← België

Arrest 177565 - Toerisme - 04/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.565 Rolnummer: Zaak: Arrest 177565 - Toerisme - 04/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-30 04:25 Fiche Arrest nr 177.565 van 4 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Toerisme Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.565 van 4 december 2007 in de zaken A. 170.707/X-12.

  1. 173.157/X-12.
  2. In zake : I.+ II. Guido SLOOTMANS, die woonplaats kiest bij advocaat C. HERMANS, kantoor houdende te 3600 GENK, Stoffelsbergstraat 4 tegen : I. + II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
  3. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guido SLOOTMANS op 21 april 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 20 februari 2006 van de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme waarbij zijn beroep tegen het besluit van het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid “Toerisme Vlaanderen” van 27 oktober 2005 tot intrekking van een vergunning voor de exploitatie van het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven “Salamander”, gelegen Jos Smeetslaan 280 te Maasmechelen, op een perceel kadastraal bekend sectie E, nr. 931/r20, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard (G/A. 170.707/X-12.721); Gezien het verzoekschrift dat Guido SLOOTMANS op 19 mei 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 mei 2006 van de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme waarbij het besluit van 20 februari 2006 wordt ingetrokken en waarbij zijn beroep tegen het besluit van 27 oktober 2005 van het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid “Toerisme Vlaanderen” tot intrekking van een vergunning voor de exploitatie van het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven “Salamander”, gelegen Jos Smeetslaan 280 te X-12.721-1/18 Maasmechelen, op een perceel kadastraal gekend onder sectie E, nr. 931/r20, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard (G/A. 173.157/X-12.833); Gelet op het arrest nr. 156.542 van 17 maart 2006 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt bevolen in de zaak A. 170.707; Gelet op het arrest nr. 159.420 van 31 mei 2006 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt bevolen in de zaak A. 173.157; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in beide zaken; Gezien de verslagen opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast in de zaak A. 170.707; Gelet op de beschikking van 12 februari 2007 die de neerlegging van het verslag en van het dossier gelast in de zaak A. 173.157; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gezien de laatste memorie van de verwerende partij in de zaak A. 170.707; Gezien de laatste memories in de zaak A. 173.157; Gelet op de beschikkingen van 5 en 16 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 juni 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS in beide zaken; X-12.721-2/18 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DEDECKER, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat Th. EYSKENS, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH in beide zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De gegevens van de zaken Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaken werden uiteengezet in het arrest nr. 159.420;
  5. Rechtspleging Overwegende dat de beide beroepen dermate verknocht zijn dat het in het raam van een goede rechtsbedeling past de twee zaken samen te voegen; Overwegende dat de Raad van State slechts aan het onderzoek van het beroep tegen het bestreden besluit van 20 februari 2006 kan toekomen in zoverre de beslissing van 8 mei 2006 tot intrekking ervan vernietigd wordt; dat daarom eerst het beroep tegen de bestreden beslissing van 8 mei 2006 onderzocht wordt;
  6. De gegrondheid van het beroep A.173.157/X-12.833 3.1.
  7. Overwegende dat de verzoeker een eerste middel aanvoert dat als volgt wordt ontwikkeld : “Doordat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de vergunning werd ingetrokken omdat niet voldaan zou zijn aan de sanitaire norm en de norm inzake de vaste constructie. Terwijl art. 7 Decreet 3 maart 1993 bepaalt dat de vergunning in de volgende gevallen kan worden geweigerd, geschorst of ingetrokken. 1/ de in artikel 6 bepaalde voorwaarden worden niet of niet meer nageleefd; 2/ (...). 3/ (...). En terwijl art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de motivering van bestuurs- handelingen de juridische en feitelijke overwegingen vermeldt die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende is. X-12.721-3/18 En terwijl het materieel motiveringsbeginsel inhoudt dat een overheids- beslissing gemotiveerd dient te worden met begrijpelijke motieven die juridisch en feitelijk correct zijn en die voldoende draagkrachtig zijn om de beslissing te schragen. b. Toelichting bij het middel Art. 7 Decreet 3 maart 1993 bepaalt dat de vergunning in de volgende gevallen kan ingetrokken worden : % De in art. 6 Decreet 3 maart 1993 bepaalde voorwaarden worden niet of niet meer nageleefd. % (...). De verwerende partij is blijkbaar van oordeel dat in casu de in art. 6 Decreet 3 maart 1993 bepaalde voorwaarden niet worden nageleefd. Art. 6 Decreet 3 maart 1993 bepaalt onder meer dat de Vlaamse executieve de openings- en exploitatienormen bepaalt waaraan een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven moet voldoen en die betrekking hebben op het comfort, de hygiëne, de uitrusting en de specifieke aspecten inzake brand- beveiliging. Aan deze bepaling werd uitvoering gegeven in het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 1995 betreffende de exploitatie van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven (hierna genoemd Besluit 23 februari 1995) In de bestreden beslissing wordt gesteld dat art. 3.4/ en art. 3.11/ Besluit 23 februari 1995 niet nageleefd worden. Dit is niet correct. Noch art. 3.4/ noch art. 3.11/ Besluit 23 februari 1995 werden in casu geschonden: % Art. 3.4/ Besluit 23 februari 1995 heeft betrekking op de aansluiting op de riolering. ‘4/ elk terrein beschikt over een gesloten intern rioleringsnet waarop de gemeenschappelijke sanitaire voorzieningen en elk perceel, dat gebruikt wordt voor het plaatsen van openluchtrecreatieve verblijven zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het decreet, aangesloten worden. De andere openluchtrecreatieve verblijven dienen hun afvalwater op te vangen en te lozen in speciaal daarvoor bestemde lozingspunten die aangesloten zijn op het interne rioleringsnet. Per 50 kampeerplaatsen, kampeerautoplaatsen of plaatsen op de kampeerweide dient een lozingspunt aanwezig te zijn, gelegen op maximum 100 meter van elke plaats. Elk terrein, uitgezonderd een vakantiepark, dient te beschikken over minstens één lozingspunt voor chemische wc's, voorzien van waterspoeling en aangesloten op de riolering. Indien het interne rioleringsnet niet aangesloten kan worden op het openbaar rioleringsnet, dan dient het terrein te beschikken over een installatie voor het verzamelen en zuiveren van afvalwater (of dient het terrein te beschikken over een lozingsvergunning, afgeleverd overeenkomstig de bepalingen van VLAREM II). In