← België

Arrest 177454 - Milieuvergunningen - 30/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.454 Rolnummer: A. 89137/VII-20375 Zaak: Arrest 177454 - Milieuvergunningen - 30/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-10 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:20 Fiche Arrest nr 177.454 van 30 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.454 van 30 november 2007 in de zaak A. 89.137/VII-20.

  1. In zake : Marcel VAN DIEST, die woonplaats kiest bij advocaat B. WELKENHUYSEN, kantoor houdende te LUBBEEK, Staatsbaan 168/1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordig door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat D. DE GREEF, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel VAN DIEST op 21 januari 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 december 1999 waarbij het beroep van verzoeker ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 8 juni 1995, waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het veranderen van een rundveebedrijf, gelegen aan de Spicht 1A te Lubbeek, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning deels wordt verleend en deels wordt geweigerd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 20 april 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-20.375-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 27 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 oktober 2007; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VANOVERSCHELDE die, loco advocaat B. WELKENHUYSEN verschijnt voor verzoeker, en van advocaat D. DE GREEF, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Verzoeker exploiteert een rundveebedrijf aan de Spicht 1A te Lubbeek. 1.
  5. Volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgesteld gewestplan Aarschot-Diest is de inrichting gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.
  6. Op 27 oktober 1994 vraagt verzoeker een milieuvergunning aan om deze inrichting te veranderen door : - wijziging van het aantal vergunde dieren (mestkalveren) in de bestaande stal van 570 stuks tot 510 stuks; - toevoeging van een nieuwe stal op een aangrenzend perceel voor 60 runderen, een opslagplaats voor vaste dierlijke mest van 450 m³ en een stelplaats voor voertuigen; - silo’s voor gehakselde voedermaïs. VII-20.375-2/13 1.
  7. Op 8 juni 1995 weigert de bestendige deputatie van de provincie- raad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning te verlenen. 1.
  8. Verzoeker tekent hiertegen op 19 juli 1995 beroep aan bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling. 1.
  9. Op 8 december 1995 verwerpt de minister het beroep van verzoeker en wordt de beslissing van de bestendige deputatie van 8 juni 1995 bevestigd. 1.
  10. Verzoeker stelt tegen voornoemd besluit een annulatieberoep in bij de Raad van State en bij arrest nr. 81.390 van 28 juni 1999 wordt het ministerieel besluit van 8 december 1995 vernietigd. 1.
  11. Na een nieuwe aanvraag van verzoeker, verleent de verwerende partij op 24 september 1999 een vergunning om verzoekers rundveebedrijf te veranderen, zodat de inrichting na verandering omvat : - een stal voor het houden van 25 stuks rundvee (10 runderen jonger dan 1 jaar, 10 runderen tussen 1 en 2 jaar en 5 andere runderen); - een stal voor het houden van 488 mestkalveren; - een opslagplaats voor 1.100 m³ mengmest en 240 m³ vaste mest; - een stalling voor 10 voertuigen; - silo’s voor gehakselde voedermaïs; - een ondergrondse dubbelwandige houder voor 10.000 liter stookolie; - het lozen van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater. 1.
