← België

Arrest 177452 - Milieuvergunningen - 30/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.452 Rolnummer: A. 100049/VII-23162 Zaak: Arrest 177452 - Milieuvergunningen - 30/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:20 Fiche Arrest nr 177.452 van 30 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.452 van 30 november 2007 in de zaak A. 100.049/VII-23.162 In zake : Jan GORIS, die woonplaats kiest bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Franklin Rooseveltlaan 156 tegen : de deputatie van de provincie ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan GORIS op 2 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 16 november 2000 waarbij aan verzoeker de vergunning wordt geweigerd om een kalvermesterij, gelegen aan de Hoogstraatsebaan 136 te Brecht, verder in bedrijf te houden en te veranderen door uitbreiding; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 6 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting ingediend door verzoeker; Gelet op de beschikking van 27 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 oktober 2007; Gehoord het verslag van voorzitter van de Raad van State M.-R. BRACKE; VII-23.162-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN WYNSBERGE die, loco advocaat A. NAVASARTIAN verschijnt voor verzoeker, en van bestuurssecretaris T. DEPOORTER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Op 17 oktober 1985 krijgt verzoeker de vergunning voor het exploiteren van een inrichting met 600 mestkalveren voor een termijn die eindigt op 17 oktober 1995. 1.2. Pas einde 1998 wordt voor voornoemde inrichting een hernieu- wing aangevraagd. Deze aanvraag wordt geweigerd. 1.3. Op 5 april 2000 vraagt verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht een milieuvergunning aan om een kalvermes- terij verder in bedrijf te houden en te veranderen door uitbreiding zodat ze thans zou omvatten: S stallen voor 500 mestkalveren (9.4.2.c.1.); S opslag van gasolie in bovengrondse houder, waterinhoudsvermogen 2.000 liter (17.3.6.1.b.); S opslag van 1.500 m³ dierlijke mest (28.2.c.1.). 1.4. Op 13 juni 2000 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht laatstgenoemde aanvraag. 1.5. Op 20 juli 2000 stelt verzoeker bij de verwerende partij beroep in tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht. VII-23.162-2/11 1.6. Op 25 augustus 2000 adviseert de Vlaamse Landmaatschappij ongunstig. 1.7. Op 12 september 2000 adviseert de buitendienst Antwerpen van de afdeling Milieuvergunningen ongunstig. 1.8. Op 17 oktober 2000 adviseert de Provinciale Milieuvergunnings- commissie, na verzoeker te hebben gehoord, ongunstig. 1.9. Op 16 november 2000 neemt de verwerende partij het bestreden besluit dat luidt als volgt: "(...) Overwegende dat het beroepschrift betrekking heeft op: S hernieuwing per vergissing laattijdig aangevraagd, omdat de vergunnings- termijn korter was dan de illo tempore meer gangbare termijn; S stal staat leeg na herhaalde weigeringen, wat niet houdbaar is. Gelet op het ongunstig advies dd. 12 september 2000 (kenmerk AMV/VL2/1963) van de Afdeling Milieuvergunningen (AMV) van de Administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer; op volgende elementen uit dit advies: De exploitant beschikt sinds 1995 niet meer over een vergunning voor het houden van dieren; de hervergunning werd pas eind 1998 opnieuw aan- gevraagd, doch herhaaldelijk geweigerd; tegen de laatste deputatiebeslissing dd. 27.01.2000 werd beroep aangetekend; zonder hiervan het resultaat af te wachten, werd andermaal een 'nieuw' dossier ingeleid, ditmaal bij de Gemeen- te, voor slechts 500 dieren, in plaats van 600; de inrichting beschikt echter duidelijk over ten minste 600 standplaatsen, zodat de vraag dient gesteld of de aanvraag wel bij het CBS kon worden ingediend; wat er ook van zij, de aanvraag werd door het CBS geweigerd; er kan in deze enkel worden vastgesteld dat het dossier geen nieuwe elementen bevat, die een gunstig advies zouden mogelijk maken; het is immers niet zo dat door het nieuwe mestdecreet de inrichting nu plots wel zou kunnen vergund worden; de 'beroepsargumenten' zijn enkel de redenen waarom de vergunning niet tijdig werd aangevraagd; deze kunnen enkel in rekening gebracht worden wanneer met billijkheidscrite- ria rekening zou gehouden worden, wat in het verleden in dit dossier niet is gebeurd. Het beroep is dan ook ongegrond. De bestreden beslissing dient