jaren; dat volgens verzoeker de bij wege van aktename verleende vergunning van 17 februari 1994 onmogelijk kon zijn vervallen op het ogenblik van de melding van de overname op 16 januari 1996; Overwegende dat artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet luidt als volgt : "§
  11. De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting : (...) 3/ die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. (...) §
  12. Indien de in § 1 genoemde gevallen slechts betrekking hebben op een gedeelte van de inrichting, vervalt de vergunning slechts voor dat gedeelte"; dat artikel 46 van Vlarem I bepaalt : "De in artikel 5 bedoelde milieuvergunning vervalt van rechtswege voor de inrichting die of voor het gedeelte van de inrichting dat : (...) 3/ gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd (...)"; Overwegende dat in het bestreden besluit wordt overwogen dat "bij de Mestbank reeds vanaf 01.01.1991 geen aangifte meer werd ingediend van varkens, enkel van runderen"; dat voormelde feitelijke vaststelling, die wordt gestoeld op stukken die uitgaan van de vorige exploitant zelf, bijzonder relevant is om uit te maken of de vergunning voor het houden van "varkens" al dan niet is vervallen; dat deze feitelijke vaststelling door verzoeker niet wordt ontkracht met enig concreet feitelijk gegeven of stuk waaruit het tegendeel zou blijken; dat de verwerende partij bijgevolg op 4 maart 1996, datum van het bestreden besluit, terecht heeft kunnen vaststellen dat de vergunning van 17 februari 1994 was vervallen wegens niet-exploitatie gedurende twee opeenvolgende jaren; dat de loutere omstandigheid dat er melding van overname wordt gedaan binnen de twee opeenvolgende jaren na het verlenen van de vergunning hieraan geen afbreuk doet; dat verzoeker bovendien niet aantoont dat de bij wege van aktename verleende vergunning van 17 februari 1994 voor de opslag van 389 m³ mest, elektromotoren met een vermogen van 1,5 kW en de opslag van 4 ton veevoeder op zich, zonder de vergunning van 8 oktober 1977 voor het houden van 600 mestvarkens en 80 zeugen, enige bestaansreden heeft; dat de bedrijfsonderdelen uit de voormelde vergunning van 17 februari 1994 kennelijk loutere aanhorigheden zijn van de varkensstallen, die het voorwerp van de "vergunde" hoofdexploitatie zijn; dat verzoeker, als overnemer VII-13.962-6/8 van een varkensbedrijf, geen enkel belang heeft bij een gedeeltelijke aktename van voornoemde aanhorigheden, die door het verval van de vergunning van de hoofdexploitatie, zonder voorwerp zijn geworden; dat in het door verzoeker geciteerde arrest nr. 58.939 van 28 maart 1996 van de Raad van State geen rechtstreeks argument kan worden gevonden voor zijn stellingname; dat in dat arrest bij de bespreking van het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt vastgesteld "dat voor een deel van de inrichting, met name de stoomketel, nog een geldige vergunning voorhanden was", waarmee wordt geantwoord op de opwerping van de in die zaak aanwezige verwerende partij dat de inrichting in kwestie reeds lange tijd zonder geldige vergunning wordt uitgebaat; dat het arrest geenszins zegt dat een vergunning voor aanhorigheden bij een veeteeltinrichting, een beletsel vormt voor het intreden van het verval van de vergunning voor het hoofdbestanddeel van dergelijke inrichting, met name het houden van dieren; dat het argument dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen in haar besluit van 17 februari 1994 "klaarblijkelijk bij vergissing geen akte heeft genomen van de gedane aangifte voor 710 gespeende varkens", niet dienstig is aangezien dat besluit van 17 februari 1994 niet het voorwerp van voorliggend geding uitmaakt en de wettigheid van dat besluit met individuele strekking thans niet in vraag kan worden gesteld; dat het enige middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. VII-13.962-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig november tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-13.962-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.414 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.