id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20
§5
concrete beperkingen oplegt die bij inwerkingtreding ervan onmiddellijke uitvoering kennen; dat met deze beperkingen bijgevolg rekening moet gehouden worden bij de beoordeling van milieuvergunningsaanvragen waarover op 1 januari 1996 nog geen uitspraak is gedaan; Overwegende dat onderhavig beroep betrekking heeft op een VLAREM-vergunningsaanvraag ingediend vóór 30 december 1995 en ontvankelijk en volledig verklaard vóór 1 januari 1996; dat bijgevolg, wat de toepassing van de artikelen 33 en 34 van het meststoffendecreet betreft, enkel VII-20.085-14/29 een toetsing moet gebeuren aan de beperkingen opgelegd door artikel 34, §
§5
; dat uit deze toetsing blijkt : aangezien de inrichting niet bestaande is, is de aanvraag niet verenigbaar met artikel 34, § 5 van het meststoffendecreet; Overwegende dat de aanvraag bijgevolg ook strijdig is met artikel 5.9.3.1., § 1 van Titel II van het Vlarem"; Overwegende dat de motieven die aan het vernietigingsarrest van 27 mei 1999 ten grondslag liggen en deze die het thans bestreden besluit schragen grondig verschillend zijn; dat er dus niet kan worden ingezien hoe het gezag van gewijsde van voormeld vernietigingsarrest zou zijn miskend; dat uit het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest voor het overige niet voortvloeit dat aan de verzoekende partij de gevraagde milieuvergunning moest worden verleend; dat zij om deze reden niet kan worden bijgevallen in haar zienswijze dat de bevoegdheid van de verwerende partij beperkt was tot de "draagwijdte van de jurisdictionele vernietiging", dat wil zeggen tot het opnieuw beoordelen van de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting; dat die zienswijze er immers aan voorbijgaat dat het besluit van 5 november 1993 waarbij oorspronkelijk in laatste administratieve aanleg uitspraak is gedaan over de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij integraal is vernietigd door de Raad van State, zodat bezwaarlijk kan worden aangenomen dat sommige motieven van dat besluit, die de verzoekende partij niet hebben gegriefd en waarover de Raad van State dan ook geen uitspraak moest doen, op een of andere manier zouden voortleven; dat het administratief beroep tegen de in eerste aanleg genomen beslissing van 29 april 1993 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant bovendien is ingesteld door derden- belanghebbenden die de integrale weigering van de vergunningsaanvraag nastreven; dat deze vaststelling meebrengt dat de devolutieve werking van het administratief beroep te dezen niet beperkt is, zodat de beroepsinstantie de vergunningsaanvraag in al zijn aspecten moet heronderzoeken, en daarbij rekening moet houden met de reglementering die geldt op het ogenblik dat het bestuur opnieuw uitspraak moet doen over de vergunningsaanvraag; Overwegende dat de verzoekende partij de "verwachting op een gunstige afloop" evenmin kan putten uit artikel 13 van het E.V.R.M.; dat in dit verdragsartikel enkel wordt gesteld dat een persoon de toegang moet hebben tot een nationale instantie om een schending van de in het E.V.R.M. vermelde rechten en vrijheden aan te klagen; dat deze mogelijkheid hier niet is ontzegd aan de verzoekende partij, omdat zij zich met betrekking tot dezelfde milieuvergunningsaanvraag reeds tot tweemaal toe tot de Raad van State heeft VII-20.085-15/29 kunnen wenden; dat er ten slotte moet op worden gewezen dat het begrip "daadwerkelijke rechtshulp" van voormeld verdragsartikel niet kan worden uitgelegd in de zin dat elkeen die zich tot een nationale instantie wendt, ook automatisch gelijk moet krijgen of over de grond van de zaak volledige genoegdoening moet worden verschaft; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat als derde middel de schending wordt aangevoerd van artikel 7.3.0.