  12. Na voormelde vernietiging door de Raad van State wordt op 22 december 1999 opnieuw uitspraak gedaan over het administratief beroep van verzoeker tegen de beslissing van 8 juni 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Het thans bestreden besluit van 22 december 1999 verleent aan verzoeker de vergunning voor : - een bestaande stal met 488 mestkalveren; - een nieuwe stal op een aangrenzend perceel met 25 plaatsen voor rundvee; - een opslagplaats voor vaste dierlijke mest van 240 m³; - een stalplaats voor 10 landbouwvoertuigen; - silo’s voor gehakselde voedermaïs; - een ondergrondse dubbelwandige houder voor 10.000 liter stookolie; - het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van de privé-woning. VII-20.375-3/13 Het bestreden besluit weigert echter de vergunning voor : - de toevoeging van 35 stuks rundvee in de nieuwe stal op het aangrenzend perceel en, - een opslagplaats voor vaste dierlijke mest van 210 m³. In het bestreden besluit wordt onder meer het volgende gesteld : "Overwegende dat onderhavig beroep betrekking heeft op een VLAREM- vergunningsaanvraag ingediend voor 30 december 1995 en ontvankelijk en volledig verklaard voor 1 januari 1996; dat de aanvraag niet voldoet aan de bepalingen van artikel 34 § 4 van het Meststoffendecreet; dat in artikel 34 § 4 het volgende wordt gesteld : 'Uitgezonderd ingeval van hernieuwing van de milieuvergunning mag geen milieuvergunning verleend worden indien ingevolge de vergunningsverlening het totaal aantal vergunningsplichtige dieren van alle inrichtingen van het bedrijf samen een bepaald maximum overschrijdt. Dit maximum wordt overschreden indien het resultaat van de volgende formule groter is dan één : A1/(200 x 0,75) of A2/1.350 + B/(l00x 0, 75) + C/(300x 0,55) + D/ (600x 0,75) + E/(70.000 x 0,60)'; dat volgens de berekening het resultaat = 510/450 + 60/165 = 1,4969> 1; dat bijgevolg aan deze voorwaarde niet wordt voldaan";
  13. De ontvankelijkheid 2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord de volgende exceptie aanvoert : "Overwegende dat verzoeker bij M.B. van 07/07/1997 vooreerst een bijkomende vergunning bekwam voor toevoeging met een mestopslagplaats voor 560 m³ mengmest; Overwegende dat in het laatste kwartaal van 1998 een nieuwe milieuvergunningsaanvraag werd ingediend waarbij het voorwerp ten aanzien van de oorspronkelijke milieuvergunningsaanvraag werd gewijzigd voor wat betreft de dierenaantallen en de opslag van vaste dierlijke mest; dat voor deze nieuwe milieuvergunningsaanvraag bij ministerieel besluit nr . AMV/00036197/1002 van 24 september 1999, een milieuvergunning in beroep werd verleend aan betrokken exploitant, op dezelfde kadastrale percelen, om een rundveebedrijf te veranderen door : • wijziging van het aantal dieren : - het verminderen met 82 kalveren (van 570 naar 488 kalveren) en het houden van 25 stuks rundvee; • uitbreiding met : - een bijkomende opslag van 240 m³ vaste mest; - een stalling voor 10 voertuigen; - een ondergrondse dubbelwandige houder voor 10 .000 liter stookolie; - het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van de privéwoning; (...) Aangezien bij ministerieel besluit nr. AMV/00036l97/1002 van 24 september 1999 een milieuvergunning in beroep werd verleend, over een gewijzigde milieuvergunningsaanvraag van dezelfde diersoorten, vervalt het voorwerp van de oorspronkelijke milieuvergunningsaanvraag"; VII-20.375-4/13 2.
  15. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert als volgt : "Wat het belang betreft, moet worden opgemerkt dat het ten onrechte is (dat) de verwerende partij een exceptie van gebrek aan actueel belang inroept. Het thans bestreden besluit dateert van 22 december 1999, en de vergunning waarvan gewag wordt gemaakt, dateert van 24 september
  16. Deze is dus klaarblijkelijk voorafgaand aan het thans bestreden besluit. De gewijzigde, toegekende, vergunning spreekt over 25 stuks rundvee; in het thans bestreden besluit wordt de aanvraag verworpen in de mate 60 stuks rundvee zouden worden gehouden. Alleen reeds dit nominaal verschil wettigt het verderzetten van het beroep tot nietigverklaring. Anderzijds impliceert het indienen van een andere aanvraag niet dat wordt verzaakt aan de vorige. De aanvraag gebeurde immers omwille van het feit dat er een continuïteit van de bedrijvigheid moest zijn. Verzoeker heeft dan ook een aanvraag tot milieuvergunning ingediend, waarvan hij wist dat deze grote kans maakte om te worden verleend. Dit houdt uiteraard niet in dat verzoeker niet meer in rechte zou kunnen vorderen wat hij eigenlijk beoogt, namelijk een inrichting waar 60 runderen kunnen worden gehouden. Door de afgeleverde vergunning heeft verzoeker immers geen volledige genoegdoening bekomen. Het is slechts in dat geval dat er geen sprake meer zou kunnen zijn van een belang (J . Baert en G . De Bersaques, Raad van State, afdeling administratie, 2 . Ontvankelijkheid, nr. 278)"; 2.