dat geval is het tevens noodzakelijk dat de sanitaire blokken voor de opvang van fecaliën uitgerust zijn met ondoordringbare septische putten die regelmatig geruimd worden; Voor die terreinen die omwille van stedenbouwkundige of technische beperkingen op het ogenblik van de vergunningsaanvraag niet kunnen aansluiten op de openbare riolering is het toegelaten om de afvalwaters voorlopig op te vangen in afdoende kleinschalige waterzuiverings- installaties of in daartoe bestemde ondoordringbare putten. Deze putten dienen geregeld geruimd te worden door een erkende afvalophaler. Ten bewijze hiervan dient de vergunninghouder een bewijs van geregelde ruiming ter beschikking te houden van de ambtenaren van Toerisme Vlaanderen. De vergunningsaanvrager dient hiervoor bij zijn X-12.721-4/18 vergunningsaanvraag een schriftelijke verklaring van de gemeente te voegen waarin staat dat de aanleg van een openbare riolering waarop het terrein zal kunnen aansluiten, voorzien is. Vanaf het ogenblik dat de openbare riolering is gerealiseerd, dient het terrein erop te worden aangesloten.’ Aan de verzoeker wordt blijkbaar verweten dat de percelen rechtstreeks zijn aangesloten op het rioleringsnet, en dat er geen gebruik wordt gemaakt van speciaal daarvoor bestemde lozingspunten die aangesloten zijn op het rioleringsnet. Dit is geheel ten onrechte. Zowel de openluchtrecreatieve verblijven in de zin van art. 2, §1, 1/ Decreet 3 maart 1993 als deze in de zin van art. 2, § 1, 2/ Decreet 3 maart 1993 mogen individueel aangesloten zijn op het intern rioleringsnet. - Art. 2, § 1, 2/ Decreet 3 maart 1993 bepaalt dat elk perceel, dat gebruikt wordt voor het plaatsen van openluchtrecreatieve verblijven zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het decreet, aangesloten wordt op het intern rioleringsnet. - Art. 3,4/ Besluit 23 februari 1995 bepaalt dat de ‘andere’ openlucht- recreatieve verblijven -dit zijn de openluchtrecreatieve verblijven in de zin van art. 2, § 1, 1/ Decreet van 3 maart 1993- hun afvalwater dienen op te vangen en te lozen in speciaal daarvoor bestemde lozingspunten die aangesloten zijn op het interne rioleringsnet. Indien dergelijk openluchtrecreatief verblijf op het perceel is aangesloten op het rioleringsnet, dan is a fortiori voldaan aan de voorwaarde dat het afvalwater wordt opgevangen en geloosd in een speciaal daarvoor bestemd lozingspunt dat is aangesloten op het intern rioleringsnet, met de enige bijzonderheid dat het lozingspunt zich op het perceel zelf bevindt, daar waar dit niet moet -maar uiteraard mag- voor de openluchtrecreatieve bedrijven in de zin van artikel 2, § 1, 1/ van het Decreet 3 maart
  8. Bovendien blijkt ook bij de lezing van de overige bepalingen van het Besluit 23 februari 1995 dat het standpunt van de verwerende partij zonder meer niet correct is: in art. 3, 11/ Besluit 23 februari 1995 wordt immers gesteld dat op de kampeerplaatsen die een minimum- oppervlakte van 80 m² hebben, de bouw wordt toegelaten van één vaste constructie met een maximale oppervlakte van 5 m² en dat indien deze vaste constructie ingericht wordt als privaat sanitair voor de kampeerplaats zij rechtstreeks op het rioleringsnet en op het waterleidingsnet aangesloten zijn. Een rechtstreekse aansluiting van het privaat sanitair op de kampeerplaats wordt derhalve expliciet toegelaten. Ten onrechte wordt derhalve door de verwerende partij gesteld dat de afwezigheid van zo’n voorziening een positieve exploitatievoorwaarde uitmaakt. In het besluit 23 februari 1995 wordt enkel bepaald dat de openluchtrecreatieve verblijven in de zin van artikel 2, § 1, 2/ van het Decreet 3 maart 1993 een aansluiting per perceel moeten hebben, maar niet dat de andere openluchtrecreatieve verblijven geen aansluiting per perceel mogen hebben. Indien dit de essentie van het begrip kampeerplaats zou uitmaken, zou de wetgever dit element trouwens in de definitie van een kampeer- plaats opgenomen hebben, quod non in casu. Aan de uitbater kan niet verweten worden dat hij op het vlak van hygiëne en comfort meer doet dan wettelijk van hem vereist wordt. De exploitatienormen zijn minimumnormen, de verzoekende partij doet meer dan hem wettelijk wordt opgelegd. (...) X-12.721-5/18 % Art. 3, 11/ Besluit 23 februari 1995 heeft betrekking op de oppervlakte van de kampeerplaats. ‘11/ de oppervlakte van de kampeerplaats bedraagt minimum 80 m². De kampeerplaatsen worden doorlopend genummerd. De maximale bezetting is beperkt tot 40 % van de oppervlakte van de kampeerplaats; voor kampeerplaatsen met een oppervlakte van 120 m² en groter bedraagt de maximumbezetting 48 m². Op de kampeerplaatsen die een minimumoppervlakte van 80 m² hebben wordt de bouw toegelaten van één vaste constructie met een maximale oppervlakte van 5 m², voor zover de maximale bezetting van de kampeerplaats niet overschreden wordt en voor zover rekening gehouden wordt met de brandveiligheidsnormen. De administrateur-generaal van Toerisme Vlaanderen kan ten behoeve van personen met een handicap een afwijking toestaan op het aantal constructies en de maximale oppervlakte van de constructies, voor zover de maximale bezetting van de kampeerplaats hierdoor niet overschreden wordt en voor zover rekening gehouden wordt met de brandveiligheids- normen. Deze vaste constructies moeten eenvormig zijn inzake bouw, materiaal en uitzicht. Indien deze vaste constructie ingericht wordt als privaat sanitair voor de kampeerplaats moet zij rechtstreeks op het rioleringsnet en op het waterleidingsnet aangesloten zijn.’ De verzoekende partij heeft een vergunning gevraagd voor 130 kampeer- plaatsen, met name 18 toeristische kampeerplaatsen en 112 gewone kampeerplaatsen. De verwerende partij meent dat art. 3, 11/ Besluit 23 februari 1995 geschonden is doordat het 55-tal verblijven de oppervlaktegrens van 5 m² overschrijden. Dit wordt als volgt gemotiveerd : ‘dat het vijfenvijftigtal verblijven in de zin van art. 2, § 1, 2/ van het Kampeerdecreet uiteraard de oppervlaktegrens van 5 m² overschrijden; dat dit ook niet betwist wordt, minstens in alle redelijkheid niet voor betwisting in aanmerking kan komen’ Door de beslissing op deze wijze te motiveren, worden de materiële en de formele motiveringsplicht geschonden : - Dit is blijkbaar een evidentie voor de verwerende partij (Zij beperkt er zich toe te stellen dat de oppervlaktegrens ‘uiteraard’ werd overschreden) doch dienaangaande werd er geen concrete vaststelling van de oppervlakte van de aanbouwsels gedaan, minstens blijkt deze niet uit de bestreden beslissing. - Het spreekt voor zich dat er voorheen nooit enige betwisting is geweest over de oppervlaktegrens : het al dan niet respecteren van deze oppervlaktegrens is in het verleden nooit ter discussie geweest. Pas in deze fase, in graad van beroep, nadat een eerdere beslissing in graad van beroep werd ingetrokken en zonder de verzoekende partij opnieuw te horen (cf. infra), wordt dit argument aangevoerd. (...) Noch art. 3, 4/ noch art. 3,11/ Besluit 23 februari 1995 werden derhalve in casu geschonden, minstens wordt in de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd waarom deze bepalingen geschonden zouden zijn. Het eerste middel is derhalve gegrond”; 3.1.
