id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.455 Rolnummer: Zaak: Arrest 177455 - Milieuvergunningen - 30/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:20 Fiche Arrest nr 177.455 van 30 november 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.455 van 30 november 2007 in de zaken I. A. 99.185/VII-23.135 II. A. 99.310/VII-23.
- In zake : I. de b.v.b.a. GEBA, die woonplaats kiest bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Franklin Rooseveltlaan 156 II. Jan BAX, die woonplaats kiest bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Franklin Rooseveltlaan 156 tegen : I. + II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. GEBA op 8 januari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 29 november 2000 waarbij het beroep ingesteld door de verzoekende partij tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 11 mei 2000, houdende het verlenen van de vergunning aan de verzoekende partij tot het verder exploiteren en veranderen van een kippenvetmesterij, gelegen aan de Polderstraat 39 te Ravels, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd (zaak A. 99.185/VII- 23.135); Gezien het verzoekschrift dat Jan BAX op 11 januari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 29 november 2000 waarbij het beroep ingesteld door verzoeker tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 11 mei 2000, houdende het gedeeltelijk verlenen van de VII-23.135 en 23.148-1/12 vergunning aan verzoeker tot het verder exploiteren en veranderen van een kippenvetmesterij, gelegen aan de Polderstraat 37 te Ravels, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd (zaak A. 99.310/VII-23.148); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord in de beide zaken; Gezien de verslagen opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikkingen van 31 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgevingen van de verslagen aan de partijen en gezien de verzoekschriften tot voortzetting van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikkingen van 27 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 oktober 2007; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN WYNSBERGE die, loco advocaat A. NAVASARTIAN verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat S. BEECKMAN die, loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij in beide zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De samenvoeging van de zaken Overwegende dat de b.v.b.a. GEBA en Jan BAX in de twee voorliggende zaken besluiten aanvechten van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 29 november 2000; dat het voorwerp van deze besluiten intrinsiek met elkaar is verbonden; dat de vergunning van Jan BAX voor 35.000 slachtkippen VII-23.135 en 23.148-2/12 gedeeltelijk werd overgenomen door de b.v.b.a. GEBA; dat de middelen die de raadsman van de verzoekende partijen in beide zaken aanvoert dezelfde zijn; dat in het belang van een goede rechtsbedeling het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te beslechten;
- De feiten Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- De verzoekende partijen baten een kippenvetmesterij uit aan de Polderstraat 37 en 39 te Ravels. 2.
- Volgens het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgesteld gewestplan Turnhout zijn de inrichtingen gelegen in agrarisch gebied. De thans bestreden besluiten voegen hieraan toe dat de inrichtingen zijn gelegen op een afstand van : - circa 580 meter van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; - circa 750 meter van een woonuitbreidingsgebied; - circa 2.500 meter van een parkgebied; - circa 2.350 meter van een recreatiegebied; - circa 2.750 meter van een natuurreservaat. 2.
- Op 5 december 1980 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels aan tweede verzoeker de vergunning voor de exploitatie van een mestkuikenstal - voor minder dan 20.000 kuikens voor een termijn verstrijkend op 5 december
- 2.
- Op 29 november 1984 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan tweede verzoeker de vergunning voor de uitbreiding met twee stallen voor elk maximum 15.000 kippen en met de opslag van tweemaal 5.000 liter stookolie, voor een termijn verstrijkend op 5 december
- 2.
- Op 29 december 1988 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan tweede verzoeker de vergunning voor de uitbreiding met een derde stal voor eveneens 15.000 kippen, voor een termijn verstrijkend op 5 december
- VII-23.135 en 23.148-3/12 2.
- Op 4 mei 1998 verleent de Vlaamse minister van Leefmilieu aan tweede verzoeker de vergunning voor het uitbreiden van de vergunde inrichting tot 80.000 mestkippen, verdeeld over vier stallen, voor een termijn verstrijkend op 5 december
- In dit besluit overweegt de minister dat : "bij een conceptie van de stal met meer dan 200 waarderingspunten een afstandsregel geldt van 500 m; dat er derhalve voldaan is aan deze gehanteerde afstandsregels". 2.