- van Vlarem II, van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, van de redelijke termijnvereiste, van het gelijkheids- en niet- discriminatiebeginsel en van "het verbod van terugwerkende kracht van een reglementering"; dat uit de ontwikkeling van het middel blijkt dat het derde middel voor een groot gedeelte beschouwd kan worden als een variante op de voorgaande middelen; dat het middel als volgt wordt toegelicht in het verzoekschrift : "A. De verwerende partij is van mening dat de gevraagde vergunning strijdig is met artikel 5.9.3.1 § 1 van titel II van het Vlarem. Deze bepaling kon echter in het kader van het huidige administratief beroep niet worden toegepast, vermits artikel 7.3.0.2, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 1995 bepaalt dat de vergunningsaanvragen welke voor 1 augustus 1995 werden ingediend worden afgehandeld volgens de procedure die van toepassing was op het ogenblik van de indiening van de aanvraag. Die bepaling bestond niet op het ogenblik waarop de oorspronkelijke aanvraag werd ingediend, noch op het ogenblik waarop normaal over deze aanvraag moest beslist worden. B. De verwerende partij diende - zoals reeds aangehaald - binnen de vijf maanden na ontvangst van het beroep een beslissing te nemen, zoniet werd de milieuvergunning geacht te zijn toegekend. De combinatie van deze beginselen, vervat in de artikelen 23 en 25 van het milieuvergunningsdecreet, met het beginsel dat een vernietigingsarrest van uw Raad terugwerkende kracht heeft, en het beginsel van principieel verbod van terugwerkende kracht van de reglementering, moet er toe leiden te besluiten dat de overheid, die na een vernietigingsarrest nog over de oorspronkelijke milieuvergunningsaanvraag dient te beschikken, slechts rekening mag houden met de nadien tot stand gekomen nieuwe rechtsregels, op voorwaarde dat die nieuwe normen van toepassing werden binnen de periode van vijf maanden (eventueel verlengd overeenkomstig art. 23bis van het milieuvergunningsdecreet), vanaf de ontvangst van het oorspronkelijk beroep door de bevoegde overheid. In ieder geval moest de verwerende partij, zelfs wanneer er geen dwingende termijn bestond, haar beslissing binnen een redelijke termijn nemen. De termijn, verstreken tussen de aanvraag
(1992)en de thans bestreden beslissing (november 1999) is niet meer als redelijk te bestempelen. Nuttige elementen kunnen worden geput uit de arresten nummers 14.112 van 29 april 1970 en 11.533 van 1 december 1965 (zie ook P. LEWALLE, 'Contentieux administratif', Liège 1997, nr. 467). 'Het nemen van maatregelen, ter uitvoering van een annulatiearrest kan vereist zijn indien de overtreding van de vastgestelde rechtsplicht een rechtsverstoring meebracht die door de vernietiging der beslissing niet volledig is goedgemaakt maar bijkomend herstel vordert omdat een onrechtmatige wijziging in iemands rechtstoestand of een onrechtmatige onthouding iemands rechtstoestand te wijzigen, die persoon belet heeft VII-20.085-16/29 hem normaal toevallende rechten of voordelen te verkrijgen. In zulke gevallen en wanneer de uitvoering van de rechtsplicht der overheid aan een bepaald moment gebonden blijkt, kan het rechtsherstel het correct overdoen van de vernietigde beslissing noodzakelijk maken in welke veronderstelling de uitwerking ex tunc van het arrest de wettelijkheid dekt van een met terugwerking genomen rechtsherstellende beslissing, zelfs indien die beslissing op de fictief gereconstitueerde situatie toepassing maakt van destijds geldende maar ondertussen opgeheven voorschriften. De noodzakelijkheid van het rechtsherstel kan de overheid zelfs verplichten het hele verleden dat aan de nieuwe beslissing is voorafgegaan fictief over te doen om (in het arrest staat 'op') de beneficiaris der nieuwe beslissing een zodanige, voor dat verleden evoluerende rechtssituatie zonder hiaten te geven, als hij zou hebben gehad indien hij door de vernietigde beslissing niet onrechtmatig uit zijn normale plaats in de stroom van het rechtsverkeer was verwijderd (R.v.St., nr. 11.353, 1 december 1965)'. Elke andere oplossing zou leiden tot een ongerijmde situatie : wanneer de overheid weet dat er een wijziging van de milieureglementering op komst is - en de ervaring leert dat deze wijziging soms enige tijd in beslag neemt - zou het volstaan dat zij systematisch alle aangevraagde vergunningen in de betrokken sector voor de totstandkoming van de wijziging op onwettige wijze weigert, om dan, nadat de Raad van State die onwettige weigeringen zal hebben vernietigd - wat ook niet onmiddellijk gebeurt - de ondertussen van toepassing verklaarde gewijzigde reglementering bij de beoordeling van die aanvragen te betrekken. Daardoor zou de overheid, nadat vastgesteld is dat haar oorspronkelijke weigering onwettig is, en dus foutief was, diezelfde aanvraag kunnen afwijzen op grond van een reglementering die niet bestond op het ogenblik van de milieuvergunningsaanvraag, de behandeling in eerste aanleg, het indienen van het administratief beroep, noch binnen de dwingende beslissingstermijn. Aldus zou de overheid, die zichzelf nochtans een (zeker in het geval als het huidige) dwingende beslissingstermijn heeft opgelegd, over een middel beschikken om een nog niet bestaande reglementering anticipatief toe te passen, en dit dan nog door het begaan van een onwettigheid. Zij verkrijgt aldus een voordeel (de mogelijkheid om een intussen tot stand gekomen reglementering toe te passen) ten gevolge van een vastgestelde onwettelijkheid (de eerste, geannuleerde beslissing tot weigering). C. Wanneer men er anders zou over oordelen, creëert men een ongelijke behandeling tussen twee categorieën van vergunningsaanvragers : er is de eerste categorie van rechtsonderhorigen die een milieuvergunning aanvragen, en niet worden geconfronteerd met een achteraf onwettig bevonden