  9. Overwegende dat de verwerende partij hierop het volgende antwoordt : X-12.721-6/18 “
  10. Verzoekende partij voert niet de schending aan van een formeel motiveringsgebrek, enkel van een materieel motiveringsgebrek. Zo'n middel zou trouwens feitelijke grondslag missen, gelet op de voorhanden zijnde motivering.
  11. Art. 7 van het Kampeerterreindecreet bepaalt wat volgt : (...) Verzoekende partij betwist niet dat te dezen toepassing is gemaakt van art. 7, l/ van het Kampeerdecreet.
  12. Art. 6 van het Kampeerterreindecreet vormt de decretale grondslag voor de Vlaamse regering om allerhande normen te bepalen waaraan een terrein voor ‘openluchtrecreatieve verblijven’ dient te beantwoorden, zoals bepaald in art. 3 van het Kampeerbesluit. En het voormeld art. 7 bepaalt dus dat, als de krachtens art. 6 bepaalde voorwaarden niet worden nageleefd, de vergunning kan worden ingetrokken. Dit was te dezen het geval. In de bestreden beslissing wordt in verband met die voorwaarden - beschreven in art. 3 van het zgn. kampeerbesluit - overwogen : ‘Overwegende dat gelet op het gegeven dat nagenoeg de helft van de verblijven openluchtrecreatieve verblijven in de zin van art. 2, § 1, 2/ van het kampeerdecreet zijn, de bedoelde exploitatie niet in overeenstemming is met de exploitatievoorwaarden bepaald in art. 3 van het besluit dd. 23 februari 1995, als zijnde een uitvoeringsbepaling van art. 6, 11/ van het Kampeerdecreet; Overwegende dat een perceel dat gebruikt wordt voor het plaatsen van openluchtrecreatieve verblijven zoals bedoeld in artikel 2 § 1, 2/, van het Kampeerdecreet aangesloten moet worden op het gesloten intern rioleringsnet waarop de gemeenschappelijke sanitaire voor- zieningen van het terrein zijn aangesloten; dat andere openlucht- recreatieve verblijven zoals kampeerplaatsen hun afvalwater dienen op te vangen en te lozen in een speciaal daarvoor bestemd lozingspunt (art. 3, 4/ van het besluit dd. 23 februari 1995); dat te dezen blijkt dat de openluchtrecreatieve verblijven inderdaad zijn aangesloten op het gesloten intern rioleringsnet, terwijl zo'n rechtstreekse aansluiting haaks staat op de normale uitrusting van een kampeerplaats; dat een kampeerplaats precies wordt gekenmerkt door de afwezigheid van zo'n voorziening; dat de afwezigheid van zo'n voorziening op een kampeerplaats een positieve exploitatievoorwaarde uitmaakt, zodat de kampeerplaats kan worden gebruikt voor een verblijf waar rudimentaire en natuurgebonden omstandigheden kenmerkend zijn; dat de aansluiting op de sanitaire voorzieningen deze rudimentaire en natuur-gebonden exploitatievoorwaarde onmogelijk maakt; Overwegende dat op een kampeerplaats die een minimumopper- vlakte van 80 m² heeft, de bouw wordt toegelaten van één vaste constructie met een maximale oppervlakte van 5 m² voor zover de maximale bezetting van de kampeerplaats niet overschreden wordt en voor zover rekening gehouden wordt met de brandveiligheidsnormen; dat de maximale bezetting op een kampeerplaats beperkt is tot 40 % van de oppervlakte van de kampeerplaats en in ieder geval maximum 48 m² mag bedragen; dat het vijfenvijftigtal verblijven in de zin van art. 2, § 1, 2/ van het Kampeerdecreet uiteraard de oppervlaktegrens van 5 m² overschrijden; dat dit ook niet betwist wordt, minstens in alle redelijkheid niet voor betwisting in aanmerking kan komen; Overwegende dat de naleving van de beide voorwaarden, zoals bepaald in de sanitaire norm en de norm inzake de vaste constructie, essentieel is opdat het terrein beantwoordt aan het vereiste van X-12.721-7/18 kampeerplaatsen zoals bepaald in art. 2, § 1, 1/ van het Kampeer- decreet, art. 1, 7/ en 12/ van het Kampeerbesluit; dat dit des te meer geldt nu blijkt dat zo'n 55 van de 130 vergunde plaatsen niet aan deze voorwaarden beantwoorden; dat het aandeel van 55 op 130 wezenlijk van aard is en in redelijkheid toelaat te besluiten dat essentiële vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd; dat de vergunning dd. 31 augustus 2000 derhalve wordt ingetrokken;’
  13. Het is zinvol om de eerste drie leden van art. 3,4/ van het Kampeerbesluit te citeren en te duiden : Eerste lid ‘Elk terrein beschikt over een gesloten intern rioleringsnet waarop de gemeenschappelijke sanitaire voorzieningen en elk perceel, dat gebruikt wordt voor het plaatsen van openluchtrecreatieve verblijven zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het decreet, aangesloten worden’ Deze bepaling is duidelijk. Elk perceel dat wordt gebruikt voor het plaatsen van een verblijf bedoeld in art. 2, § 1, 2/ van het Kampeer- decreet wordt aangesloten op het gesloten intern rioleringsnet. Verzoekende partij betwist niet dat een essentieel deel van de (percelen van de) verblijven op haar terrein (nl. van 55 verblijven) zijn aangesloten op het intern rioleringsnet, en zij betwist evenmin dat de ingetrokken exploitatievergunning betrekking heeft op verblijven bedoeld in art. 2, § 1, l/ van het Kampeerdecreet. De in de exploitatievergunning bedoelde verblijven van art. 2, § 1, l/ van het Kampeerdecreet vallen niet onder het toepassingsgebied van art. 3,4/ eerste lid van het Kampeerbesluit. Tweede en derde lid : ‘De andere openluchtrecreatieve verblijven dienen hun afvalwater op te vangen en te lozen in speciaal daarvoor bestemde lozingspunten die aangesloten zijn op het interne rioleringsnet. Per 50 kampeerplaatsen, kampeerautoplaatsen of plaatsen op de kampeerweide dient een lozingspunt aanwezig te zijn, gelegen op maximum 100 meter van elke plaats.’ Deze bepaling is duidelijk en behoeft geen interpretatie. De openluchtrecreatieve verblijven bedoeld in art. 2, § 1, l/van het Kampeerdecreet dienen - en moeten dus - hun afvalwater lozen in een lozingspunt. Nergens is er sprake dat zulke verblijven rechtstreeks aangesloten zijn op het intern rioleringsnet, in tegenstelling tot wat geldt voor verblijven in de zin van art. 2, § 1, 2/ van het Kampeerdecreet. In tegendeel, het derde lid kan enkel zinvol worden begrepen indien zo'n verblijven niet rechtstreeks en individueel mogen worden aangesloten op het intern rioleringsnet, zoals ten andere blijkt uit de bestreden beslissing. Overigens zijn het tweede en het derde lid gewijzigd door art. 6 van het besluit dd. 24 oktober 2003 van de Vlaamse regering, zoals in werking getreden op 3 januari
  14. Indien de wil van de Vlaamse regering zou beantwoorden aan de argumentatie van verzoekende partij, dan had de regering dit ook verwoord in haar besluit dd. 24 oktober 2003 (bijv. door verblijven bedoeld in art. 2, § 1, l/ ook onder het toepassingsgebied van art. 3,4/, eerste lid van het Kampeerbesluit te brengen). Dit is niet het geval geweest. Op het bovenstaande bestaat één uitzondering, en deze is bepaald in art. 3, 11/, laatste lid van het Kampeerbesluit. Deze uitzondering maakt het mogelijk dat een verblijf bedoeld in art, 2, § 1, l/ van het Kampeerdecreet toch een rechtstreekse aansluiting heeft op het X-12.721-8/18 rioleringsnet. Enkel voor zover wordt voldaan aan deze uitzondering, kan worden afgeweken van de regel bepaald in art. 3,4/, tweede en derde lid van het Kampeerbesluit. Deze uitzondering is te dezen echter niet aan de orde (waarover verder meer).
  15. Het standpunt van verzoekende partij dat, wat betreft de verblijven bedoeld in art. 2, § 1, 1/, van het Kampeerdecreet aan het vereiste van het tweede en het derde lid ‘zeker’ wordt voldaan, voor zover zij rechtstreeks en individueel zijn aangesloten op het rioleringsnet, zoals vereist is voor de verblijven bedoeld in art. 2, § 1, 2/ van het Kampeerdecreet, is onverzoenbaar met de onderscheiden reglementering die de Vlaamse regering in art. 3, 4/, eerste lid Kampeerbesluit enerzijds en art. 3, 4/, tweede en derde lid Kampeerbesluit anderzijds heeft bepaald. Bovendien bepaalt art. 3, 4/, tweede lid van het Kampeerbesluit niet : ‘De andere openluchtrecreatieve verblijven dienen minstens hun afvalwater op te vangen en te lozen in speciaal daarvoor bestemde lozingspunten die aangesloten zijn op het interne rioleringsnet. In voorkomend geval zijn zij rechtstreeks aangesloten op het gesloten intern rioleringsnet.’ In het vet schrijft verwerende partij de toevoegingen die noodzakelijk zijn om het standpunt van verzoekende partij een rechtsgrond te geven. Deze toevoegingen zijn echter niet reglementair bepaald. Zoals in de bestreden beslissing is aangegeven, vormt de sanitaire norm een positieve vergunningsvoorwaarde om een kampeerplaats te kunnen gebruiken voor een verblijf waar rudimentaire en natuurgebonden omstandigheden kenmerkend zijn. Het door de regelgever in art. 3, 4/, tweede lid van het Kampeerbesluit gehanteerde woord ‘dienen’ en niet ‘dienen minstens’ toont dit aan. Te algemenen titel is de kampeerreglementering ingegeven vanuit een dubbele bekommernis. Enerzijds moet de veiligheid van de gebruiker verzekerd worden, o.m. door de opgelegde sanitaire vereisten. Anderzijds moet er strikt worden gewaakt over het behoud van het recreatieve karakter van de inrichtingen, o.m. door de aanleg van de (technische) uitrustingen beperkt te houden om zo minstens de nodige recreatieve diversiteit te kunnen garanderen (te dezen de recreatieve specificiteit van kampeerplaatsen). Art. 3, 4/, tweede lid van het Kampeerbesluit énkel lezen als een sanitaire minimumnorm kan mogelijk zijn ingegeven door de bekommernis voor een grotere veiligheid van de gebruiker, doch veronachtzaamt de door de regelgever gewenste rem op de ontwikkeling en de aanleg van technische uitrustingen teneinde de recreatieve specificiteit te kunnen garanderen. Daarbij wordt opgemerkt dat de veiligheid van de gebruiker reeds verzekerd is door het voorzien van een lozingspunt per 50 kampeerplaatsen, terwijl in onderhavige zaak in redelijkheid niet te betwisten valt dat de recreatieve specificiteit van de 130 vergunde kampeerplaatsen ernstig bedreigd wordt door de aanwezigheid van een vijftigtal openluchtrecreatieve verblijven die stedenbouwkundig vergunningsplichtig zijn en rechtstreeks op het rioleringsnet zijn aangesloten.