- Bij besluit van 30 augustus 1999 neemt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen akte van de gedeeltelijke overname van de vergunning voor 35.000 slachtkippen van tweede verzoeker door de eerste verzoekende partij. 2.
- Op 10 november 1999 dient de eerste verzoekende partij bij de bestendige deputatie een vergunningsaanvraag in om de kippenvetmesterij verder te exploiteren en te veranderen, zodat zij het volgende zou omvatten : - een stal waarin mestkippen worden gehouden, gelegen in agrarisch gebied, voor 35.000 mestkippen; - een vast opgestelde motor met nominaal vermogen van 50 kW (stroomgenerator met een elektrisch vermogen van 62,5 kW). De eerste verzoekende partij doet hierbij ook melding van de volgende klasse 3-inrichting : opslag van 5.000 liter petroleum (bovengronds ingekuipt). 2.
- Op 24 november 1999 vraagt tweede verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een vergunning aan om de kippenvetmesterij verder te exploiteren en te veranderen, zodat zij het volgende zou omvatten : - drie stallen voor elk 15.000 kippen, samen 45.000 mestkippen; - de opslag van driemaal 5.000 liter petroleum in bovengrondse tanks; - de uitbreiding met 15 runderen waarvan 5 runderen jonger dan 1 jaar, 5 van 1 tot 2 jaar en 5 andere runderen. Tweede verzoeker doet hierbij ook melding van de volgende klasse 3-inrichtingen : - de lozing van huishoudelijk afvalwater in de gracht; - een stalplaats voor 7 voertuigen; - de ondergrondse opslag van 5.000 liter mazout voor de woning; VII-23.135 en 23.148-4/12 - de bovengrondse opslag van 1.000 liter diesel en 1.000 liter mazout voor de landbouwmachines; - de opslag van 43 m³ mest. 2.
- Op 11 mei 2000 neemt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen twee beslissingen, waarbij aan beide verzoekende partijen de gevraagde vergunningen worden verleend voor een termijn die eindigt op 11 mei 2020, met uitzondering van de uitbreiding met 15 runderen, die aan tweede verzoeker wordt geweigerd. Beide beslissingen leggen volgende bijzondere voorwaarde op aan de verzoekende partijen: "De exploitant dient aan te tonen dat de exploitatie (...) 200 waarderingspunten behaalt. Deze gegevens dienen uiterlijk tegen 11 november 2000 bezorgd te worden aan de vergunningverlenende en de toezichthoudende overheden". Beide beslissingen van 11 mei 2000 wijzen erop dat de 200 waarderingspunten door tweede verzoeker en de eerste verzoekende partij moeten worden behaald "los van de exploitatie" van de andere verzoekende partij. 2.
- Op 26 juni 2000 stellen de verzoekende partijen bij de bevoegde Vlaamse minister beroep in tegen voornoemde beslissingen van de bestendige deputatie. In hun beroepschriften doen de verzoekende partijen gelden dat de geciteerde bijzondere voorwaarde onwettig is, dat de aanvraag daarvan geen gewag maakte, terwijl anderzijds artikel 5.9.5.3., §5, van Vlarem II ter zake geen rechtsbasis kan uitmaken voor het opleggen van dergelijke voorwaarden, en dat uit het MER blijkt dat het dichtstbijgelegen reglementair voorziene hindergevoelige gebied (woongebied met landelijk karakter) op ongeveer 350 meter van de inrichting gelegen is. 2.
- In beide zaken worden de volgende adviezen uitgebracht : - op 23 augustus 2000 brengt de Vlaamse Landmaatschappij respectievelijk een gunstig en een deels gunstig en deels ongunstig advies uit; - op respectievelijk 13 en 12 september 2000 adviseert de AROHM gunstig; - op 14 september 2000 adviseert het hoofdbestuur van AMINAL- milieuvergunningen ongunstig; - op 18 september 2000 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, na de verzoekende partijen te hebben gehoord, eveneens ongunstig. VII-23.135 en 23.148-5/12 2.
