← België

Arrest 177566 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.566 Rolnummer: A. 84396/X-8985 Zaak: Arrest 177566 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:25 Fiche Arrest nr 177.566 van 4 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.566 van 4 december 2007 in de zaak A. 84.396/X-

  1. In zake :
  2. Victor SOENS, wonende te 1850 GRIMBERGEN, Acacialaan 4A,
  3. de v.z.w. TCGD, gevestigd te 3070 KORTENBERG, Hofstraat 138/8 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32/
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Victor SOENS en de v.z.w. TCGD op 17 mei 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 maart 1999 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep van de eerste verzoeker tegen de beslissing van 2 juni 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het plaatsen van een opblaasbare hal en tennisbanen aan de Hofstraat 138/8 te Kortenberg, kadastraal gekend onder sectie A, nr. 25/t10; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 14 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; X-8985-1/5 Gelet op de beschikking van 20 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2007, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot zitting van 1 juni 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van de eerste verzoeker, van R. GODIFRIDI, voorzitter van de tweede verzoekende partij, en van advocaat I. DURNEZ, die loco advocaat M. VAN BEVER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens die relevant zijn voor de oplossing van het geschil als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  6. De eerste verzoeker, die oprichtend lid en beheerder is van de tweede verzoekende partij, is eigenaar van een perceel gelegen te Kortenberg, Hofstraat 138/8, kadastraal bekend sectie A, nr. 25/t10, waarop de tweede verzoekende partij een contractueel gebruiksrecht heeft. 1.
  7. Door de tweede verzoekende partij is, met betrekking tot bovengenoemd perceel, op 18 augustus 1997 als “houder van het bouwrecht” bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kortenberg een stedenbouwkundige vergunning voor het plaatsen van een blaashal over drie tennisbanen aangevraagd. De eerste verzoeker is de architect van de aangevraagde bouwwerken. Bij besluit van 8 oktober 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kortenberg wordt die vergunning aan de tweede verzoekende partij geweigerd. X-8985-2/5 1.
  8. Tegen dat besluit heeft de eerste verzoeker namens de tweede verzoekende partij op 6 november 1997 bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een beroep ingesteld. Het beroep werd bij besluit van 2 juni 1998 niet ingewilligd. 1.
  9. Tegen dat besluit heeft de eerste verzoeker namens de tweede verzoekende partij op 22 juni 1998 bij de minister vice-president van de Vlaamse regering en Vlaamse minister van openbare werken, vervoer en openbare werken een beroep ingesteld. Op 23 maart 1999 is dat beroep verworpen. Dit is het bestreden besluit;
  10. Ontvankelijkheid 2.
  11. Standpunt van de partijen 2.1.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord volgende exceptie opwerpt: “Huidig verzoekschrift tot nietigverklaring gaat uit van:
  13. de heer Victor Soens en
  14. De v.z.w. TCGD.
  15. De heer Soens heeft geen (persoonlijk) belang bij het indienen van huidig verzoekschrift, aangezien de bouwaanvraag werd ingediend namens de v.z.w. TCGD, en niet in naam van de heer Soens. (...)”; 2.1.