  16. Om deze redenen kan de prima facie beoordeling van Uw Raad, waarin het standpunt van verzoekende partij wordt gevolgd, niet in aanmerking worden genomen. Verwerende partij betwist ook dat zij een exploitatievoorwaarde zou toevoegen aan de reglementair bepaalde exploitatievoorwaarden, X-12.721-9/18 wanneer art. 3, 4/, tweede lid van het Kampeerbesluit als een positieve exploitatievoorwaarde wordt begrepen. Zoals onder vorig randnummer aangegeven sluit het standpunt van de positieve exploitatievoorwaarde aan bij de reglementaire tekst, terwijl hetzelfde niet kan worden gezegd van het standpunt dat art. 3, 4/, tweede lid van het Kampeerbesluit als minimumnorm.
  17. Vergeefs steunt verzoekende partij zich op art. 3, 11/, laatste lid van het Kampeerbesluit, om haar interpretatie van art. 3,4/ van het Kampeerbesluit te onderbouwen. (...) Een eerste zaak is dat verzoekende partij niet voorhoudt dat de 55 verblijven die zijn aangesloten op het rioleringsnet, in wezen betrekking hebben op evenveel percelen die op een regelmatige wijze worden aangewend als een kampeerplaats, waarop telkens een privatieve sanitaire constructie met een maximale oppervlakte van 5 m² is opgetrokken. Dit is ook niet het geval. De toepassing van art. 3, 1 l/, laatste lid van het Kampeerbesluit is dus niet aan de orde. Een tweede zaak is art. 3, 11/, laatste lid van het Kampeerbesluit énkel bepaalt onder welke omstandigheden kan worden afgeweken van het vereiste van art. 3,4/, tweede en derde lid van het Kampeerbesluit. Dit houdt in dat op een perceel vergund voor een verblijf in de zin van art. 2, § 1, l/ van het Kampeerbesluit geen individuele en rechtstreekse aansluiting op het rioleringsnet mogelijk is, tenzij 'in overeenstemming met de bepalingen van art. 3, 11 / Er valt niet in te zien op welke wijze verzoekende partij in haar concreet geval meent aanspraak te kunnen maken op deze afwijkingsregel.
  18. Het is onjuist dat er geen enkele concrete aanwijzing is voor het gegeven dat de oppervlaktegrens van vijf m² (van art. 3, 11/ van het Kampeerbesluit) wordt overschreden voor het vijfenvijftigtal verblijven. Verzoekende partij betwist niet dat het vijfenvijftigtal verblijven, te weten de stedenbouwkundige vergunningsplichtige verbouwde stacaravans, de oppervlaktegrens overschrijden. Nog minder toont zij aan dat verwerende partij zich terzake zou vergissen (wat niet het geval is). In redelijkheid kan enkel worden aanvaard dat een stacaravan een oppervlakte heeft van méér dan 5 m² zelfs zonder rekening te houden met de oppervlakte die wordt ingenomen door de ‘aanbouwsels’.
  19. In het arrest dd. 31 mei 2006 heeft Uw Raad over dat middel- onderdeel als volgt geoordeeld : ‘Overwegende, wat betreft de grief gericht tegen het motief gesteund op artikel 3, 11/ van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995, dat het bestreden besluit ervan uitgaat dat de daarin bedoelde oppervlaktenorm geldt voor de openluchtrecreatieve verblijven die stedenbouwkundig vergunningsplichtig zijn; dat het in de genoemde bepaling bedoelde maximum van 5 m² evenwel geldt voor de ene ‘vaste constructie’ die op een kampeerplaats mag worden gebouwd; dat in het bestreden besluit niet wordt vastgesteld dat er een zodanige constructie is, die niet aan de norm voldoet; dat, in zoverre zou moeten worden aangenomen dat de genoemde oppervlaktenorm ook kan worden toegepast op aanhangsels van stacaravans, het bedoelde maximum in elk geval enkel geldt voor kampeerplaatsen; dat artikel 1, 11 /, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995 een kampeerplaats omschrijft als een gedeelte van een kampeerterrein of kampeerverblijfpark; dat het bestreden besluit niet vaststelt dat de 55 stacaravans met aanhangsel zouden staan op X-12.721-10/18 een deel van het terrein dat als een kampeerplaats kan worden omschreven; dat het besluit op dit punt dan ook niet op voldoende concrete gegevens steunt;’ De ingetrokken exploitatievergunning betreft de goedkeuring dd. 31 augustus 2000 van een kampeerverblijfpark voor het plaatsen van 130 kampeerplaatsen, zoals blijkt uit de bestreden beslissing. De betwiste stacaravans staan op deze kampeerplaatsen, zoals verzoekende partij nooit heeft betwist. Het is onduidelijk waar of op wélk deel van het terrein deze stacaravans wél zouden staan, als deze niet zouden staan op de kampeerplaatsen. Het spreekt voor zich dat de stacaravans op de kampeerplaatsen staan. Zaken die voor zich spreken moeten niet worden gemotiveerd. Er kan terzake geen sprake zijn van een motiveringsgebrek. Hoe dan ook heeft de verzoekende partij deze onregelmatigheid niet opgeworpen, terwijl niet valt in te zien om welke redenen Uw Raad hiertoe ambtshalve het initiatief dient te nemen.
  20. De oppervlaktenorm geldt voor een kampeerplaats, onverminderd het gegeven dat op die kampeerplaats een openluchtrecreatief verblijf dat stedenbouwkundig vergunningsplichtig is, is opgericht. De aanwezigheid van een stedenbouwkundig vergunningsplichtig openluchtrecreatief verblijf op een kampeerplaats, laat de oppervlakte-norm voor een vaste constructie niet buiten toepassing. Gelet op de diverse en onbetwiste vaststellingen van de diensten van TOERISME VLAANDEREN en de brief dd. 18 december 2002 van de Afdeling ROHM Limburg zijn de stacaravans met aanbouwsels te beschouwen als een vaste constructie. Een stacaravan met een geringere oppervlakte dan 5 m² - dit is iets groter dan de oppervlakte van een dubbel bed - is zo goed als onbestaande. Een stacaravan met aanbouwsels overschrijdt in ieder geval de norm van 5 m².
