← België

Arrest 177640 - Milieuvergunningen - 06/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.640 Rolnummer: A. 184282/VII-37015 Zaak: Arrest 177640 - Milieuvergunningen - 06/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-17 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 04:28 Fiche Arrest nr 177.640 van 6 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.640 van 6 december 2007 in de zaak A. 184.282/VII-37.015. In zake : 1. Marc DE COSTER, 2. Jean GALLANT, 3. Jan LAVERS, 4. Florimond SCHOUKENS, 5. Bruno SCHOUKENS, 6. Jerika DE JONGE, 7. Seraphinus VAN DER CRUYS, 8. Chris VAN SCHAVENDIJK, die woonplaats kiezen bij advocaat D. DE GREEF, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan 30 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. tussenkomende partij : Rudy BAYENS, wonende te TERNAT, Pangaardenstraat 2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marc DE COSTER, Jean GALLANT, Jan LAVERS, Florimond SCHOUKENS, Bruno SCHOUKENS, Jerika DE JONGE, Seraphinus VAN DER CRUYS en Chris VAN SCHAVENDIJK op 6 juli 2007 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 2 mei 2007 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 26 oktober 2006, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Rudy BAYENS voor het uitbaten van een biogasinstallatie horende bij de rundveehouderij, gelegen te Ternat, Pangaardenstraat 2, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing op bepaalde punten wordt gewijzigd; VII-37.015-1/23 Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. DE GREEF, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. VAN OVERSTRAETEN die, loco advocaat J. DE SMET verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat met een verzoekschrift van 25 juli 2007 Rudy BAYENS, houder van de bestreden vergunning, vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat dit verzoek kan worden ingewilligd; 2. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-37.015-2/23 2.1. Rudy BAYENS, de tussenkomende partij, wil zijn bestaande rundveehouderij uitbreiden met een biogasinstallatie. De verzoekende partijen zijn omwonenden van de inrichting. 2.2. Op 7 februari 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning voor het plaatsen van een biogasinstallatie. Deze vergunning wordt evenwel vernietigd door het arrest nr. 169.389 van 26 maart 2007 van de Raad van State. 2.3. Op 3 juli 2006 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in die ertoe strekt een biogasinstallatie uit te baten die hoort bij een rundveehouderij. In essentie heeft de aanvraag als voorwerp : - vergisting van 1.700 ton GFT (Groente-, Fruit- en Tuinafval), met methaanwinning; - elektriciteitsproductie met twee generatoren; - een transformator; - een installatie voor de productie en omzetting van gassen; - opslag van gassen in een vast reservoir; - uitbreiding dierlijke mestopslag; - een inrichting waar dierlijke mest wordt bewerkt, met een bewerkingscapaciteit op jaarbasis van 5.420 ton; - twee vast opgestelde motoren met inwendige verbranding; - een warmtewisselaar. 2.4. Op 26 oktober 2006 verleent de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant een milieuvergunning met het volgende voorwerp : - vergisting van 1.700 ton groenafval, met methaanwinning (rubriek 2.2.3.c); - elektriciteitsproductie (2 generatoren), met een geïnstalleerd totaal elektrisch vermogen van 2 maal 190 kW (12.1.1/); - één transformator met een nominaal vermogen van 400 kVA (12.2.1/); - een installatie voor de productie en omzetting van gassen, cokesgas uitgezonderd, met een productiecapaciteit van 450 m³/uur (16.1.b).3/); - opslag van gassen in een vast reservoir, met een waterinhoudsvermogen van 500 m³ (16.8.3/); - een uitbreiding van de opslag van dierlijke mest, van 1.908 m³ tot 6.000 m³ (28.2.C).2/); VII-37.015-3/23 - een inrichting waar dierlijke mest wordt bewerkt, met een bewerkingscapaciteit op jaarbasis van 5.420 ton (28.3.b); - 2 vast opgestelde motoren met inwendige verbranding, met een nominaal vermogen van elk 200 kW (31.1.1/); - een warmtewisselaar met een waterinhoud van de secundaire ruimte van 250 liter (39.4.1/), zodat deze inrichting voortaan omvat : - het stallen van 170 grote zoogdieren (rubriek 9.4.3.C).1/); - vergisting van 1.700 ton groenafval, met methaanwinning (rubriek 2.2.3.c); - elektriciteitsproductie (2 generatoren), met een geïnstalleerd totaal elektrisch vermogen van 2 maal 190 kW (12.1.1/); - één transformator met een nominaal vermogen van 400 kVA (12.2.1/); - een installatie voor de productie en omzetting van gassen, cokesgas uitgezonderd, met een productiecapaciteit van 450 m³/uur (16.1.b).3/); - opslag van gassen in een vast reservoir, met een waterinhoudsvermogen van 500 m³ (16.8.3/); - een uitbreiding van de opslag van dierlijke mest, van 1.908 m³ tot 6.000 m³ (28.2.C).2/); - een inrichting waar dierlijke mest wordt bewerkt, met een bewerkingscapaciteit op jaarbasis van 5.420 ton (28.3.b); - 2 vast opgestelde motoren met inwendige verbranding, met een nominaal vermogen van elk 200 kW (31.1.1/); - een warmtewisselaar met een waterinhoud van de secundaire ruimte van 250 liter (39.4.1/). 2.5. Op 8 december 2006 dienen de verzoekende partijen een administratief beroep in tegen de verleende vergunning. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht : (

  1. a)de afdeling Natuur is van oordeel dat de exploitatie van de inrichting naar alle waarschijnlijkheid geen significante gevolgen heeft voor de natuurwaarden; (
  2. b)de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest adviseert gunstig; (
  3. c)de Vlaamse Landmaatschappij verleent een voorwaardelijk gunstig advies; (
