← België

Arrest 177716 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 10/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.716 Rolnummer: A. 178078/XIV-27048 Zaak: Arrest 177716 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 10/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-20 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:33 Fiche Arrest nr 177.716 van 10 december 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.716 van 10 december 2007 in de zaak A. 178.078/XIV-27.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat T. OP DE BEECK, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Diestsevest 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 27 oktober 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 13 september 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 7 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat T. OP DE BEECK verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-27.048-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “Enig middel: schending van de motiveringsplicht - Schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, m.n. de motiverings- plicht - Schending van art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; - Schending van art. 62 Vreemdelingenwet; Het is een algemeen rechtsbeginsel dat iedere bestuurshandeling moet steunen op motieven in feite en in rechte; ook art. 62 vreemdelingenwet vereist dat de administra- tieve beslissingen met redenen worden omkleed; "L'exigence de la motivation d'une décision est destinée à ce que l'intéressé ait parfaitement connaissance des raisons que la justifient”. (Cons. Etat, 12 mai 1989, arrêt n/ 32.560, R.A.C.E., 1989); Bovendien verplicht de wet van 29 juli 1991 de overheid bij elke bestuurshandeling met individuele draagwijdte in de beslissing zelf de feitelijke en juridische grondslag aan te duiden waarop hij steunt; Deze motivering moet bovendien afdoende zijn; Het is duidelijk dat de beslissing in kwestie een beslissing is die onderworpen is aan de formele motiveringsplicht. In casu komt te blijken dat deze formele motivering hoogst gebrekkig is; Dat de Vaste Beroepscommissie haar motivering van de weigeringsbeslissing in feite beperkt tot twee stellingnames, die in dezelfde lijn liggen als hetgeen het CGVS reeds had beslist; Dat het hier eigenlijk gaat om het louter beamen van hetgeen het CGVS eerder in haar beslissing stelde, en dat het zelfs om een quasi "herkauwen" gaat; Aangezien enerzijds de Vaste Beroepscommissie stelt dat verzoekster haar identiteit en reisweg niet kan bewijzen, bij gebreke aan enig document daaromtrent; Dat dit gegeven op zich nooit doorslaggevend kan zijn in de beoordeling van het gehele asielrelaas; dat immers de ontstentenis van stukken en/of documenten niet a priori leidt tot de ongeloofwaardigheid van het relaas; Dat indien het relaas op zich plausibel, coherent en wars van tegenstrijdigheden is, dit in se niet ondersteund hoeft te wordend door stukken, en aldus op zichzelf kan staan; Dat de Vaste Beroepscommissie dit element dan ook slechts subsidiair kan inroepen, met name voor zover er om andere redenen (die aldus meer relevant zijn) wel terecht zou zijn geweigerd; Dat anderzijds, meer inhoudelijk, de Vaste Beroepscommissie de visie van het CGVS herhaalt, zeggende dat haar verhaal op sommige punten weinig plausibel klinkt, en daarbij in één korte alinea de omstandigheid van verzoeksters minderjarigheid verwerpend; Dat dit gegeven nochtans een essentiële rol speelt in de beoordeling van de zaak door de asielinstanties; dat dit ook zo was geargumenteerd in het verzoekschrift in beroep; Dat moet worden vastgesteld dat de Beroepscommissie een veel te algemeen en nietszeggend antwoord heeft geformuleerd op dit onomstotelijke gegeven, en aldus geweigerd heeft rekening te houden met deze uitzonderlijke omstandigheid; Dat de motivering op dat punt dan ook ontoereikend en onafdoend is; Dat verzoekster had aangegeven dat de hiaten die er soms waren, hun verklaring konden vinden in het feit dat verzoekster bepaalde traumatische gebeurtenissen onbewust trachtte te verdringen; dat het haar zeer zwaar viel daarover te praten, laat staan zich alle details ervan accuraat te herinneren; dat verzoekster slechts indrukken XIV-27.048-2/5 weergaf, vermits hij in die overdonderende momenten deze details niet allemaal kon opslaan; Dat hetzelfde geldt