  17. Overwegende dat de aangevoerde exceptie wordt verworpen om de redenen die verzoeker in zijn memorie van wederantwoord heeft uiteengezet;
  18. De gegrondheid van het beroep 3.
  19. Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift als eerste middel het volgende laat gelden : "Schending van het gezag van gewijsde van het arrest nummer 81.390 van 28 juni 1999, van artikel 13 E.V.R.M., van de beginselen van behoorlijk bestuur (m.n. het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en de redelijke termijnvereiste), het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel en het verbod van terugwerkende kracht van de wet. A. De verwerende partij diende decretaal binnen de vijf maanden na ontvangst van het beroep een beslissing te nemen, zoniet werd de milieuvergunning geacht te zijn toegekend. De combinatie van deze beginselen, vervat in de artikelen 23 en 25 van het milieuvergunningsdecreet, met het beginsel dat een vernietigingsarrest van uw Raad terugwerkende kracht heeft, en het beginsel van principieel verbod van terugwerkende kracht van de wet, moet er toe leiden te besluiten dat de overheid, die na een vernietigingsarrest nog over de oorspronkelijke milieuvergunningsaanvraag dient te beschikken, slechts rekening mag houden met de nadien tot stand gekomen nieuwe rechtsregels, op voorwaarde dat die VII-20.375-5/13 nieuwe normen van toepassing werden binnen de periode van vijf maanden (eventueel verlengd overeenkomstig art. 23bis van het milieuvergunningsdecreet), vanaf de ontvangst van het oorspronkelijk beroep door de bevoegde overheid. Nuttige elementen kunnen worden geput uit de arresten nummers 14.112 van 29 april 1970 en 11.533 van 1 december 1965 (zie ook P . LEWALLE, 'Contentieux administratif' Liège 1997, nr . 467). 'Het nemen van maatregelen, ter uitvoering van een annulatiearrest kan vereist zijn indien de overtreding van de vastgestelde rechtsplicht een rechtsverstoring meebracht die door de vernietiging der beslissing niet volledig is goedgemaakt maar bijkomend herstel vordert omdat een onrechtmatige wijziging in iemands rechtstoestand of een onrechtmatige onthouding iemands rechtstoestand te wijzigen, die persoon belet heeft hem normaal toevallende rechten of voordelen te verkrijgen. In zulke gevallen en wanneer de uitvoering van de rechtsplicht der overheid aan een bepaald moment gebonden blijkt, kan het rechtsherstel het correct overdoen van de vernietigde beslissing noodzakelijk maken in welke veronderstelling de uitwerking ex tunc van het arrest de wettelijkheid dekt van een met terugwerking genomen rechtsherstellende beslissing, zelfs indien die beslissing op de fictief gereconstitueerde situatie toepassing maakt van destijds geldende maar ondertussen opgeheven voorschriften. De noodzakelijkheid van het rechtsherstel kan de overheid zelfs verplichten het hele verleden dat aan de nieuwe beslissing is voorafgegaan fictief over te doen om (in het arrest staat 'op') de beneficiaris der nieuwe beslissing een zodanige, voor dat verleden evoluerende rechtssituatie zonder hiaten te geven, als hij zou hebben gehad indien hij door de vernietigde beslissing niet onrechtmatig uit zijn normale plaats in de stroom van het rechtsverkeer was verwijderd. (RvSt., nr. 11.353, 1 december 1965)'. Elke andere oplossing zou leiden tot een