bevestigd; Gelet op het stilzwijgend gunstig advies van de Cel Ruimtelijke Ordening van de Afdeling ROHM van de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM); Gelet op het ongunstig advies dd. 25 augustus 2000 (kenmerk MB/AHKL2/PH/11009/000113) van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM); op volgende elementen uit dit advies: S Uitgaande van de Mestbankaangifte van deze inrichting, rekening houdende met de gekende vergunningsbeslissingen, kan gesteld worden dat deze gekende vergunningen voor het houden van dieren volledig vervallen zijn en deze inrichting derhalve geen vergunning heeft voor het exploiteren van grote zoogdieren. Deze vergunning van grote zoogdieren is sinds 17 oktober 1995 vervallen. Derhalve heeft deze inrichting een vergunde mestproductie van 0 kg N en 0 kg P2O5; VII-23.162-3/11 S De aanvraag betreft een verandering van de vergunning van deze inrichting. De aanvrager wenst een vergunning te bekomen voor het houden van 500 mestkalveren samen met een uitbreiding (regularisatie) van 1.200 m³ mestopslag. Uiteindelijk wenst de exploitant een vergun- ning te verkrijgen voor het houden van 500 mestkalveren en 1.500 m³ mestopslag. Dit komt overeen met een vergunde mestproductie van 5.250 kg N en 1.800 kg P2O5; S De aanvrager heeft nog een dossier lopende bij de Minister voor de hernieuwing van 600 mestkalveren en een uitbreiding van 1.200 m³ mestopslag tot een totaal van 1.500 m³. Nu vraagt hij een hernieuwing aan van 500 mestkalveren en mestopslag tot een totaal van 1.500 m³. Alhoewel de Bestendige Deputatie de mestopslag voor 1.500 m³ reeds vergund heeft. De aanvrager gaat dus 100 mestkalveren minder houden in dezelfde stallen, dit zal niet gebeuren door 1 of meerdere compartimen- ten buiten gebruik te stellen, maar gewoon door minder dieren per hok gaan te houden. Een vergunning wordt afgeleverd voor de maximale hinder die een exploitatie kan veroorzaken en niet voor de hinder die de exploitant wenst te gaan veroorzaken. Derhalve moet gesteld worden dat het een hernieuwing betreft van 600 mestkalveren; S Op het situeringsplan dat bij het dossier is gevoegd, staat de mestsilo die wordt aangevraagd getekend aan de rechterkant van de grote stal, op het uitvoeringsplan staat de mestsilo getekend aan de linkerkant van de grote stal. In artikel 5 par. 3, 1 en 2 wordt inderdaad een situatie- en uitvoe- ringsplan gevraagd, maar men neemt aan dat deze plannen dezelfde informatie weergeven. Volgens de luchtfoto's die genomen zijn voor de registratie van gebruikspercelen die dateren uit 1995 staat er een mestsilo aan de rechterkant van de langste stal; S De vergunning van de grote zoogdieren (mestkalveren) is vervallen op 17 oktober 1995, de hernieuwing van een vergunning moet tussen de 12 en de 18 maanden voor het vervallen van de vergunning worden aangevraagd bij de bevoegde overheid volgens artikel 39 van het Vlarem I. Aangezien de mestopslag buiten de stal al aanwezig (en vergund) is, probeert de aanvrager nu met deze aanvraag voor mestopslag zijn kalveren terug vergund te krijgen; S Uiteindelijk wenst de exploitant dus een vergunning te verkrijgen voor het houden van 600 mestkalveren en 1.500 m³ mestopslag. Dit komt overeen met een vergunde mestproductie van 6.300 kg N en 2.160 kg P2O5; S Deze aanvraag kan verenigbaar zijn met het Mestdecreet, mits te voldoen aan volgende criteria: S de inrichting moet een bestaande veeteeltinrichting zijn S de drie voorafgaande kalenderjaren moet voor de desbetreffende veeteeltinrichting voldaan zijn aan de aangifteplicht bij de Mestbank S er moet in het verleden (de drie laatste kalenderjaren) voldaan zijn aan de bepalingen van het Mestdecreet voor wat betreft de mestafzet S na het verlenen van de gevraagde vergunning van de inrichting mag er geen stijging zijn van de vergunde mestproductie; S De definitieve bouwvergunning werd verleend voor 1 september 1991 en de aangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 24 juni 1993, wat voor 29 september 1993 is en er werden op deze aangifte dieren vermeld zodanig dat deze inrichting kan beschouwd worden als een bestaande veeteeltinrichting (art. 2, 7/,