m.b.t haar kennis omtrent het FLEC; dat de Vaste Beroepscommis- sie eraan voorbij gaat dat een zestienjarig meisje deze situatie niet perfect kent, en verkeerde conclusies kan trekken o.b.v. hetgeen zij ziet; Dat de Vaste Beroepscommissie er zich vanaf maakt door te zeggen dat verzoekster geen "infans” meer was (zonder deze term nader uiteen te zetten) vermits ze een vaste relatie had en zou worden uitgehuwelijkt, en vermits ze tot haar 15 jaar onderwijs had gevolgd; Dat de Beroepscommissie dan minstens had dienen te motiveren waarom deze omstandigheden (dewelke gewoon feitelijkheden zijn, en geen inschatting van de psychologische toestand geven) maken dat verzoekster de facto al volwassen was, ondanks haar 16 jaar; Dat een dergelijke motivering achterwege blijft; Dat daardoor geen (relevant) antwoord werd gegeven op het in het verzoekschrift opgeworpen middel, nl. dat de minderjarigheid op alle vlak deze asielprocedure heeft bemoeilijkt; Dat de Beroepscommissie had dienen te motiveren waarom men verzoeksters bijgebrachte argumenten zomaar diende te verwerpen en als niet plausibel kon afdoen; dit louter zo stellen houdt uiteraard geen motivering in; Dat het voor het overige om een lang en zeer gedetailleerd relaas ging, waarbij verzoekster over heel wat andere en minder belangrijke details wel coherente verklaringen aflegde; dat het niet logisch zou zijn dat hij zich daarin niet ontelbare keren zou vergissen, mocht het verhaal uitgevonden geweest zijn; Dat dit gedeelte van de beslissing dan ook onvoldoende onderbouwd in motivering voorkomt; Dat in globo de Vaste Beroepscommissie aldus nalaat enige deugdelijke motivering te geven voor haar beslissing; Dat het middel dan ook ernstig is;”; 1.
  4. Overwegende dat noch artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), noch de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de door hem vastgestelde tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van betrokkene niet te verklaren zijn door omstandigheden die niet aan verzoekster zijn toe te rekenen en of deze contradicties dermate belangrijk zijn dat erdoor de geloofwaardigheid van het asielrelaas wordt aangetast; dat deze beoordelingen door de Raad van State, optredend als administratie- ve cassatierechter, niet kunnen worden overgedaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat de verplichting voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen om haar beslissing te motiveren inhoudt dat zij de redenen aangeeft waarop zij het beschikkend gedeelte van haar beslissing grondt; dat het bij verwerping volstaat dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen melding maakt van de weigeringsmotieven; dat elementen of gegevens in het voordeel van de vreemdeling niet noodzakelijk in de beslissing moeten worden opgenomen; dat uit het loutere feit dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de motivering of een deel ervan uit de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft XIV-27.048-3/5 overgenomen niet bij voorbaat kan worden afgeleid dat zij het beroep niet integraal heeft onderzocht en als zodanig de motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel zou hebben geschonden; dat de volle rechtsmacht die zij bezit verplicht, noch verbiedt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de weigeringsmotieven van de voor haar bestreden beslissing over te nemen of te verwerpen; dat zij enkel een beslissing dient te nemen die op afdoende wijze gemotiveerd is en aangeeft waarom een kandidaat-vluchteling (niet) beantwoordt aan de erkenningscriteria van het Vluchtelingenverdrag; dat hierbij niet noodzakelijk expliciet op elk aangevoerd argument in het beroepschrift dient te worden ingegaan; dat uit de bestreden beslissing overigens blijkt dat expliciet wordt ingegaan op het aangevoerde element van de minderjarigheid van verzoekster tijdens haar vlucht; dat tevens afdoende wordt aangegeven waarom verzoeksters aanvraag om erkenning als vluchteling als ongeloofwaardig wordt geweigerd; dat het enig middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  5. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-27.048-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien december tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-27.048-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.716 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.