  16. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord daarop als volgt repliceren: “Vastgesteld moet worden dat verwerende partij thans voor het eerst naar aanleiding van het verzoekschrift bij de Raad van State bemerkingen i.v.m. ‘belang’ en mandaat formuleert. Verwerende partij had, indien zij dit gewenst zou hebben, reeds eerder het onderzoek kunnen voeren, zij heeft dit niet gedaan. Verwerende partij bevestigt aldus datgene wat verzoekende partij formuleert in het verzoekschrift (...). Verwerende partij heeft zonder voorbehoud het M.B. aan ‘Dhr Soens Victor namens T.C.G.D. v.z.w.’ 2de verzoekende partij overgemaakt (niet betekend) cf. bijlage
  17. Verwerende partij lijkt een uitspraak over de grond te willen ontlopen door het ‘hanteren’ van procedure. Verzoekende partij meent dat het bestuur gebaat is met een arrest voorzien(...) of in annulatie waardoor het bestuur naar de toekomst de kans wordt geboden fouten te vermijden of in verwerping waardoor het bestuur in de juistheid van zijn beslissing wordt bevestigd. Verzoekende partij V. SOENS is eigenaar van een perceel bouwgrond en als goed huisvader ertoe gehouden zijn patrimonium optimaal te ontwikkelen en alle mogelijkheden daartoe te onderzoeken. Verzoekende partij is tevens X-8985-3/5 eigenaar van een clubhuis dat bij gebreke aan winteraccomodatie niet passend gebruikt kan worden. Verzoekende partij is in de bouwaanvraag opgetreden als architect. Het raakt de essentie zelf van de tussenkomst van een architect, dat de plannen daadwerkelijk worden gerealiseerd en het honorarium wordt betaald. Verzoekende partij heeft onbetwistbaar belang bij het concretiseren van zijn ideeën. Verzoekende partij is belanghebbend. (...)”; 2.1.
  18. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie nog het volgende stellen: “‘(...) De vraag dringt zich op of niet de architect de facto aanvrager is bij het indienen van ieder bouwdossier. M.a.w. indien door alle bouwaanvraag-stukken, die de essentie uitmaken van een bouwdossier (o.a. statistisch formulier, isolatieberekening, vloerindexberekening, plannen en inplanting, attesten van de Orde van Architecten) obligaat de participatie van de architect wordt gewezen, indien m.a.w. de bouwaanvraag staat of valt respectievelijk met of zonder architect lijkt het allerminst evident, zeker indien men rekening houdt met de financiële betrokkenheid van de architect waarvan het honorarium direct gerelateerd is tot de te verwachten bouwvergunning, dat een dissociatie zou worden gemaakt tussen bouwheer en architect. Een wet die dergelijke dissociatie stipuleert is verzoeker niet bekend. De vraag is of rechtspraak van de Raad van State verduidelijking geeft; dit aspect wordt door verzoeker infra behandeld bij de analyse van een auditoraal referentiearrest terzake. Verzoeker heeft persoonlijk zonder enige beperking/opmerking/ terechtzetting de bouwaanvraag ingediend namens de v.z.w. TCGD. De daaropvolgende briefwisseling werd gericht aan eerste verzoekende partij. Noch op het gemeentelijk, noch op het provinciaal vlak werd ten gepaste tijde enig voorbehoud geformuleerd. (...)”; 2.
  19. Beoordeling 2.2.
  20. Overwegende, wat de ontvankelijkheid in hoofde van de eerste verzoeker betreft, dat de rechtsvordering waarvan het specifieke opzet erin bestaat een geweigerd voordeel alsnog te verkrijgen, alleen kan worden ingesteld door diegene die op dat voordeel aanspraak kan maken; dat immers alleen aan die persoon dat voordeel kan worden verleend; Overwegende dat de eerste verzoeker niet betwist dat het de tweede verzoekende partij is die de geweigerde bouwvergunning heeft aangevraagd en dat hijzelf namens de tweede verzoekende partij is opgetreden; dat de eerste verzoeker derhalve niet beschikt over de vereiste hoedanigheid om de nietigverklaring van het bestreden besluit te vorderen; dat zijn betoog hieraan geenszins afbreuk vermag te doen; X-8985-4/5 2.2.
  21. Overwegende dat het inleidend verzoekschrift werd ondertekend door Victor SOENS; dat deze persoon geen advocaat is; dat, op grond van artikel 19, derde lid, van de Raad van State-wet, zoals die bepaling gold op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift, de partijen zich toentertijd alleen mochten laten vertegenwoordigen door een advocaat ingeschreven op het tableau van de Orde der advocaten; dat de tweede verzoekende partij derhalve niet rechtsgeldig vertegenwoordigd is voor de Raad van State; dat het beroep derhalve ook in hoofde van de tweede verzoekende partij onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van het beroep, bepaald op 347, 06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier december 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8985-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.566 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.