  4. d)de afdeling Toezicht Volksgezondheid adviseert gunstig; (
  5. e)de afdeling Milieuvergunningen adviseert voorwaardelijk gunstig; VII-37.015-4/23 (
  6. f)de afdeling Stedenbouwkundig Beleid adviseert voorwaardelijk gunstig; (
  7. g)de afdeling Grondwaterbeheer is van oordeel dat zij geen advies moet verlenen; (
  8. h)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert voorwaardelijk gunstig. Tijdens de zitting van de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie legt de tussenkomende partij een nota neer. Tevens wordt een nota van de b.v.b.a. WELL MILIEUADVIES neergelegd, waar in essentie in wordt uiteengezet dat de installatie vanuit milieutechnisch oogpunt aanvaardbaar is. 2.6. Met een brief van 18 april 2007 deelt de raadsman van de verzoekende partijen aan de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu mee dat de bouwvergunning werd vernietigd ingevolge voornoemd arrest nr. 169.389 van 26 maart 2007 van de Raad van State. 2.7. Op 2 mei 2007 wordt het thans bestreden besluit genomen; 3. De ontvankelijkheid 3.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota in essentie aanvoert dat de verzoekende partijen niet preciseren waar hun woning ligt ten opzichte van de inrichting, hetgeen nochtans van belang is om de geurhinder die zij kunnen ondergaan te evalueren, dat enkel bewoners van woningen in de onmiddellijke omgeving van de inrichting beschikken over een afdoende belang; dat de verwerende partij daarnaast vraagt te onderzoeken of het schorsingsverzoek wel ontvankelijk is "ratione temporis" en dat het daartoe ten laatste op 6 juli 2007 op het postkantoor moet zijn aangeboden; 3.2. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst in essentie argumenteert dat de verzoekende partijen geenszins aantonen dat zij conform artikel 49, §1, 4/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), ten gevolge van de exploitatie van de biogasinstallatie rechtstreeks hinder zouden kunnen ondervinden, zodat er een manifest gebrek aan belang is in hunnen hoofde, dat zij evenmin aantonen dat zij onmiddellijke buur zijn, dat de inrichting niet meer hinder zal teweegbrengen dan kan worden verwacht in een agrarisch gebied; VII-37.015-5/23 3.3. Overwegende dat uit een plan en een luchtfoto die de verzoekende partijen bijbrengen blijkt dat zij in een relatief nabije omgeving van de inrichting wonen; dat het annulatieberoep en de vordering tot schorsing werden ingediend op 6 juli 2007; dat de excepties niet kunnen worden aangenomen; 4. De schorsingsvoorwaarden 4.1. Overwegende dat krachtens artikel 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.2.1. Overwegende dat, met betrekking tot de eerste voorwaarde, de verzoekende partijen in een eerste middel aanvoeren dat het bestreden besluit artikel 5, §2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel schendt doordat de verwerende partij op 2 mei 2007 een milieuvergunning verleent terwijl de stedenbouwkundige vergunning voor hetzelfde project werd vernietigd bij arrest nr. 169.389 van 26 maart 2007 van de Raad van State en zij hiervan door een aangetekend schrijven van de verzoekende partijen van 18 april 2007 op de hoogte werd gesteld; 4.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota antwoordt dat, indien met de verzoekende partijen wordt aangenomen dat door het vernietigingsarrest de stedenbouwkundige vergunning in laatste aanleg werd geweigerd en de milieuvergunning daardoor vervalt, het voorliggend beroep zonder voorwerp is, dat in deze hypothese aan de verwerende partij een bevoegdheidsoverschrijding zou kunnen worden aangewreven, dat de verzoekende partijen dit echter niet aanvoeren, dat het niet voorhanden zijn van de stedenbouwkundige vergunning niet tot gevolg heeft dat de erop betrekking hebbende milieuvergunning zonder rechtsgevolgen is, doch enkel dat de rechtseffecten tijdelijk zijn opgeschort tot wanneer een definitieve stedenbouwkundige vergunning is verleend; VII-37.015-6/23 4.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst betoogt dat de oorspronkelijke bouwvergunning door de gemeente Ternat werd ingetrokken op 28 november 2006, en dat de huidige milieuvergunning totaal onafhankelijk staat van het stedenbouwkundig dossier waar de stedenbouwkundige aanvraag nog moet worden ingediend; 4.2.4. Overwegende dat artikel 5, §2, van het milieuvergunningsdecreet luidt als volgt : "De milieuvergunning voor een inrichting waarvoor krachtens artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 een bouwvergunning of krachtens artikel 99, § 1, 1/, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening een stedenbouwkundige vergunning nodig is, wordt geschorst zolang deze laatste niet definitief is verleend. In dat geval gaat de termijn bepaald in artikel 17, tweede lid, van dit decreet, slechts in op de dag dat de bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning definitief is verleend. Wordt de bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning evenwel geweigerd dan vervalt de milieuvergunning van rechtswege op de dag van de weigering van de bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning in laatste aanleg. Het verval van de bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning wordt onverwijld meegedeeld aan de aanvrager en de overheid die de bouwvergunning verleent"; dat de verzoekende partijen uitgaan van de hypothese dat de bouwvergunning van 7 februari 2006 moet worden geacht te zijn geweigerd ingevolge het vernietigingsarrest nr. 169.389 van 26 maart 2007 van de Raad van State; dat deze hypothese evenwel op het eerste gezicht niet lijkt te kunnen worden bijgetreden, aangezien het college van burgemeester en schepenen van de gemeenteTernat na een vernietigingsarrest opnieuw uitspraak moet doen over de bouwaanvraag en eventueel toch nog de vergunning kan verlenen; dat het feit dat de bouwvergunning reeds werd ingetrokken op 28 november 2006 daar niets aan verandert, aangezien de bouwaanvraag werd ingediend en daarover uitspraak moet worden gedaan; dat het eerste middel niet ernstig is; 4.3.