ongerijmde situatie : wanneer de overheid weet dat er een wijziging van de milieureglementering op komst is zou het volstaan dat zij systematisch alle aangevraagde vergunningen in de betrokken sector voor de totstandkoming van de wijziging op onwettige wijze weigert, om dan, nadat de Raad van State die onwettige weigeringen zal hebben vernietigd -wat ook niet onmiddellijk gebeurt- de ondertussen van toepassing verklaarde gewijzigde reglementering bij de beoordeling van die aanvragen te betrekken. Daardoor zou de overheid, nadat vastgesteld is dat haar oorspronkelijke weigering onwettig, en dus foutief was, diezelfde aanvraag kunnen afwijzen op grond van een reglementering die niet bestond op het ogenblik van de milieuvergunningsaanvraag, de behandeling in eerste aanleg, het indienen van het administratief beroep, noch binnen de dwingende beslissingstermijn. Aldus zou de overheid, die zichzelf nochtans een (zeker in een geval als het huidige) dwingende beslissingstermijn heeft opgelegd, over een middel beschikken om een nog niet bestaande reglementering anticipatief toe te passen, en dit dan nog door het begaan van een onwettigheid. Zij verkrijgt aldus een voordeel (de mogelijkheid om een intussen tot stand gekomen reglementering toe te passen) ten gevolge van een vastgestelde onwettelijkheid (de eerste, geannuleerde beslissing tot weigering). B. Wanneer men er anders zou over oordelen, creëert men een ongelijke behandeling tussen twee categorieën van vergunningsaanvragers : er is de eerste categorie van rechtsonderhorigen die een milieuvergunning aanvragen, en niet worden geconfronteerd met een achteraf onwettig bevonden weigeringsbeslissing. Zij kunnen in beginsel hun inrichting uitbaten volgens de toelatingsvoorwaarden van de 'oude' regelgeving (deze welke bestond op het ogenblik van de aanvraag of binnen de periode waarin daarover werd beslist). VII-20.375-6/13 De andere categorie bestaat uit diegenen die een milieuvergunningsaanvraag hebben ingediend, en op een weigeringsbeslissing botsten, maar ten voordele van wie die weigeringsbeslissing door de Raad van State werd vernietigd. In dat geval moet de overheid die oorspronkelijk (maar op onwettige wijze) weigerde, een nieuwe beslissing over die aanvraag nemen. De vergunningsaanvragers van deze laatste categorie zouden zich dan een nieuwe weigeringsgrond kunnen zien tegenstellen, welke ten overstaan van de aanvragers van de eerste categorie niet kon worden gehanteerd. Er is dus een schending van de beginselen inzake gelijkheid en niet-discriminatie. C. Ook moet worden opgemerkt dat alleen die interpretatie kadert in de door artikel 13 EVRM verleende waarborg : aan eenieder, wiens rechten en vrijheden werden geschonden, moet een daadwerkelijke rechtshulp worden toegekend. Het behalen van een 'Pyrrusoverwinning' kadert niet in dergelijke rechtsbescherming"; 3.
  20. Overwegende dat verzoeker als tweede middel het volgende aanvoert : "Schending van artikel 11 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen. De bepalingen van het 'nieuwe' meststoffendecreet zijn slechts van toepassing op aanvragen die na 1 januari 1996 ontvankelijk en gegrond werden verklaard. Er is verzoekende partij geen bepaling bekend waaruit zou kunnen worden afgeleid dat artikelen 34 § 4 van onmiddellijke toepassing zouden zijn"; 3.