weigeringsbeslissing. Zij kunnen in beginsel hun inrichting uitbaten volgens de toelatingsvoorwaarden van de 'oude' regelgeving (deze welke bestond op het ogenblik van de aanvraag of binnen de periode waarin daarover werd beslist). De andere categorie bestaat uit diegenen die een milieuvergunningsaanvraag hebben ingediend, en op een weigeringsbeslissing botsten, maar ten voordele van wie die weigeringsbeslissing door de Raad van State werd vernietigd. In dat geval moet de overheid die oorspronkelijk (maar op onwettige wijze) weigerde, een nieuwe beslissing over die aanvraag nemen. De vergunningsaanvragers van deze laatste categorie zouden zich dan een nieuwe weigeringsgrond kunnen zien tegenstellen, welke ten overstaan van de aanvragers van de eerste categorie niet kon worden gehanteerd. Er is dus een schending van de beginselen inzake gelijkheid en niet-discriminatie"; VII-20.085-17/29 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij een globale bespreking wijdt aan het derde en het vierde middel en in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : "Bij het beoordelen van een vergunningsaanvraag beschikt het bestuur over een ruime appreciatiebevoegdheid. Zelfs het gegeven dat een inrichting aan alle wettelijke voorschriften voldoet, zoals bijvoorbeeld stedenbouwkundige en planologische voorschriften en milieutechnische normen, betekent geenszins dat een vergunning toch niet zou kunnen worden geweigerd. De vergunningverlenende overheid heeft het recht én zelfs de plicht elke aanvraag te beoordelen rekening houdend met alle wettelijke voorschriften maar ook met alle feitelijke gegevens. Een vergunning wordt in principe afgeleverd voor een lange termijn. Binnen de thans vigerende VLAREM-reglementering is de normale duurtijd van een vergunning 20 jaar. Het spreekt dan ook voor zich dat bij de ecologische toetsing door de vergunningverlenende overheid dient te worden nagezien of er voldoende garanties zijn op langere termijn voor de exploitant zelf, voor de omwonenden van de exploitatie en voor het leefmilieu in het algemeen. De bestreden beslissing put inderdaad uit verbodsregels ontleend aan het VLAREM II- besluit. Verzoekende partij meent dat dit ten onrechte is gebeurd. De vraag dient eerst gesteld of verzoeker, gelet op het bovenstaande, wel belang heeft bij dit middel, nl. of het al dan niet voldoen van de milieuvergunningsaanvraag van verzoeker aan verbodsregels opgenomen in het VLAREM-II-besluit in de praktijk een andere beslissing vanwege de Minister in graad van beroep tot gevolg zouden hebben gehad. Dergelijke verbods- en afstandsregels zijn immers wetenschappelijk onderbouwd en werden empirisch geverifieerd: zelfs in de méést gunstige situatie (gunstiger stalconcept met optimale verluchting en gunstiger mestopslag dan hier m.b.t. de beoogde vergunningplichtige inrichting van verzoeker het geval is) zal een leghennenhouderij met 35.000 dierplaatsen en 7.200 m³ mestopslag aanleiding geven tot overdreven geurhinder voor de bewoners van de dichtstgelegen geurhindergevoelige gebieden, nl. voor bewoners van een woongebied op ca 800 meter afstand en voor bewoners van een woongebied met landelijk karakter op ca 900 m afstand. Uit de beroepschriften en het aanvraagdossier zelf is bovendien gebleken dat een woongemeenschap van negen gezinnen op hun dichtste punt op 250 meter tot 340 meter van de beoogde inrichting reeds aldaar is ingeplant. Op basis van de feitelijke gegevens van de zaak kon de Minister gewoonweg niet anders dan de vergunning weigeren wegens het te grote risico op overdreven geurhinder voor de nabijgelegen geurhindergevoelige gebieden. Zelfs indien normen welke werden ingeschreven in het VLAREM-II-besluit niet correct zouden zijn toegepast, quod non, wordt niets afgedaan aan de feitelijke gegevens van de zaak. Het is niet omdat verzoeksters' aanvraag werd ingediend voor 1 augustus 1995 dat de algemene en sektorale bepalingen van het nieuwe VLAREM II niet konden worden toegepast op haar aanvraag. Identiek dezelfde redenering gaat op voor de onmiddellijke toepasbaarheid van het nieuwe Mestdecreet op de door verzoekster beoogde exploitatie. 'Men mag er als rechtsonderhorige niet op vertrouwen, er niet op rekenen, en alleszins niet de zekerheid hebben dat het bestuur geen normen op een bepaald domein zal stellen. Dit is immers inherent aan het bestuurlijk optreden, en dit is des te meer waar indien het bestuur in principe bepaalde wettelijke en decretale VII-20.085-18/29 bepalingen moet uitvoeren (in casu gaat het om de uitvoering van artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet) Het bestuur moet die reglementaire bepalingen op een bepaald moment in werking laten treden, zodat er steeds een mogelijkheid bestaat dat die reglementaire bepalingen van toepassing zijn op zaken die reeds hangende zijn, waarvan de procedure reeds ingezet is. Als dat niet zou mogen, zou het bestuurlijk optreden in bepaalde gevallen erg bemoeilijkt, misschien zelfs onmogelijk worden. Kan verzoekster worden bijgevallen waar zij in wezen stelt dat de regeling van het nieuwe VLAREM II, alleszins wat de beoordeling van haar vergunningsaanvraag betreft, in strijd is met het continuïteits-, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel ? Wij menen dat er een aantal argumenten zijn om te stellen dat dit niet het geval is...'(uit het Auditoraatsverslag van Dhr. E. Lancksweerdt in de zaak nv La Rostée nr A/A.66.462) Zoals ook hierboven reeds uiteengezet, is het opleggen van verbods- en afstandbepalingen opportuun en zelfs noodzakelijk gebleken na beoordeling van de intensiteit van de hinderlijkheid in de hypot(h)ese dat de vergunning aan verzoekster zou worden verleend zoals door haar gevraagd. Het risico op overmatige (geur)hinder voor de bewoners van de meest nabije hindergevoelige gebieden bleek onaanvaardbaar hoog"; 2.3.
