← België

Arrest 177474 - Penitentiair recht - 30/11/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.474 Rolnummer: A. 186008/IX-5795 Zaak: Arrest 177474 - Penitentiair recht - 30/11/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:20 Fiche Arrest nr 177.474 van 30 november 2007 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.474 van 30 november 2007 in de zaak A. 186.008/IX-

  1. In zake : Pascal HINDERYCKX, die woonplaats kiest bij advocaat N. LORENZETTI, kantoor houdende te BRUGGE, Walakker 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Pascal HINDERYCKX op 26 november 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing van de Directeur van de Strafinrichting te Brugge - Mannenafdeling 1 van 19.11.2007 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd : 2 weken individuele wandeling (van 20.11.2007 tot en met 03.12.2007)”; Gelet op de beschikking van 27 november 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 27 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 november 2007, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HERMIE, die loco advocaat N. LORENZETTI, verschijnt voor de verzoeker, en van attaché P. VAN CAENEGHEM, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-5795-1/9 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  2. De verzoeker verblijft in het Penitentiair Complex te Brugge. Bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Gent van 12 juli 2007 was hem het voordeel van de beperkte detentie toegekend. Naar aanleiding van de vondst van drugsporen in zijn cel, welke overigens aanleiding gegeven heeft tot een tuchtstraf die de Raad van State bij arrest nr. 177.115 van 23 november 2007 heeft geschorst, is op 11 november 2007 door de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge een bevel tot voorlopige aanhouding afgegeven. Dat bevel is gevolgd door een beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank van 14 november 2007 waarbij de beperkte detentie gedurende één maand is geschorst. Na het bevel tot voorlopige aanhouding kon de verzoeker niet langer verblijven op de sectie voorbehouden aan gedetineerden in beperkte detentie, en werd hij naar een andere sectie overgebracht. Op 13 november 2007 diende hij zijn kastje leeg te maken waarover hij in zijn eerste sectie beschikte, en de inhoud ervan aan te bieden bij zijn aankomst in de tweede sectie. Op dat ogenblik werd vastgesteld dat hij in het bezit was van een bankkaart op naam van een zekere D., een sleutelhanger met drie sleutels en nog enkele papieren. Volgens de verzoeker lagen die voorwerpen al in zijn kastje toen hij er de beschikking over kreeg. Van deze vaststelling wordt dezelfde dag een rapport aan de directeur opgesteld. Op 15 november 2007 beslist de directeur van de gevangenis een tuchtprocedure te starten. Een hoorzitting vindt plaats op 19 november
  3. De verzoeker verklaart er dat hij ondertussen vernomen heeft dat D. een medegevang- ene is die het kastje vóór hem gebruikt heeft en die thans opnieuw in de gevangenis te Brugge verblijft. Hij nodigt de directie uit om zijn verhaal bij D. te verifiëren. Hij herhaalt dat de voorwerpen in het kastje lagen toen de verzoeker het gebruik ervan IX-5795-2/9 kreeg. De verzoeker heeft de bankkaart niet opgemerkt, hetgeen verklaart waarom hij niet gemeld heeft dat vreemde voorwerpen in zijn kast lagen. Dezelfde dag wordt de thans bestreden beslissing genomen. Die beslissing is gemotiveerd als volgt: “Gelet op het feit dat er zaken in betrokkenes kastje werden gevonden die hem niet toebehoren; Gezien het hier o.a. om sleutels en een bankkaart ging van een medegedetineerde; Gezien betrokkene beperkte detentie genoot en deze zaken dus vrij kon gebruiken; Gezien betrokkenes uitleg kan weerlegd worden door het feit dat de kastjes bij ingebruikname telkens samen met twee beambtes worden gecontroleerd; Gelet op het feit dat dergelijk gedrag niet kan getolereerd worden en dit de goede orde en veiligheid van de inrichting in het gedrang brengt.” Aan de verzoeker wordt de volgende tuchtsanctie opgelegd: “2 weken individuele wandeling (20/11/2007 t.m. 3/12/2007)”. Onderzoek van de vordering
  4. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  5. In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 19 november 2007, dat ze dezelfde dag aan de verzoeker ter kennis is gebracht, en dat de opgelegde sanctie uitwerking heeft van 20 november tot 3 december
  6. De verzoeker heeft de voorliggende vordering ingesteld met een verzoekschrift dat op 26 november 2007 ter post is aangetekend. Uit die gegevens kan worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed heeft IX-5795-3/9 ingesteld. De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid overigens niet. 4.
