id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.709 Rolnummer: A. 184891/IX-5738 Zaak: Arrest 177709 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 10/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-21 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 177.709 van 10 december 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.709 van 10 december 2007 in de zaak A. 184.891/IX-
- In zake : Eric LEYS, woonplaats kiezend te BRUSSEL, Chazallaan 33 tegen : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, dat woonplaats kiest bij advocaten P. PEETERS en A. VANDAELE, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eric LEYS op 20 juli 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de vernietiging te vorderen van de beslissing van 17 april 2007 van de commissie van beroep inzake ambtena- renzaken van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarbij het beroep dat hij heeft ingediend tegen zijn evaluatie “onvoldoende” en zijn beroeps- ongeschiktheidsverklaring ontvankelijk, maar niet gegrond wordt bevonden; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door eerste auditeur B. THYS, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 15 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 november 2007; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-5738-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. LEEMANS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat A. VANDAELE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker is sedert 1 april 1998 in dienst van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Hij is vast benoemd assistent bij het Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting van de Directie Stedenbouw. Het functioneren van de verzoeker geeft aanleiding tot bemerkingen vanwege zijn hiërarchische meerderen: zijn prestaties blijken ontoereikend en vooral verzoekers werkattitude en respect voor de geldende werktijden zijn problematisch. Op 5 december 2002 leidt dit tot een evaluatie “onder voorbehoud”; op 19 december 2003 tot een evaluatie “onvoldoende”, op 6 december 2004 tot een evaluatie “onder voorbehoud”, en op 21 december 2005 tot een evaluatie “onvoldoende”. Op 1 maart 2007 kent zijn hiërarchische meerdere hem opnieuw de evaluatie “onvoldoende” toe. Met een brief van 5 maart 2007 deelt de hiërarchische meerdere het evaluatieverslag en de toegekende evaluatie mee. Hij wijst er voorts op dat hij zich, omwille van de twee opeenvolgende evaluaties “onvoldoende”, genoodzaakt ziet om de verzoeker met toepassing van artikel 137 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, beroepsongeschikt te verklaren. IX-5738-2/6 Op 16 maart 2007 dient de verzoeker beroep in bij de Commissie van beroep inzake ambtenarenzaken van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Op 16 april 2007 dient hij bij de commissie een voorstel in tot halftijds werken gedurende achttien maanden. Met dat voorstel wil de verzoeker verkrijgen dat het hem mogelijk wordt zijn negatieve uursaldo goed te maken, dat ingevolge het niet-respecteren van de geldende werktijden is opgelopen tot circa 600 uren. Tijdens de hoorzitting van 17 april 2007 verklaart de verzoeker onder meer, op vraag van de voorzitter, dat het laattijdig aankomen op het werk het gevolg is van een medisch probleem, dat hij ook nader toelicht. Op 17 april 2007 verklaart de commissie verzoekers beroep tegen zijn evaluatie en tegen de verklaring van beroepsongeschiktheid ontvankelijk, maar ongegrond. De evaluatie “onvoldoende” wordt bevestigd. De commissie verklaart voorts dat zij niet bevoegd is om zich uit te spreken over het voorstel van de verzoeker om halftijds te werken. Ten slotte verklaart zij een advies over de definitieve beroepsongeschiktheid van de verzoeker te zullen uitbrengen bij de benoemende overheid. Deze beslissing, die het voorwerp vormt van het voorliggende beroep, wordt met een schrijven van 18 mei 2007 ter kennis van de verzoeker gebracht. Ondertussen, op 10 mei 2007, heeft de Commissie van beroep ook haar advies over de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid van de verzoeker aangenomen. Dit advies wordt niet aan de verzoeker meegedeeld. Op 5 juli 2007 besluit de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om de verzoeker met ingang van 31 juli 2007 wegens beroepsongeschiktheid te ontslaan, en om vervolgens, vanaf 1 augustus 2007, met hem een arbeidsovereenkomst van drie maanden te sluiten. Over de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring 2.
