← België

Arrest 177453 - Milieuvergunningen - 30/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.453 Rolnummer: A. 110958/VII-24727 Zaak: Arrest 177453 - Milieuvergunningen - 30/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:20 Fiche Arrest nr 177.453 van 30 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.453 van 30 november 2007 in de zaak A. 110.958/VII-24.

  1. In zake : Antoon HUYBREGTS, die woonplaats kiest bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Franklin Rooseveltlaan 156 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordig door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Antoon HUYBREGTS op 1 oktober 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 31 juli 2001 waarbij het beroep van verzoeker ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 4 augustus 1994, waarbij hem de vergunning wordt geweigerd tot het exploiteren van een landbouwbedrijf, gelegen aan de Nieuwendijk 15 te Arendonk, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing grotendeels wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 27 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-24.727-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoeker; Gelet op de beschikking van 27 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 oktober 2007; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN WYNSBERGE die, loco advocaat A. NAVASARTIAN verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. BEECKMAN die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Verzoeker baat een landbouwbedrijf uit in Arendonk. Naast akkerbouw omvat het bedrijf ook varkensstallen. Aanvankelijk waren deze stallen niet vergunningsplichtig. 1.
  5. Volgens het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgesteld gewestplan Turnhout is de inrichting gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.
  6. Uit het verslag van onderzoek en advies dat op 4 mei 2001 wordt opgesteld door de dienst Milieuvergunningen van AMINAL blijkt dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 6 februari 1992 akte nam, geldend als vergunning voor een termijn verstrijkend op 1 september 2011, van de exploitatie van stallen voor 900 varkens, 200 m³ mestopslag, opslag van 20 ton krachtvoer en van 2.000 liter brandstof en dat deze beslissing pas op 27 april 1993 aan verzoeker VII-24.727-2/7 werd betekend. Een onderzoek wijst uit dat er in de oude stallen, die werden afgebroken in mei 1992, slechts tot 1 mei 1991 varkens werden gekweekt en dat er in januari 1994 werd begonnen met de bouw van een nieuwe gesloten varkensstal waarvoor evenwel geen geldige milieuvergunning werd afgeleverd. 1.
  7. In 1994 vraagt verzoeker een vergunning aan voor het veranderen van een bestaande inrichting door het bouwen van een nieuwe stal voor de exploitatie van 640 varkens, een mestopslagplaats voor 894 m³ en de opslag van 2.000 liter gasolie. 1.
  8. Op 4 augustus 1994 weigert de bestendige deputatie de gevraagde vergunning. Zij gaat er daarbij van uit dat, vermits er sinds 1 mei 1991 geen dieren meer op het bedrijf aanwezig zijn, het te dezen om een nieuwe inrichting gaat. 1.
  9. Verzoeker tekent hiertegen beroep aan bij de Vlaamse minister van Leefmilieu, die het beroep evenwel bij besluit van 7 februari 1995 verwerpt. 1.
  10. Verzoeker stelt tegen voornoemd besluit een annulatieberoep in bij de Raad van State. Dat besluit wordt bij arrest nr. 93.153 van 8 februari 2001 vernietigd. 1.
  11. Ingevolge deze vernietiging wordt het administratief beroep van verzoeker tegen de weigeringsbeslissing van de bestendige deputatie van 4 augustus 1994 opnieuw onderzocht. De administratie gaat ervan uit dat de bij aktename vergunde inrichting meer dan twee jaar buiten gebruik is gesteld en dat in toepassing van artikel 28, §1, 3/, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergun- ning (hierna : milieuvergunningsdecreet) de vergunning bijgevolg van rechtswege is vervallen, zodat het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag de exploitatie betreft van een nieuwe inrichting. 1.
  12. Op 7 mei 2001 neemt de Gewestelijke Milieuvergunningscommis- sie deze stelling over en adviseert het beroep ongegrond te verklaren, de milieuver- gunning te weigeren voor de exploitatie van 640 varkens en akte te nemen van de klasse 3-inrichting : bovengrondse opslagplaats voor 2.000 liter gasolie. 1.