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 11 van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 17 van Vlarem I, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel doordat de bestreden beslissing niet besluit tot de nietigheid van het openbaar onderzoek terwijl, eerste onderdeel, een deel van VII-37.015-7/23 het aanvraagdossier, met name bijlage 10, is opgesteld in het Engels in plaats van het Nederlands, en, tweede onderdeel, zij niet in kennis werden gesteld door de bevoegde burgemeester overeenkomstig de bepalingen van het milieuvergunningsdecreet en "het uitvoeringsbesluit", en, derde onderdeel, de aanplakking van de bekendmaking van de milieuvergunningsaanvraag niet is gebeurd op de plaatsen zoals voorzien in de wet, en, vierde onderdeel, de bekendmaking van het openbaar onderzoek door de burgemeester niet is gebeurd op de plaats en de wijze voorzien in de wet, en, vijfde onderdeel, een vergunning wordt toegekend voor een aanvraagrubriek die niet werd aangevraagd en niet werd onderworpen aan een openbaar onderzoek, en, zesde onderdeel, de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de grieven van de verzoekende partijen die niet afdoende werden weerlegd; Overwegende dat de verzoekende partijen in essentie stellen dat aan vierde verzoeker, vijfde verzoeker en zesde verzoekster geen kennis werd gegeven van de milieuvergunningsaanvraag overeenkomstig artikel 17 van Vlarem I, hoewel zij zijn opgenomen in de lijst van kadastrale eigenaars, dat door net het omgekeerde te beweren, de verwerende partij de motiveringsplicht schendt, dat artikel 11 van het milieuvergunningsdecreet en artikel 17, §1, 2/, van Vlarem I eveneens zijn geschonden aangezien de verwerende partij de bewijskracht van een proces-verbaal van vaststelling van gerechtsdeurwaarder Hugo VAN BEVER, waaruit blijkt dat niet aan de bekendmaking van de milieuvergunningsaanvraag werd voldaan, schendt door te wijzen op "telefonisch contacten" met de milieuambtenaar van de gemeente Ternat waaruit blijkt dat wel aan de bekendmaking van de milieuvergunningsaanvraag werd voldaan, dat de argumentatie van de verzoekende partijen in het beroepschrift, met name, vooreerst, dat de publicatie in een dag- of weekblad met regionaal karakter laattijdig was, vervolgens, dat de vermelde inzageperiode niet correct was en op het ogenblik van de publicatie reeds verstreken was, en ten slotte, dat de aanvraag niet werd bekendgemaakt op de website van de gemeente, geenszins wordt weerlegd noch wordt tegengesproken door de verwerende partij, dat de tussenkomende partij een vergunning aanvroeg voor "rubriek 2.2.3.b)3/", dat het bestreden besluit een vergunning toekent voor " rubriek 2.2.3.c)", dat deze wijziging van voorwerp van de vergunning nooit aan een openbaar onderzoek werd onderworpen, dat het openbaar onderzoek op zoveel momenten is misgelopen dat het nietig moet worden verklaard, dat deze grieven niet werden beantwoord in het bestreden besluit; VII-37.015-8/23 4.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota betoogt dat niet precies is uiteengezet welke in artikel 5, §2, van Vlarem I opgenomen bepaling juist is geschonden door de aanwezigheid in het aanvraagdossier van een in de Engelse taal opgesteld document, dat het Engelstalig document een overtollig document is, dat de verzoekende partijen moeten aantonen dat het document verplicht mee te delen informatieve gegevens omvat en dat deze gegevens niet uit de andere bij de aanvraag te voegen documenten kunnen worden afgeleid, dat vierde verzoeker mede-eigenaar is van het perceel "sectie D, 200D", dat hij niet werd aangeschreven, doch dat de andere mede-eigenaar, Denise SCHOUKENS, wel werd aangeschreven, dat vijfde verzoeker en zesde verzoekster gebruikers zijn van het gebouw gelegen te Ternat, Pangaardenstraat 3, dat zij niet werden aangeschreven, dat de overheid evenwel niet kan weten wie de gebruikers zijn van een gebouw, dat de rechten van al deze partijen voldoende gevrijwaard blijken, nu zij tegen de in eerste aanleg verleende vergunning een administratief beroep konden instellen, dat de gerechtsdeurwaarder heeft nagelaten vaststellingen te doen binnen het gemeentehuis, zodat dit onderdeel de rechtens vereiste feitelijke grondslag mist, dat vermits de verzoekende partijen op een andere wijze dan via de bekendmaking in een dag- of weekblad kennis kregen van het openbaar onderzoek, zij geen belang hebben bij het onderdeel betreffende de foutieve bekendmaking in een dag- of weekblad, dat het argument dat een vergunning werd toegekend voor een andere rubriek dan aangevraagd, een nadere toelichting omvat, dat de verzoekende partijen overigens geen belang hebben bij dit middelonderdeel nu de deputatie vergunt wat is aangevraagd, doch blijkbaar een onjuist rubrieknummer vermeldt; 4.3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst antwoordt dat bijlage 10 een technische fiche betreft, dat uit de bezwaarschriften blijkt dat de verzoekende partijen alle documenten grondig hebben bestudeerd en perfect hebben begrepen, dat de milieuambtenaar van de gemeente Ternat aantoonde dat alle eigenaars werden aangeschreven, dat het feit dat niet alle gebruikers gekend zijn, evident is, dat