- Overwegende dat de memorie van wederantwoord die de verzoekende partij heeft ingediend geen bijkomende argumenten bevat met betrekking tot onderhavig middel; 2.3.
- Overwegende dat met betrekking tot de beweerde schending van artikel 7.3.0.
- van Vlarem II kan worden gesteld dat uit deze bepaling, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse regering van 6 september 1995 tot wijziging van het Vlarem II, blijkt dat de overgangsbepalingen voor de vergunningsaanvragen welke vóór 1 augustus 1995 werden ingediend met toepassing van Vlarem I, uitsluitend slaan op de procedure op grond waarvan de milieuvergunningsaanvragen moeten worden afgehandeld; dat te dezen in het bestreden besluit wordt geconcludeerd dat de aanvraag (ook) strijdig is met artikel 5.9.3.1., § 1, van Vlarem II; dat die bepaling onmiskenbaar een verbod inhoudt om vergunningen voor het exploiteren en/of veranderen van bepaalde categorieën van veeteeltinrichtingen te verlenen; dat daarenboven uit het onderzoek van het vierde middel zal blijken dat het bestreden besluit mede steunt op een ander weigeringsmotief dat gestoeld is op de onverenigbaarheid van de vergunningsaanvraag met het meststoffendecreet; dat dit laatste motief, dat niet onwettig wordt bevonden, op zich afdoende is om de vergunningsweigering te schragen; dat de kritiek van de verzoekende partij betrekking heeft op een overtollig motief dat niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; VII-20.085-19/29 Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden bijgevallen wat betreft de beweerde schending van de redelijke termijnvereiste; dat het verstrijken van een termijn van ongeveer zeven jaar tussen het indienen van de vergunningsaanvraag en het nemen van het thans bestreden besluit immers niet te wijten is aan de verwerende partij, maar wel aan de tijd die in beslag is genomen door de afhandeling van het door de verzoekende partij ingestelde annulatieberoep tegen het besluit van 5 november 1993 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting waarbij aan de verzoekende partij de gevraagde vergunning in laatste administratieve aanleg is geweigerd, besluit dat bij 's Raads arrest van 27 mei 1999 is vernietigd; dat het gelaakte tijdsverloop dus niet kan worden toegeschreven aan het onredelijk lang stilzitten van de vergunningverlenende overheid; dat bovendien uit het onderzoek van het eerste middel is gebleken dat de aan de verwerende partij gegeven termijn van vijf maanden om, ingevolge het vernietigingsarrest, opnieuw over de ingestelde administratieve beroepen te beslissen, hooguit met één dag kan zijn overschreden; dat de overschrijding van een beslissingstermijn van orde, zoals te dezen het geval is, met één dag bezwaarlijk als onredelijk lang kan worden aangemerkt; Overwegende dat de "terugwerkende kracht" van vernietigingsarresten van de Raad van State voorts niet impliceert dat de vergunningverlenende overheid bij het nemen van een nieuwe beslissing over de aanvraag, na een vernietigingsarrest, de wetgeving moet toepassen die gold ten tijde van de eerste beslissing, of, zoals de verzoekende partij nuanceert, moet rekening houden met nadien tot stand gekomen rechtsregels "op voorwaarde dat die nieuwe normen van toepassing werden binnen de periode van vijf maanden (eventueel verlengd overeenkomstig art. 23bis van het milieuvergunningsdecreet), vanaf de ontvangst van het oorspronkelijk beroep door de bevoegde overheid"; dat de vergunningverlenende overheid integendeel de reglementering moet toepassen die geldt op het ogenblik dat na een vernietigingsarrest opnieuw uitspraak wordt gedaan over de vergunningsaanvraag; dat, zoniet, de vergunningverlenende overheid contra legem zou handelen; Overwegende dat de "ongerijmde situatie" waarvan de verzoekende partij gewag maakt, niet opgaat; dat met het bestreden besluit opnieuw uitspraak werd gedaan over de beroepen die waren ingesteld tegen de beslissing van 29 april 1993 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant, nadat de initiële uitspraak over dat beroep bij besluit van 5 november 1993 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting door de Raad van State was VII-20.085-20/29 vernietigd; dat de verzoekende partij onvoldoende aannemelijk maakt dat de vergunningverlenende overheid op 5 november 1993 moedwillig vergunningsaanvragen zou weigeren met de heimelijke bedoeling te anticiperen op strengere regels voor het verlenen van milieuvergunningen die besloten liggen in een wetswijziging die pas jaren later tot stand zal komen; dat zij bovendien niet aantoont dat de vergunningverlenende overheid op 5 november 1993, dit is op het ogenblik dat ze de "onwettige" beslissing nam, op de hoogte zou zijn geweest van een "nakende" wijziging van het meststoffendecreet, laat staan van de concrete modaliteiten ervan op het vlak van de mogelijkheden voor het verlenen van nieuwe vergunningen aan veeteeltinrichtingen; Overwegende dat de verzoekende partij zich ten onrechte op het gelijkheidsbeginsel beroept, alleen reeds omdat diegenen aan wie de vergunning wordt verleend en diegenen aan wie de vergunning wordt geweigerd, zich in een verschillende situatie bevinden; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het meststoffendecreet; dat zij hieromtrent het volgende stelt : "Hetzelfde als hierboven (sub B) geldt voor de toepassing van het gewijzigde mestdecreet, of alleszins van art. 34 §
§ 5ervan.
