id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.577 Rolnummer: A. 76097/IX-711 Zaak: Arrest 177577 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 04/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 04:25 Fiche Arrest nr 177.577 van 4 december 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.577 van 4 december 2007 in de zaak A. 76.097/IX-
- In zake : Roger LENAERTS, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, thans de minister van Ontwikkelings- samenwerking, die woonplaats kiest bij advocaat T. STIEVENARD, kantoor houdende te BRUSSEL, Krokussenlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roger LENAERTS op 6 november 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking van 20 oktober 1997 waarbij hij met ingang van 21 oktober 1997 tijdelijk wordt geschorst in het belang van de dienst; Gelet op het arrest nr. 69.332 van 3 november 1997 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerleg- ging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 7 november 1997 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; IX-711-1/15 Gelet op de beschikking van 5 juli 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. LINDEMANS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat A. VERMOORTELE, die loco advocaten T. STIEVENARD en L. NEELS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak
- De verzoeker is op het ogenblik van de bestreden beslissing directeur-generaal bij het Algemeen Bestuur voor Ontwikkelingssamenwerking (hierna: ABOS). Eind 1995 wordt door de Kamer van Volksvertegenwoordigers een bijzondere commissie opgericht, belast met de opvolging van de problemen van het ABOS. Op 8 juli 1997 dient die commissie haar verslag in. Een van de dossiers die daarin uitgebreid besproken worden, is het dossier “Malawi Railways”, dat betrekking heeft op een financiële tegemoetkoming van de Belgische Staat aan de Republiek Malawi, met het oog op de aankoop door “Malawi Railways” van onder meer spoorwegmaterieel in België. Op het ogenblik dat het verslag van de bijzondere commissie wordt ingediend, is het Hoog Comité van Toezicht met een IX-711-2/15 onderzoek terzake bezig. De twee met het onderzoek belaste commissarissen van het Hoog Comité van Toezicht stellen daarover op 9 september 1997 een tussentijds onderzoeksverslag op. Dat verslag wordt bezorgd aan de voorzitter van de bijzondere commissie. Een kopie van dat verslag wordt ook meegedeeld aan de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking; volgens de verwerende partij gebeurt dat op 16 oktober
- Met een schrijven van 16 oktober 1997, dat op het einde van de namiddag per drager aan de verzoeker wordt bezorgd, roept de staatssecretaris de verzoeker op om de dag nadien voor hem te verschijnen. In het schrijven deelt de staatssecretaris mee dat het tussentijds onderzoeksverslag van het Hoog Comité van Toezicht doet blijken van mogelijke oneerlijkheden en onwelvoeglijkheden in het kader van een contract gesloten tussen een bepaalde Belgische vennootschap en de “Malawi Railways”, en dat er in dit verband ook verdenkingen bestaan ten aanzien van de verzoeker. De staatssecretaris deelt voorts mee dat de feiten, gelet op hun weerslag op de werking van het ABOS, aanleiding zouden kunnen geven tot het nemen van een bewarende maatregel, met name een schorsing van de verzoeker in het belang van de dienst. Ten slotte wordt aangekondigd dat de staatssecretaris tijdens de hoorzitting de inhoud van het tussentijds onderzoeksverslag zal uiteenzetten, en dat de verzoeker in de gelegenheid gesteld zal worden om uitleg te geven over de zware feiten die hem ten laste worden gelegd, alsmede over de weerslag hiervan op de dienst. De verzoeker meldt zich op vrijdag 17 oktober 1997 te 14.30 u aan op het kabinet van de staatssecretaris, vergezeld van een raadsman. De staatssecretaris leest dan een toelichtende nota voor. In die nota wordt vooreerst kort gewezen op de door de bijzondere parlementaire commissie