de vergunning wel degelijk "rubriek 2.2.3b/3/" vermeldt; 4.3.4. Overwegende dat de aanvraag Engelstalige documenten zou hebben bevat die de verzoekende partijen niet konden begrijpen; dat geen van de partijen deze Engelstalige documenten bijbrengt; dat op het eerste gezicht niet blijkt dat de verzoekende partijen niet wisten om wat voor soort installatie het ging, welke haar werking was en welke mogelijke effecten te verwachten zijn; dat uit hun VII-37.015-9/23 beroepschrift integendeel blijkt dat zij zeer goed konden ingaan op de milieuhygiënische impact van de inrichting; dat zij niet aantonen dat de aanwezigheid van Engelstalige documenten het openbaar onderzoek dermate heeft aangetast dat het moet worden overgedaan; dat het in de huidige stand van het geding niet valt uit te sluiten dat de Engelstalige documenten overtollige documenten waren bij een Nederlandstalig aanvraagdossier dat reeds een volledige beoordeling mogelijk maakte; Overwegende dat artikel 17, §3, 1/, van Vlarem I bepaalt dat voor inrichtingen van de eerste klasse het openbaar onderzoek onder meer omvat : "het door de bevoegde burgemeester schriftelijk ter kennis brengen van de aanvraag aan de op de in artikel 5, § 4 bedoelde lijst van de kadastrale eigenaars voorkomende eigenaars alsmede aan de gebruikers van de gebouwen gelegen in een straal van 100 m rond de perceelsgrenzen van de inrichting voor zover deze gelegen zijn in dezelfde gemeente als de inrichting; indien één of meer van de kadastrale percelen of gebouwen binnen deze straal gelegen zijn op het grondgebied van een naburige gemeente, wordt de aanvraag schriftelijk ter kennis gebracht van het college van burgemeester en schepenen van deze gemeente dat op zijn beurt de voormelde gebruikers van de gebouwen en eigenaars binnen de vermelde straal in kennis stelt"; dat het niet wordt betwist dat Denise SCHOUKENS, de mede-eigenaar en echtgenote van vierde verzoeker, wel werd aangeschreven; dat op het eerste gezicht niet ingezien wordt dat samenwonende echtgenoten elkaar niet zouden inlichten over officiële kennisgevingen in verband met een hinderlijke inrichting die in hun buurt zou komen; dat het argument dat vijfde verzoeker en zesde verzoekster niet werden aangeschreven omdat zij gebruikers zijn, niet overtuigt aangezien zij wel waren ingeschreven op het kwestieuze adres; dat deze veeleer geringe formele tekortkoming evenwel niet leidt tot de ernst van het middel omdat milieuvergunningsaanvragen ook nog op andere wijzen, zoals officiële aanplakberichten, worden bekendgemaakt en vijfde verzoeker en zesde verzoekster samen met anderen een omstandig administratief beroep hebben ingesteld en bijgevolg voor hun belangen hebben kunnen opkomen; Overwegende dat uit het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder blijkt dat de vaststellingen betrekking hebben op uithangborden buiten het gemeentehuis; dat niet blijkt dat de gerechtsdeurwaarder vaststelde dat er ook binnen het gemeentehuis niets was aangeplakt, hoewel daar luidens de verwerende partij ook aankondigingsruimte was; VII-37.015-10/23 Overwegende dat artikel 17, §3, 4/, van Vlarem I bepaalt dat het openbaar onderzoek voor de inrichtingen van de eerste klasse omvat : "de bekendmaking van het openbaar onderzoek in opdracht van de bevoegde burgemeester, in minimum twee dag- en/of weekbladen waarvan één met regionaal karakter of in minstens een dag- of weekblad met regionaal karakter en op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats op de website van de gemeente"; dat moet worden vastgesteld dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij dit onderdeel; dat, behoudens vijfde verzoeker en zesde verzoekster, zij schriftelijk in kennis werden gesteld van de vergunningsaanvraag, zodat een eventuele vergissing in de aankondiging in de streekkrant hen niet de mogelijkheid ontnam om bezwaren in te dienen; dat ook voor vijfde verzoeker en zesde verzoekster bezwaarlijk kan worden aangenomen dat zij van niets wisten; dat men in de streekkrant van Asse-Dilbeek-Ternat van 10 augustus 2006 leest dat de aanvraag ter inzage lag van 3 juli 2006 tot en met 1 augustus 2006; dat gelet op de datum van publicatie van de streekkrant, het redelijkerwijze duidelijk moet zijn geweest dat het een materiële vergissing in de data betreft, en een eenvoudige contactname met het gemeentebestuur zou hebben geleerd dat het openbaar onderzoek liep van 18 juli 2006 tot 16 augustus 2006, zoals de verzoekende partijen in hun beroepschrift zelf aangeven; dat wie de streekkrant op dat ogenblik had gelezen gemakkelijk bezwaar kon indienen, temeer daar de periode van het openbaar onderzoek met twee weken werd verlengd en er bovendien een informatievergadering werd gehouden; dat, wat het ontbreken van de aankondiging op de website van de gemeente betreft, dit slechts is vereist bij bekendmaking in één regionaal weekblad, dat het in de huidige stand van het geding niet duidelijk is of er niet ook in een ander dag- of weekblad een aankondiging plaatsvond; Overwegende dat volgens de beroepen beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 26 oktober 2006 een vergunning is aangevraagd voor rubriek 2.2.3.b)3/, en een vergunning werd toegekend die betrekking heeft op rubriek 2.2.3.c); dat het bij nader toezien blijkt te gaan om een technische herkwalificatie van de vergunningsaanvraag; dat in de beroepen beslissing immers het volgende wordt gelezen : "Het groenafval kan aanzien worden als een bedrijfsafvalstof en valt niet onder de definitie van GFT (GFT is per definitie huishoudelijk afval). Daarom is rubriek 2.2.3.
  9. c)van toepassing en niet rubriek 2.2.3.
