id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.712 Rolnummer: A. 184694/IX-5723 Zaak: Arrest 177712 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 10/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-19 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:33 Fiche Arrest nr 177.712 van 10 december 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.712 van 10 december 2007 in de zaak A. 184.694/IX-5723. In zake : Kim DE GRAUWE, die woonplaats kiest bij advocaat H. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72 tegen : de Politiezone Brussel West
(5340), die woonplaats kiest te BRUSSEL, Briefdragerstraat 2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Kim DE GRAUWE op 6 augustus 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigver- klaring te vorderen van de beslissing van 4 juni 2007 van de korpschef van de politiezone Brussel-West waarbij hij bij hoogdringendheid voorlopig geschorst wordt met inhouding van 25 % van zijn wedde evenals van de beslissing van 11 juni 2007 van de korpschef en de voorzitter van het politiecollege van de politiezone Brussel-West waarbij zijn dringende voorlopige schorsing met inhouding van 25 % van zijn wedde bevestigd wordt; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 16 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5723-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. WAEGEMANS die, loco advocaat H. VERMEIRE verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A. HAEGEMAN die, loco advocaat M. FORET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1.1. Verzoeker is sedert juni 1999 werkzaam als inspecteur van politie bij de politiezone Brussel-West. 1.2. Middels een 2 juni 2007 gedateerd administratief verslag deelt de divisiecommissaris bij de federale politie - DR-9 Divisie Anti-drugs aan de dienst intern toezicht van de politiezone Brussel-West mee wat volgt : “Via huidig rapport, informeren wij U : 1. Belast te zijn geworden door het Parket van Brussel op 1 juni 2007 in het kader van het dossier BR.60.98.21016/07 met als missie : - formele identificatie van de genaamde Kim DE GRAUWE, lid van de lokale politiezone West; - over te gaan tot zijn interpellatie - over te gaan tot een huiszoeking met toestemming - hem te verhoren met inziens hem te confronteren met verklaringen ten zijne laste 2. Belanghebbende, (...) werd vrijgelaten na verhoor in de schoot van onze eenheid en na advies van de Magistraat met dienst (...)”. Met een 2 juni 2007 gedateerde brief deelt de dienst intern toezicht aan de korpschef van de politiezone Brussel-West mee dat zij ervan op de hoogte gebracht zijn dat er een onderzoek betreffende verdovende middelen loopt waarin verzoeker betrokken is. IX-5723-2/9 1.3. Met een 4 juni 2007 gedateerde nota deelt de korpschef aan verzoeker zijn beslissing mee om hem bij hoogdringendheid voorlopig te schorsen met ingang van 3 juni 2007 en die voorlopige schorsing te laten gepaard gaan met een inhouding van wedde van 25 %. In die nota wordt verzoeker in kennis gesteld van zijn recht om onmiddellijk na de uitspraak van de dringende voorlopige schorsing te worden gehoord en wordt hij verzocht zich hiertoe op 5 juni 2007 aan te bieden bij de dienst intern toezicht. Deze beslissing van 4 juni 2007 van de korpschef maakt het eerste voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing. Op 5 juni 2007 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn vakbondsaf- gevaardigde, verhoord. Op 6 juni 2007 dient hij een verweerschrift in. 1.4. Op 6 juni 2007 deelt het parket van de procureur des Konings te Brussel aan de voorzitter van het politiecollege mee dat verzoeker ervan verdacht wordt cocaïnegebruiker te zijn, zij het voorlopig enkel in zijn privéleven, alsook mededader en/of medeplichtig te zijn aan het verkopen van verdovende middelen, voornamelijk aan zijn rechtstreekse collega’s. 1.5. Blijkens het door de verwerende partij neergelegd uittreksel uit de notulen van het politiecollege, uitzonderlijke zitting van 11 juni 2007, beraad- slaagt het politiecollege op die datum over het agendapunt “dringende voorlopige schorsing bij ordemaatregel - bevestiging van de beslissing van de korpschef - beslissing van voorlopige schorsing bij ordemaatregel - de Heer DE GRAUWE Kim (HTO)” en neemt zij de volgende beslissing : “(...) Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier; Overwegende het bestaan van een opsporingsonderzoek lastens de Heer DE GRAUWE K.; Overwegende het bestaan van het gerechtelijk dossier met notitienummer BR.60.98.21016/07 van het Parket Brussel; Overwegende dat de aanwezigheid van de genaamde DE GRAUWE in de dienst van de lokale politie 5340 ‘Brussel-West’ onverenigbaar is met het belang van de dienst aangezien het bestaan van een proces-verbaal wegens gebruik van drugs erge schade berokken(
