id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.547 Rolnummer: A. 182773/X-13267 Zaak: Arrest 177547 - Huisvesting - 03/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 04:23 Fiche Arrest nr 177.547 van 3 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Huisvesting Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.547 van 3 december 2007 in de zaak A. 182.773/X-13.
- In zake :
- de b.v.b.a. PERLIMO,
- Eddy VAN DE VLIET, die woonplaats kiezen bij advocaat R. GIELEN, kantoor houdende te 2460 KASTERLEE, Isschot 20 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat T. DE SUTTER, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- DE WND. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. PERLIMO en Eddy VAN DE VLIET op 25 april 2007 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 30 januari 2007 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering waarbij voor de verwerving van gronden gelegen te Turnhout machtiging tot onteigening wordt verleend in toepassing van de spoedprocedure aan de dienstverlenende vereniging Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen (IOK) met het oog op de realisatie van het gemengd regionaal bedrijventerrein : “Veedijk”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 juni 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2007; X-13.267-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. GIELEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat W. LAMMENS die loco advocaat T. DE SUTTER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak zich in de huidige stand van het geding als volgt aandienen : 1.
- De verzoekende partijen zijn “eigenaar en/of belanghebbende uitbater” van een “landbouwuitbating” te Turnhout, Leiseinde 8, bevattende ondermeer twee percelen, kadastraal bekend sectie M, nrs. 552/d en 552/b. Het wordt niet betwist dat op laatst vernoemd kadastraal perceel een kalverstal staat. 1.
- Op 12 oktober 2003 dient de tweede verzoekende partij een bezwaar in tegen het ontwerp gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening regionaal stedelijk gebied Turnhout”, omdat dit ontwerpplan voor voormeld perceel 552/b als bestemming “bosbuffer” voorziet. Uit dit bezwaar blijkt eigenlijk niet dat die verzoekende partij ook bezwaren heeft tegen de voorgenomen bestemming als “bosbuffer” van het kadastraal perceel 552/d. 1.
- In zijn advies stelt de Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening dat zij “de bezwaarindiener (kan) bijtreden en stelt voor (...) de bosbuffer aan te passen in de door hem gevraagde zin (terugbrengen tot op 30m zodat de landbouwuitbating niet geschaad wordt)”. 1.
- Uit het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening regionaal stedelijk gebied Turnhout”, goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse regering van 4 juni 2004, blijkt dat voormeld kadastraal perceel 552/d als X-13.267-2/7 “bosbuffer” bestemd blijft en dat het kadastraal perceel 552/b ligt in het “groen overgangsgebied Veedijk-Zevendonk”. 1.
- Op 20 mei 2005 dient de tweede verzoekende partij, met verwijzing naar voornoemd bezwaar van 12 oktober 2003, bezwaar in tegen een door de IOK voorlopige goedkeuring van een onteigeningsplan “Gemengd regionaal bedrijventerrein Veedijk” dat de onteigening voorziet van meergenoemde kadastrale percelen (innemingen 99 en 124). 1.
- Op 21 juni 2005 bespreekt en weerlegt de IOK dit bezwaar als volgt: “Bezwaarschrift nr. 5, ingediend door Eddy Van de Vliet/vennootschap Perlimo inzake de percelen sectie M nrs. 552 d en 552 b (innemingen 99 en 124) - de betrokkene meldt dat op betrokken percelen zijn veestallen staan. De betrokkene verwijst ook naar een ingediend bezwaar in oktober
- Omtrent het perceel met innemingnummer 99 wordt het ingediende bezwaar verworpen om volgende reden: conform de bepalingen van het GRUP dient een bufferzone op het bedrijventerrein ingericht te worden. Het perceel van de betrokkene situeert zich in deze bufferzone. De ontwikkeling van het gemengd regionaal bedrijventerrein ‘Veedijk’ is slechts uitvoerbaar op voorwaarde dat deze bufferzone kan worden aangelegd. Daarom is de verwerving van het perceel noodzakelijk. De Raad neemt kennis van het geformuleerde bezwaar omtrent het perceel met innemingnummer 124 en stelt voor om het betreffende perceel uit het plan te laten behoudens een strook voor het wegtracé, noodzakelijk voor het ontsluiten van het bedrijventerrein”. 1.
- Op 30 januari 2007 wordt het thans bestreden besluit genomen, waaruit blijkt dat voormelde inneming 124, zijnde het kadastraal perceel 552/b, niet wordt onteigend. 1.
- Dit besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 februari
- 1.
- Een afschrift van voormeld besluit wordt aan de verzoekende partijen met een op 26 februari 2007 ter post aangetekend verzonden brief ter kennis gebracht. In die brief is er ook sprake van de onteigening van het kadastraal perceel 552/b (inneming 124). X-13.267-3/7 1.
- Op 10 mei 2007 ondertekenen de verzoekende partijen een “eenzijdige belofte van verkoop voor openbaar nut” welke betrekking blijkt te hebben op de kadastrale percelen 552/d en 552/b;
- Ontvankelijkheid Overwegende dat de verwerende partij een exceptie opwerpt; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zich slechts zou opdringen indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn;
- Ten gronde 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.
- Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van artikel 14, §§ 1en 2 juncto artikel 14bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, met name de niet naleving van substantiële vormen, namelijk een gebrek aan motivering door foutieve motivering, gezien het bestreden ministerieel besluit van 30 januari 2007 onverenigbaar is met het begeleidend schrijven van de IOK van 26 februari 2007 en het ministerieel besluit derhalve foutieve informatie bevat vergeleken met de informatie verstrekt door het IOK; Overwegende dat de verzoekende partijen in dit middel in essentie aanvoeren dat zij “in het ongewisse (blijven) wat de uiteindelijke bestemming van hun agrarische activiteit kan zijn op het perceel 124”, kadastraal bekend sectie M, 552/b met een oppervlakte van 58a 90ca, “waarop de kalverstal op het plan ontbreekt en wat dus onjuist is ingetekend, zodat zij (de verzoekers) aanspraak maken op dezelfde rechten als de omliggende eigenaars en een onmiddellijke inbezitneming en onteigening wensen om in de gelegenheid gesteld te worden elders X-13.267-4/7 een toekomst voor hun vleeskalverbedrijf te zoeken zodat ook de dochter van tweede verzoeker Caroline de verworven landbouwactiviteit kan verder zetten”; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop in haar nota repliceert dat “het bestreden besluit in overeenstemming (is) met het besluit van de raad van bestuur van de Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen (IOK) van 21 juni 2005 (en dat) de gedeeltelijke uitsluiting van het perceel aangeduid op het onteigeningsplan als inneming nr. 124 (...) het gevolg (is) van het inwilligen van een bezwaarschrift”, ingediend door de tweede verzoekende partij; dat zij besluit dat het eerste middel niet ernstig is; 3.1.
- Overwegende dat uit de gegevens van de zaak op het eerste gezicht blijkt dat de IOK op 21 juni 2005 slechts gedeeltelijk inging op het bezwaar ingediend door de tweede verzoekende partij tegen de voorgenomen onteigening; dat ten gevolge van dit bezwaar, het kadastraal perceel 552/b (inneming 124) werd uitgesloten uit de voorgenomen onteigening, wat blijkt uit artikel 3 van het bestreden besluit; dat evenwel uit de kennisgeving op 26 februari 2007 van het bestreden besluit aan de verzoekende partijen zou blijken dat de IOK er vanuit zou gaan dat voormelde inneming 124 toch deel zou uitmaken van het onteigeningsplan; dat het blijkbaar gaat om een materiële vergissing begaan in de kennisgeving van het bestreden besluit, wat op het eerste gezicht het bestreden besluit niet vitieert en geen inbreuk lijkt uit te maken op de artikelen en beginselen die de verzoekende partijen in hun middel viseren; Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van dezelfde bepalingen “door vermelding van art. 5 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte, terwijl verzoekende partijen in het ongewisse zijn gebleven en deze procedure voor hen kennelijk niet werd toegepast, ook niet voor perceel met volgnummer 99”; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat “het tweede middel (...) niet (kan) worden betrokken op het bestreden besluit” en dat de verzoekende partijen ondertussen overigens een éénzijdige belofte van verkoop voor openbaar nut hebben ondertekend; dat bijgevolg het tweede middel niet ernstig is; X-13.267-5/7 3.2.
- Overwegende dat met de verwerende partij wordt aangenomen dat het tweede middel op het eerste gezicht geen ontvankelijk middel lijkt te zijn, omdat het niet kan worden betrokken op het bestreden besluit; dat bovendien kan worden verwezen naar de onderhandse “éénzijdige belofte van verkoop voor openbaar nut”, opgemaakt en ondertekend te Turnhout op 10 mei 2007, door Eddy VAN DE VLIET, Lea MEES, en eerstgenoemde in hoedanigheid van zaakvoerder van de eerste verzoekende partij, waarvan in de huidige stand van het geding niet blijkt dat de IOK deze belofte zal aanvaarden; dat voornoemde belofte betrekking heeft op de inneming 99 voor de volledige oppervlakte en voor de inneming 124 voor een deel van de oppervlakte met name voor + 1a 80ca; Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel in essentie het volgende stellen : “Discriminatie met schending van de artikelen 10-11, j/ art. 16 van de grondwet door het perceel 124 uit de bosbuffer uit te sluiten en verzoekende partijen geen gelijke behandeling te geven zoals de andere eigenaars die in dezelfde regio liggen”; 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat “het bestreden besluit (...) in overeenstemming (is) met het besluit van de raad van bestuur van de Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen (IOK) van 21 juni 2005”; dat zij daaraan toevoegt dat “de gedeeltelijke uitsluiting van het perceel aangeduid op het onteigeningsplan als inneming nr. 124 (...) het gevolg (is) van het inwilligen van een bezwaarschrift”; dat zij besluit dat het derde middel niet ernstig is; 3.3.
- Overwegende dat met de verwerende partij, enerzijds, wordt aangenomen dat het bestreden besluit overeenstemt met het besluit van de raad van bestuur van de IOK van 21 juni 2005 en, anderzijds, dat de gedeeltelijke uitsluiting van het perceel aangeduid op het onteigeningsplan als inneming nr. 124 voortvloeit uit het inwilligen van het bezwaarschrift ingediend door de tweede verzoekende partij; Overwegende dat het derde middel niet ernstig is; X-13.267-6/7
- Overwegende dat bijgevolg niet is voldaan aan de eerste door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie december 2007, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. D. MOONS. X-13.267-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.547 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.681 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div