vastgestelde disfuncties van het ABOS, waarvoor de verzoeker volgens de nota mede verantwoordelijk zou zijn. Vervolgens wordt in de nota ingegaan op het dossier “Malawi Railways”. Gesteld wordt dat uit het tussentijds verslag van het Hoog Comité van Toezicht blijkt dat er een vermoeden bestaat dat de verzoeker zijn functies heeft gebruikt om in dat dossier tussen te komen voor economische belangen en winstbejag, maar dat anderzijds blijkt dat nog verder onderzoek nodig is. De nota somt dan een reeks feiten op die dat vermoeden zouden staven. De nota besluit dat de staatssecretaris zich genoodzaakt voelt om, louter ten bewarende titel, maatregelen in overweging te nemen die kunnen leiden tot een schorsing in het belang van de dienst. Na de voorlezing van die nota overhandigt de verzoeker van zijn kant een nota aan de IX-711-3/15 staatssecretaris, waarin hij voorbehoud maakt omtrent het inzetten van een procedure tot schorsing in het belang van de dienst, bezwaren uit tegen de gevolgde procedure en wijst op de naar zijn mening onzorgvuldige berichtgeving over de zaak in de pers. Vervolgens neemt de raadsman van de verzoeker het woord. In zijn betoog vraagt hij om een kort uitstel ten einde de precieze inhoud van de feiten te kunnen nagaan en het dossier te kunnen raadplegen. De raadsman wijst verder op de verjaring van de feiten, maakt voorbehoud met betrekking tot de oproeping zelf, betoogt dat de juiste aard van de maatregel allerminst duidelijk is en maakt gewag van onduidelijkheden en contradicties in het dossier die maken dat de verzoeker tijd moet worden gegeven om daarop te repliceren. De staatssecretaris overhandigt de verzoeker daarop de tekst van zijn toelichtende nota en roept de verzoeker op om opnieuw te verschijnen op maandag 20 oktober 1997 te 9.30 u. Op 20 oktober 1997 verschijnt de verzoeker opnieuw, ditmaal zonder raadsman. De staatssecretaris leest een nieuwe toelichtende nota voor, waarin hij ingaat op een aantal verweermiddelen die de verzoeker en zijn raadsman op de eerste zitting ontwikkeld hebben. De staatssecretaris beklemtoont hierin dat de voorgenomen schorsingsmaatregel een ordemaatregel is in het belang van de dienst, en geen tuchtmaatregel. Hij vraagt de verzoeker opnieuw zijn standpunt te laten kennen met betrekking tot de op hem rustende verdenkingen en over de desorganisatie van de dienst die uit die verdenkingen zou voortvloeien. De staatssecretaris beklemtoont dat een eventuele schorsingsmaatregel niet het gevolg is van verdachtmakingen die al lange tijd voordien in de pers zijn verschenen, maar dat het instellen van de schorsingsprocedure wordt verantwoord door het feit dat de staatssecretaris in het bezit gesteld is van het tussentijds onderzoeksverslag van het Hoog Comité van Toezicht, waarin de verzoeker rechtstreeks en persoonlijk aangeklaagd wordt. Ten slotte legt de staatssecretaris uit waarom een schorsing van de verzoeker in het belang van de dienst noodzakelijk is: in afwachting van het resultaat van de lopende onderzoeken moet het ABOS zich tijdelijk kunnen ontdoen van de directeur-generaal op wie een verdenking van oneerlijkheid rust en die zich moet kunnen verdedigen tegen de aanklachten. De staatssecretaris deelt zijn nota aan de verzoeker mee. Tijdens datzelfde onderhoud overhandigt de verzoeker een nota, met bijlagen, waarin hij antwoordt op de hem op 17 oktober 1997 overhandigde toelichtende nota. In dit document antwoordt hij uitgebreid op de stelling dat hij medeverantwoordelijk is voor de disfuncties in het ABOS, alsmede op de verdenkingen die op hem rusten binnen het raam van het dossier “Malawi Railways”. IX-711-4/15 Bij een besluit van dezelfde dag neemt de staatssecretaris dan de beslissing om de verzoeker tijdelijk te schorsen in het belang van de dienst, met ingang van 21 oktober
- Er wordt uitdrukkelijk bepaald dat de verzoeker gedurende zijn schorsingsperiode zijn aanspraken op bevordering en op weddeverhoging kan doen gelden. Dit is het bestreden besluit.