Deze bepalingen zijn slechts van toepassing op aanvragen die na 1 januari 1996 ontvankelijk en gegrond werden verklaard. Er is de verzoekende partij geen bepaling bekend waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de artikelen 34 §
§ 5van onmiddellijke toepassing zouden zijn"; 2.4.2.
Overwegende dat het verweer van de verwerende partij reeds werd weergegeven bij de bespreking van het vorige middel; 2.4.
- Overwegende dat de memorie van wederantwoord die de verzoekende partij heeft ingediend geen bijkomende argumenten bevat met betrekking tot onderhavig middel; 2.4.
- Overwegende dat de basisdoelstelling van het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het meststoffendecreet, bestond in het streven naar een "stand-still" van de mestproductie op gewestelijk niveau door de totale hoeveelheden meststoffen in het Vlaamse Gewest niet groter te laten worden dan deze in 1992; dat die "stand-still" wordt uitgedrukt in artikel 33 van het VII-20.085-21/29 meststoffendecreet en de beoogde "stand-still" wordt geconcretiseerd door het verlenen van nieuwe vergunningen aan strenge beperkingen te onderwerpen; dat de kernbepaling in dat verband het nieuwe artikel 33, § 1, tweede lid, van het meststoffendecreet is waarvan de tekst als volgt luidt : "De Vlaamse regering stelt vast dat één van de twee van de hierboven vastgestelde maxima bereikt of overschreden zullen worden. Vergunningsaanvragen, met uitzondering van hernieuwing van vergunning en volledige verplaatsing zoals voorzien in artikel 34, § 3, 1/ en 2/, ingediend in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning na de datum van publicatie van deze vaststelling mogen niet meer verleend worden"; Overwegende dat de aangehaalde bepaling het principe huldigt dat nieuwe vergunningsaanvragen niet meer ingewilligd mogen worden, behoudens de uitdrukkelijk voorziene uitzonderingen voor bepaalde categorieën van aanvragen, met name de hernieuwing van de vergunning en de volledige verplaatsing van de inrichting; dat de regeling van artikel 33, § 1, tweede lid, van het meststoffendecreet, die het meest strenge regime is omdat ze neerkomt op een quasi-volledige vergunningsstop, geldt voor vergunningsaanvragen die worden ingediend "na de datum van publicatie van deze vaststelling"; dat hiermee de vaststelling wordt bedoeld door de Vlaamse regering dat de in artikel 33, § 1, eerste lid, van het meststoffendecreet vermelde maxima voor de productie van difosforpentoxide en stikstof bereikt of overschreden zullen worden; dat de Vlaamse regering in haar besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van artikel 33, § 1, van het meststoffendecreet heeft bepaald dat beide maxima zijn overschreden; dat deze vaststelling is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 1995; dat hieruit volgt dat de strengere vergunningsregeling van het meststoffendecreet, zoals gewijzigd door het decreet van 20 december 1995, enkel geldt voor aanvragen die na 30 december 1995 werden ingediend; dat in artikel 11 van het decreet van 20 december 1995, dat de nadere uitvoering vormt van de artikelen 33 en 34 van het meststoffendecreet, is bepaald dat laatstgenoemd decreet niet van toepassing is op "de vergunningsaanvragen waarvan de datum van ontvankelijkheid en volledigheidsverklaring ligt voor de inwerkingtreding van dit besluit"; dat, aangezien de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 december 1995 werd vastgesteld op 1 januari 1996, de aanvragen die vóór die datum volledig en ontvankelijk werden verklaard, niet onder de toepassing vallen van de nieuwe, strengere vergunningsregeling; dat de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij dateert van 2 oktober 1992; dat de datum van de ontvankelijk- en volledigheidsverklaring van die aanvraag dus ruim vóór de inwerkingtreding van de VII-20.085-22/29 meststoffenwetgeving, zoals ingevoerd door het decreet van 20 december 1995, ligt; dat in het bestreden besluit wordt erkend dat die wetgeving grotendeels niet van toepassing is op de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij, met uitzondering evenwel van de beperkingen die opgelegd worden in artikel 34, §
§ 5
van het (nieuwe) meststoffendecreet die vanaf de inwerkingtreding van dat decreet "onmiddellijke uitvoering" zouden kennen en waarmee rekening zou gehouden moeten worden "bij de beoordeling van milieuvergunningsaanvragen waarover op 1 januari 1996 nog geen uitspraak is gedaan"; dat de Raad van State in casu volgende overwegingen uit het arrest nr. 80.868, LAVENT, van 10 juni 1999 herneemt : "Artikel 34, § 5, van het meststoffendecreet, zoals gewijzigd bij decreet van 20 december 1995 bepaalt : 'Uitgezonderd in geval van verplaatsing van een bestaand gezinsveeteeltbedrijf mag voor een nieuwe inrichting geen milieuvergunning verleend worden met betrekking tot diersoorten vermeld in artikel 5'. Krachtens artikel 33 van hetzelfde decreet is evengeciteerde bepaling in werking getreden op 1 januari 1996. Dit houdt in dat op datum van de bestreden beslissing, die dateert van na 1 januari 1996 aan verzoeker geen milieuvergunning voor zijn nieuwe inrichting meer kon worden verleend. De verwijzing door verzoeker, enerzijds naar artikel 33, § 1, 2e lid, van het meststoffendecreet, anderzijds naar artikel 11 van het zogenaamde