  21. Het gaat niet op om te eisen dat het bestuur het voor de hand liggende motiveert, terwijl verzoekende partij in haar verzoekschrift op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat het bestuur zich vergist zou hebben. Er is méér : verzoekende partij meent niet dat het bestuur zich terzake heeft vergist.
  22. Het middel is ongegrond”; 3.1.
  23. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord ten aanzien van artikel 3, 4/ van het kampeerbesluit dupliceert als volgt : “Het verhaal van de verwerende partij dat de decreetgever een rem wenste te leggen op de ontwikkeling en de aanleg van technische uitrustingen teneinde de ‘recreatieve specificiteit’ te kunnen garanderen is derhalve volkomen ongeloofwaardig. Dit kan uit geen enkele wettelijke bepaling afgeleid worden en deze beweerde recreatieve specificiteit wordt tegengesproken door art. 3, 11/ Besluit 23 februari 1995 dat, zelfs al zou het in casu niet van toepassing zijn, zonder meer de bouw van een vaste constructie toelaat op kampeerplaatsen met een bepaalde minimumoppervlakte waarbij zonder meer de inrichting als privaat sanitair toegelaten is en de rechtstreekse aansluiting op het rioleringsnet zélfs verplicht is. X-12.721-11/18 De verwerende partij kan derhalve niet volhouden dat de afwezigheid van een rechtstreekse aansluiting op het rioleringsnet tot de specificiteitessentie van een kampeerplaats behoort”; dat hij ten aanzien van artikel 3, 11/ van het kampeerbesluit dupliceert : “Het loutere feit dat de eerste beslissing tot intrekking van de vergunning niet mede gemotiveerd was door het overschrijden van de oppervlaktegrens, toont reeds aan dat één en ander niét voor zich spreekt, zodat de verwerende partij zich niet aan de motiveringsplicht kan onttrekken door te stellen dat één en ander voor zich spreekt. ( ... ) Indien men toepassing maakt van een regeling die van toepassing is op kampeerplaatsen, dient in eerste instantie toch aangetoond te worden dat de stacaravans op kampeerplaatsen staan, quod non. De schending van de motiveringsplicht is derhalve dubbel : er is niet aangetoond dat de stacaravans op een kampeerplaats staan, noch is gemotiveerd dat de oppervlaktegrens van 5 m² overschreden is”; 3.1.
  24. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie geen nieuwe argumenten ter beantwoording van het middel zoals het geformuleerd is door de verzoeker aanbrengt; 3.2.
  25. Overwegende dat artikel 2, § 1 van het decreet van 3 maart 1993 houdende het statuut van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven bepaalt dat onder “openluchtrecreatief verblijf” moet worden verstaan : “1/ tent, caravan, mobilhome, kampeerauto, woonauto of iedere andere verblijfsvorm die niet ontworpen is om als vaste woonplaats te dienen of niet als dusdanig wordt gebruikt en waarvoor geen vergunning vereist is overeenkomstig artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw; 2/ chalet, bungalow, huisje, paviljoen of iedere andere verblijfsvorm die niet ontworpen is om als vaste woonplaats te dienen of niet als dusdanig wordt gebruikt en waarvoor een vergunning vereist is overeenkomstig artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw”; 3.2.
  26. Overwegende dat uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat de exploitatievergunning van 31 augustus 2000 wordt ingetrokken met toepassing van artikel 7, 1/ van het decreet van 3 maart 1993, met name op grond dat de in artikel 6 van het decreet bedoelde voorwaarden niet meer worden nageleefd; X-12.721-12/18 Overwegende dat het bestreden besluit meer in het bijzonder de volgende motivering bevat : “Overwegende dat de exploitatievergunning d.d. 31 augustus 2000 betrekking heeft op verblijven bedoeld in artikel 2, § 1, 1/, van het Kampeerdecreet, terwijl onbetwist is dat ongeveer de helft van de op het terrein aanwezige verblijfsvormen behoren tot de categorie van verblijven bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het Kampeerdecreet; Overwegende dat dit feitelijk gegeven blijkt uit de onbetwiste vaststelling dat ongeveer de helft van de verblijven stedenbouwkundig vergunningsplichtige verblijfsvormen zijn, en dus behoren tot de categorie van de verblijven bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het Kampeerdecreet; Overwegende dat gelet op het gegeven dat nagenoeg de helft van de verblijven openluchtrecreatieve verblijven in de zin van artikel 2, § 1, 2/, van het Kampeerdecreet zijn, de bedoelde exploitatie niet in overeenstemming is met de exploitatievoorwaarden bepaald in artikel 3 van het besluit d.d. 23 februari 1995, als zijnde een uitvoeringsbepaling van artikel 6, 1/, van het Kampeerdecreet; Overwegende dat een perceel dat gebruikt wordt voor het plaatsen van openluchtrecreatieve verblijven zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het Kampeerdecreet aangesloten moet worden op het gesloten intern rioleringsnet waarop de gemeenschappelijke sanitaire voorzieningen van het terrein zijn aangesloten; dat andere openluchtrecreatieve verblijven zoals kampeerplaatsen hun afvalwater dienen op te vangen en te lozen in een speciaal daarvoor bestemd lozingspunt (artikel 3, 4/, van het besluit d.d. 23 februari 1995); dat te dezen blijkt dat de openluchtrecreatieve verblijven inderdaad zijn aangesloten op het gesloten intern rioleringsnet, terwijl zo’n rechtstreekse aansluiting haaks staat op de normale uitrusting van een kampeerplaats; dat een kampeerplaats precies wordt gekenmerkt door de afwezigheid van zo’n voorziening; dat de afwezigheid van zo’n voorziening op een kampeerplaats een positieve exploitatievoorwaarde uitmaakt, zodat de kampeerplaats kan worden gebruikt voor een verblijf waar rudimentaire en natuurgebonden omstandigheden kenmerkend zijn; dat de aansluiting op de sanitaire voorzieningen deze rudimentaire en natuurgebonden exploitatievoorwaarde onmogelijk maakt; Overwegende dat op een kampeerplaats die een minimumoppervlakte