- Bij koninklijk besluit van 8 juli 1999 wordt de verzoeker eervol ontslag verleend uit zijn functie van administrateur-generaal, tweetalig adjunct, bij het ABOS, met ingang van 1 maart
- Hij wordt ook gemachtigd zijn aanspraak op pensioen te doen gelden en de titel van zijn ambt eershalve te voeren. Uit de brief die de verzoeker op 14 maart 2000 aan de Raad van State zendt, blijkt dat hij in de loop van de maand januari 2000 aan de (nieuwe) Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking en aan de (nieuwe) Minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking gevraagd heeft om aan de schorsing in het belang van de dienst een einde te stellen. Hierover om nadere uitleg verzocht door het met het onderzoek belaste lid van het auditoraat, deelt de staatssecretaris op 23 mei 2000 mee, via een schrijven gericht aan zijn raadsman, dat de ordemaatregel niet is opgeheven tijdens de periode dat de verzoeker rijksambtenaar was, dat de schorsing vanaf het ogenblik van de oppensioenstelling geen gevolg meer heeft, en dat het Ministerie meent dat het daarom niet nodig is de schorsingsmaatregel op te heffen. De staatssecretaris betreurt ook dat niet tijdig een tuchtvordering is ingesteld en dat de strafvordering verjaard is, maar hij kan niet anders dan zich daarbij neerleggen. Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
- In de voornoemde brief van 14 maart 2000 stelt de verzoeker dat hij van mening is dat hij nog steeds beschikt over een actueel belang bij zijn beroep, zonder dat evenwel nader te specificeren. In zijn laatste memorie stelt hij met betrekking tot zijn belang dat de schorsing weliswaar opgehouden heeft uitwerking te hebben vanaf de datum van zijn eervol ontslag, maar dat hierdoor de bestreden beslissing niet retroactief uit het rechtsverkeer is verdwenen, zodat hij een moreel belang bij zijn beroep behoudt. 2.
- De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat zij het actueel belang van de verzoeker bij diens vordering niet betwist. IX-711-5/15 2.
- Wanneer een schorsing in het belang van de dienst is gesteund op aanwijzingen dat de betrokkene ongeoorloofde feiten gepleegd zou hebben, kan de schorsing de reputatie van de betrokkene aantasten. De verzoeker kan aldus terecht een moreel belang laten gelden bij de vernietiging ervan, ook al is de schorsing intussen reeds afgelopen en is aan de verzoeker zelfs eervol ontslag verleend. Over de gegrondheid van het beroep 3.
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de schorsing van de Rijksambtenaren in het belang van de dienst, doordat de verzoeker zich heeft moeten verdedigen zonder de precieze feiten en grieven te kennen die in zijnen hoofde een gedraging zouden moeten uitmaken die de schorsing in het belang van de dienst verantwoorden, en zonder de mogelijkheid te hebben het dossier in te zien en kennis te nemen van de stukken waarop de verdenking ten laste van de verzoeker is gebaseerd, en zonder over een redelijke termijn te beschikken om zijn verdediging voor te bereiden, terwijl het recht van verdediging bij preventieve schorsing inhoudt dat de betrokkene tijdig, dit wil zeggen een redelijke termijn voordat hij zal worden verhoord, moet worden opgeroepen en in kennis gesteld van de precieze grieven die in zijnen hoofde een gedraging zouden uitmaken die de schorsing in het belang van de dienst verantwoorden, evenals van de precieze redenen die zijn verwijdering uit de dienst noodzakelijk maken, en dat de betrokkene de mogelijkheid moet hebben om het dossier in te zien. In de toelichting bij het middel zet de verzoeker uiteen dat hij op donderdag 16 oktober 1997 te 15.48 u in kennis werd gesteld van een oproeping door de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking om te worden gehoord op vrijdag 17 oktober te 14.30 u over de inhoud van een tussentijds onderzoeksverslag opgemaakt door het Hoog Comité van Toezicht. Hij heeft vooraf geen inzage gekregen van de stukken die een mogelijke verdenking in zijnen hoofde zouden kunnen staven. De staatssecretaris las hem enkel een “toelichting” voor. Op verzoekers vraag om een kopie van het dossier te verkrijgen en een uitstel van het verhoor tot de dinsdag nadien teneinde zijn verdediging te kunnen voorbereiden, werd hem enkel een kopie verstrekt van de toelichting die de staatssecretaris had voorgelezen en werd het verhoor uitgesteld tot maandagmorgen te 9.30 u. De verzoeker kon, zonder inzage van het dossier, tegen die dag slechts een nota IX-711-6/15 voorbereiden die louter gebaseerd was op de feiten en vermoedens waarvan hij vermoedde dat ze in aanmerking waren genomen in het verslag van het Hoog Comité van Toezicht. Op maandag 20 oktober 1997 las de staatssecretaris dan onverwacht een tweede “toelichtingsnota” voor, die de verzoeker evenmin op voorhand had kunnen inzien. Daarbij nodigde de staatssecretaris de verzoeker uit om zijn standpunt te laten kennen met betrekking tot de verdenkingen die op hem rustten en met betrekking tot de desorganisatie van de dienst die door deze verdenkingen werd teweeggebracht. De verzoeker kreeg niet de kans om hieromtrent zijn verdediging voorafgaand te organiseren of te repliceren. Tevergeefs heeft hij gevraagd het volledige dossier te mogen raadplegen. Dezelfde dag nog werd hij in kennis gesteld van het bestreden besluit. 3.