  21. Overwegende dat verzoeker een derde middel inroept dat als volgt luidt : "Schending van de verplichting tot rechtsherstel na de vernietiging van het eerste weigeringsbesluit van 8 december 1995 (arrest nr. 81.390 van 28 juni 1999), van artikel 23 § 2 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 en van artikel 13 E.V.R.M. Het bestuursorgaan, de verwerende partij, wiens besluit teniet werd gedaan, is in het huidige geval verplicht opnieuw te beslissen. Het gaat immers om een beslissing die in laatste aanleg op een georganiseerd beroep werd genomen. In het huidige geval heeft het 'rechtsherstel' als gevolg dat de vergunningsaanvrager bij het overdoen van de (vernietigde) administratieve beslissing in graad van beroep, geconfronteerd wordt met een decretale of reglementaire weigeringsgrond, die niet bestond op het ogenblik van het indienen van de milieuvergunningsaanvraag, noch op het ogenblik waarop, in normale omstandigheden (zonder annulatieberoep bij de Raad van State) daarover uitspraak zou zijn gedaan door de overheden bevoegd om over een milieuvergunningsaanvraag te beschikken. Opnieuw moet worden vastgesteld dat men hier te maken heeft met een paradoxale situatie. De overheid zou, nadat vastgesteld is dat haar oorspronkelijke weigering onwettig, en dus foutief was, diezelfde aanvraag kunnen afwijzen op grond van een reglementering die niet bestond op het ogenblik van de milieuvergunningsaanvraag noch tijdens de behandeling in VII-20.375-7/13 eerste aanleg, het indienen van het administratief beroep, noch binnen de dwingende beslissingstermijn. Ingevolge van een vastgestelde fout van de overheid -die in beginsel moet worden hersteld- wordt de vergunningsaanvrager dus in een meer ongunstige positie geplaatst dan voorheen. Een vernietiging door de Raad van State zou dus in bepaalde gevallen, zoals in het huidige, een 'verzwaring van de toestand' van de aanvrager (verzoeker) betekenen . Dit is strijdig met de vereiste van belang die een verzoeker bij het instellen van een annulatieberoep moet hebben. Het rechtsmiddel van beroep kan geen nadeel toebrengen aan de partij die het instelt. Een beroep -zeker wanneer dit gegrond wordt verklaard- moet tot voordeel strekken, anders heeft het geen zin. Alleen die interpretatie kadert in de door artikel 13 EVRM verleende waarborg: aan iedereen, wiens rechten en vrijheden werden geschonden, moet een daadwerkelijke rechtshulp worden toegekend. De rechtsherstellende beslissing kan terugwerken wanneer dit gerechtvaardigd is door redenen van billijkheid of rechtmatigheid (A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME en J. VANDE LANOTTE 'Overzicht van het Belgisch administratief recht', Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 15/ ed., 1999, nr. 867). Anderzijds verplicht, in het privaatrecht, artikel 1382 B.W. eenieder -ook de overheid- om de schade die het gevolg is van zijn fout te herstellen. Dergelijk herstel mag uiteraard niet nadeliger zijn voor de benadeelde. Bovendien zou -in het privaatrecht- de regel 'nemo auditur propriam turpitudinem allegans' worden geschonden. Niemand kan zich beroepen op zijn eigen fout ... De verwerende partij 'profiteert' van haar onwettige, want vernietigde, beslissing, om een nieuwe reglementering toe te passen als (tweede) weigeringsmotief. Die vaststelling klemt in het huidige geval des te meer omdat in de eerste beslissing van 5 november 1993 was vastgesteld dat de mestafzet (toen) ecologisch verantwoord was"; 3.
  22. Overwegende dat verzoeker als vierde middel het volgende laat gelden : "Schending van het beginsel van de vrijheid van handel en nijverheid , vastgelegd in het zgn. decreet d'Allarde en in artikel 6, §1, VI van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en van de grondwettelijke beginselen inzake gelijkheid en niet-discriminatie. Indien artikel 34 § 4 van het meststoffendecreet van toepassing zou zijn, dan moet worden opgemerkt dat het de aflevering van milieuvergunningen voor nieuwe inrichtingen in de veeteelt en pluimveesector verbiedt, wanneer een bepaald maximum dieren wordt overschreden. Dergelijk verbod druist in tegen de vrijheid van handel en nijverheid. De thans bestreden beslissing, die is gestoeld op zulk verbod, is dan ook onwettig. Alleszins kon de Vlaamse wetgever niet zonder meer overgaan tot zulk verbod, zonder de bevoegdheidsverdelende regels van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 te schenden. Het verbod om milieuvergunningen af te leveren is geen beperking meer van de vrijheid van handel en nijverheid -wat onder bepaalde omstandigheden zou kunnen worden getolereerd (Arbitragehof, nummer 42/97, 14 juli 1997 - B. 13.2)- maar heft deze vrijheid gewoon op. Iedere groei van (...) veeteeltbedrijven is uitgesloten"; VII-20.375-8/13 3.
