id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.509 Rolnummer: A. 184186/IX-5684 Zaak: Arrest 177509 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 03/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:23 Fiche Arrest nr 177.509 van 3 december 2007 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.509 van 3 december 2007 in de zaak A. 184.186/IX-
- In zake : Luc VAN HECKE, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en L. SCHELLEKENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Luc VAN HECKE op 29 juni 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 21 april 2007 waarbij zijn mandaat als korpschef van de politiezone Zottegem/Herzele/Sint-Lievens-Houtem niet wordt hernieuwd omdat hij geen voldoening geeft in het ambt; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5684-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat L. SCHELLEKENS die, loco advocaat D. D’HOOGHE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Bij koninklijk besluit van 24 augustus 2001 wordt verzoeker aangesteld tot korpschef van de lokale politie van de politiezone Zottegem/Herzele/Sint-Lievens-Houtem voor een termijn van vijf jaar; verzoeker treedt effectief in dienst op 1 september
- 1.
- Op 28 november 2003 heeft een vergadering plaats waaraan wordt deelgenomen door de leden van het politiecollege van de politiezone Zottegem/Herzele/Sint-Lievens-Houtem, de procureur des Konings, een lid van het vast comité van toezicht op de politiediensten (comité P) en verzoeker. Uit de schriftelijke neerslag van die vergadering blijkt, samen- gevat, wat volgt: - volgens de procureur des Konings probeerden bepaalde personeelsleden (een zogenaamde “harde kern”, bestaande uit personeelsleden van de ex-gemeentepo- litie van Zottegem) een recente actie te boycotten en werd eveneens vastgesteld dat zij niet voldoen aan de vereisten die van een politieambtenaar verwacht worden; de korpschef heeft alle bestaande mogelijkheden benut om aan de gestelde problemen een oplossing te bieden, maar er bestaat, op strafrechtelijk en tuchtrechtelijk vlak, geen oplossing; het luik van de gedragswetenschappen kan een grote bijdrage leveren aan het in kaart brengen van het probleem, en, indien na het uitvoeren van de gedragsmeting blijkt dat er bestuurlijke of gerechtelijke maatregelen nodig zijn, zal het comité P optreden en de nodige stappen ondernemen; de externe auditeur zal er over waken om de gedragsmeting als een positief gegeven te laten overkomen; het kan uiteraard niet de bedoeling zijn dat IX-5684-2/12 de korpschef het slachtoffer wordt van de operatie die er uiteindelijk zal toe leiden dat er een einde gesteld wordt aan het schrikbewind dat door bepaalde leden van de ex-gemeentepolitie gevoerd wordt; - volgens de enquêteur van het comité P is er sinds ongeveer een jaar een dossier lopende dat de bevindingen van de procureur des Konings ondersteunt, maakt dit dossier melding van een onvoorstelbaar aantal feiten die door de “harde kern” gepleegd zijn, is er uit het tot op heden gevoerde onderzoek gebleken dat er bij het management van de politiezone geen fouten zijn vastgesteld en dat alle “tools” in het kader van een goed HRM-beleid gehanteerd worden, heeft de korpschef door structurele aanpassingen een deel van de macht waarover de “harde kern” beschikte ontnomen, maar heeft dat niet belet dat op individueel vlak nog steeds dezelfde feiten gepleegd worden; - het politiecollege verklaart zich akkoord om het voorstel van de procureur des Konings op te nemen in het zonaal veiligheidsplan van de politiezone en om een externe auditeur aan te stellen voor het uitvoeren van een gedragsmeting. 1.