- t)aan de nodige vertrouwensband tussen hem en de politiezone en eveneens aan het imago van het politiekorps; Gelet op het feit dat de genaamde DE GRAUWE het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk dossier wegens zwaarwichtige feiten, onaanvaardbaar in (hoofde) van een politieambtenaar en die strijdig zijn met de waardigheid van het ambt en men niet kan eisen van de andere (...) politieambtenaren die hun dienst met waardigheid, op onberispelijke wijze en met alle nodige IX-5723-3/9 beroep(s)ernst vervullen, deze verder met de genaamde DE GRAUWE K. zullen werken met de vereiste sereniteit; (...) Overwegende dat Inspecteur DE GRAUWE (via de Heer VAN BELLEGHEM, vakbondsafgevaardigde) vraagt dat het gerechtelijk dossier met notitienummer BR.60.98.21016/07 hem ter beschikking wordt gesteld; Overwegende dat de politiezone Brussel-West alleen maar weet dat een gerechtelijk dossier met notitienummer BR.60.98.21016/07 bij het Parket geopend is, maar geen beschikking (over) dit dossier kan hebben; Overwegende dat het daarom onmogelijk is dat het gerechtelijk dossier ter beschikking van de Heer DE GRAUWE wordt gesteld; Overwegende dat de genaamde DE GRAUWE niet akkoord gaat met de inhouding van wedde van 25 procent omdat het volgens hem niet in verhouding staat met de reden; Overwegende dat het uit de fax van 06/06/07 van de Procureur des Konings A. VAN MOLLE blijkt dat Inspecteur DE GRAUWE verdacht wordt cocaïne- gebruiker te zijn, alsook mededader of medeplichtig te zijn aan het (verkopen) van verdovende middelen, voornamelijk aan rechtstreekse collega’s; Overwegende dat het een heel ernstig feit is en dat het onaanvaardbaar en niet motiverend zou zijn voor politieambtenaren van dezelfde graad die hun werk met waardigheid doen dezelfde wedde dan de Heer DE GRAUWE te krijgen; Overwegende, bovendien, dat de heer DE GRAUWE niet meer zal werken en geen verplaatsingskosten meer zal hebben; Overwegende dat Inspecteur DE GRAUWE ten tijde van zijn verhoor en in zijn geschrift van 06/06/07 geen gewag maakte van ongewone of bijzondere lasten; Overwegende dat de voorlopige schorsing van de Heer DE GRAUWE geen straf is maar wel een manier om de genaamde DE GRAUWE uit het politie- korps te weren; Overwegende dat Inspecteur DE GRAUWE immers verdacht wordt cocaïnegebruiker te zijn alsook mededader of medeplichtig te zijn aan het (verkopen) van verdovende middelen, voornamelijk aan zijn rechtstreekse collega’s; Overwegende dat de aanwezigheid van Inspecteur DE GRAUWE in het politiekorps dus niet mogelijk is omdat hij een risico voor zijn collega’s is; Gelet op artikelen 2, 3 en 59 tot 65 van de wet van 13/05/99; Gelet op de elementen in rechte en in feite bedoeld hiervoor; Gelet op het verhoor van de genaamde DE GRAUWE Kim dat niet van aard is om de elementen in rechte en in feite bedoeld hiervoor te weerleggen; (...) Besluit : In onze hoedanigheid van hogere tuchtoverheid beslissen wij : 1. de dringende voorlopige schorsing bij ordemaatregel tegen de heer DE GRAUWE Kim, identificatienr. 442911494, te bevestigen die door de gewone tuchtoverheid op datum van 04/06/07 is beslist; 2. de voorlopige schorsing bij ordemaatregel van de genaamde DE GRAUWE Kim te verlengen overeenkomstig artikel 61 derde lid van de wet van 13 mei 1999 : ‘Wanneer echter een opsporingsonderzoek loopt of een strafver- volging werd ingesteld wegens de feiten die de voorlopige schorsing motiveren, dan mag de schorsing tijdens de duur van de strafprocedure door de minister van Binnenlandse Zaken of de burgemeester of het politiecollege worden verlengd zonder dat zij de vier maanden mag overschrijden nadat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of nadat het dossier werd geseponeerd dan wel de strafvordering vervallen is’; IX-5723-4/9 3. de voorlopige schorsing van de genaamde DE GRAUWE Kim houdt een inhouding van wedde van 25 % in, rekening houdend met de beperkingen vermeld in het artikel 64 van de wet van 13 mei 1999 die een bestaans- minimum waarborg(