  10. b)3/"; dat het bestreden besluit de beroepen beslissing op dit punt bevestigt; VII-37.015-11/23 Overwegende dat het tweede middel in geen van zijn onderdelen ernstig is; 4.4.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel de schending aanvoeren van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van de artikelen 11.4.1., 15.4.6.1. en 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : het inrichtingsbesluit), van het koninklijk besluit van 7 maart 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse en van de omzendbrief RO/2006/01 betreffende het afwegingskader en de randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting, doordat het bestreden besluit de vestiging en exploitatie van een biogasinstallatie voor de productie van elektriciteit op basis van mest, gras en maïs toestaat in landschappelijk waardevol agrarisch gebied op tien meter van natuurgebied en het perceel van de tussenkomende partij en op minder dan honderd meter van de woningen van de verzoekende partijen, derwijze dat, vooreerst, hun woningen en tuinen op onduldbare wijze beroofd worden van uitzicht, rust en genot, vervolgens, hun gezinnen er worden blootgesteld aan verscheidene soorten hinder en, ten slotte, de schoonheidswaarde van het landschap zal worden aangetast; dat zij stellen dat de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening niet afdoende rekening houdt met de vereisten van artikel 15.4.6.1. van het inrichtingsbesluit en ertoe gehouden is de vergunning te weigeren, wanneer uit de gegevens van de zaak blijkt dat de ontworpen constructie kennelijk van aard is om overdreven hinder voor de buren te veroorzaken, dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de ontworpen constructie het evenwicht tussen de percelen met woningen van de verzoekende partijen en het perceel waarop de biogasinstallatie zal worden ingeplant op ernstige wijze verbreekt, dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de overheid, bij het verlenen van de vergunning, is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, noch dat zij die correct heeft beoordeeld, noch dat zij op grond daarvan in alle redelijkheid tot een besluit is kunnen komen of de uitvoering van de te vergunnen activiteit al dan niet schade toebrengt aan de goede ruimtelijke ordening, dat de aldus afgeleverde milieuvergunning strijdig is met het redelijkheidsbeginsel, doordat op ernstige wijze inbreuk wordt gemaakt op de rechtmatige woonsituatie van de verzoekende partijen, dat de toekenning van de milieuvergunning in de gegeven omstandigheden dan ook moet worden aanzien als een kennelijk onredelijke beslissing, dat in de onmiddellijke omgeving van de inplantingsplaats VII-37.015-12/23 woningen zijn gebouwd, dat biogasinstallaties omwille van de risico's voor de volksgezondheid die zij inhouden, niet stedenbouwkundig verenigbaar zijn in de onmiddellijke omgeving van bestaande woningen; dat zij voorts, in essentie, betogen dat de overheid de inplanting in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied moet toetsen aan een dubbel criterium, een planologisch en een esthetisch, dat de toetsing aan het esthetisch criterium ter zake niet afdoende is gebeurd, dat zelfs indien men zou aannemen dat het betrokken project een "mestbe- en mestverwerkingsinstallatie" van beperkte schaal betreft, de vergunningverlenende overheid de ruimtelijke verenigbaarheid niet correct heeft onderzocht in het raam van de voornoemde omzendbrief RO/2006/01, dat het bestreden besluit de onder 3.2.3. van voornoemde omzendbrief vermelde randvoorwaarden vanuit ruimtelijke ordening niet voldoende evalueert; 4.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota uiteenzet dat het middel de rechtens vereiste feitelijke grondslag mist, dat het bestreden besluit de bestaanbaarheid van de inrichting met het bestemmingsvoorschrift volgens het gewestplan, inzonderheid met de landschappelijke waarde van het gebied, onderzoekt, dat uit het bestreden besluit ook blijkt dat het geurhinderaspect werd onderzocht en dat werd aangetoond dat voldoende maatregelen werden genomen om deze hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken; 4.4.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt dat de verwerende partij zeer gemotiveerd op de argumentatie van de verzoekende partijen heeft geantwoord, en dat uit het correcte overzicht van het dossier blijkt dat de inrichting gelegen is op 200 meter van een natuurgebied en 200 meter van een parkgebied, dat de verwerende partij zeer uitvoerig motiveerde dat de ingeroepen hinder niet bewezen is en geenszins zal kunnen worden ondervonden bij de inplanting van de installatie; dat de tussenkomende partij dit nader toelicht voor de geurhinder, het ontploffingsgevaar, de geluidsoverlast, het mobiliteitsprobleem en het condenswater; dat zij doet gelden dat het bestreden besluit terecht stelt dat de hinder voor de omgeving tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt; 4.4.4. Overwegende dat artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening luidt als volgt : "De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige VII-37.015-13/23 generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit"; dat de artikelen 11.4.1, 15.4.6.1 en 19, derde lid van het inrichtingsbesluit bepalen wat volgt : Artikel 11.4.1 : "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden"; Artikel 15.4.6.1 : "De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen"; Artikel 19, derde lid : "De vergunning wordt evenwel, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, slechts afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening"; dat op het eerste gezicht mag worden aangenomen dat een biogasinstallatie waar mest en groenafval worden verwerkt dermate nauw aansluit bij de landbouw; dat zij thuishoort in een agrarisch gebied, zeker nu de verwerkte mest grotendeels van het eigen bedrijf afkomstig is; dat de verzoekende partijen niet overtuigend aantonen dat de installatie niet thuishoort in het agrarisch gebied; dat bijgevolg van een schending van artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit prima facie bezwaarlijk kan gewagen; dat het bestreden besluit gedetailleerd motiveert waarom de inrichting verenigbaar is met het landschappelijk waardevol karakter van het gebied; dat er een nauwgezette beschrijving wordt gegeven van de installaties