- Op 1 juli 2004 heeft opnieuw een vergadering plaats. Uit de schriftelijke neerslag van die vergadering blijkt onder meer wat volgt: - de procureur des Konings vraagt naar een stand van zaken met betrekking tot het voeren van een onderzoek via een externe auditing; het politiecollege antwoordt dat er beslist werd om het onderzoek niet te laten doorgaan en om zelf gesprek- ken met de personeelsleden te voeren; de procureur des Konings is van mening dat een externe audit nog steeds de beste oplossing is om het probleem in kaart te brengen; - het politiecollege vraagt waarom er tot op heden door het comité P nog geen concrete acties werden ondernomen; de enquêteur van het comité P deelt mee dat de onderzoeken momenteel nog niet afgerond zijn, dat hij reeds een 40-tal personen heeft verhoord waaronder een paar leden van de “harde kern”, dat bij het verhoor van één van deze personeelsleden de rangen onmiddellijk worden gesloten, en dat de werking van de politiezone voortdurend gehypothekeerd wordt door een 2 à 3-tal personeelsleden die het gezag proberen te ondermijnen met als enig doel het herstellen van de vroegere situatie bij de ex-gemeentepolitie van Zottegem; IX-5684-3/12 - de procureur des Konings is van mening dat de contaminatie momenteel zodanig groot is dat het probleem niet meer terug te brengen is tot 2 à 3 personeelsleden; hij besluit met de mededeling dat het belangrijk is dat iedereen in alle openheid heeft kunnen zeggen welke problemen en gevoelens er momenteel zijn. 1.
- Met een brief van 2 december 2005 bezorgt hoofdcommissaris van politie P. De Brouwer, lid van de lokale politie Antwerpen, directie interne bedrijfsvoering, het verslag van zijn doorlichting van de politiezone Zottegem/Herzele/Sint-Lievens-Houtem aan de voorzitter van het politiecollege. In dat verslag wordt onder een luik “opdracht” gesteld wat volgt: “De toestand in de politiezone Zottegem-Herzele-Sint-Lievens-Houtem vraagt volgens de Minister van Binnenlandse Zaken, de Gouverneur, de Procureur des Konings, het politiecollege om de tussenkomst van een extern expert. Doel is een beperkte doorlichting van het korps te verwezenlijken opdat op die manier een beter inzicht komt in de problematiek die de goede manier van werken, maar vooral de goede verstandhouding verstoort. De rapportering zal op dusdanige manier gebeuren dat zowel de opdrachtge- ver als het korps zicht hebben op de structurele moeilijkheden en problemen binnen het korps. De problemen zullen benoemd worden. Daarnaast zullen ook een (beperkte) reeks aanbevelingen geformuleerd worden om de werking van het korps te verbeteren. Deze opdracht zal gebeuren binnen een tijdsperiode van één maand, rapportering niet inbegrepen. [...]”. Onder een luik “bevindingen” is er onder meer sprake van een verstoorde communicatie, een sterk gecentraliseerde manier van leidinggeven, een beperkte kennis van de doelstellingen en de organisatie van het korps, een gebrek aan leiderschap in het algemeen en coachend leiderschap in het bijzonder, alsook - hoewel er op dit ogenblik een zekere rust heerst - van spanningen binnen de leiding, de basis en tussen de verschillende geledingen en afdelingen die groeiden en interpersoonlijke spanningen die zowel in intensiteit als in frequentie toenamen. Onder een luik “verdere bevindingen” wordt met betrekking tot verzoeker gesteld wat volgt : “De positie van de korpschef is bijzonder precair. Daar is ongeveer iedereen het over eens, hoewel een zeer beperkt aantal, dat in zijn directe omgeving opereert, voorzichtig is in zijn uitdrukking. Ze vertalen dit als ‘men heeft zijn functioneren onmogelijk gemaakt’. IX-5684-4/12 Anderen nuanceren en stellen dat hij (zeer) goed begonnen was, maar dat hij vooral aandacht had voor de uitbouw van gemeenschapsgerichte politiezorg en daardoor de problemen op de werkvloer verwaarloosde. Sinds zijn aanhouding bevindt hij zich in een bijzonder moeilijke positie, waardoor zijn gezag zwaar aangetast werd en het sturen van het korps en krachtdadig optreden onmogelijk werd. Een reeks personeelsleden stelt dat de korpschef milder en toegankelijker is geworden, maar voegen daar aan toe dat zijn sturing weg is. Het grootste deel zegt dat hij niet meer in staat is zijn officieren als groep te laten functioneren. Herhaaldelijk aangehaalde voorbeelden die als foute beslissingen worden aangehaald zijn: - zijn houding tegenover de recherche - de opsplitsing algemene en bijzondere operaties die er enkel kwam om officieren te plezieren en geen operationele relevantie had - het extreem vasthouden aan de polyvalentie Daarnaast zijn er objectieve en verifieerbare feiten die aantonen dat er niet meer onpartijdig werd opgetreden. De Procureur des Konings te Oudenaarde vraagt uitdrukkelijk om een tussentijdse evaluatie van de Korpschef.” 1.