- De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord de toepasselijkheid van de rechten van verdediging niet. Zij stelt wel dat bij gebrek aan wettelijk of reglementair vastgelegde procedure, de inhoud die aan de rechten van verdediging gegeven moet worden, dient te worden beoordeeld rekening houdend met de aard van de in aanmerking genomen maatregel en met de zwaarwichtigheid van de grieven die zij voor de verzoeker veroorzaakt. In casu gaat het om een eenvoudige schorsingsmaatregel die niet gepaard gaat met weddeverlies of met een ontzegging van de mogelijkheid om rechten op bevordering of salarisverhoging te doen gelden. Te dezen heeft de verwerende partij zich, wat betreft de eerbiediging van de rechten van verdediging, op scrupuleuze wijze geschikt naar de criteria zoals die zijn vastgelegd door de Raad van State: - zo stelde de oproepingsbrief van 16 oktober 1997 duidelijk dat het verhoor kaderde in een procedure tot schorsing in het belang van de dienst. Het motief van het verhoor, te weten de verdenkingen van oneerlijkheden in hoofde van de verzoeker, in het kader van het dossier “Malawi Railways”, en de gevolgen daarvan in termen van desorganisatie van de dienst, werden uitdrukkelijk vermeld. Ook werd aan de verzoeker duidelijk gemaakt wat de draagwijdte van het verhoor was, en werd hem de mogelijkheid geboden om zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze; - het verhoor van 17 oktober 1997 vond plaats in tegenwoordigheid van verzoekers advocaat. De verzoeker werd op dat moment in het bezit gesteld van een document dat punt voor punt het geheel van de verdenkingen vermeldde die op hem wogen, zoals die werden vastgesteld door het Hoog Comité van Toezicht, IX-711-7/15 alsmede de gevolgen ervan voor de desorganisatie van de dienst. Dit document bevat het geheel van de motieven die de eventuele beslissing tot schorsing zouden kunnen verantwoorden. De verzoeker liet vervolgens zijn verweer mondeling en schriftelijk gelden. Verzoekers vraag om een tweede verhoor te houden op één van de door zijn raadsman voorgestelde data werd ingewilligd; - de verzoeker werd schriftelijk in kennis gesteld van de datum van het tweede verhoor, en heeft daartegen niet geprotesteerd; - bij het tweede verhoor op 20 oktober 1997 werd tevergeefs gewacht op de komst van verzoekers raadsman. De verzoeker verzocht niet om een uitstel. De verzoeker werd in het bezit gesteld van een tweede nota, waarin werd geantwoord op de verweermiddelen die hij in zijn geschrift van 17 oktober 1997 had laten gelden, maar die geen enkel nieuw element bevatte betreffende het voorwerp en de motieven van de eventuele beslissing tot schorsing. Vervolgens heeft de verzoeker een nota voorgelezen, die hij samen met bijlagen heeft overhandigd. Daarin antwoordt de verzoeker op de toelichting van de staatssecretaris van 17 oktober
- Aan het einde van dit verhoor heeft de verzoeker niet verzocht om een nieuw verhoor en gaf hij evenmin aan dat hij nog nieuwe stukken of verklaringen wenste over te maken. De verwerende partij meent dat derhalve niet kan worden aangenomen dat de verzoeker niet op de hoogte werd gebracht van de precieze feiten die de schorsing verantwoordden. Zij werden hem op exhaustieve wijze ter kennis gebracht, zowel in de oproepingsbrief van 16 oktober 1997 als in de nota's die hem op 17 en op 20 oktober 1997 werden overhandigd. Evenmin is het juist dat de verzoeker het dossier niet heeft kunnen inkijken en geen kennis heeft kunnen nemen van de stukken waarop de verdenking te zijnen laste is gebaseerd. Het verslag van de bijzondere parlementaire commissie was reeds lang door de verzoeker gekend. Het vertrouwelijke tussentijds verslag van het Hoog Comité van Toezicht kende de verzoeker niet, maar de inhoud ervan, voor zover dit een schorsing zou kunnen verantwoorden, werd hem tijdens het verhoor van 17 oktober 1997 mondeling en schriftelijk meegedeeld. De motivering van de schorsingsmaatregel is gebaseerd op de inhoud van de toelichting van 17 oktober 1997, gegeven en opgesteld door de staatssecretaris. De verzoeker beschikte aldus over alle pertinente elementen om zich bij het verhoor van 20 oktober tegen die aantijgingen