en van de omgeving, en VII-37.015-14/23 de conclusie wordt getrokken dat de inrichting verenigbaar is met het landschappelijk waardevol karakter van het gebied; dat op het eerste gezicht niet blijkt dat de overheid uitgegaan is van onjuiste feitelijke gegevens; dat derhalve niet kan aangenomen worden dat de evaluatie die de overheid maakte kennelijk onredelijk was; dat het feit dat een landschapsarchitect een andere mening was toegedaan niet bewijst dat de beoordeling van de overheid kennelijk onredelijk was; dat de inrichting op circa 200 meter van een parkgebied en een natuurgebied ligt; dat de dichtstbijzijnde woning in de Pangaardenstraat gelegen is op circa 100 meter van de vergistingsinstallatie en op circa 70 meter van de silo's; dat de dichtstbijzijnde woning in de Zierebeekweg gelegen is op circa 130 meter van het digestaatbassin; dat in het bestreden besluit nauwkeurig en uitvoerig wordt stilgestaan bij de diverse hinderaspecten; dat men prima facie niet kan stellen dat de hinderaspecten niet of onvoldoende zouden zijn onderzocht, of dat al te lichtvaardig tot een verenigbaarheid met de bestemmingsvoorschriften en de goede ruimtelijke ordening zou zijn besloten; dat op het eerste gezicht niet blijkt dat de overheid zich steunde op onjuiste feitelijke gegevens of een beoordeling maakte die getuigt van onzorgvuldigheid of kennelijke onredelijkheid; Overwegende dat de voornoemde omzendbrief RO/2006/01 geen reglementaire draagwijdte heeft zodat het de overheid in elk geval vrijstaat er op een gemotiveerde wijze van af te wijken; dat het bovendien zeer de vraag is of de afgeleverde vergunning wel indruist tegen de omzendbrief; dat punt 3.2.3 van voornoemde omzendbrief als volgt luidt : "3.2.3. RANDVOORWAARDEN VANUIT RUIMTELIJKE ORDENING Bij de beoordeling kunnen verder een aantal elementen van ruimtelijke ordening worden geëvalueerd, waarbij het oordeel in positieve dan wel in negatieve zin kan doorwegen. Die elementen betreffen vooral de kenmerken van de activiteit, het gebouw of de functie met betrekking tot de ruimtelijke impact die ze hebben. - concentratie van de installatie-onderdelen en/of gebouwen op zich en totale grondoppervlakte (gebundeld op een kleine oppervlakte dan wel verspreid over een groot terrein; relatie met de bebouwde percelen in de omgeving : vergelijkbare terreinbezetting dan wel sterk afwijkend); - gebouwenconfiguratie en materiaalgebruik op zich (aangepast aan gebouwen in de omgeving dan wel sterk afwijkend); - ruimtelijke nabijheid van andere agrarische inplantingen (gebundeld met veeteelt/tuinbouwbedrijven die toeleveren aan de installatie dan wel als enige tussen andere functies ofwel temidden van een nog open of onbebouwde ruimte); - landschappelijke inkleding en homogeniteit van de omgeving (ingepast in het landschap, met bijzondere aandacht in definitief door de Vlaamse regering aangeduide ankerplaatsen); VII-37.015-15/23 - bijzondere waarden van de omgeving of nabijheid van specifieke bestemmingsgebieden. In landschappelijk waardevolle agrarische gebieden moet aan vorige punten bijzondere aandacht worden besteed"; dat de omzendbrief een aantal zeer algemene richtlijnen geeft waaraan bijzondere aandacht moet worden besteed in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden; dat op het eerste gezicht niet blijkt dat de verwerende partij volledig voorbij zou zijn gegaan aan de algemene criteria van die omzendbrief; dat het derde middel niet ernstig is; 4.5.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een vierde middel de schending aanvoeren van artikel 23 van de Grondwet, van artikel 174 van het E.G.-Verdrag, van artikel 1.2.1.,§2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 5, §2, van Vlarem I, van artikel 4.1.2.1. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de verplichting voor de vergunningverlenende overheid om de milieuvergunning te weigeren indien blijkt dat de geplande installatie kennelijk overdreven hinder voor de buren zal veroorzaken waardoor de maat van de gewone ongemakken tussen de buren wordt overschreden en van het zorgvuldigheids-, motiverings- en redelijkheidsbeginsel, doordat het bestreden besluit de vestiging en de exploitatie toelaat van een biogasinstallatie op minder dan 100 meter van de woningen van sommige verzoekende partijen, terwijl de geurhinder van deze installatie een overdreven hinder zal meebrengen voor hun woonsituatie, de externe veiligheid van de geplande installaties niet is gewaarborgd, niet duidelijk is wat er met het bedrijfsafvalwater zal gebeuren en er geen gebruik wordt opgelegd door de vergunningverlenende overhied van de best beschikbare technieken en er onvoldoende voorzichtig en preventief wordt opgetreden; Overwegende dat de verzoekende partijen van oordeel zijn dat er heel wat milieutechnische kanttekeningen bij het dossier te maken zijn; dat zij het dossier hebben laten doorlichten door erkende milieudeskundigen voor een kritische evaluatie; dat zij hun bevindingen integraal in het verzoekschrift hebben overgenomen; dat vooreerst omstandig wordt ingegaan op de bijkomende geurhinder ingevolge de volgende stappen in het biogasproces : de aanvoer van co- producten, de voor-of nabehandeling, de opslag van het te vergisten materiaal, de VII-37.015-16/23 verdere afwerking van het digestaat, het uitspreiden van het digestaat, kleine lekken, diffuse emissies, restemissies van verbrandingsgassen en het optreden van calamiteiten; dat zij besluiten dat het aanvraagdossier heel veel leemtes bevat met betrekking tot de geurproblematiek verbonden aan de biogasinstallatie, dat er al te gemakkelijk wordt gesteld dat er slechts in uitzonderlijke omstandigheden een kans op geurhinder is, dat uit de argumentatie blijkt dat de kans op abnormale geurhinder wel degelijk reëel is, dat de beroepen beslissing dan ook onvoldoende motiveert dat de geurhinder niet abnormaal is; dat zij voorts aanvoeren dat het milieuvergunningsaanvraagdossier weinig of geen informatie inzake externe veiligheid bevat, dat de veiligheidsmaatregelen die worden voorgesteld, uitsluitend een aantal voor de hand liggende organisatorische maatregelen betreffen, dat uit het dossier op geen enkele wijze is af te leiden welke veiligheidsvoorschriften en procedures zullen worden gevolgd of aanwezig zijn bij de opstart en exploitatie van de installatie; dat zij voorts een technische