- en)krachtens de wet van 07 augustus 1974 met als motivatie : het feit dat de genaamde DE GRAUWE Kim niet meer zal werken en geen verplaatsingskosten meer zal hebben, dat de heer DE GRAUWE ten tijde van zijn verhoor op 05/06/07 en in zijn geschrift van 06/06/07 geen gewag maakte van ongewone of bijzondere lasten, dat het onaanvaardbaar en niet motiverend zou zijn voor politieambtenaren van dezelfde graad die hun werk met waardigheid doen dezelfde wedde dan de Heer DE GRAUWE te krijgen; 4. de dienst Intern Toezicht te belasten met de kennisgeving van deze beslissing aan de genaamde DE GRAUWE Kim.” Deze beslissing, die het tweede voorwerp vormt van de vordering, wordt op 11 juni 2007 ter kennis van verzoeker gebracht. De voorwaarden voor de schorsing. 2. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de rechten van verdediging. Hij betoogt dat de bestreden beslissingen melding maken van een gerechtelijk dossier van het parket van de procureur des Konings te Brussel, maar dat dit gerechtelijk dossier hem - zelfs niet gedeeltelijk- ter inzage gegeven is en dat de verwerende partij voor het nemen van het bestreden besluit over informatie beschikte die hem onthouden is. 4. De verwerende partij stelt in haar nota met opmerkingen dat zij alleen maar in kennis gesteld werd van het bestaan van een gerechtelijk dossier, maar daar zelf niet over beschikte. 5. In het besluit van 11 juni 2007 overweegt het politiecollege dat het niet over een gerechtelijk dossier kan beschikken, maar alleen maar weet heeft van het bestaan ervan. Geen stuk van het dossier laat toe ook maar te vermoeden dat die stelling niet met de waarheid zou stroken. Het eerste middel is niet ernstig. IX-5723-5/9 6. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 63 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van het personeel van de politiediensten (hierna: de tuchtwet), doordat het niet duidelijk is of de gewone tuchtoverheid, na de hoogdringende voorlopige schorsing, het dossier wel aan het politiecollege overgezonden heeft, terwijl de beslissing die hem op 11 juni 2007 ter kennis gebracht werd, ondertekend is door de waarnemend voorzitter van het politiecollege en de korpschef, wat betekent dat de bevestiging van zijn dringende schorsing een gezamenlijke beslissing is van de gewone tuchtoverheid en de hogere tuchtoverheid, hetgeen niet te verzoenen is met artikel 63 van de tuchtwet. Bovendien wordt in het hem ter kennis gebrachte stuk geen melding gemaakt van een zitting van het politiecollege noch van de datum waarop het college een beslissing zou genomen hebben. 7. De verwerende partij antwoordt dat het politiecollege in een “uitzonderlijke zitting” van 11 juni 2007 de dringende voorlopige schorsing van verzoeker bevestigd heeft, dat de kennisgeving van die beslissing, die eveneens op 11 juni 2007 gebeurde, wel ondertekend is door de korpschef en de waarnemend voorzitter van het college, maar dat dit niets afdoet aan het feit dat het politiecollege zelf de beslissing genomen heeft, zoals blijkt uit het uittreksel uit de notulen die zij in het administratief dossier neerlegt. 8. Overeenkomstig artikel 29, vijfde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, moet de briefwisseling uitgaande van het politiecollege ondertekend worden door de voorzitter en wordt zij medeondertekend door de korpschef. De kennisgeving die verzoeker ontvangen heeft voldoet aan die bepaling. Dat de korpschef de kennisgeving aan verzoeker medeondertekend heeft, is dan ook de eenvoudige toepassing van die bepaling en bewijst geenszins dat de korpschef deel gehad heeft aan de bekrachtiging van zijn dringende voorlopige schorsing. Uit de notulen van de vergadering van 11 juni 2007 blijkt wel dat de korpschef van verzoeker aanwezig was op die vergadering van het politiecollege, waar zijn beslissing tot hoogdringende schorsing bekrachtigd werd, maar die aanwezigheid -die overigens voorgeschreven is door artikel 29, tweede lid, van de wet van 7 december 1998 en die ertoe strekt de korpschef in de