  23. Overwegende dat verzoeker, ten slotte, een vijfde middel aanvoert, dat luidt als volgt : "Schending van artikel 6 E.V.R.M. Ook door de administratieve rechter moet binnen een redelijke termijn uitspraak worden gedaan. Het beroep tot nietigverklaring dat tegen de eerdere weigeringsbeslissing van de verwerende partij was ingesteld, en dat leidde tot de annulatie van dat besluit, duurde meer dan drie jaar. Dit is abnormaal en zeer lang. Mede in het licht van de eerder ingeroepen middelen -o .m. artikel 13 EVRM- moet worden gesteld dat die trage rechtsgang niet tot gevolg mag hebben dat de situatie van een verzoekende partij tijdens de lange procedure en daarna wordt bezwaard door een intussen ingetreden verstrenging van de regelgeving"; 3.
  24. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord het volgende antwoordt op de door verzoeker aangevoerde middelen : "
  25. De minister was van oordeel dat de vergunningsaanvraag wel degelijk moest getoetst worden aan artikel 34 § 4 van het meststoffendecreet. Hij baseerde zich hiervoor op de overwegingen zoals weergegeven in het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie dd. 11/10/1999 (stuk 11 p. 9 en 10) : 'Overwegende dat de aanvraag nog ontvankelijk en volledig werd verklaard op 12 december 1994; dat artikel 11 van het Vergunningenbesluit bepaalt dat dit besluit niet van toepassing is op vergunningaanvragen ontvankelijk en volledig verklaard vóór 1 januari 1996; dat bijgevolg op bovenvermelde vergunningsaanvraag het Vergunningenbesluit niet van toepassing is; Overwegende dat artikel 33 § 2 tot en met artikel 33 § 9, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, gewijzigd bij decreet van 20 december 1995, nadere regels vaststelt met betrekking tot de gemeentelijke rnestproductiedruk; dat aan deze regels uitvoering werd gegeven met het voornoemde Vergunningenbesluit; dat zoals hoger reeds toegelicht dit Vergunningenbesluit uitdrukkelijk bepaalt dat dit besluit niet van toepassing is op de vergunningsaanvragen waarvan de datum van ontvankelijkheid- en volledigheidsverklaring ligt voor 1 januari 1996; dat de regels vastgesteld in artikel 33 § 2 tot en met artikel 33 § 9 van het meststoffendecreet derhalve evenmin van toepassing zijn op VLAREM-vergunningsaanvragen waarvan de datum van ontvankelijkheid- en volledigheidsverklaring ligt voor 1 januari 1996; Overwegende dat artikel 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, gewijzigd bij decreet van 20 december 1995, specifieke beperkingen oplegt inzake de productie van dierlijke mest; dat met name artikel 34 § 1, §2, §3, §6 en §7 de Vlaamse regering machtigt hieromtrent nadere regels vast te stellen, hetgeen is gebeurd met het voornoemde Vergunningenbesluit; dat zoals in een vorige overweging reeds is toegelicht, dit Vergunningenbesluit niet van toepassing is op de vergunningenaanvragen waarvan de datum van ontvankelijkheid- en volledigheidsverklaring ligt voor 1 januari 1996; dat de bepalingen van artikel 34 §1, §2, §3, §6 en §7 van het meststoffendecreet derhalve evenmin van toepassing zijn op VLAREM-vergunningsaanvragen VII-20.375-9/13 waarvan de datum van ontvankelijkheid- en volledigheidsverklaring ligt voor 1 januari 1996; Overwegende dat verder artikel 34 §4 en artikel 34 §5 concrete beperkingen oplegt die bij inwerkingtreding ervan onmiddellijke uitvoering kennen; dat met deze beperkingen bijgevolg rekening moet gehouden worden bij de beoordeling van milieuvergunningsaanvragen waarover