- Krachtens artikel 2, § 1, 3/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, moet een verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer een uiteenzetting van de feiten en de middelen bevatten. IX-5738-3/6 Deze verplichting betreft een substantieel vormvereiste, waarvan de niet-naleving leidt tot de onontvankelijkheid van het verzoekschrift. Onder een “middel”, zoals bedoeld in de voormelde reglementaire bepaling moet worden verstaan: een voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of van het overtreden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. 2.
- In zijn verzoekschrift schrijft de verzoeker, na vermeld te hebben dat zijn beroep gericht is tegen de beslissing van de Commissie van beroep van 17 april 2007: “Mijn motivatie om een verzoek tot schorsing en een verzoek tot vernietiging in te dienen bij de Raad van State is tweeërlei. Vooreerst ben ik van mening dat mijn medisch probleem opzettelijk als een persoonlijk probleem werd voorgesteld tijdens de formulering van de beslissing van de beroepscommissie van 17 april 2007, teneinde mijn medische problematiek niet te hoeven onderkennen. Vervolgens lijkt het me niet correct dat de beroepscommissie mijn verzoek tot halftijds werken niet spontaan heeft doorgestuurd naar de bevoegde hiërarchische overste en zichzelf bijgevolg op dit punt enkel onbevoegd heeft verklaard. Bovendien staat er in artikel 174 van het besluit van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 6 mei 1999 houdende het administratieve statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet heel duidelijk vermeld bij welke instantie een verzoek tot halftijds werken om persoonlijke redenen dient ingediend te worden. Los van het voorgaande heeft de beroepscommissie door zich onbevoegd te verklaren om zich uit te spreken over mijn voorstel om halftijds te werken geen rekening gehouden met een begin van een oplossing voor mijn medisch probleem, dat aan de basis ligt van mijn minder optimaal functioneren.” In deze uiteenzetting kan geen voldoende duidelijk uitgewerkt middel, zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 3/, van het voormelde besluit van de Regent worden onderkend. Vooreerst laat de verzoeker volkomen in het ongewisse welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zou zijn geschonden doordat de bestreden beslissing “[zijn] medisch probleem opzettelijk als een persoonlijk probleem [voorstelt]”. Overigens is het medische probleem dat de verzoeker tijdens zijn verhoor heeft aangevoerd, evenzeer een persoonlijk probleem, zodat niet valt in te zien hoe de verzoeker door de kwalificatie, in de bestreden beslissing, van zijn beweerd medisch probleem als een persoonlijk probleem, in zijn belangen zou zijn geschaad. Alleszins kan uit de bedoelde kwalificatie niet zonder meer worden IX-5738-4/6 afgeleid dat de commissie van beroep heeft beoogd verzoekers medisch probleem “niet te hoeven onderkennen”. Bovendien formuleert de verzoeker geen enkele kritiek op de motieven van de bestreden beslissing die duidelijk maken waarom zijn persoonlijk probleem de verwerping van zijn beroep en het behoud van zijn evaluatie “onvoldoende” niet in de weg staat. De verzoeker kan dan ook niet worden geacht een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur betreffende de materiële motiveringsplicht aan te voeren. Voorts hebben de bedenkingen van de verzoeker bij de beslissing van de commissie van beroep om zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van zijn verzoek tot halftijds werken geen betrekking op de wettigheid van die beslissing. De verzoeker stelt weliswaar dat het hem “niet correct” lijkt dat de commissie van beroep zijn verzoek niet heeft doorgestuurd naar de bevoegde hiërarchische overste, maar hij oefent geen wettigheidskritiek uit op het feit dat de commissie van beroep beslist zich niet zelf over dat verzoek te kunnen uitspreken. Nu het verzoekschrift geen middelen blijkt te bevatten, moet ambtshalve vastgesteld worden dat het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk is. Over de vordering tot schorsing
- Uit het onderzoek van de zaak is gebleken dat de beslechting van het geschil ten gronde afgedaan kan worden in korte debatten, in de zin van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er is bijgevolg geen grond meer om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. IX-5738-5/6 Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 10 december 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5738-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.709 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div