uiteenzetting geven over de exploitatie van een biogasinstallatie en concluderend stellen dat het aanvraagdossier inzake externe veiligheid heel wat inhoudelijke leemtes vertoont; dat zij nog aanvoeren dat het bestreden besluit ervan uitgaat dat er geen bedrijfsafvalwater door de biogasinstallatie wordt voortgebracht, dat in het werkplan van de biogasinstallatie, gevoegd bij de milieuvergunningsaanvraag, nochtans wordt uiteengezet dat het biogas ontwaterd wordt door een leiding van minimaal een 80-tal meter in de grond te graven, dat het condenswater zou worden opgevangen in een condensput, dat noch het aanvraagdossier noch het bestreden besluit uitsluitsel geven over wat er met het opgevangen condenswater gebeurt, dat het in ieder geval een bron van bedrijfsafvalwater betreft; dat zij aan de hand van een "Samenvattende tabel van gemeenten met aanvraag, al dan niet geweigerde, of gevestigde 'Biogas'- en 'Mestverwerkingsinstallatie'" betogen dat het concept van biogasinstallaties in Vlaanderen verre van een onverdeeld succes is, dat vooral de geurhinder verbonden aan dergelijke installaties een grote struikelblok is; dat zij in dat verband verwijzen naar artikel 1.2.1. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid dat een aantal belangrijke beginselen van het Vlaamse milieubeleid bevat dat, onder meer, berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen; dat zij stellen dat er twijfel bestaat of biogasinstallaties een normaal hinderpatroon met zich kunnen brengen, dat, gelet op de vele leemtes en de vele open vragen in het dossier, evenals de weinig hoopgevende resultaten inzake milieuoverlast van de functionerende installaties, deze twijfel rechtmatig is, dat het beter is een activiteit waar nog rechtmatige twijfel over bestaat, te weigeren dan een vergunning te verlenen, dat in die zin het bestreden besluit voornoemd artikel 1.2.1 VII-37.015-17/23 van voornoemd decreet van 5 april 1995 schendt, dat de adviesverlenende instanties een voorbehoud hebben geformuleerd bij het aanvraagdossier of het zelfs ongunstig hebben geadviseerd, dat door de afwezigheid van een noodfakkel ook de best beschikbare technieken niet worden toegepast en het bestreden besluit artikel 4.1.2.1. van Vlarem II schendt, dat, waar in artikel 5, §2, van Vlarem I duidelijk staat welke gegevens in de milieuvergunningsaanvraag moeten worden opgenomen, er nu alleen kan worden vastgesteld dat cruciale informatie om een correcte beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken ontbreekt; 4.5.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota stelt dat zij met betrekking tot de beweerde geurhinder verwijst naar haar opmerkingen op het derde middel, dat de kritiek dat het aspect van de externe veiligheid niet afdoende zou zijn onderzocht onjuist is zodat dit onderdeel van het middel de rechtens vereiste feitelijke grondslag mist, dat de kritiek inzake het bedrijfsafvalwater feitelijk onjuist is, nu het bestreden besluit duidelijk aangeeft dat het condenswater wordt opgevangen in een condensput en vervolgens wordt hergebruikt in de vergistingsinstallatie, dat van enige lozing derhalve geen sprake is, dat "de door het milieuadviesbureau Well op de GMVC neergelegde nota blijkt dat bij affakkeling volgens een studie van het VITO talrijke nefaste milieuaspecten kunnen optreden", dat de installatie van een affakkeling bovendien een dure aangelegenheid is voor de relatief kleine biogasinstallatie, dat de vooropgestelde veiligheidsmaatregelen in geval van een calamiteit een meer dan voldoende zekerheid bieden dat geen biogas kan ontsnappen naar de omgevingslucht; dat zij ten slotte opmerkt dat de verzoekende partijen in het geheel niet uitleggen waaruit blijkt dat het bestreden besluit artikel 23 van de Grondwet, artikel 174 van het E.G.-Verdrag en artikel 17 van het milieuver-gunningsdecreet schendt; 4.5.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst verwijst naar het derde middel en betoogt dat uit het dossier blijkt dat met de best beschikbare technieken wordt gewerkt en dat voldoende voorzichtig en preventief wordt opgetreden; 4.5.4. Overwegende dat de verzoekende partijen in essentie vragen dat de Raad van State zou over gaan tot een beoordeling van de verscheidene hinderaspecten; dat inzonderheid wordt gevraagd te onderzoeken of de bevindingen van de twee milieudeskundigen niet correcter zijn dan de bevindingen van de diverse adviesverlenende overheidsorganen waar de verwerende partij zich bij VII-37.015-18/23 aansloot; dat de Raad van State zich daarover niet kan uitspreken, omdat hij zich hierbij zou mengen in een loutere opportuniteitskritiek; dat het vierde middel niet ernstig is; 4.6.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een vijfde middel de schending aanvoeren van de Europese richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de verwerende partij een milieuvergunning die werd verleend door de deputatie grotendeels bevestigt terwijl het project niet wordt onderworpen aan een milieueffectenrapportage (MER) en de verwerende partij haar besluit geenszins motiveert waarom geen milieueffectenrapportage zou zijn vereist; dat zij hierbij stellen dat krachtens voornoemde Europese richtlijn alle plannen die worden voorbereid met betrekking tot landbouw, energie, afvalstoffenbeheer en ruimtelijke ordening of grondgebruik aan een milieueffectenrapportage moeten worden onderworpen, dat er geen twijfel kan over bestaan dat het beleid van de overheid inzake mestverwerkingsinstallaties moet worden gekwalificeerd als een dergelijk plan, dat het geenszins opgaat dat concrete projecten voor mestverwerking kunnen worden aangevraagd en vergund nog vooraleer de overheid heeft voldaan aan haar prioritaire verplichting tot het opmaken van een plan-MER; dat zij er voorts op wijzen dat het huidige beleidskader volstrekt onvolkomen is en tegelijk binnen zijn beperktheid "ongerijmdheden" in relatie tot de voorliggende milieuvergunningsaanvraag biedt; dat zij deze "ongerijmdheden" opsommen; 4.6.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota betoogt dat de milieuvergunningsaanvraag niet valt onder het toepassingsgebied van de geschonden geachte Europese richtlijn, dat er ook niet valt in te zien waarom een MER bij de vergunningsaanvraag moest worden gevoegd en nog minder om welke reden de verwerende partij een MER zou dienen op te leggen; 4.6.