op 1 januari 1996 nog geen uitspraak is gedaan; Overwegende dat onderhavig beroep betrekking heeft op een VLAREM-vergunningsaanvraag ingediend voor 30 december 1995 en ontvankelijk en volledig verklaard voor 1 januari 1996; dat bijgevolg, wat de toepassing van de artikelen 33 en 34 van het Meststoffendecreet betreft, enkel een toetsing moet gebeuren aan de beperkingen opgelegd door artikel 34 §4 en artikel 34 §5; dat in artikel 34 §4 het volgende wordt gesteld : 'Uitgezonderd ingeval van hernieuwing van de milieuvergunning mag geen milieuvergunning verleend worden indien ingevolge de vergunningsverlening het totaal aantal vergunningsplichtige dieren van alle inrichtingen van het bedrijf samen een bepaald maximum overschrijdt. Dit maximum wordt overschreden indien het resultaat van de volgende formule groter is dan één A1/(200 x 0,75) of A2/1.350 + B/(100 x 0,75) + C/(300x 0,55) + D/ (600x 0,75) + E/(70.000 x 0,60)'; dat volgens de berekening het resultaat = 510/450 + 60/165 1,4969> 1; dat bijgevolg aan deze voorwaarde niet wordt voldaan'.
  26. De Raad van State heeft in zijn arrest nr. 80.868 van 10 juni 1999 inzake LAVENT duidelijk gesteld : 'dat het gezag van gewijsde van een annulatiearrest van de Raad van State moet worden gezien binnen het raam van de op het ogenblik van de bestreden vernietigde beslissing vigerende wetgeving en reglementering; dat de Raad van State nooit heeft gewezen dat de interactie diende te leiden tot het verlenen van een vergunning in strijd met de reglementering die op het ogenblik van de heroverweging moest worden toegepast; dat de arresten waarvan verzoeker het gezag van gewijsde geschonden acht ook nergens opleggen dat de vergunningsaanvraag moet worden onderzocht met inachtneming van de reglementering die van toepassing is op de datum van de aanvraag; dat, integendeel, het arrest nr 38.802 expliciet overweegt 'dat indien verzoekers aanvraag dan toch aangepast moet worden, bv. ingevolge de wijzigingen die sedert 1973 aan die reglementering werden aangebracht, het bestuur verzoeker daarin moet helpen i.p.v. hem af te wijzen'; dat bij een heroverweging van de vergunningsaanvraag na annulatie de vergunningverlenende overheid gehouden is de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik van de nieuwe uitspraak; dat verzoeker dan ook ten onrechte stelt dat de verwerende partij zich bij haar herbeoordeling diende te laten leiden door de ten tijde van de eerste vernietigde beslissing bestaande wettelijke en reglementaire bepalingen'.
  27. Dat 's Lands Raad in datzelfde arrest wel degelijk van mening was dat art. 34 § 5 van het meststoffendecreet onverkort blijft gelden ten aanzien van de beoordeling van verzoekers aanvraag. Dat dezelfde redenering ook opgaat voor art. 34 § 4 van het meststoffendecreet vermits ook deze bepaling concrete beperkingen oplegt die bij de inwerkingtreding ervan onmiddellijke uitvoering kennen.
  28. Ook in het schorsingsarrest nr. 71.396 van 29/01/1998 inzake CLAESSENS heeft de Raad van State duidelijk gesteld, eveneens o.m. i.v.m. art. 34 § 5 van het meststoffendecreet, dat : 'de vergunningverlenende overheid, wanneer zij uitspraak doet over een exploitatievergunning, er toe gehouden lijkt de reglementering toe te VII-20.375-10/13 passen die geldt op het ogenblik van de uitspraak, ongeacht of die uitspraak plaats heeft ten gevolge van een annulatiearrest'. In deze zaak werden gelijkaardige middelen opgeworpen als in huidige procedure 'niet ernstig' bevonden.