- Op 28 december 2005 richt verzoeker een verzoek tot hernieuwing van zijn mandaat aan de voorzitter van de politieraad. In bijlage voegt hij zijn synoptisch verslag van de werkzaamheden en verwezenlijkingen sinds september 2001 en een aantal stukken die kunnen gebruikt worden bij de evaluatie van de afgelopen periode. Het verzoek tot hernieuwing wordt meegedeeld aan de burgemeester van Zottegem, tevens voorzitter van het politiecollege en van de evaluatiecommissie. 1.
- Met brieven van 26 januari 2006 nodigt de voorzitter van de evaluatiecommissie de leden van die commissie, onder wie de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen, uit voor een eerste vergadering op 2 februari 2006 en bezorgt hij hen het synoptisch verslag met de bijlagen. Hij vraagt hen hem in kennis te stellen van hun visie betreffende het functioneren van verzoeker. 1.
- Met een brief van 31 januari 2006 deelt de gouverneur van Oost- Vlaanderen aan de voorzitter van de evaluatiecommissie mee dat naar zijn oordeel het functioneren van verzoeker als korpschef als zeer problematisch kan worden bestempeld, dat hij, ingevolge de ernstige problemen binnen het korps, samen met het politiecollege, hoofdcommissaris De Brouwer heeft verzocht om een onderzoek in te stellen, dat diens bevindingen, na talrijke gesprekken en een bevraging binnen het korps en op basis van een zeer gelijklopend antwoordpatroon, ontluisterend zijn, dat er in het korps een gebrekkige communicatie, geen positieve korpscultuur, een zwakke sturing, verwarring rond de verantwoordelijkheden, gebrek aan coachend IX-5684-5/12 leiderschap, gebrek aan structuur en wantrouwen tussen leidinggevenden blijkt, dat voor dergelijke disfuncties in de eerste plaats een korpschef verantwoordelijk is en dat voormelde bevindingen haaks staan op het synoptisch verslag waarin verzoeker een positief beeld wil schetsen van het korps in het algemeen en van zijn eigen rol in het bijzonder, en waarin slechts zijdelings - en dan nog vooral in het besluit - wordt verwezen naar de problemen binnen het korps. Volgens de gouverneur kan de vraag worden gesteld of verzoeker nog voeling heeft met zijn korps, dan wel of het hem aan realiteitszin ontbreekt. Hij verzoekt om het rapport van hoofdcommis- saris De Brouwer toe te voegen aan het evaluatiedossier. 1.
- Op 10 februari 2006 stelt de evaluatiecommissie een ontwerp- evaluatieverslag op met betrekking tot de eindevaluatie van verzoeker. In dat ontwerp worden vooreerst de eigen vaststellingen van de Algemene Inspectie opgesomd, met name: er lopen klachten wegens pesterijen; er lopen diverse opsporings- en gerechtelijke strafonderzoeken die betrekking hebben op feiten die de zonechef worden aangewreven; in september 2004 werd de zonechef aangehouden; na zijn vrijlating nam hij ingevolge collegebeslissing opnieuw zijn functie van zonechef op; dit laatste zette kwaad bloed bij bepaalde personeelsleden en leidde onder meer tot een stakingsaanzegging van het ACOD; na zijn aanhouding en vrijlating was een lid van het politiecollege gedurende ongeveer zes maanden aanwezig op de vergaderingen van het directiecomité; de problemen kregen uitgebreid publiciteit; de minister van Binnenlandse zaken behandelt de tuchtprocedure; de korpschef bleek niet in staat om de problemen binnen zijn korps op te lossen en er werd een extern