vergunningenbesluit van 20 december 1995 doet aan dat standpunt geen afbreuk om volgende redenen : Artikel 34, § 5, omvat een algemene regel inzake het verlenen van vergunningen. Artikel 33, § 1, omvat een uitzonderingsregeling die geldt wanneer bepaalde maxima inzake de productie van P205 en stikstof zijn overschreden. Met het besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van artikel 33, § 1, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (vergunningenbesluit) heeft de Vlaamse regering vastgesteld dat die maxima overschreden zijn, zodat de uitzonderingsregeling neergelegd in artikel 33, § 1, inderdaad van toepassing was op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen. Deze uitzonderingsregeling is een strengere regeling die het verlenen van vergunningen aan nog restrictievere voorwaarden onderwerpt, juist omdat bepaalde maxima inzake de P2O5 en stikstofproductie overschreden zijn. Het in voege treden van een uitzonderingsregeling kan geen afbreuk doen aan de verdere gelding van de gemeenrechtelijke regeling, in die zin dat op basis van de uitzonderingsregeling geen vergunning kan worden verleend daar waar de gemeenrechtelijke regeling zulks verbiedt, zoniet zou de uitzonderingsregeling volledig haar doel voorbijschieten. De uitzonderingsregeling en de gemeenrechtelijke regeling moeten dus cumulatief worden toegepast. Artikel 11 van het vergunningenbesluit, dat stelt 'dat dit besluit (...) niet van toepassing (
- is)op de vergunningsaanvragen waarvan de datum van ontvankelijkheid en volledigheidsverklaring ligt voor de inwerkingtreding van dit besluit' kan geen afbreuk doen aan desbetreffend decretaal vastgelegde regels. In het meststoffendecreet is geen enkele bepaling opgenomen die de Vlaamse regering machtigt af te wijken van de uit dat decreet voortvloeiende datum van inwerkingtreding van artikel 34, § 5, van hetzelfde decreet"; VII-20.085-23/29 Overwegende dat uit wat voorafgaat voortvloeit dat de verzoekende partij ten onrechte betoogt dat artikel 34, § 5, van het meststoffendecreet slechts van toepassing is op aanvragen die "na 1 januari 1996 ontvankelijk en gegrond werden verklaard"; dat in tegenstelling tot haar zienswijze de voormelde decreetsbepaling wel degelijk toegepast mocht worden op haar aanvraag; dat het vierde middel niet gegrond is; 2.5.1. Overwegende dat onder de hoofding "schending van de verplichting tot rechtsherstel na de vernietiging van het eerste weigeringsbesluit van 5 november 1993 (arrest nr. 80.444 van 27 mei 1999), van artikel 23 § 2 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 en van artikel 13 E.V.R.M." de verzoekende partij het volgende betoogt : "Het bestuursorgaan, de verwerende partij, wiens besluit teniet werd gedaan, is in het huidige geval verplicht opnieuw te beslissen. Het gaat immers om een beslissing die in laatste aanleg op een georganiseerd beroep werd genomen. In het huidige geval heeft het 'rechtsherstel' als gevolg dat de vergunningsaanvrager bij het overdoen van de (vernietigde) administratieve beslissing in graad van beroep, geconfronteerd wordt met een decretale of reglementaire weigeringsgrond, die niet bestond op het ogenblik van het indienen van de milieuvergunningsaanvraag, noch op het ogenblik waarop, in normale omstandigheden (zonder annulatieberoep bij de Raad van State) daarover uitspraak zou zijn gedaan door de overheden bevoegd om over een milieuvergunningsaanvraag te beschikken. Opnieuw moet worden vastgesteld dat men hier te maken heeft met een paradoxale situatie. De overheid zou, nadat vastgesteld is dat haar oorspronkelijke weigering onwettig, en dus foutief was, diezelfde aanvraag kunnen afwijzen op grond van een reglementering die niet bestond op het ogenblik van de milieuvergunningsaanvraag, noch tijdens de behandeling in eerste aanleg, het indienen van het administratief beroep, noch binnen de dwingende beslissingstermijn. Ingevolge van een vastgesteld(
- e)fout van de overheid -die in beginsel moet worden hersteld- wordt de vergunningsaanvrager dus in een meer ongunstige positie geplaatst dan voorheen. Een vernietiging door de Raad van State zou dus in bepaalde gevallen, zoals in het huidige, een 'verzwaring van de toestand' van de aanvrager(verzoeker) betekenen. Dit is strijdig met de vereiste van belang die een verzoeker bij het instellen van een annulatieberoep moet hebben. Het rechtsmiddel van beroep kan geen nadeel toebrengen aan de partij die het instelt. Een beroep -zeker wanneer dit gegrond wordt verklaard- moet tot voordeel strekken, anders heeft het geen zin. Alleen die interpretatie kadert in de door artikel 13 EVRM verleende waarborg : aan iedereen, wiens rechten en vrijheden werden geschonden, moet een daadwerkelijke rechtshulp worden toegekend. De rechtsherstellende beslissing kan terugwerken wanneer dit gerechtvaardigd is door redenen van billijkheid of rechtmatigheid (A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME en J. VANDE LANOTTE 'Overzicht van het Belgisch administratief recht', Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 15/ ed., 1999, nr. 867). Anderzijds verplicht, in het privaatrecht, artikel 1382 B.W. eenieder -ook de overheid- om de schade die het gevolg is van zijn fout te herstellen. Dergelijk herstel mag uiteraard niet nadeliger zijn voor de