  1. a)van het Mestdecreet). Derhalve wordt voldaan aan de voorwaarde zoals omschreven in art. 2, 7/ van het Mestdecreet; VII-23.162-4/11 S De laatste drie kalenderjaren werd voldaan aan de aangifteplicht en der- halve is de aanvraag verenigbaar met artikel 33ter, §l, 3/ van het Mestdecreet; S De aangegeven mestproductie van dit bedrijf, bedroeg de laatste 3 kalender-jaren, voorafgaand aan het jaar van de aanvraag, gemiddeld 1.709 kg P2O5. Deze berekening is bepaald conform de toen geldige wetgeving. De bij de Mestbank bekende wijze van mestafzet van dit bedrijf bedroeg de laatste 3 kalenderjaren, voorafgaand aan het jaar van de aanvraag, gemiddeld 1.709 kg P2O5, waarvan: S 1.658 kg P2O5 op gronden in eigen gebruik S 51 kg P2O5 in mestopslag; Derhalve werd in het verleden gemiddeld voldoende van de opgegeven fosfaatproductie afgezet conform de bepalingen van het Mestdecreet. Derhalve is de aanvraag verenigbaar met artikel 33ter, §l, 3/ van het Mestdecreet; S De gewenste vergunde mestproductie voor deze inrichting bedraagt 6.300 kg N en 2.160 kg P2O5 overeenkomstig 600 mestkalveren. Rekening houdende met de vergunde mestproductie van deze inrichting derhalve beschouwd worden als een aanvraag tot verandering van de vergunning van deze inrichting met een stijging van de vergunde mestproductie tot gevolg. Derhalve is de aanvraag niet verenigbaar met artikel 33ter, §l, 3/ van het Mestdecreet; Conclusie: S Sedert 30-03-2000 zijn de bepalingen van artikel 33ter, §l, 1/,
  2. c)van het Mestdecreet van kracht. S Deze inrichting heeft geen vergunde mestproductie. S De vergunningsaanvraag heeft de bedoeling om te komen tot een vergunde mestproductie van 6.300 kg N en 2.160 kg P2O5, bijgevolg heeft de aanvraag betrekking op een aanvraag tot verandering met stijging van de vergunde mestproductie. S Er wordt dus niet voldaan aan alle criteria van het Mestdecreet aangezien de vergunningsaanvraag een stijging van de vergunde mestproductie beoogt; Gelet op het horen van meester A. Reusens, advocaat van de aanvrager, door de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) dd. 17 oktober 2000: Desgevraagd verwijst zij naar het verzoekschrift ingediend door de aanvrager op 19 juli 2000. In 1985 werd door het schepencollege een exploitatievergun- ning afgeleverd voor een mestkalverenstal voor 600 stuks voor een periode van slechts 10 jaar. Vanaf 1992 werd er steeds tijdig een mestbankaangifte ingediend en werd de mest afgezet conform de wetgeving. Door de korte termijn van de exploitatievergunning van slechts 10 jaar werd in 1995 de vervaldag uit het oog verloren en de hernieuwing laattijdig aangevraagd; Gelet op het ongunstig advies dd. 17 oktober 2000 van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC); op volgende elementen uit dit advies: De PMVC volgt het ongunstig advies van de AMV en de VLM. De PMVC stelt dat de exploitant een laattijdige hermachtigingsaanvraag heeft ingediend en dat deze inrichting geen vergunde mestproductie heeft. Het beroep ingediend door de aanvrager is niet gegrond. Het weigeringsbesluit van het schepencollege kan bevestigd worden; Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Turnhout, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn: agrarisch gebied; VII-23.162-5/11 Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de raadsman van de aanvrager ter zitting van de PMVC zelf toegeeft dat de hernieuwing van de vergunning laattijdig werd aan- gevraagd; dat de vergunde mestproductie bijgevolg 0 is en overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Mestdecreet geen verandering met stijging van de vergunde mestproductie kan worden vergund; Overwegende dat de eensluidende ongunstige adviezen van de PMVC, de AMV en de VLM in overweging worden genomen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het bestreden collegebesluit te bevestigen en de gevraagde vergunning bijgevolg te weigeren"; 2. De gegrondheid 2.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel het volgende aanvoert: "De verwerende partij heeft eenzijdig het voorwerp van de vergunningsaan- vraag gewijzigd. De verwerende partij, die de adviezen van de afdeling milieuvergunningen van AMINAL en de Vlaamse Landmaatschappij klaarblijkelijk overneemt gaat er van uit dat de aanvraag eigenlijk zou slaan op 600 mestkalveren. Dit is strijdig met het voorwerp van de door verzoeker ingediende aanvraag"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord hierop als volgt repliceert: "Dit middel doet niet ter zake. In artikel 1, §2 van het besluit kan men duidelijk lezen: 'Aan de heer Goris Jan gevestigd Hoogstraatsebaan 129 te 2960 Brecht, wordt vergunning geweigerd, om een kalvermesterij gelegen te 2960 Brecht, Hoogstraatsebaan, op de kadastrale