expert aangeduid. Vervolgens wordt onder een luik “beschrijvende evaluatie” ingegaan op de uitvoering van de wettelijke opdrachten, op de uitvoering van de doelstellingen en opdrachten en op de middelen - evaluatieonderdelen die geen aanleiding geven tot wezenlijke negatieve opmerkingen -, alsook op de wijze van functioneren van de mandaathouder. Wat dat laatste evaluatieonderdeel betreft, wordt in het ontwerp uitgebreid geciteerd uit het synoptisch verslag van verzoeker en vervolgens uit het verslag van hoofdcommissaris De Brouwer, waarna wordt gesteld wat volgt: “Er worden bijgevolg door de aangestelde expert diverse disfuncties in het korps vastgesteld waarvoor in de eerste plaats de korpschef verantwoordelijk IX-5684-6/12 is: een gebrekkige communicatie, geen positieve korpscultuur, een zwakke sturing, verwarring rond de verantwoordelijkheden, gebrek aan coachend leiderschap, gebrek aan structuur, wantrouwen tussen leidinggevenden. Wanneer de korpschef in het besluit van zijn synoptisch verslag (p. 52) het voeren van een HRM-beleid en communicatie en informatie-uitwisseling als de grootste uitdagingen voor zijn tweede mandaat ziet, dan blijkt uit bovenstaande dat hij dit beleid niet of onvoldoende tijdens zijn huidig mandaat heeft gevoerd. Dit is des te meer pertinent daar de korpschef naar buiten toe de slogan ‘investeer in het belangrijkste kapitaal van uw organisatie: de medewerker’ hanteerde (cfr. p. 18 van zijn synoptisch verslag). Hetgeen de korpschef poneert in zijn synoptisch verslag is op sommige essentiële punten tegenstrijdig met de bevindingen van de expert De Brouwer.” De vaststelling dat er verzoeker feiten worden aangewreven die nog het voorwerp uitmaken van diverse opsporings- en gerechtelijke onderzoeken en die betrekking hebben op feiten die zouden gepleegd zijn binnen de periode waar de evaluatie zich over uitspreekt, alsook het feit dat, wat de tuchtprocedure betreft, de minister de zaak heeft geëvoceerd, worden in het ontwerp als aanvullende motieven aangenomen. De beschrijvende conclusie luidt als volgt: “De burgemeester-voorzitter Herman De Loor wenst geen voorstel te formuleren en onthoudt zich betreffende het verzoek van Luc Van Hecke tot hernieuwing van zijn mandaat van korpschef. Hij motiveert zijn houding als volgt: - ‘Ik stem niet ja omtrent zijn vraag om verlenging gezien de gecreëerde hetze tegen de persoon van de korpschef en ik niet tegen windmolens wens te vechten. - Ik stem niet neen tegen zijn vraag om verlenging gezien ik ervan overtuigd blijf dat de korpschef met de voorhanden zijnde actoren en middelen goed werk heeft geleverd.’ De heren Guido Van Wymeersch [adjunct inspecteur-generaal], Walter Dejaegher [arrondissementscommissaris] en Herman Daens [procureur des Konings] verklaren hierop het volgende: ‘Gezien de vaststellingen van de Algemene Inspectie, de voorliggende stukken, de op pagina 26 door de expert geformuleerde vaststelling dat de positie van de korpschef bijzonder precair is en mede gelet op de toekomstige werking van het korps, waarvan het belang primeert boven het individueel belang van de korpschef, is het bijgevolg onmogelijk om ‘hic et nunc’ te stellen dat betrokkene voldoening schenkt in zijn ambt’.” De formele conclusie, met drie stemmen bij één onthouding, luidt dat verzoeker geen voldoening schenkt in het ambt. 1.