benadeelde. VII-20.085-24/29 Bovendien zou -in het privaatrecht- de regel 'nemo auditur propriam turpitudinem allegans' worden geschonden. Niemand kan zich beroepen op zijn eigen fout... De verwerende partij 'profiteert' van haar onwettige, want vernietigde, beslissing, om een nieuwe reglementering toe te passen als (tweede) weigeringsmotief. Die vaststelling klemt in het huidige geval des te meer omdat in de eerste beslissing van 5 november 1993 was vastgesteld dat de mestafzet (toen) ecologisch verantwoord was"; 2.5.2. Overwegende dat de verwerende partij hierover het volgende uiteenzet in haar memorie van antwoord : "Verzoekende partij is ten onrechte van oordeel dat het rechtsmiddel van beroep geen nadeel kan/mag toebrengen aan de partij die het instelt. Verzoekster meent dat haar beroep haar hoedanook moet tot voordeel strekken omdat zij eerder een door Uw Raad gegrond verklaard annulatieberoep heeft ingesteld. Deze stelling van verzoekster volgen zou pas leiden tot ongelijkheid en discriminatie : verzoekster heeft voor haar beoogde exploitatie niet meer noch minder rechten dan een gelijkaardige exploitant die op dezelfde locatie thans een nieuwe bio-industriële pluimveehouderij zou willen opstarten. Ook verzoekster dient zich te houden aan de algemene en sectoriële milieuvoorwaarden zoals opgelegd door het VLAREM II en door de bepalingen van het Mestdecreet. Haar 'overwinning' wegens vernietiging door Uw Raad van een eerdere vergunningsweigering mag haar niet in een bevoordeelde situatie plaatsen"; 2.5.3. Overwegende dat de memorie van wederantwoord die de verzoekende partij heeft ingediend geen bijkomende argumenten bevat met betrekking tot onderhavig middel; 2.5.4. Overwegende dat uit de bespreking van de vorige middelen genoegzaam de ongegrondheid van het middel blijkt; dat de verplichting om de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik dat het bestuur, na een vernietigingsarrest, opnieuw uitspraak doet, kan impliceren dat de vergunningsaanvraag andermaal wordt geweigerd en wel op gronden die "nieuw" zijn in vergelijking met deze van het vernietigde besluit; dat zulks niet in strijd is met de vereiste dat men belang moet hebben bij de nietigverklaring, omdat de Raad van State zich bij de beoordeling van het belang niet in de plaats stelt van het bestuur dat na een eventuele vernietiging gehouden is de zaak te heroverwegen in het licht van de op dat moment geldende regelgeving; dat het vijfde middel niet gegrond is; 2.6.1. Overwegende dat de verzoekende partij een zesde en laatste middel ontleent aan de schending van "het beginsel van de vrijheid van handel en VII-20.085-25/29 nijverheid, vastgelegd in het zgn. decreet d’Allarde en in artikel 6, § 1, VI van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en van de grondwettelijke beginselen inzake gelijkheid van niet-discriminatie"; dat zij hieromtrent het volgende betoogt in haar verzoekschrift : "Indien artikel 34 § 5 van het meststoffendecreet van toepassing zou zijn, dan moet worden opgemerkt dat het, tenzij wat de gezinsveeteeltbedrijven betreft, de aflevering van milieuvergunningen voor nieuwe inrichtingen in de veeteelt en pluimveesector verbiedt. Dergelijk verbod druist in tegen de vrijheid van handel en nijverheid. De thans bestreden beslissing, die is gestoeld op zulk verbod, is dan ook onwettig. Alleszins kon de Vlaamse wetgever niet zonder meer overgaan tot zulk verbod, zonder de bevoegdheidsverdelende regels van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 te schenden. Het verbod om milieuvergunningen af te leveren aan niet-gezinsveeteeltbedrijven is geen beperking meer van de vrijheid van handel en nijverheid -wat onder bepaalde omstandigheden zou kunnen worden getolereerd (Arbitragehof, nummer 42/97, 14 juli 1997 - B. 13.2)- maar heft deze vrijheid gewoon op. Niet-gezinsveeteeltbedrijven kunnen in de betrokken sector gewoon geen handel of nijverheid meer drijven. Anderzijds moet worden opgemerkt dat het verbod om een bepaalde (agrarische) activiteit uit te oefenen in beginsel en tot op heden- niet slaat op gezinsveeteeltbedrijven. De niet-gezinsveeteeltbedrijven worden dus op een ongelijke en minder gunstige wijze behandeld dan eerstgenoemde. Dit maakt een schending uit van de in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet neergelegde beginselen inzake gelijkheid en niet-discriminatie. De decreetgever is er van uitgegaan dat gezinsveeteeltbedrijven vanuit milieutechnische overwegingen betere waarborgen bieden doordat zij verhoudingsgewijs minder verantwoordelijk zijn voor de mestoverschotten en dat de positieve maatregelen ten aanzien van die gezinsveeteeltbedrijven passen in het kader van het milieubeleid, waarvoor de gewesten bevoegd zijn (zie Arbitragehof, nummer 42/97, 14 juli 1997 B 10.3 en B 10.4). Toch zal moeten worden aangetoond of dit onderscheid pertinent is om het beoogde doel (de bescherming van het leefmilieu tegen mestoverlast) te bereiken. Dit is meer dan waarschijnlijk niet het geval, nu in het 'nieuwe mestactieplan' (decreet van 11 mei 1 999), geen sprake meer is van dergelijk onderscheid (zie art. 3). Er is bijgevolg geen pertinentie tussen de bij decreet ingevoerde ongelijke behandeling en de doelstelling van de maatregel zodat er een schending is van de beginselen inzake