percelen (afdeling-sectie-perceelnummer) 04-B-150d, 04-B-150e, 04-B-166a, verder in bedrijf te houden en te veranderen door uitbreiding zodat ze thans zou omvatten: S stallen voor 500 mestkalveren (9.4.2.c.1.); S opslag van gasolie in bovengrondse houder, waterinhoudsvermogen 2.000 1 (17.3.6.1.b.); S opslag van 1.500 m³ dierlijke mest (28.2.c.1.).' Er staat heel duidelijk in de adviezen, weergegeven in het bestreden besluit, te lezen dat de exploitant sinds (17 oktober) 1995 niet meer over een milieuver- gunning beschikt voor het houden van grote zoogdieren. Het gevolg hiervan is dat de inrichting geen vergunde mestproductie heeft. De beslissing besluit dan ook: VII-23.162-6/11 'Overwegende dat de raadsman van de aanvrager ter zitting van de PMVC zelf toegeeft dat de hernieuwing van de vergunning laattijdig werd aan-gevraagd; dat de vergunde mestproductie bijgevolg 0 is en overeenk- omstig de toepasselijke bepalingen van het Mestdecreet geen verandering met stijging van de vergunde mestproductie kan worden vergund.' In de adviezen van de AMV en de VLM wordt inderdaad opgemerkt dat sinds 1998 de exploitant zijn dieren probeert vergund te krijgen. Bij de Minister was ten tijde van de beroepsprocedure nog een dossier lopende voor de hernieuwing van 600 mestkalveren en een uitbreiding van de mestopslag tot in totaal 1.500 m³. Bovendien zou de inrichting trouwens duidelijk over ten minste 600 standplaatsen beschikken. Nochtans speelde dit aspect niet voor de weigering van de aanvraag voor o.a. stallen voor 500 mestkalveren. Zoals boven reeds aangehaald, de vergunde mestproductie bedroeg, tengevolge van het verval van de vergunning, 0 kg, zodat de aanvraag een aanvraag tot verandering met stijging van de vergunde mestproductie betreft, wat overeenkomstig de bepalingen van het Mestdecreet niet vergund kan worden. Het eerste middel is niet gegrond"; 2.1.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog het volgende stelt: "De argumentatie van de verwerende partij dat artikel 1, §2 van het besluit spreekt over 500 mestkalveren en niet over 600, is niet dienend. Het zijn niet de bewoordingen van artikel 1 §2 die doorslaggevend zijn voor het achterhalen van de motieven van de weigering, doch de overwegingen voorafgaand aan dat artikel, die, zoals supra gesteld, er ten onrechte van uitgaan dat de aanvraag slaat op 600 kalveren. Bovendien kan de argumentatie van de verwerende partij dat dit element niet doorslaggevend was voor het weigeringsbesluit, niet gevolgd worden. Door de foutieve veronderstelling dat het voorwerp van de aanvraag eigenlijk over 600 dieren gaat, hebben de advies verlenende organen en de verwerende partij de risico's en de hinder veroorzaakt door het bedrijf vanzelfsprekend berekend voor 600 dieren. Uit de bewoordingen van het besluit blijkt ontegensprekelijk dat de risico's voor veiligheid en hinder wel doorslaggevend zijn geweest voor de verwerende partij"; 2.1.4. Overwegende dat het determinerend motief van het bestreden besluit als volgt luidt: "Overwegende dat de raadsman van de aanvrager ter zitting van de PMVC zelf toegeeft dat de hernieuwing van de vergunning laattijdig werd aan- gevraagd; dat de vergunde mestproductie bijgevolg 0 is en overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Mestdecreet geen verandering met stijging van de vergunde mestproductie kan worden vergund"; dat, gelet op de onbetwiste feitelijke gegevens zoals die in de geciteerde overweging worden aangehaald, de verwerende partij niet anders kon dan de vergunning te weigeren; dat de kritiek in het verzoekschrift blijkt te steunen op een verwijzing naar VII-23.162-7/11 verzoekers aanvragen voor 600 mestkalveren in de adviezen van de Vlaamse Landmaatschappij en de buitendienst Antwerpen van de afdeling Milieuvergun- ningen; dat, evenwel, die adviezen niet vermogen in te gaan tegen de juiste feitelijke gegevens en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel het volgende aanvoert: "De verwerende partij gaat er ten onrecht van uit dat er geen vergunde mestproductie zou zijn geweest. Nochtans heeft verzoeker, die in 1990 melding deed van het bedrijf, vanaf 1990 tot 1999 aangifte gedaan van de mestproductie en de afzet. Door te stellen dat de inrichting geen vergunde mestproductie had, heeft de verwerende partij art. 33 ter § 1, 1/ c van het meststoffendecreet, en de uitvoeringsbepalingen, geschonden"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord hierop als volgt repliceert: "Dit middel doet eveneens niet ter zake. Op 17 oktober 1985 verleende het schepencollege van Brecht een milieuver- gunning voor 600 mestkalveren. Deze vergunning werd verleend voor 10 jaar en liep dus tot 17 oktober 1995. Zoals de raadsman van de exploitant tijdens de zitting van de PMVC stelde, werd niet tijdig de hervergunning aangevraagd (pas einde 1998). Hierdoor beschikt de exploitant sinds 1995 niet meer over een vergunning (de hervergunningsaanvragen werden telkens geweigerd), zodat er uiteraard geen sprake kan zijn van een vergunde mestproductie. De aangiften van de mestproductie en mestafzet veranderen hier niets aan. Het tweede middel is niet gegrond"; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog het volgende stelt: "De verwerende partij gaat er ten onrechte van uit dat het bedrijf geen vergund bedrijf is. De definitieve bouwvergunning werd verleend vóór 1 september 1991, de aangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen vóór 29 september 1993 en in diezelfde aangifte werden er dieren vermeld, zodanig dat deze inrichting overeenkomstig artikel 2, 7/ van het mestdecreet als een bestaande veeteeltin- richting moet beschouwd worden. Bovendien werd de laatste drie kalenderjaren voldaan aan de aangifteplicht overeenkomstig artikel 33 ter, § 1, 3/ van het mestdecreet. Ook werd voldaan aan de voorwaarden van mestproductie en de mestafzet overeenkomstig artikel 33 ter van het mestdecreet. De verzoeker heeft per vergissing geen hernieuwingsaanvraag ingediend in 1995. Deze vergissing werd begaan omdat de verleende vergunningstermijn VII-23.162-8/11 korter was dan de illo tempore gangbare termijn van 20 jaar. Maar, gelet op de ononderbroken mestbankaangifte tussen 1990 en 1999, hetgeen niet betwist werd door de verwerende partij, kan onmogelijk gesteld worden dat de mestproductie van het bedrijf nul is, zoals in de adviezen van VLM en PMVC werd vermeld en door de verwerende partij zonder meer werd overgenomen. Door zonder meer de adviezen over te nemen en te stellen dat het bedrijf nul mestproductie heeft, heeft de verwerende partij zowel de materiële juistheid van de feiten als de juridische kwalificatie ervan geschonden"; 2.2.4. Overwegende dat artikel 33ter, §1, 1/, c), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet), ingevoegd door een decreet van 11 mei 1999, als volgt luidt: "§ 1. Met betrekking tot de exploitatie van landbouw- en veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels: (...) tot en met 31 december 2004; (...)
  3. c)kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, geen milieuvergunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie te berekenen volgens artikel 33bis, §2 van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg hebben, behoudens wanneer het gaat om een herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting voortvloeiende uit ruilverkavelingen, landinrichting, natuurinrichting en/of onteigeningen om openbaar nut en de nieuwe of bijkomende mestproductie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltinrichting"; dat, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding, deze bepaling ertoe strekt een algemene vergunningsstop voor veeteeltinrichtingen in te stellen, afgezien van de hernieuwing en de verplaatsing van lopende vergunningen; Overwegende dat, aangezien de vergunning van verzoeker sedert 17 oktober 1995 vervallen was -hetgeen inhoudt dat hij sedert die datum zijn veeteeltinrichting niet meer mocht exploiteren bij gebreke aan een vergunningsaan- vraag- het inwilligen van verzoekers aanvraag een verhoging van de vergunde mestproductie tot gevolg zou hebben; dat het geciteerde artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet dat niet toestaat en terzake geen discretionaire beoordelings- bevoegdheid voor de vergunningverlenende overheid openlaat; dat de woorden "vergunde mestproductie" begrepen moeten worden als de mestproductie waarvoor een geldige milieuvergunning bestaat; dat het gegeven dat verzoeker aangifte heeft gedaan van de mestproductie bij de Mestbank, geenszins tot gevolg kan hebben dat hij moet worden geacht over een vergunde mestproductie te hebben beschikt; dat het tweede middel niet gegrond is, VII-23.162-9/11 VII-23.162-10/11 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-23.162-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.452 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.