gelegenheid te stellen aan het college “aanvullende inlichtingen of verduidelijkingen te verstrekken die het de mandatarissen toelaten met de nodige kennis van zaken te beraadslagen IX-5723-6/9 en te besluiten” (Memorie van toelichting, Parl. St. Kamer, 1997-1998, stuk 1676/1, p. 22)- betekent niet dat de korpschef lid is van het college of dat hij in de vergadering een medebeslissende of zelfs een beraadslagende stem heeft. Met andere woorden, uit de loutere aanwezigheid van de korpschef op de vergadering van het politiecollege mag niet zonder meer afgeleid worden dat de korpschef de stemming beïnvloed heeft en dat hij aldus ook deel heeft aan de beslissing van het politie-college. 9. De beslissingen van het politiecollege worden overeenkomstig voormeld artikel 29 bewezen door de notulen van de vergadering, die opgemaakt worden door de secretaris van het college en vervolgens overgeschreven en ondertekend zijn door de voorzitter en de secretaris. De verwerende partij legt met betrekking tot de bekrachtiging van de dringende voorlopige schorsing van verzoeker dergelijk uittreksel uit de notulen voor. Daarmee bewijst zij dat het politiecollege op 11 juni 2007 de voorlopige schorsing van verzoeker met inhouding van 25% van zijn wedde bekrachtigd heeft. Het middel is niet ernstig. 10. Het derde middel is gericht tegen de beslissing om voor de periode van de preventieve schorsing, 25 % van de wedde van verzoeker in te houden. Verzoeker acht te dien aanzien de formele en de materiële motiveringsverplichting en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Volgens hem kan de verwerende partij niet wettig verwijzen naar zijn persoonlijke toestand, is de verwijzing naar de ontstentenis van verplaatsingen zo algemeen dat het voor elke geschorste ambtenaar geldt en is het bovendien onrealistisch de verplaatsingskosten te bepalen op 25 % van de wedde. Voorts vormt de algemene verwijzing naar de bekommernis om andere ambtenaren niet de demotiveren, geen motivering die op zijn concrete situatie betrekking heeft en blijkt ook uit niets waarom een geringere inhouding van zijn wedde niet zou kunnen volstaan. 11. De verwerende partij stelt in haar nota met opmerkingen dat het bestreden besluit duidelijk en, voortgaande op de argumenten die verzoeker in zijn verweerschrift aangebracht had, ook correct gemotiveerd is. 12. De tuchtwet laat het bestuur toe om aan een preventieve schorsing een inhouding van een deel van de wedde te koppelen. Het betreft een discretionaire IX-5723-7/9 bevoegdheid, die gewis een deugdelijke grondslag moet hebben, maar die voorts enkel door de Raad van State vernietigd kan worden wanneer het bestuur zijn beoordelingsbevoegdheid op kennelijk onredelijke wijze gebruikt. 13. De omstandigheid dat de betrokkene geen prestaties meer moet leveren en hij als gevolg daarvan ook geen onkosten meer moet maken is, hoe algemeen ook geformuleerd, uiteraard een motief dat een beslissing tot inhouding van de wedde kan onderbouwen. Te dezen heeft het bestuur daarnaast ook rekening gehouden met het feit dat, nu de schorsing van verzoeker verband houdt met een gerechtelijk onderzoek tegen hem op verdenking van ernstige misdrijven, het voor de overige personeelsleden demotiverend zou zijn indien verzoeker nog zijn gehele wedde zou behouden. Ook dat is een valabel motief. Dat beide motieven voor een groot aantal gevallen kunnen gelden, ontneemt deze motieven in het hier besproken geval hun deugdelijk karakter niet. 14. Gewis motiveert de verwerende partij niet expliciet waarom het bedrag van de inhouding vastgesteld wordt op het maximum dat de wet toelaat. Zij overweegt in het bestreden besluit wel dat verzoeker in zijn verweer “geen gewag gemaakt heeft van ongewone of bijzondere lasten”. Zijnerzijds toont verzoeker niet aan waarom naar zijn oordeel de toepassing van dat maximum in zijn geval dan wel kennelijk onredelijk is. Het derde middel is niet ernstig. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5723-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 10 december 2007, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5723-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.712 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.962 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div