van 80 m2 heeft, de bouw wordt toegestaan van één vaste constructie met een maximale oppervlakte van 5 m2, voor zover de maximale bezetting van de kampeerplaats niet overschreden wordt en voor zover rekening wordt gehouden met de brandveiligheidsnormen; dat de maximale bezetting op een kampeerplaats beperkt is tot 40 % van de oppervlakte van de kampeerplaats en in ieder geval maximum 48 m2 mag bedragen; dat het vijfenvijftigtal verblijven in de zin van artikel 2, § 1, 2/, van het Kampeerdecreet uiteraard de oppervlaktegrens van 5 m2 overschrijden; dat dit ook niet betwist wordt, minstens in alle redelijkheid niet voor betwisting in aanmerking kan komen; Overwegende dat de naleving van de beide voorwaarden, zoals bepaald in de sanitaire norm en inzake de vaste constructie, essentieel is opdat het terrein beantwoordt aan het vereiste van kampeerplaatsen als bedoeld in artikel 2, § 1, 1/, van het Kampeerdecreet, artikel 1, 7/ en 12/, van het Kampeerbesluit (sic); dat dit des te meer geldt nu blijkt dat zo’n 55 van de 130 vergunde plaatsen niet aan deze voorwaarden beantwoorden; dat het aandeel van 55 op 130 wezenlijk van aard is en in redelijkheid toelaat te besluiten dat essentiële vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd; dat de vergunning d.d. 31 augustus 2000 derhalve wordt ingetrokken; Overwegende dat ten overvloede rekening wordt gehouden met het gegeven dat de aanvrager zich anno 2000 verantwoordelijk heeft verklaard voor de X-12.721-13/18 bewuste problematiek, ook al stond toen niet vast of er daadwerkelijk een probleem aan de orde was; dat eens ROHM Limburg op 18 december 2003 het probleem heeft scherp gesteld, het bestuur de vergunning niet onmiddellijk heeft ingetrokken, doch de aanvrager de mogelijkheid heeft gegeven om zich in de regel te stellen; dat de aanvrager de mogelijkheid niet op een nuttige wijze heeft aangewend”; Overwegende dat het bestreden besluit uit de vaststelling dat nagenoeg de helft van de verblijven behoren tot de categorie van verblijven bedoeld in artikel 2, § 1, 2/ van het decreet van 3 maart 1993 afleidt dat de exploitatie niet in overeenstemming is met de voorwaarden bepaald in artikel 3, 4/ en 11/ van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995; 3.2.
  27. Overwegende, wat betreft de grief gericht tegen het motief gesteund op artikel 3, 4/ van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995, dat het bestreden besluit ervan uitgaat dat die bepaling zo gelezen moet worden dat andere openluchtrecreatieve verblijven dan die bedoeld in artikel 3, § 1, 2/ van het decreet, niet aangesloten mogen zijn op het interne rioleringsnet; dat die lezing evenwel niet strookt met de geest en de economie van het genoemde artikel 3, 4/; dat dit artikel immers sanitaire minimumnormen oplegt waaraan de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven moeten beantwoorden; dat, zo andere verblijven dan die bedoeld in artikel 3, § 1, 2/ van het decreet moeten beantwoorden aan de voorwaarde dat ze hun afvalwater opvangen en lozen in speciaal daarvoor bestemde lozingspunten die aangesloten zijn op het interne rioleringsnet, artikel 3, 4/ niet uitsluit dat daaraan beantwoord kan worden door te voldoen aan de strengere norm die geldt voor de verblijven bedoeld in artikel 2, § 1, 2/ van het decreet, d.w.z. door de betrokken percelen rechtstreeks aan te sluiten op het interne rioleringsnet; dat, door te overwegen dat de afwezigheid van rechtstreekse aansluiting een positieve voorwaarde uitmaakt van een kampeerplaats, waarvan de niet-naleving aanleiding kan geven tot de intrekking van de exploitatievergunning, het bestreden besluit een voorwaarde toevoegt aan die welke zijn bedoeld in artikel 7 van het decreet; dat de argumenten m.b.t. de specifiteit van kampeerplaatsen van de verwerende partij niet overtuigen; dat die argumentatie bovendien wordt tegengesproken door het feit dat artikel 3, 11/ van het besluit van 23 februari 1995 voor kampeerplaatsen bepaalt dat ze onder bepaalde voorwaarden een vaste constructie mogen bevatten en dat in dat geval indien die constructie ingericht wordt als privaat sanitair voor de kampeerplaats zij rechtstreeks op het rioleringsnet moet aangesloten zijn; dat de vraag of in casu deze bepaling van toepassing is deze vaststelling geenszins ontkracht; X-12.721-14/18 3.2.
  28. Overwegende, wat betreft de grief gericht tegen het motief gesteund op artikel 3, 11/ van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995, dat het bestreden besluit lapidair stelt “dat het vijfenvijftigtal verblijven in de zin van art. 2, § 1, 2/ van het Kampeerdecreet uiteraard de oppervlaktegrens van 5 m² overschrijden”; dat aldus o.m. niet blijkt hoe de verwerende partij tot deze beweerde in redelijkheid niet betwistbare conclusie is gekomen; dat niet blijkt waarom zij die norm blijkbaar toetst aan de oppervlakte van de caravans en de “aanhangsels” en niet aan de oppervlakte van de “aanhangsels”; dat het gebruik van de woorden “uiteraard” en “niet voor betwisting in aanmerking kan komen” al te faciel is, nu in de enkele maanden eerder genomen intrekkingsbeslissing, dit motief geheel ontbreekt; dat het vereiste van een behoorlijke formele motivering des te strenger moet worden beoordeeld ten aanzien van beslissingen die eerder verleende rechten intrekken; dat het besluit op dit punt dan ook niet op voldoende concrete gegevens steunt; 3.2.
  29. Overwegende dat het middel bijgevolg gegrond is;
  30. Het beroep A. 170.707/X-12.
  31. 4.
  32. De ontvankelijkheid. Overwegende dat zowel door de verzoeker als door de verwerende partij wordt gesteld dat het voorliggende beroep geen voorwerp meer heeft omdat de beslissing die het voorwerp ervan uitmaakt is ingetrokken bij besluit van 8 mei 2006; Overwegende dat het beroep, gelet op het besluit tot vernietiging van het intrekkingsbesluit van 8 mei 2006, nog steeds een voorwerp heeft; dat de excepties worden verworpen; 4.