te verdedigen, wat hij trouwens heeft gedaan middels een nota van 11 bladzijden aangevuld met volumineuze bijlagen. Uit het dossier blijkt trouwens dat de verzoeker tot in detail de feiten kende waarvan hij werd verdacht, hierbij IX-711-8/15 inbegrepen de nieuw ontdekte feiten en de voor hem zeer bezwarende stukken die aan de basis lagen van het tussentijds verslag van het Hoog Comité van Toezicht. Ten slotte verwijst de verwerende partij naar rechtspraak van de Raad van State waarin werd geoordeeld dat een termijn van twee dagen tussen de oproeping en het verhoor niet onredelijk kort is wanneer het enkel gaat om een ordemaatregel zoals een preventieve schorsing zonder weddeverlies. Te dezen heeft de verwerende partij bij het bepalen van de termijn rekening gehouden met de aard van de beoogde beslissing, zijnde een maatregel die geen afbreuk doet aan het vermoeden van onschuld, en met het feit dat de verzoeker reeds sedert verschillende maanden op de hoogte was van de verdenkingen die van aard waren om eventueel een schorsing tot gevolg te hebben. Het dossier toont aan dat de aan de verzoeker toegestane termijn voldoende was voor de uiteenzetting van zijn verweermiddelen. De verzoeker voert geen enkel concreet element aan dat de noodzaak van een langere termijn zou hebben verantwoord. 3.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker vooreerst dat de oproeping voor de eerste hoorzitting weliswaar melding maakte van verdenkingen die in het kader van het dossier “Malawi Railways” waren “vastgesteld” en van de gevolgen ervan in termen van desorganisatie van de dienst. Op geen enkel moment in de procedure kreeg de verzoeker echter de kans om puntsgewijs te repliceren omtrent de aanloopfase van het dossier “Malawi Railways”. Hij ziet ook het verband niet tussen verdenkingen uit de jaren *80 omtrent een bilateraal dossier en hun gevolgen in termen van desorganisatie van de dienst gelet op het feit dat hij op dat moment de leiding had van de directie-generaal belast met de multilaterale samenwerking. Met betrekking tot het verhoor van 17 oktober 1997 ontkent de verzoeker de stelling van de verwerende partij dat hij kennis kreeg van het geheel van de verdenkingen. Hij heeft geen kennis gekregen van het hele dossier, en meer bepaald niet van de stukken die een mogelijke verdenking in zijnen hoofde zouden kunnen staven. Hij kreeg enkel een kopie van de toelichting door de staatssecretaris, die slechts een zeer partieel beeld kon geven van de voorlopige bevindingen van het Hoog Comité van Toezicht. Met betrekking tot het verhoor van 20 oktober 1997, stelt de verzoeker dat de staatssecretaris onverwacht een tweede nota voorlas, die de verzoeker evenmin op voorhand heeft kunnen raadplegen. De staatssecretaris IX-711-9/15 nodigde de verzoeker weliswaar uit om zijn standpunt te geven over de verdenkingen van ernstige feiten en over de desorganisatie van de dienst, maar de verzoeker heeft de kans niet gekregen om zijn verdediging hieromtrent vooraf te organiseren of om te repliceren. Dezelfde dag werd hij immers reeds in kennis gesteld van het bestreden besluit. De verzoeker geeft toe tijdens het verhoor een nota te hebben voorgelezen en die, samen met bijlagen, te hebben overgelegd. Hij merkt hierbij op dat één van die bijlagen niet aan de Raad van State is voorgelegd. De commentaar die de verzoeker bij de betrokken nota heeft gegeven werd op band opgenomen maar niet uitgetypt, ondanks zijn vraag om een proces-verbaal van het verhoor op te stellen. De verzoeker ontkent de stelling van de verwerende partij als zouden de motieven die de schorsingsmaatregel verantwoorden hem op exhaustieve wijze ter kennis zijn gebracht of hem door het dossier ter kennis zijn gekomen, aangezien het tussentijdse onderzoeksverslag van het Hoog Comité van Toezicht niet eens ter inzage werd gegeven. Het gaat ook niet op te beweren dat de inhoud van dit verslag hem mondeling en schriftelijk werd meegedeeld tijdens het verhoor van 17 oktober 1997, zodat hij over alle pertinente elementen van het dossier beschikte. Wat ten slotte de tijd voor de voorbereiding van zijn verdediging betreft, erkent de verzoeker dat hij (op 20 oktober 1997) niet