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst eveneens betoogt dat er geen enkele wettelijke bepaling is die een MER vereist, dat de door de verzoekende partijen aangehaalde teksten manifest VII-37.015-19/23 middelgrote en grote installaties betreffen, terwijl het in casu een kleine installatie betreft; 4.6.4. Overwegende dat de verzoekende partijen op algemene wijze verwijzen naar voornoemde Europese richtlijn 2001/42/EG; dat zij geen precieze bepaling aanduiden op grond waarvan de bewuste biogasinstallatie aan de MER- plicht zou zijn onderworpen; dat er op het eerste gezicht geen bepaling is op grond waarvan het project MER-plichtig zou zijn; dat de verzoekende partijen evenmin aangeven op grond van welke concrete bepaling een plan-MER moest worden opgemaakt; dat de verwerende partij niet moet motiveren waarom zij bepaalde vereisten niet oplegt indien die vereisten niet in een rechtsregel zijn gesteld en dat wat uit de wet voortvloeit niet expliciet moet worden herhaald in de beslissing; dat het vijfde middel niet ernstig is; 4.7.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in het zesde middel de schending aanvoeren van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 11 van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 17 van Vlarem I en van het onpartijdigheids-, het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel en de hoorplicht doordat het bestreden besluit de beroepen beslissing wijzigt door er aan toe te voegen "Een vergistingsinstallatie met een maximale capaciteit van 12.000 ton per jaar, waarvan maximaal 5.420 ton mest, 230 ton gras en voederresten, 1.700 ton groenafval en 4.650 ton maïs (energieteelt), zodat op jaarbasis 84% stromen zullen worden vergist die direct afkomstig zijn van de land- en tuinbouw (45% mest en 39% maïs) en 16% andere organische en biologische stromen zullen worden vergist", terwijl de aanvraag slechts werd ingediend voor een vergistingsinstallatie met een maximale capaciteit van 7.120 ton per jaar, het openbaar onderzoek dat werd gevoerd enkel betrekking had op de oorspronkelijke aanvraag, de aanvrager geen beroep heeft aangetekend tegen de beroepen beslissing en een capaciteitsverhoging voor vergisting van 7.120 ton naar 12.000 ton toebedeeld krijgt, en de verzoekende partijen ondanks vraag daartoe niet werden gehoord door de Gewestelijke Milieu- vergunningscommissie; dat de verzoekende partijen stellen dat de wapengelijkheid in de afhandeling van dit dossier tussen hen en de tussenkomende partij ver zoek was, dat het argument inzake de schending van het onpartijdigheidsbeginsel niet wordt beantwoord in het bestreden besluit, dat ook bij de kritiek op de afwezigheid van gebruik van de best beschikbare technieken de verwerende partij geen kritische evaluatie van het project maakt, doch er zich toe beperkt de toelichting van de VII-37.015-20/23 tussenkomende partij voor waarheid te aanzien, ondanks de leemtes en onduidelijkheden die erin voorkomen, dat in elk stadium van de procedure de vergunningverlenende overheden derhalve blijk geven van een vooringenomenheid ten voordele van de aanvrager en ten nadele van de bezwaren van de omwonenden, dat dit niet verzoenbaar is met het zorgvuldigheidsbeginsel, dat nochtans aan de bestuurshandeling een nauwgezette belangenafweging ten grondslag moet liggen en het onderzoek van het bestuur zonder vooringenomenheid moet geschieden; 4.7.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota betoogt dat blijkens het bestreden besluit het aanvraagdossier, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, betrekking heeft op een vergistingsinstallatie met een maximale capaciteit op jaarbasis van 12.000 ton, waarvan 5.420 ton mest, 230 ton gras en voederresten, 1.700 ton groenafval en 4.650 ton maïs, dat het bestreden besluit overweegt dat het opportuun is om deze hoeveelheden te vermelden in het voorwerp van de vergunning; 4.7.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt dat er in casu geen sprake is van een verhoging van de capaciteit, dat in het aanvraagdossier duidelijk wordt gesteld dat de maximale capaciteit op jaarbasis 12.000 ton bedraagt, waarvan 5.420 ton mest, 230 ton gras en voederresten, 1.700 ton groenafval en 4.650 ton maïs, die op haar gronden worden geteeld; 4.7.4. Overwegende dat het bestreden besluit overweegt dat in het voorwerp van de beroepen beslissing geen maximale capaciteit wordt aangegeven van de vergistingsinstallatie, dat in het aanvraagdossier wordt gesteld dat de maximale capaciteit op jaarbasis 12.000 ton bedraagt, waarvan 5.420 ton mest, 230 ton gras en voederresten, 1.700 ton groenafval en 4.650 ton maïs die op gronden van de tussenkomende partij worden geteeld, en dat het opportuun is deze hoeveelheden te vermelden in het voorwerp van de vergunning; dat het bestreden besluit dit vervolgens formeel vastlegt in artikel 2.1.; dat het bestreden besluit derhalve zo nauwgezet mogelijk lijkt te willen aansluiten bij het aanvraagdossier, veeleer dan méér te vergunnen dan datgene wat werd aangevraagd; dat er op het eerste gezicht geen rechtsregel of algemeen beginsel voorhanden is op grond waarvan de indieners van een administratief beroep moeten worden gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie of door de vergunnende overheid; dat een dergelijke VII-37.015-21/23 verplichting, overeenkomstig artikel 13, §3, van het milieuvergunningsdecreet, enkel voorzien is ten aanzien van de exploitant indien deze het vraagt; dat de deelname van de tussenkomende partij aan de vergadering van de milieuraad waarop haar dossier ter sprake kwam, betrekking heeft op de procedure in eerste aanleg; dat niets erop wijst dat de verwerende partij in een of ander opzicht partijdig zou hebben gehandeld; dat het zesde middel niet ernstig is; 4.8. Overwegende dat geen van de aangevoerde middelen ernstig wordt bevonden; dat er bijgevolg niet is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Rudy BAYENS in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-37.015-22/23 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes december tweeduizend en zeven, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.015-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.640 Gerelateerde publicatie(
  11. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.711 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.