  33. De gegrondheid van het beroep Overwegende dat de verzoeker in het eerste middel in zijn verzoekschrift stelt dat op grond van artikel 7 van het decreet van 3 maart 1993 de haar verleende vergunning niet kon worden ingetrokken aangezien zij zich niet in één van de vermelde hypotheses zou bevinden; dat de bestreden beslissing ook niet X-12.721-15/18 motiveert waarom of op grond van welk artikel de vergunning dan wel zou kunnen worden ingetrokken; Overwegende dat in het arrest nr. 156.542 van 17 maart 2006 de Raad van State dit middel ernstig heeft bevonden : “Overwegende dat, wat betreft de mogelijkheid tot intrekking van een vergunning, artikel 7 van voormeld decreet van 3 maart 1993 bepaalt wat volgt : ‘De in artikel 3 bedoelde vergunning kan in de volgende gevallen worden geweigerd, geschorst of ingetrokken : l/ de in artikel 6 bepaalde voorwaarden worden niet of niet meer nageleefd, 2/ diegene die instaat of moet instaan voor het dagelijks beheer van het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven, is in België door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak veroordeeld wegens een der misdrijven omschreven in boek II, titel VII, hoofdstukken V, VI en VII; titel VIII, hoofdstukken I, IV, VI en titel X, hoofdstukken I en II, van het Strafwetboek, behalve indien de veroordeling voorwaardelijk is en de betrokkene het voordeel van het uitstel niet heeft verloren of genade heeft bekomen. Personen die veroordeeld zijn voor soortgelijke misdrijven in het buitenland, mogen evenmin een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven exploiteren in Vlaanderen. 3/ indien één of meer personen, behoudens de bij decreet of besluit toegestane gevallen, hun hoofdverblijfplaats op het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven hebben.’ dat artikel 6 van hetzelfde decreet zelf geen voorwaarden bepaalt maar aan de Vlaamse Regering machtiging verleent om de in dat artikel opgesomde normen, voorwaarden en verplichtingen waaraan de vergunning moet voldoen, te bepalen; Overwegende dat artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat elke administratieve rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; dat hieruit volgt dat enkel met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden; Overwegende dat het bestreden besluit de intrekking van de exploitatie- vergunning motiveert op grond van de vaststelling dat de ‘huidige situatie op het terrein niet voldoet aan de afgeleverde exploitatievergunning d.d. 31 augustus 2000’ omdat op het bij de aanvraag gevoegde plan geen melding wordt gemaakt van verblijfplaatsen en dat bouwvergunningsplichtige openluchtrecreatieve verblijven enkel mogen worden opgericht op dergelijke verblijfplaatsen, en verder dat ‘Ingeval de exploitatievergunning betrekking heeft op een kampeerverblijfpark waarvan nagenoeg de helft van de openluchtrecreatieve verblijven stedenbouwkundig vergunningsplichtig zijn, doch niet vergund, dit de essentie van de vergunning betreft’; dat het als juridische grondslag voor de intrekking van de vergunning overweegt wat volgt : ‘Overwegende dat artikel 6 van het voornoemde decreet van 3 maart 1993 de decretale grondslag vormt voor de Vlaamse regering om allerhande normen te bepalen waaraan een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven X-12.721-16/18 dient te beantwoorden. Artikel 7, 2/ en 3/ beschrijven specifieke omstandigheden, die als ze zich voordoen, de intrekking van de vergunning wettigen, zelfs al voldoet de exploitant aan de voorwaarden, bedoeld in art. 7, l/; Overwegende dat de intrekkingsbeslissing beantwoordt aan de voorwaarden van het kampeerdecreet; Overwegende dat ingeval de exploitatievergunning betrekking heeft op een kampeerverblijfpark waarvan nagenoeg de helft van de openluchtrecreatieve verblijven stedenbouwkundig vergunningsplichtig zijn, doch niet vergund, dit de essentie van de vergunning betreft;’ Overwegende dat voormelde motivering weliswaar stelt dat de intrekkings- beslissing beantwoordt aan de voorwaarden van het kampeerdecreet, en dit omdat ‘nagenoeg de helft van de openluchtrecreatieve verblijven stedenbouw- kundig vergunningsplichtig zijn, doch niet vergund, en dit de essentie van de vergunning betreft’, maar in gebreke blijft concreet aan te duiden op grond van welke bepaling van artikel 7 en/of de uitvoeringsbesluiten genomen op grond van artikel 6 waarnaar het verwijst een intrekking van de vergunning om reden dat ‘nagenoeg de helft van de openluchtrecreatieve verblijven stedenbouw- kundig vergunningsplichtig zijn, doch niet vergund’ wettelijk mogelijk is; dat het middel in de aangegeven mate ernstig is”; Overwegende dat de verwerende partij niet antwoordt op het middel en op de argumenten van het schorsingsarrest; dat zij integendeel met haar besluit van 8 mei 2006, als gevolg van het schorsingsarrest nr. 156.542, de te dezen bestreden beslissing heeft ingetrokken; dat om de in dat arrest uiteengezette redenen het middel ook gegrond is, BESLUIT: Artikel
  34. De zaken A. 170.707/X-12.721 en A. 173.157/X-12.833 worden gevoegd. Artikel
  35. Vernietigd worden :
  36. het besluit van 20 februari 2006 van de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme waarbij het beroep van Guido SLOOTMANS tegen het besluit van het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid “Toerisme Vlaanderen” van 27 oktober 2005 tot intrekking van een vergunning voor de exploitatie van het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven “Salamander”, gelegen Jos Smeetslaan 280 te X-12.721-17/18 Maasmechelen, op een perceel kadastraal bekend sectie E, nr. 931/r20, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard,
  37. het besluit van 8 mei 2006 van de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme waarbij het besluit van 20 februari 2006 wordt ingetrokken en waarbij het beroep van Guido SLOOTMANS tegen het besluit van 27 oktober 2005 van het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid “Toerisme Vlaanderen” tot intrekking van een vergunning voor de exploitatie van het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven “Salamander”, gelegen Jos Smeetslaan 280 te Maasmechelen, op een perceel kadastraal gekend onder sectie E, nr. 931/r20, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard. Artikel
  38. De kosten van de vorderingen tot schorsing en de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier december 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.721-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.565 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.