heeft verzocht om opnieuw te worden gehoord, omdat hij ervan uitging dat hij moest wachten op de derde fase in de procedure, zijnde de overlegging van het volledige dossier en de eventuele verantwoording nadien. Waar de verwerende partij stelt dat in verband met de toegestane tijd voor de verdediging rekening gehouden werd met de aard van de beslissing, namelijk een maatregel die geen afbreuk doet aan het vermoeden van onschuld, merkt de verzoeker op dat die kwalificatie sterk in tegenstelling staat tot de manier waarop de staatssecretaris zijn beslissing tot schorsing van de verzoeker in de openbaarheid heeft gebracht. Waar de verwerende partij aanvoert dat de verzoeker reeds sinds verscheidene maanden zeer goed geïnformeerd was over de verdenkingen die van aard waren om eventueel een schorsing tot gevolg te hebben, wijst de verzoeker erop dat hij weliswaar aanwezig was op de hoorzitting van de bijzondere parlementaire commissie toen om een bijkomend onderzoeksverslag werd gevraagd, maar dat hij sindsdien nooit de kans gekregen heeft om hierop enige uitleg te geven. Ook heeft hij nooit gedacht dat enige band met een eventuele schorsing gelegd kon worden. IX-711-10/15 3.
- In zijn laatste memorie herhaalt de verzoeker dat hij nooit de kans gekregen heeft om het tussentijds onderzoeksverslag van het Hoog Comité van Toezicht in te zien, ofschoon de schorsing volledig op dit document gebaseerd is. Alleen de tekst van de toelichtende nota is hem overhandigd. Pas maanden later, via het administratief dossier, heeft de verzoeker de kans gekregen om kennis te nemen van de integrale tekst van het verslag en van de stukken die een mogelijke verdenking in zijnen hoofde zouden kunnen staven. Indien hij tijdig kennis had kunnen nemen van voormeld verslag had hij zijn verweerschrift anders kunnen opstellen en zou hij alle misverstanden met precisie hebben kunnen weerleggen. Met betrekking tot de termijn om zich te verdedigen stelt de verzoeker dat hij een uitstel tot dinsdag 21 oktober 1997 heeft gevraagd, zodat zijn gebruikelijke raadsman bij het verhoor aanwezig zou kunnen zijn. De verwerende partij heeft het verhoor echter op maandag 20 oktober 1997 vastgelegd, zodat de verzoeker niet de gelegenheid heeft gehad om zijn verdediging voorafgaand te organiseren en de aantijgingen te weerleggen. Met betrekking tot de tweede hoorzitting voert de verzoeker aan dat hij de tweede toelichtingsnota niet vooraf heeft kunnen raadplegen. De nota was bovendien allesbehalve nauwkeurig, precies en duidelijk. Zo haalde de staatssecretaris naast het dossier “Malawi Railways” ook andere dossiers aan, zonder te specificeren om welke dossiers het gaat. De verzoeker herhaalt ook dat het dossier “Malawi Railways” reeds jaren geleden tot stand was gekomen, op een ogenblik dat hij niet eens voor het ABOS werkte. Hij betwist ook dat de Belgische regelgeving van toepassing zou zijn op het “Malawi Railways” dossier. Hij stelt dat beheer van financiële hulp onder het gezag en de verantwoordelijkheid van het ontvangende land valt. In casu zou dus de regelgeving van Malawi van toepassing zijn. De verzoeker meent dan ook dat de verwijzing in het bestreden besluit naar een project “dat beheerd werd door het ABOS met uitsluiting van ieder ander departement” in rechte faalt. Toen de verzoeker tijdens het tweede verhoor nogmaals verzocht om het volledige dossier te mogen inkijken werd dit hem opnieuw geweigerd. Met het verweer dat hij op de tweede hoorzitting gevoerd heeft, is geen rekening gehouden. De bestreden beslissing is reeds op dezelfde dag genomen, hij heeft geen proces-verbaal van de hoorzitting ter goedkeuring ontvangen, en een bepaald document dat hij aan de staatssecretaris heeft overhandigd blijkt niet te zijn IX-711-11/15 opgenomen in het administratief dossier dat de verwerende partij aan de Raad van State heeft overgemaakt. Op geen enkel element van zijn verweer wordt in de bestreden beslissing ingegaan, al was het maar oppervlakkig. De verzoeker besluit dat minstens het vermoeden bestaat dat de procedure over de ganse lijn een schijnvertoning is geweest en enkel heeft gediend als camouflage om hem uit de administratie te verwijderen. 3.