- Op 29 november 2000 worden twee bestreden besluiten genomen, met een gelijkaardige inhoud, waarin onder meer het volgende wordt gesteld : "Overwegende dat het bedrijf waarvoor vergunning wordt gevraagd, vóór de gedeeltelijke overname door BVBA Geba, deel uitmaakte van het vergund mestkippenbedrijf op naam van Jan Bax op (één en) hetzelfde exploitatieadres; dat derhalve de vergunde inrichting op naam van BVBA Geba en de vergunde inrichtingen op naam van Jan Bax een milieutechnische eenheid vormen en dus als één geheel dienen beschouwd te worden; dat deze dus samen een vergunning hebben voor het houden van 80.000 slachtkippen; Overwegende dat de betreffende aanvraag derhalve gebaseerd is op de vergunning verleend op naam van Jan Bax bij ministerieel besluit met nr. AMV/00003585/001 van 4 mei 1998; dat de bevoegde minister evenwel in de overwegingen stelde dat 'bij een conceptie van de stal met meer dan 200 waarderingspunten een afstandsregel geldt van 500 m; dat er derhalve voldaan is aan deze gehanteerde afstandsregels'; dat op het tijdstip van het verlenen van deze vergunning er volgens artikel 5.9.5.3, §5 van titel II van het Vlarem tussen iedere stal en/of mestopslag een afstand ten opzichte van de hindergevoelige gebieden diende te zijn van minimaal 500 m indien de inrichting beschikt over meer dan 200 waarderingspunten en een afstand van minimaal 1.000 m indien de inrichting beschikt over waarderingspunten tussen 151 en 200 en dat het verboden is dergelijke inrichting te exploiteren indien de waarderingspunten minder zijn dan 150; Overwegende dat uit het vernoemd ministerieel besluit blijkt dat de vergunning aan Jan Bax voor de uitbreiding van zijn bedrijf tot een totaal van 80.000 slachtkippen slechts vergund werd indien er voldaan werd aan het feit dat de inrichting zou beschikken over meer dan 200 waarderingspunten; dat de afstandsregel de bedoeling heeft om de geurhinder ten opzichte van de hindergevoelige gebieden in de omgeving te beperken; dat gezien deze regel is opgenomen in de bepalingen van titel II van het Vlarem en gezien iedere inrichting dient te voldoen aan de bepalingen van het vernoemde Vlarem deze inrichting ook dient te voldoen aan de vermelde bepalingen van het Vlarem; Overwegende dat de inrichting volgens de gegevens in het aanvraagdossier slechts over 130 [respectievelijk 120] waarderingspunten beschikt; dat de aanvrager in verband met deze aanvraag nog niet heeft bewezen dat de inrichting kan voldoen aan de normen om over meer dan 200 waarderingspunten te beschikken; dat het bijgevolg aangewezen is onderhavige bijzondere voorwaarde op te leggen om de exploitant alsnog de gelegenheid te geven aan te tonen dat hij kan voldoen aan deze reeds vroeger noodzakelijke en voor iedereen geldende voorwaarde; Overwegende dat de aanspraken aangehaald door de beroepsindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : gezien ook de basisvergunning werd verleend op basis van het gegeven dat de inrichting dient te beschikken over 200 waarderingspunten de exploitant dient te bewijzen dat hij deze waarderingspunten kan behalen, zoniet vervalt ook de hierop gebaseerde vergunning tot verdere exploitatie";
- De gegrondheid van de beroepen 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift als eerste middel aanvoeren wat volgt : VII-23.135 en 23.148-6/12 "Schending van artikel 20 van het Milieuvergunningsdecreet van 28.06.