- Op 21 februari 2006 heeft het evaluatiegesprek plaats en wordt het evaluatieverslag met betrekking tot de eindevaluatie van verzoeker opgesteld. IX-5684-7/12 De tekst en de conclusie ervan zijn gelijklopend met die van het ontwerp-evaluatieverslag van 10 februari 2006, behoudens: - dat onder het luik “de wijze van functioneren van de mandaathouder” bijkomend wordt ingegaan op de opmerkingen die door verzoeker of zijn raadslieden tijdens de hoorzitting werden geformuleerd over het rapport De Brouwer; - dat onder het luik “conclusie (beschrijvend)” namens de voltallige commissie de hiernavolgende bijkomende conclusie wordt geformuleerd: “ De eigen vaststel- lingen van de Algemene Inspectie werden tijdens het evaluatiegesprek bevestigd. Uit het evaluatiegesprek blijkt tevens dat er een duidelijke malaise is binnen het korps, ook al wordt deze niet altijd uniform ingeschat. Er blijken binnen de werking van de politiezone eveneens factoren extern aan de korpschef te zijn, die het hem moeilijk maken om normaal te functioneren.” - dat er in dat luik thans sprake is van “één commissielid” dat zich onthoudt betreffende het verzoek tot hernieuwing en van “de drie andere commissiele- den”, dus zonder dat die commissieleden nog bij naam worden genoemd; - dat de “drie andere commissieleden” onder datzelfde luik bijkomend verklaren verder het rapport De Brouwer als basis voor de evaluatie te gebruiken, vermits er op de hoorzitting geen valabele argumenten zijn aangebracht om te twijfelen aan de deskundigheid en de methodologie van de expert die door de gouverneur en het politiecollege is aangesteld. 1.
- Op 27februari 2006 verklaart verzoeker niet akkoord te gaan met de inhoud van het eindevaluatieverslag, en vraagt hij dat het zou worden aangepast in de zin van de nota met opmerkingen die hij als bijlage voegt. 1.
- Op 28 februari 2006 stelt de evaluatiecommissie haar definitief evaluatieverslag op, dat nog dezelfde dag tegen ontvangstbewijs aan verzoeker wordt overhandigd. De tekst en de conclusie ervan zijn gelijklopend met die van het evaluatieverslag van 21 februari 2006, behoudens: - dat er bijkomend wordt ingegaan op de opmerkingen die verzoeker formuleerde in zijn nota van 27 februari 2006; - dat “de drie andere commissieleden” bijkomend verklaren dat er in de nota met opmerkingen van verzoeker evenmin valabele argumenten worden aangebracht om te twijfelen aan de deskundigheid en de methodologie van de expert. IX-5684-8/12 1.
- Op 7 juni 2006 verleent het politiecollege, met algemene stemmen, gunstig advies betreffende de aanvraag tot verlenging van het mandaat van de korpschef, om reden dat het politiecollege gedurende de voorbije vijf jaar op een positieve wijze heeft kunnen samenwerken (artikel 1). Dat gunstig advies wordt wel verleend onder voorbehoud dat er geen definitieve veroordeling volgt in het lopende gerechtelijk onderzoek (artikel 2); bij een definitieve veroordeling zal het politiecollege de evaluatiecommissie samenroepen teneinde het mandaat te laten beëindigen (artikel 3). Op 8 juni 2006 brengt ook de politieraad, onder voorbehoud dat er geen definitieve veroordeling volgt in het lopende gerechtelijk onderzoek, gunstig advies uit betreffende de aanvraag tot verlenging van het mandaat van de korpschef, om reden dat er gedurende de voorbije vijf jaar op een positieve wijze werd samengewerkt met verzoeker, de doelstellingen in hoge mate gerealiseerd zijn en de politieraad van oordeel is dat hij over de nodige bekwaamheid beschikt om het korps verder te leiden. 1.
- Gelet op de gunstige adviezen van het politiecollege en van de politieraad, worden de gouverneur van Oost-Vlaanderen en de procureur-generaal met brieven van 21 juni 2006 door de voorzitter van de politieraad verzocht een gemotiveerd advies te verstrekken. 1.
- Op 19 juli 2006 verleent de gouverneur van Oost-Vlaanderen ongunstig advies. Hij besluit dat de politiezone nood heeft aan een nieuwe en integere korpschef. Op19 juli 2006 verleent de procureur-generaal eveneens ongunstig advies. Hij verwijst naar een aantal gerechtelijke- en opsporingsonderzoeken die tegen verzoeker lopen. Met een brief van 13 november 2006 wordt verzoeker door de minister van Binnenlandse Zaken uitgenodigd voor de hoorzitting. 1.
- Op 27 november 2006 wordt verzoeker, in aanwezigheid van zijn advocaat en van een vakbondsafgevaardigde, door de afgevaardigde van de minister gehoord. IX-5684-9/12 1.