  7. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij voert vooreerst aan dat de bestreden beslissing steunt op feiten die niet bewezen zijn. Volgens de verzoeker zijn in zijn kast goederen aangetroffen die daar klaarblijkelijk zijn achtergelaten door D., zijn voorganger. De verzoeker, die de kast bijna nooit gebruikt, heeft alles gelaten zoals het lag. Hij was zich van geen kwaad bewust; uit geen enkel element blijkt kwaad opzet in zijnen hoofde. De bestreden beslissing toont niet aan waarom zijn stelling niet kan worden bijgevallen. Evenmin blijkt dat men de door hem ingeroepen argumentatie heeft geverifieerd. Er is dan ook geen redelijk verband tussen de feiten en de beslissing, waardoor de motivering allerminst pertinent is, en dus ook niet afdoende. Voorts voert de verzoeker aan dat in het tuchtrapport de feiten allerminst correct worden weergegeven, waar wordt gesteld dat hij de betrokken goederen “in zijn bezit heeft”. Zulks brengt de juistheid, de nauwkeurigheid en de objectiviteit van het rapport in het gedrang. 4.
  8. Met betrekking tot de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, moet opgemerkt worden dat het aan de betrokken overheid, te dezen de directeur van de gevangenis, staat om de feiten vast te stellen. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of die overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij naar recht en redelijkheid is kunnen uitgaan van de door haar vastgestelde feitelijke gegevens. Uit de mededeling aan de verzoeker, op 15 november 2007, dat tegen hem een tuchtprocedure wordt opgestart, alsmede uit het verslag van de hoorzitting van 19 november 2007 blijkt dat de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten die zijn welke in het tegen hem opgestelde rapport aan de directeur van 13 november 2007 zijn vermeld. De verzoeker is aldus tuchtrechtelijk vervolgd nadat was vastgesteld dat hij bij aankomst in zijn nieuwe sectie “in het bezit (was)” van voorwerpen die hem niet toebehoorden. Zowel op het ogenblik van de vaststelling van de feiten als tijdens de hoorzitting heeft de verzoeker zich tegen die IX-5795-4/9 tenlastelegging verweerd door uit te leggen hoe die voorwerpen in zijn kast zijn terechtgekomen en door zijn goede trouw in te roepen. Tijdens de ondervraging heeft de directeur van de gevangenis hierop gerepliceerd dat, als de verzoeker had opgemerkt dat in zijn kast voorwerpen zaten die hem niet toebehoorden, hij dat dan moest melden, opmerking waarmee de raadsman van de verzoeker akkoord ging. De bestreden beslissing ten slotte steunt op de vaststelling “dat er zaken in betrokkenes kastje werden gevonden die hem niet toebehoren”, dat de verzoeker, die het voordeel van de halve detentie genoot, die zaken “vrij kon gebruiken”, en dat de uitleg van de verzoeker, volgens welke de voorwerpen al in zijn kastje lagen toen hij het gebruik ervan kreeg, wordt tegengesproken “door het feit dat de kastjes bij ingebruikname telkens samen met twee beambtes worden gecontroleerd”. In haar nota voor de Raad van State voert de verwerende partij aan dat de verzoeker is bestraft wegens het enkele bezit van voorwerpen die hem niet toebehoren, hetgeen verboden zou zijn bij artikel 79 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen. Ter terechtzitting heeft de verwerende partij daaraan toegevoegd dat de verzoeker niet beschuldigd werd van diefstal. Die uitleg komt de Raad van State in deze stand van de rechtspleging niet overtuigend voor. Uit de opeenvolgende stukken lijkt eerder te moeten worden afgeleid dat de verzoeker tuchtrechtelijk bestraft is wegens het houden en het mogelijk gebruik van voorwerpen die hem niet toebehoorden, zonder dat hij een bevredigende uitleg kon geven met betrekking tot de wijze waarop hij in het bezit van die voorwerpen is gekomen. De Raad van State vindt bevestiging van die zienswijze in het genoemde artikel