- De verwerende partij wijst er in haar laatste memorie o.m. op dat de bestreden beslissing duidelijk vermeldt dat rekening werd gehouden met de mondelinge verklaringen en met de twee nota’s van verweer neergelegd tijdens beide verhoren. De verwerende partij heeft de bedoelde documenten ook in het administratief dossier neergelegd. Waar de verzoeker poneert dat hem geen proces- verbaal van de tweede hoorzitting werd bezorgd, repliceert de verwerende partij dat de verzoeker geen enkel concreet verweermiddel aangeeft dat niet in de twee schriftelijke nota’s van verweer ontwikkeld zou zijn. Voor zover het neergelegde administratief dossier per vergissing niet volledig zou zijn, legt de verwerende partij een nieuw exemplaar van de ontbrekende nota neer. Het betreft overigens een nota uit 1993, die geen betrekking heeft op de weerslag van de vermoedens ten laste van de verzoeker op het belang van de dienst in
- 3.6.
- Het recht om te worden gehoord of om zijn standpunt naar voor te brengen geldt ingeval een maatregel wordt overwogen die steunt op het persoonlijk gedrag van de betrokkene en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten. Dit is met name het geval indien het bestuur overweegt om de betrokkene preventief te schorsen, in het belang van de dienst, omwille van diens gedrag. In een dergelijk geval moet het betrokken personeelslid in beginsel de gelegenheid krijgen om zijn standpunt kenbaar te maken, niet alleen over het bestaan en de ernst van de feiten die aan de basis liggen van de voorgenomen maatregel, maar ook over de noodzaak om die maatregel in het belang van de dienst te nemen. Bekeken vanuit het oogpunt van de verplichtingen van het bestuur, impliceert zulks dat het bestuur de feiten en de grieven vooraf ter kennis van het betrokken personeelslid moet brengen, dat het moet meedelen dat het overweegt hem preventief te schorsen, en dat het hem inzage moet verlenen in het dossier. Daarenboven moet aan het betrokken personeelslid een redelijke termijn gegeven worden om zijn verweer voor te bereiden. IX-711-12/15 3.6.
- In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat de verzoeker zich heeft moeten verdedigen zonder de precieze feiten en grieven te kennen die een schorsing in het belang van de dienst verantwoorden, moet vastgesteld worden dat de oproepingsbrief van 16 oktober 1997 verwijst naar het tussentijds verslag van het Hoog Comité van Toezicht in het kader van het dossier “Malawi Railways”, en naar de verdenkingen die daarin ten aanzien van de verzoeker worden geuit. De feiten en grieven worden vervolgens nader beschreven in de toelichtende nota die de staatssecretaris op 17 oktober 1997 heeft voorgelezen en aan de verzoeker heeft overhandigd. In die nota wordt gesteld dat uit het bedoelde verslag van het Hoog Comité van Toezicht blijkt dat met betrekking tot het dossier “Malawi Railways” een opsporingsonderzoek is geopend en dat, ook al is verder onderzoek nog nodig, er minstens een vermoeden bestaat dat de verzoeker zijn functies heeft gebruikt om in dat dossier tussen te komen voor economische belangen en winstbejag. De nota somt dan een reeks precieze feiten op, gehaald uit het verslag van het Hoog Comité van Toezicht, die dat vermoeden naar het oordeel van de staatssecretaris staven. Zoals uit de motieven van het bestreden besluit blijkt, is het de betrokkenheid van de verzoeker in het dossier van de “Rangeerlocomotieven Malawi” die de basis vormt voor de preventieve schorsing. Aldus blijkt dat aan de verzoeker mededeling is gedaan van de feiten en van de grieven die hem ten laste werden gelegd en waarop de staatssecretaris in het bestreden besluit ook effectief steunt. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 3.6.