  29. De minister die op 22/11/1999 in graad van beroep de aanvraag beoordeelt dient uiteraard de op dat ogenblik van toepassing zijnde regels toe te passen. In het meststoffendecreet is geen enkele bepaling opgenomen die de Vlaamse regering of de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu machtigt af te wijken van de uit dat decreet voortvloeiende datum van inwerkingtreding van art. 34 §4 van hetzelfde decreet.
  30. De toetsing van het meststoffendecreet aan de in de middelen aangehaalde wetsbepalingen en beginselen is thans niet aan de orde"; 3.
  31. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord het volgende repliceert : "Verzoekende partij wenst, wat de grond van de zaak betreft, te verwijzen naar de middelen en argumenten uiteengezet in het verzoekschrift tot nietigverklaring. (...) Wat de grond van de zaak betreft, moet worden opgemerkt dat de redelijke termijnvereiste, en de termijn opgelegd door het milieuvergunningsdecreet om in beroep te beslissen, werd geschonden doordat de verwerende partij op 8 december 1995, door het nemen van een onwettige, door de Raad van State vernietigde beslissing een fout heeft begaan"; 3.8.
  32. Overwegende, wat het eerste middel betreft, dat het gegeven dat het te dezen gaat om een nieuwe beoordeling na een vernietigingsarrest door de Raad van State geen afbreuk doet aan het feit dat de verwerende partij er als orgaan van actief bestuur toe gehouden is de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik waarop zij opnieuw uitspraak moet doen over het door verzoeker ingediende administratief beroep; dat er anders over oordelen zou inhouden dat de verwerende partij contra legem zou handelen, hetgeen zou indruisen tegen het beginsel van de rechtsstaat; dat de stelling van verzoeker in zijn laatste memorie dat "reeds (werd) aanvaard dat de vroegere reglementering wordt toegepast, indien de rechtsonderhorige (...) kon laten gelden dat op een bepaald ogenblik een welbepaalde beslissing werd genomen" in casu niet relevant is, aangezien de aanvrager van een milieuvergunning geen recht kan laten gelden op het verkrijgen van de vergunning; dat rechtsherstel niet steeds herstel in natura dient in te houden; dat het verzoeker vrijstaat, indien hij van oordeel is dat hij door de beslissing die door de Raad van State werd vernietigd in de uitoefening van zijn recht werd beknot, via de daartoe geëigende weg de sanctionering van die beknotting te vragen; dat het eerste middel niet gegrond is; VII-20.375-11/13 3.8.
  33. Overwegende dat, wat het tweede middel betreft, artikel 34, §4, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet), zoals ingevoerd door artikel 27 van het decreet van 20 december 1995, krachtens artikel 33 van laatstgenoemd decreet in werking is getreden op 1 januari 1996; dat artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het meststoffendecreet niet de inwerkingtreding regelt van artikel 34, §4, van het meststoffendecreet, maar de toepasselijkheid van het uitvoeringsbesluit zelf; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.8.
  34. Overwegende dat het derde middel niet gegrond is om dezelfde redenen als het niet gegrond bevinden van het eerste middel; 3.8.
  35. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel kritiek voert op artikel 34, §4, van het meststoffendecreet; dat verzoeker echter verzuimd heeft om tegen voornoemde bepaling beroep in te stellen bij het Grondwettelijk Hof; dat verzoeker niet aantoont op basis van welke rechtsgrond de verwerende partij als orgaan van actief bestuur de genoemde decretale bepaling buiten toepassing had kunnen laten; dat het vierde middel niet gegrond is; 3.8.
  36. Overwegende dat, wat het vijfde middel betreft, de verwerende partij als orgaan van actief bestuur uitspraak doet over een administratief beroep inzake een milieuvergunning; dat zij aldus handelend niet optreedt als een rechterlijke instantie, zodat artikel 6 van het E.V.R.M. te dezen niet van toepassing is; dat het vijfde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  37. Het beroep wordt verworpen. VII-20.375-12/13 Artikel
  38. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-20.375-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.454 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.