- De vergunningverlenende overheid kan bij het verlenen van een vergunning bijzondere exploitatievoorwaarden opleggen, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu. In het eerste lid wordt gesproken over algemene of per categorie van inrichting geldende milieuvoorwaarden. Deze worden thans voorzien door Vlarem II (besluit van de Vlaamse regering van 01.06.1995). De 'waarderingspunten' van de inrichting worden voorzien door artikel 5.9.5 van Vlarem II. Het gaat hier om algemene exploitatievoorwaarden, die de verwerende partij niet als een bijzondere exploitatievoorwaarde mocht noch kon opleggen. Het bestreden besluit is derhalve door machtsoverschrijding aangetast. Reeds in het beroepschrift werd gesteld : 'Het opleggen van deze voorwaarde (waarderingspunten) is onwettelijk. Inderdaad maakte de aanvraag tot milieuvergunning daarvan geen gewag, terwijl anderzijds artikel 5.9.5.3, §5 van Vlarem II ter zake geen rechtsbasis kan uitmaken voor het opleggen van dergelijke voorwaarden'. Artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet bepaalt dat de vergunningverlenende overheid bij het verlenen van een vergunning bijzondere voorwaarden kan opleggen, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu. Deze bijkomende voorwaarden zijn 'exploitatievoorwaarden', dit wil zeggen bijkomende voorwaarden die, met betrekking tot de vergunde inrichting, de voorwaarden opgenomen in de van toepassing zijnde wetgeving en reglementering aanvullen (E . Lancksweerdt, 'Overzicht van de rechtspraak van de Raad van State in verband met het milieuvergunningsdecreet en het Vlarem I en II', in 'Milieuvergunningen en milieumeldingen. Recht en praktijk ', p. 74, nr. 44)"; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord doet gelden wat volgt : "Verzoekende partij is van oordeel dat door het opleggen van een bijkomende voorwaarde de Minister het artikel 20 van het Milieuvergunningsdecreet heeft geschonden. De algemene en per categorie van inrichting geldende milieuvoorwaarden worden voorzien in VLAREM II. Artikel 20 bepaalt dat de vergunningverlenende overheid zelf bijkomende bijzondere voorwaarden kan opleggen aan een exploitant met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu. De afstandsregels die staan ingeschreven in VLAREM II zijn mede ingegeven door de zorg van de vergunningverlenende overheden om de risico’s op overdreven geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te brengen. Uw Raad oordeelde reeds meermaals dat het enkele voldoen aan de die afstandsregels trouwens niet van rechtswege impliceert dat de vergunning, wat die voorwaarde betreft, niet zou kunnen worden geweigerd. Milieuvergunningen worden voor een lange tijd verleend, in principe voor twintig jaar. De vergunningverlenende overheid heeft dan ook het recht en zelfs de plicht elke aanvraag te beoordelen rekening houdend met alle wettelijke voorschriften maar ook met alle feitelijke gegevens. De hoegrootheid van het aantal zogenoemde waarderingspunten is een waarderingsmiddel voor het beperken van de geurhinder. Hoe groter het aantal waarderingspunten waarvan een inrichting in haar aanvraagdossier doet blijken, hoe kleiner het risico op overdreven milieuhinder, meer bepaald overdreven geurhinder. VII-23.135 en 23.148-7/12 Uit het aanvraagdossier van verzoekende partij is niet gebleken dat zij thans voldoet aan een groter aantal waarderingspunten dan 130 [respectievelijk 120]. Evenmin is gebleken dat zij niet in staat zou zijn om te voldoen aan een aantal waarderingspunten dat minstens gelijk is aan