  9. Volgens dat artikel zijn aan gedetineerden onder meer verboden “verkopen, ruilingen, leningen, giften en alle gelijkaardige handelingen tussen gedetineerden, behoudens toelating van de Minister” (1/) en “enige inmenging in de zaken van andere gedetineerden, onverminderd de bemoeiingen die hun door een der personeelsleden van de inrichting worden bevolen” (3/). Het louter passieve bezit van voorwerpen die zijn achtergelaten door een derde valt op het eerste gezicht niet onder toepassing van die bepalingen. Tegen de tenlastelegging dat de verzoeker op een niet te verklaren wijze in het bezit was van voorwerpen die aan een ander toebehoren, heeft de verzoeker zich verweerd door te wijzen op het feit dat de bedoelde voorwerpen al in zijn kastje lagen toen hij het toegewezen kreeg. Op de hoorzitting heeft de verzoeker de directie uitgenodigd om aan D. te vragen of zijn uitleg met de IX-5795-5/9 werkelijkheid strookte. De raadsman van de verzoeker heeft eveneens uitdrukkelijk gevraagd om “geen gevolg (te) geven” (aan de tuchtvordering) “als het klopt”, waarop de directie heeft geantwoord: “We zullen het nagaan.” In het licht van de tenlastelegging zoals die hiervóór is geïnterpreteerd, lijkt het door de verzoeker gevoerde verweer niet van geloofwaardigheid ontbloot. De motieven van de bestreden beslissing moeten dan ook, opdat ze afdoende zouden zijn, in redelijkheid duidelijk maken waarom de directeur van de gevangenis meent dat verweer niet te kunnen aannemen. Te dezen hing de gegrondheid van de tenlastelegging mede af van de vraag of de verzoeker een plausibele uitleg kon geven voor het feit dat hij voorwerpen van een derde in zijn kast had liggen. In dit verband vroeg de verzoeker uitdrukkelijk dat de directie bij D. zou verifiëren of hij de uitleg van de verzoeker kon bevestigen, hetgeen door de directeur op de hoorzitting ook was toegezegd. In die omstandigheden kon het in redelijkheid niet volstaan om het verweer van de verzoeker af te doen met de algemene vaststelling “dat de kastjes bij ingebruikname telkens samen met twee beambtes worden gecontroleerd”. In zoverre is het middel dan ook ernstig. 5.
  10. Wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voert de verzoeker aan dat de tuchtmaatregel leidt tot isolatie, hetgeen ongetwijfeld een negatieve impact heeft op zijn psychisch en fysiek welzijn. Eens de tuchtstraf uitgevoerd, kan ze niet meer worden teruggeschroefd. Daarenboven zal de bestreden beslissing worden voorgelegd aan de strafuitvoeringsrechtbank, die op 3 december 2007 moet oordelen over de eventuele intrekking van de beperkte detentie. 5.
  11. De verwerende partij voert aan dat de opgelegde straf niet belet dat de verzoeker nog steeds in een open regime verblijft, waar hij, met uitzondering van de wandeling, alle faciliteiten geniet: polyvalente zaal, gebruik van de keuken, dagelijks telefoongebruik zonder beperking in duur, mogelijkheid tot sport zonder beperking in duur, deelname aan vormingsactiviteiten, enzovoort. Voorts betwist de verwerende partij dat de tuchtsanctie voorgelegd zou worden aan de strafuitvoeringsrechtbank. Die rechtbank zal enkel IX-5795-6/9 rekening kunnen houden met de omstandigheden bedoeld in artikel 64 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. Te dezen gaat het enkel om de aanwijzingen van drugsgebruik, die geleid hebben tot de schorsing van de beperkte detentie, en staat de bestreden beslissing hier volledig buiten. 5.
  12. Op zich wordt aan de verzoeker enkel een straf van individuele wandeling gedurende een beperkte tijd opgelegd. De verzoeker betwist niet dat hij voor het overige het open regime blijft genieten dat door de verwerende partij is beschreven. Hij maakt volgens de Raad van State niet aannemelijk dat hij door het individueel karakter van de wandeling een ernstig nadeel lijdt. Zoals door de partijen is uiteengezet, zal de strafuitvoeringsrechtbank zich op 3 december 2007 moeten uitspreken over de eventuele intrekking van de -voorlopig geschorste- beperkte detentie van de verzoeker. Volgens artikel 64 van de wet van 17 mei 2006 kan de zaak bij de strafuitvoeringsrechtbank aanhangig gemaakt worden in een aantal gevallen, onder meer “wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd” (3/). Gelet op de bijzondere voorwaarden opgelegd bij het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van 12 juli 2007, lijkt de thans bestreden tuchtstraf geen reden te zijn om op het voordeel van de beperkte detentie terug te komen. Het nadeel dat de verzoeker in dit opzicht aanvoert is alleszins te hypothetisch om in aanmerking te worden genomen.
  13. Er is aldus niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling leidt ertoe dat de vordering verworpen moet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. IX-5795-7/9 De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. IX-5795-8/9 Artikel
  15. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 november 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5795-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.474 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.