gelijkheid en niet-discriminatie (zie Arbitragehof, nummer 126/98, 3 december 1998)"; 2.6.2. Overwegende dat de verwerende partij als volgt repliceert : "Zoals ook uiteengezet naar aanleiding van de drie voorgaande middelen is verzoekster slecht geplaatst om zich gediscrimineerd te voelen. Verzoekster wenst duidelijk het onderste uit de kan te halen en een 'bevoorrechte' behandeling van haar dossier af te dwingen via huidig annulatieberoep. Nadat verzoekster eerder reeds een identieke milieuvergunningsaanvraag in 1995 definitief geweigerd zag om milieutechnische redenen, probeert zij thans in huidige procedure haar doel te bereiken via het onterecht inroepen van een stilzwijgende vergunning en het VII-20.085-26/29 beweerd door de milieuvergunnende overheid onterecht opleggen van de verbodsregels ingeschreven in VLAREM II en in het Mestdecreet. De afstands- en verbodsregels zoals ingeschreven in de milieureglementering beperken mogelijks wel de vrijheid van handel en nijverheid in het nadeel van de grote exploitaties en bio-industrie in vergelijking met de gezinsveeteeltbedrijven, maar dit gebeurt slechts met het oog op het bereiken van een geoorloofde en absoluut te betrachten doelstelling : het beschermen van het leefmilieu tegen overdreven milieuhinder in zijn vele aspecten (geurhinder, grond- en oppervlaktewaterbezoedeling, insectenplagen, ...) en tegen mestoverlast in het bijzonder"; 2.6.3. Overwegende dat de memorie van wederantwoord geen bijkomende argumenten bevat met betrekking tot onderhavig middel; 2.6.4. Overwegende dat het door de verzoekende partij geschonden geachte recht op vrijheid van handel en nijverheid niet als een absoluut recht kan worden opgevat en dat om redenen van algemeen belang die vrijheid aan beperkingen kan worden onderworpen; dat de onmogelijkheid om nog een milieuvergunning te verkrijgen voor de verandering van een bestaande veeteeltinrichting die een verhoging van de vergunde mestproductie tot gevolg heeft, verankerd ligt in artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet, zoals ingevoegd bij decreet van 11 mei 1999 en gewijzigd bij decreet van 3 maart 2000; dat hierbij kan worden verwezen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 42/97 van 14 juli 1997, waarin met betrekking tot de beperkingen van vergunningverlening voor veeteeltinrichtingen die werden ingevoerd door het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het meststoffendecreet, het volgende staat te lezen : "De vrijheid van handel en nijverheid kan niet als een absolute vrijheid worden opgevat. De bevoegde wetgever kan ertoe worden gebracht - zij het in de economische sector of in andere sectoren - de handelingsvrijheid van de betrokken personen of ondernemingen te beperken, wat noodzakelijkerwijze een weerslag zal hebben op de vrijheid van handel en nijverheid. De gewesten zouden de vrijheid van handel en nijverheid bedoeld in artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 slechts schenden, indien ze die vrijheid zouden beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking kennelijk evenredig zou zijn met het nagestreefde doel of aan het beginsel op zodanige wijze afbreuk zou doen dat de economische en monetaire unie erdoor in het gedrang komt"; Overwegende dat ten aanzien van het in artikel 34, § 5, van het meststoffendecreet vervatte verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven wat betreft de mogelijkheden tot VII-20.085-27/29 vergunningverlening, het Grondwettelijk Hof in voormeld arrest het volgende heeft overwogen : "Dat enkel nog een milieuvergunning kan worden verleend aan gezinsveeteeltbedrijven, bij verplaatsing van een bestaand gezinsveeteeltbedrijf (artikel 34, § 5) of in geval van een volledige verplaatsing van een bestaande landbouwinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf dat als hinderlijk is ingedeeld en onder de in artikel 34, § 3, 2/,
- a)tot d), bepaalde voorwaarden, alsook in geval van vergunningsaanvragen met betrekking tot een bestaande veeteeltinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf of een bestaande landbouwinrichting met een productie van minder dan 300 kilogram difosforpentoxide op jaarbasis (artikel 34, § 3, 3/ en 4/), houdt redelijk verband met het oogmerk van de decreetgever om voor de gezinsveeteeltbedrijven - en de bedrijven met een kleine mestproductie -, die een verhoudingsgewijs kleiner mestoverschot veroorzaken, te voorzien in een soepeler vergunningsstelsel waarbij rekening wordt gehouden met de levensvatbaarheidsgrens van die bedrijven (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-3, p. 43)"; Overwegende dat het Grondwettelijk Hof daarmee de stelling van de verzoekende partij dat het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven van artikel 34, § 5, van het meststoffendecreet een schending zou uitmaken van de grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet- discriminatie tegenspreekt; Overwegende dat het zesde middel om de uiteengezette redenen niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-20.085-28/29 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-20.085-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.456 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.89.702 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div