- Verzoekende partij laat het uitschijnen in haar verzoekschrift alsof het aantal waarderingspunten iets quasi-abstract is waarover een exploitant niet meester zou zijn. Niets is minder waar . Het betreft een conceptie-methode bij de bouw of het verrichten van een aantal technische aanpassingen bij reeds bestaande stallen waarbij geurhinderbeperkende maatregelen worden genomen. De milieu-technische eenheid waartoe de inrichting van verzoekende partij behoort, exploiteert in totaal 80.000 dierplaatsen. Het risico van overdreven milieuhinder voor de nabije geurhindergevoelige gebieden dient tot een aanvaardbaar niveau te worden beperkt, ook al bevindt de inrichting van verzoekster zich in agrarisch gebied. Het enige alternatief betrof de weigering van het verder in bedrijf houden van de eerder vergunde inrichting! De overgangsperiode van zes maanden die verzoekende partij vanwege de vergunning(s)verlenende overheid verkreeg kan aan deze overheid onmogelijk ten kwade worden geduid. Het eerste middel faalt"; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord volgende repliek geven : "Het juridisch geschil in deze zaak is het antwoord op de vraag of de beslissing van de verwerende partij om 200 (waarderings)punten op te leggen voor de inrichting van de verzoekende partij, al dan niet genomen is door machtsoverschrijding en met de schending van artikel 20 van het decreet van 28 juni
- Uit de lezing van de memorie van antwoord blijkt dat de verwerende partij de 200 zogenaamde waarderingspunten als absolute premisse beschouwt en zij baseert vervolgens haar argumentatie op het gegeven dat de inrichting van verzoekende partij niet beantwoordt aan de gevraagde waarderingspunten, terwijl, overeenkomstig hetgeen wordt uiteengezet in het eerste middel in het verzoekschrift, het opleggen van de 200 waarderingspunten is genomen met de schending van artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet. De zogenaamde 200 waarderingspunten zijn opgelegd op basis van artikel 5.9.5.3, § 5 van Vlarem II. Artikel 5.9.5.
- § 5 is hier niet van toepassing. a. Artikel 3.2.1.
- van Vlarem II stelt het volgende : 'Behoudens afwijking in de desbetreffende bepalingen van dit besluit en onder voorbehoud van de bepalingen van afdeling 3.2.
- ter zake van veranderingen aan bestaande inrichtingen zijn de inplantingsregels (m.n. verbods- en afstandsbepalingen) in dit besluit niet van rechtswege van toepassing op bestaande inrichtingen, zelfs niet bij de hernieuwing van de vergunning. Binnen haar bevoegdheden kan de (vergunningverlenende overheid) ze wel opleggen' Artikel 3.2 .2 .
- § 2 van hetzelfde besluit stelt het volgende : 'Voor onderdelen van de bestaande inrichtingen, die na 1 januari 1993 werden of worden veranderd (gewijzigd, uitgebreid of toegevoegd), zonder dat de vergroting meer dan 100 % bedraagt, gelden eveneens de voorschriften van dit besluit voor nieuwe inrichtingen, met uitzondering evenwel van de inplantingsregels'. Uit de bovenvermelde bepalingen blijkt ondubbelzinnig dat de inrichting van de verzoekende partij niet onder de inplantingsregels van Vlarem II valt en VII-23.135 en 23.148-8/12 bijgevolg kon de verwerende partij niet overgaan tot het opleggen van de waarderingspunten. b. De waarderingspunten voorzien in Vlarem II zijn algemene of per categorie van inrichting geldende milieuvoorwaarden, en geen bijzondere exploitatievoorwaarden die de overheid bij het verlenen van een vergunning mag opleggen. Door de algemene of per categorie van inrichting geldende milieuvoorwaarden te kwalificeren als bijzondere exploitatievoorwaarden, schendt de verwerende partij artikel 20 van het milieuvergunningdecreet en begaat zij machtsoverschrijding. c. In haar memorie van antwoord formuleert de verwerende partij geen argumenten ter weerlegging van het ingeroepen middel. Verwerende partij beperkt zich tot de weergave van vage, algemene beweringen in verband met maatregelen ter beperking van geurhinder, dat de waarderingspunten zijn opgelegd om de overdreven geurhinder van het bedrijf te beperken. De argumentatie van de verwerende partij kan niet gevolgd worden en is totaal onjuist : De verwerende partij heeft op generlei wijze aangetoond dat de inrichting van de verzoekende partij overdreven geurhinder veroorzaakt, integendeel. Naar aanleiding van de milieuvergunningsaanvraag van de verzoekende partij en die van de heer Jan Bax in 1999, werd door AMINAL een actualisering van het MER van 1992 gevraagd zodat de milieu-effecten afkomstig van beide bedrijven kunnen vergeleken worden met deze die beschreven werden in het MER. De actualiseringsnota (kopie in bijlage - stuk 1) werd op 3 februari 2000 verstuurd naar het provinciebestuur Antwerpen. Afdeling 3.1.