  13. Op 31 juli 2001 beslist de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw overeenkomstig het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscom- missie om de gevraagde vergunning te weigeren : VII-24.727-3/7 - omdat er geen exploitatie meer is geweest van dieren sinds 1991 en de vergunde inrichting dus meer dan twee jaar buiten gebruik is gesteld in toepassing van artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet, is de vergunning van rechtswege vervallen zodat zij geacht moet worden te worden gevraagd voor een nieuwe inrichting; - omdat artikel 33ter, §1, 1/, c), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet) bepaalt dat geen milieuvergunning kan worden verleend voor nieuwe inrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie meebrengen en, - omdat er voor verzoekers bedrijf - dat als een nieuwe inrichting moet worden beschouwd - geen vergunde mestproductie is, zodat elke vergunning een verhoging van de mestproductie zou meebrengen. Dit is het bestreden besluit;
  14. De gegrondheid van het beroep 2.
  15. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de uitdrukkelijke motiveringsplicht en van artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet; dat hij, in een eerste onderdeel, stelt dat het bestreden besluit er ten onrechte van uitgaat dat de vergunning van april (lees : februari) 1992 van rechtswege is vervallen doordat het bedrijf gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd, dat het niet exploiteren enkel het gevolg was van het feit dat verzoeker zeer laattijdig in kennis werd gebracht van de verleende vergunning bij aktename, dat artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet aldus moet worden geïnterpreteerd dat de vergunning slechts vervalt indien de stopzetting een bewuste keuze is van de exploitant, dat het immers een soort sanctie is die wordt opgelegd wegens een nalatigheid of een bewuste keuze, dat het evenwel niet redelijk is dat artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet ook van toepassing zou zijn indien de stopzetting van de exploitatie het gevolg is van een fout van de administratie, dat zo niet dit zou betekenen dat een exploitant zou worden gesanctioneerd omwille van een fout van het bestuur; dat in een tweede onderdeel verzoeker doet gelden dat de motiveringsplicht is geschonden omdat er niet werd ingegaan op de argumenten betreffende de niet-toepasselijkheid van artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet die hij in zijn beroepschrift aanvoerde; VII-24.727-4/7 2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij op het eerste onderdeel antwoordt dat artikel 25 van het algemeen reglement voor arbeidsbescherming (ARAB) verzoeker toeliet om verder zijn bedrijf te exploiteren zonder vergunning, dat het enige dat hij diende te doen was tijdig bij de bestendige deputatie de door de artikelen 3 en 25 van het ARAB vereiste documenten over te leggen, wat hij ook blijkt te hebben gedaan, dat dan ook niet valt in te zien waarom verzoeker, hangende zijn vergunningsaanvraag, zijn exploitatie moest stopzetten; dat in verband met het tweede onderdeel de verwerende partij stelt dat verzoeker in zijn beroep- schrift niet expliciet de schending heeft aangevoerd van de onwettige toepassing van artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet maar veeleer stelde dat de gemeente Arendonk schuld trof voor de stopzetting van zijn bedrijf, dat dergelijk betoog niet onmiddellijk als grief tegen de beslissing van de bestendige deputatie lijkt te kunnen worden beschouwd en dat het niet vereist is dat er op alle aangehaal- de argumenten wordt geantwoord, dat het volstaat dat de betrokkene in het besluit kan lezen op grond van welke redenen het is genomen zodat hij met kennis van zaken kan beslissen om het met een annulatieberoep te bestrijden; 2.