- In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat de verzoeker zich heeft moeten verdedigen zonder de mogelijkheid te hebben het dossier in te zien en kennis te nemen van de stukken waarop de verdenking te zijnen laste is gebaseerd, moet vastgesteld worden dat de verzoeker inderdaad geen inzage heeft gekregen in het verslag van het Hoog Comité van Toezicht, ook al is de bestreden maatregel gesteund op de bevindingen vervat in dat verslag. De verwerende partij legt niet uit waarom het verslag niet ter inzage is gegeven. Weliswaar wijst zij er terloops op dat het gaat om een vertrouwelijk verslag, maar dit heeft de staatssecretaris blijkbaar niet belet om het verslag tegen de verzoeker in te roepen. Het verslag maakt bovendien deel uit van IX-711-13/15 het administratief dossier dat de verwerende partij na het instellen van het voorliggende beroep bij de Raad van State heeft neergelegd. De verwerende partij voert wel aan dat de inhoud van het verslag, voor zover dit een eventuele schorsing zou kunnen verantwoorden, op 17 oktober 1997 mondeling en schriftelijk aan de verzoeker is medegedeeld. Of de nota van de staatssecretaris van 17 oktober 1997 een getrouwe samenvatting bevat van het verslag van het Hoog Comité van Toezicht, is te dezen echter van ondergeschikt belang. Op het ogenblik dat de verzoeker kennis kreeg van de nota, op 17 oktober 1997, was het hem immers niet mogelijk om zich een idee te vormen over de mate waarin de samenvatting door de staatssecretaris overeenstemde met het verslag. Vanzelfsprekend was het de verzoeker ook niet mogelijk om te reageren op de precieze feiten en tenlasteleggingen vervat in het verslag, aangezien hij daarvan geen kennis had. Dat een voorafgaande inzage in het volledige verslag de verzoeker gebracht zou kunnen hebben tot het voeren van een ander, meer gericht verweer, blijkt uit zijn memorie van wederantwoord. Daarin voert de verzoeker aan, bij de bespreking van het derde middel, dat hij na kennisneming van het administratief dossier, en in het bijzonder van het bedoelde verslag van het Hoog Comité van Toezicht, tot de vaststelling is gekomen “dat de in het (verslag) aangevoerde feiten niet in hun volledige context zijn geplaatst, niet pertinent zijn en zeer selectief zijn aangehaald, om een bepaalde thesis te doen zegevieren”. Hij voert met name aan dat bepaalde cruciale brieven, uitgaande van de bij het dossier “Malawi Railways” betrokken Belgische vennootschap, verkeerd geïnterpreteerd werden, omwille van een verkeerd begrip van de Engelse tekst ervan. Nu het verslag van het Hoog Comité van Toezicht het geheel van de bevindingen bevatte waarop de tegen de verzoeker ingeroepen feiten en grieven zijn gesteund, heeft het niet ter inzage leggen van dat verslag te dezen tot gevolg gehad dat de verzoeker zich niet met een voldoende kennis van zaken tegen de voorgenomen maatregel heeft kunnen verweren. Zijn recht om gehoord te worden is in die omstandigheden niet geëerbiedigd. In zoverre is het middel gegrond. IX-711-14/15 3.6.
- Gelet op deze conclusie, dient het middel niet verder onderzocht te worden, in zoverre daarin ook nog wordt aangevoerd dat de verzoeker zich heeft moeten verdedigen zonder over een redelijke termijn te beschikken voor de voorbereiding van de verdediging. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking van 20 oktober 1997 waarbij de verzoeker met ingang van 21 oktober 1997 tijdelijk wordt geschorst in het belang van de dienst. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 4 december 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-711-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.577 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.69.332 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.