- (blz. 26) van de actualiseringsnota gaat over geur en de geurhinder afkomstig van de inrichting van de verzoekende partij. In nota werden geen negatieve vaststellingen gedaan in verband met de geurhinder. Het bedrijf van de verzoekende partij werd zelfs getoetst aan de buitenlandse (Nederlandse) waarderingsmethode en die werden conform bevonden. Er is geen sprake van overdreven geurhinder. De argumentaties van de verwerende partij in verband met overdreven geurhinder hebben geen feitelijke grondslag"; 3.1.
- Overwegende dat de vergunningverlenende overheden over een ruime appreciatieruimte beschikken inzake het opleggen van bijzondere exploitatievoorwaarden; dat evenwel die voorwaarden moeten gericht zijn op de bescherming van mens en leefmilieu; dat de verwerende partij terecht doet gelden dat de hoegrootheid van het aantal waarderingspunten rechtstreeks verband houdt met het risico op geurhinder die de exploitatie van het bedrijf kan veroorzaken; dat het opleggen van een minimum aantal waarderingspunten dan ook als een bijzondere voorwaarde ter bescherming van mens en milieu te beschouwen is; dat de bewering van de verzoekende partijen dat hun bedrijf niet onder de inplantingsregels van Vlarem II valt niet meebrengt dat de vergunning moet worden toegestaan ongeacht de geurhinder die de exploitatie ervan kan teweegbrengen voor de omgeving en de nabijgelegen hindergevoelige gebieden; dat het eerste middel niet gegrond is; VII-23.135 en 23.148-9/12 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen als tweede middel aanvoeren wat volgt : "Schending van het redelijkheidsbeginsel. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de inrichting volgens de gegevens in het aanvraagdossier slechts over 130 [respectievelijk 120] waarderingspunten beschikt. Het opleggen van de verplichting om tweehonderd waarderingspunten te bekomen, is een beperking die de exploitatie economisch nagenoeg onmogelijk maakt. Het bestreden besluit moet worden beschouwd als een verkapte weigering, zodat het redelijkheidsbeginsel wordt geschonden (zie RvSt. nr. 47.224, 05.05.1994, geciteerd door E. Lancksweerdt, o.c., nr. 46)"; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord volgend verweer voert : "Artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet luidt als volgt : 'De Vlaamse Regering wordt gemachtigd algemene of per categorie van inrichting geldende milieuvoorwaarden uit te vaardigen, waarvan ze, indien om technische redenen noodzakelijk, bij gemotiveerd besluit kan afwijken. Met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu kunnen deze milieuvoorwaarden bepalingen bevatten die de toelaatbaarheid van bepaalde inrichtingen in sommige gebieden beperken of verbieden'. Gebiedsgebonden verbods- en afstandsregels zijn aldus ook volgens de vaste rechtspraak van Uw Raad absoluut niet uitgesloten bij het beoordelen van milieuvergunningsaanvragen. De decreetgever heeft ondubbelzinnig deze mogelijkheid ingecalculeerd in het milieuvergunningsdecreet. De mogelijkheid die verwerende partij met het toevoegen van de bijkomende bijzondere voorwaarde aan verzoekende partij biedt om binnen een termijn van zes maanden een aantal technische aanpassingen te verrichten aan haar stalling is juist een uiting van redelijkheid. Milieuvergunningen worden immers voor lange termijn afgeleverd, in principe voor twintig jaar. Verzoekende partij toont in genen dele aan dat de technische aanpassingen die het haar mogelijk moeten maken om het aantal van tweehonderd waarderingspunten te halen haar exploitatie 'economisch nagenoeg onmogelijk' zouden maken. Het tweede middel faalt dan ook eveneens"; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord het volgende repliceren : "Het opleggen van de verplichting om tweehonderd waarderingspunten te