  17. Overwegende dat verzoeker, inzake het eerste onderdeel, in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de meldingsplicht overeenkomstig de artikelen 3 en 25 van het ARAB niet de absolute zekerheid bood dat de exploitatie vergund zou worden bij aktename, dat hij een enorm verlies riskeerde aan investeringen (nieuwe stallen, aankoop van dieren enz.) indien zijn aanvraag niet zou worden vergund, dat door die onzekerheid hij quasi verplicht was om zijn exploitatie stop te zetten; dat, wat het tweede onderdeel betreft, verzoeker repliceert dat de argumenten die hij in zijn verzoekschrift liet gelden omtrent het verval van de vergunning een expliciet juridisch bezwaar vormden tegen de toepasselijkheid van artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet, dat de loutere verwijzing naar dat artikel zonder daarbij rekening te houden met de argumenten van verzoeker dan ook een manifeste schending van de motiveringsplicht inhoudt; 2.4.
  18. Overwegende dat het eerste onderdeel van het middel steunt op de door verzoeker voorgehouden stelling dat hij door de fout van de overheid verplicht was zijn exploitatie stop te zetten, omdat hij anders te veel risico liep in geval van weigering van zijn vergunning bij aktename, en dat een dergelijke gedwongen stopzetting niet kan worden beschouwd als de stopzetting van minstens twee jaar waarvan sprake is in artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet; VII-24.727-5/7 Overwegende dat de verwerende partij hierop terecht repliceert dat artikel 25 van het ARAB verzoeker toeliet om zijn bedrijf verder te exploiteren zonder vergunning en dat er dus geen reden was, voortkomende uit de aanvraag van de vergunning bij aktename op grond van artikel 25 van het ARAB, om de exploitatie stop te zetten; dat, immers, het voornoemde artikel 25 luidde als volgt : "De inrichtingen die, nadat ze werden in bedrijf gesteld, zouden vergun- ningsplichtig worden, zullen van dan af aan onder de toepassing der bepalingen van dit hoofdstuk vallen. De exploitatie ervan mag evenwel, zonder voorafgaande vergunning voortgezet worden, mits naleving van de volgende formaliteiten: Zo het inrichtingen van eerste klasse geldt, zullen de bedrijfshoofden er toe gehouden zijn, binnen zes maanden na het van kracht worden van het indelingsbesluit, aan de bestendige deputatie een juiste beschrijving over te maken, waarin de bij artikel 3 voorziene aanduidingen alsmede de plans van de plaatsen, waarvan sprake in hetzelfde artikel, vervat zijn. Deze documenten zullen, na vaststelling van de juistheid ervan door de met het toezicht belaste ambtenaren, vanwege de bestendige deputatie geviseerd worden en als vergunningsbesluit dienen"; Overwegende dat daaruit blijkt dat de vergunning automatisch wordt verleend, enkel op basis van aangifte van identificatie- en beschrijvingsgege- vens van de exploitatie; dat er in dat artikel hoegenaamd niet kan worden gelezen dat de bestendige deputatie de vergunning zou kunnen weigeren; dat verzoeker dan ook niet terecht kan betogen dat, zelfs indien het antwoord van de bestendige deputatie lang uitbleef, hij moest vrezen dat er hem geen vergunning zou worden verleend; dat de stopzetting van zijn exploitatie in 1991 volledig aan hemzelf te wijten is en niet aan de verwerende partij of aan de gemeente, ook al heeft deze aldus gewacht om de vergunning bij aktename aan verzoeker mee te delen; Overwegende dat de verwerende partij terecht rekening heeft gehouden met de stopzetting van het bedrijf en dus eveneens terecht toepassing heeft gemaakt van het voornoemde artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 2.4.
  19. Overwegende dat uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het middel blijkt dat de verwerende partij een terechte toepassing heeft gemaakt van artikel 28, §1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet; dat voornoemde bepaling geen beoordelingsvrijheid voor de vergunningverlenende overheid inhoudt; dat het desgevallend overdoen van het bestreden besluit er alleen maar toe zou kunnen leiden dat de overheid hetzelfde besluit zou nemen; dat verzoeker dan ook geen belang heeft bij het tweede onderdeel van het middel, VII-24.727-6/7 BESLUIT: Artikel
  20. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-24.727-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.453 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.