- Bij koninklijk besluit van 21 april 2007 wordt het mandaat van verzoeker niet hernieuwd aangezien hij geen voldoening geeft in het ambt. Dat koninklijk besluit vormt het voorwerp van de onderhavige vordering. De voorwaarden voor de schorsing
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- Wat de tweede voorwaarde betreft, stelt verzoeker dat het bestreden besluit hem een materieel en een moreel nadeel berokkent. Er wordt een einde gesteld aan zijn mandaat van korpschef, dat “een bijzondere autoriteit en beroepservaring” inhoudt. De autoriteit die van het ambt uitgaat kan worden aangetast door de onderbreking van het mandaat en de bijzondere beroepservaring en de expertise die hij in dat mandaat opgebouwd heeft kan teloorgaan of aangetast worden. Het materieel nadeel ligt in het verlies van bijzondere weddetoeslagen. Ten slotte moet bij de beoordeling van het nadeel ook rekening gehouden worden met het flagrant karakter van de middelen die van openbare orde zijn.
- De verwerende partij stelt in haar nota met opmerkingen dat verzoeker zijn nadeel weinig of niet preciseert en geen bewijzen aandraagt. In ieder geval kan de verwijzing naar het flagrant karakter van de aangevoerde middelen niet betrokken worden op het nadeel, dat een afzonderlijk te beoordelen schorsingsvoor- waarde vormt. De beweringen van verzoeker zijn voorts louter hypothetisch en speculatief, aangezien hij zelf verwijst naar de “mogelijke” aantasting van zijn autoriteit en de “mogelijkheid” dat zijn expertise teloorgaat. Het gemis aan ervaring kan bovendien niet als een nadeel in aanmerking worden genomen, aangezien in geval van vernietiging de door anderen opgedane ervaring niet in de beoordeling betrokken zal mogen worden. Het financieel nadeel waarnaar verzoeker verwijst is in beginsel herstelbaar na een vernietigingsarrest en verzoeker toont niet aan dat zijn geval buiten het gewone valt. IX-5684-10/12
- Een verzoeker moet in zijn verzoekschrift een duidelijke en precieze omschrijving geven van het nadeel dat hij vreest te ondergaan van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. De bekommernis om de rechten van de verdediging te garanderen, verbiedt de Raad van State acht te slaan op nieuwe argumenten die later, zoals hier op de openbare terechtzitting, worden aangebracht.
- Verzoeker maakt niet duidelijk dat het financieel nadeel waarnaar hij verwijst -het verlies van weddetoeslagen-, niet hersteld zal kunnen worden na een vernietigingsarrest.
- Verzoeker verwijst naar het teloorgaan van zijn autoriteit en naar het derven van beroepservaring. De aantasting van zijn autoriteit volgt voor verzoeker uit de onderbreking van zijn mandaat. Dergelijk nadeel zal evenwel volledig hersteld worden door een annulatiearrest waarin vastgesteld wordt dat de onderbreking van zijn mandaat onregelmatig was. De onmogelijkheid om alsnog ervaring op te doen vormt in het geval van verzoeker geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel, aangezien de overheid, wanneer zij zich na een vernietigingsarrest opnieuw zal moeten uitspreken over het al dan niet hernieuwen van het mandaat van verzoeker, gewoon rekening zal kunnen houden met de ervaring die hij sinds 1 september 2001 opgedaan heeft, terwijl zij geen rekening zal mogen houden met de ervaring die de persoon, die in de plaats van verzoeker met het mandaat van korpschef bekleed wordt, nu opdoet. Bovendien toont verzoeker, die zelf reeds een mandaat van korpschef achter de rug heeft, niet aan dat de ervaring die de persoon die zijn plaats inneemt kan opdoen zo bijzonder is dat hijzelf ze na een vernietiging onmogelijk nog kan verwerven.
- Verzoeker wijst, onder verwijzing naar de middelen die hij aanvoert, naar de flagrante onwettigheid van de bestreden beslissing. Hij verliest daarbij evenwel uit het oog dat de schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, losstaat van de voorwaarde dat ernstige middelen aangevoerd moeten worden. In ieder geval zijn de door hem aangevoerde wetschendingen niet zo apert dat zij, uitzonderlijk, toch betrokken kunnen worden bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. IX-5684-11/12
- Verzoeker toont het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aan. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 3 december 2007, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5684-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.509 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.131 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.221.455 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.