bekomen, is een beperking die de exploitatie economisch nagenoeg onmogelijk maakt. De bestreden beslissing moet worden beschouwd als een verkapte weigering, zodat het redelijkheidsbeginsel wordt geschonden. Verwerende partij stelt dat de verzoekende partij niet in staat is om aan te tonen dat het economisch gezien niet mogelijk is de veranderingen door te voeren ten einde de waarderingspunten van 200 te behalen. VII-23.135 en 23.148-10/12 De investeringen verbonden aan de veranderingen om de vereiste 200 waarderingspunten te bereiken, worden beraamd op 5.606.706 [respectievelijk 12.508.979 Bfr] (...). Een vergelijking tussen de omvang van de investeringen en het bedrijfsresultaat van de verzoekende partij (aan de hand van de uitgebreide verdichte resultaatrekening (na boeken), eventuele afschrijvingen en bijkomende afschrijvingen, interesten enz.) blijkt dat het bedrijf van verzoekende partij een netto verlies zou lijden van ongeveer 1.300.000 Bfr. per jaar (...). De bovenvermelde elementen tonen aan dat het bedrijf tot faling gedoemd zou zijn door het uitvoeren van de investeringen nodig voor het behalen van de 200 punten. Bovendien is het niet irrelevant om op te merken dat in de actualiseringsnota van het MER de nadruk werd gelegd op de economische onhaalbaarheid van de technieken (gebruik van luchtwassers of biofilters) die voor het bedrijf van verzoekende partij nodig zijn om de 200 punten te bereiken (...). Tenslotte dient vermeld te worden dat de desbetreffende technieken die moeten gerealiseerd worden ten einde de 200 punten te bekomen, zijnde o.a. het luchtwassysteem, niet kunnen verwezenlijkt worden door een Belgisch bedrijf. In Nederland bestaat slechts één bedrijf dat dergelijke technieken kan realiseren. Het heeft tot nu toe amper één systeem geplaatst in Nederland zelf en beschikt niet over referenties in ons land (...). De weigeringsbeslissing moet dan ook gezien worden als een verkapte weigering en bijgevolg als schending van het redelijkheidsbeginsel"; 3.2.
- Overwegende dat de bewering dat er grote investeringen noodzakelijk zouden zijn om de geëiste 200 waarderingspunten te bereiken nog niet meebrengt dat die eis als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt; dat de beperking van de geurhinder geen onredelijk motief is om de geïncrimineerde exploitatievoorwaarde op te leggen; dat overigens ook een weigeringsbeslissing niet steeds een schending van het redelijkheidsbeginsel inhoudt, zodat het betoog van de verzoekende partijen dat "de weigeringsbeslissing (...) dan ook gezien (moet) worden als een verkapte weigering en bijgevolg als schending van het redelijkheidsbeginsel" niet opgaat; dat, overigens, dezelfde exploitatie-voorwaarde reeds was opgenomen in de vergunningsbeslissing van 4 mei 1998, en dat deze beslissing niet werd aangevochten; dat daarenboven in het geactualiseerde MER nergens wordt gesteld welke aanpassingswerken nodig zouden zijn om tot 200 waarderingspunten te komen en dat ook wordt vastgesteld dat de meeste neergelegde offertes pas werden opgesteld na het indienen door de verwerende partij van haar memorie van antwoord, waarbij deze aanklaagde dat de verzoekende partijen hun bewering van de hoegrootheid en de niet-haalbaarheid van de technische aanpassingen geenszins hadden aangetoond; dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift hun bewering dat de bestreden bijzondere exploitatievoorwaarde kennelijk onredelijk is niet hebben aangetoond; dat het tweede middel niet gegrond is, VII-23.135 en 23.148-11/12 BESLUIT: Artikel
- De zaken A. 99.185/VII-23.135 en A. 99.310/VII-23.148 worden gevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-23.135 en 23.148-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.455 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div