← België

Arrest 177728 - Varia (justitie) - 10/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.728 Rolnummer: A. 150407/XIV-19261 Zaak: Arrest 177728 - Varia (justitie) - 10/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-24 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:33 Fiche Arrest nr 177.728 van 10 december 2007 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.728 van 10 december 2007 in de zaak A. 150.407/XIV-19.

  1. In zake : Kenneth REGAN, alias Kenneth AVERY, die woonplaats kiest bij Advocaat M. LIERMAN, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Julius Dooghelaan 65 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, die woonplaats kiest bij Advocaat B. DERVEAUX, kantoor houdende te 3078 KORTENBERG, Veldstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Kenneth REGAN, alias Kenneth AVERY, van Britse nationaliteit, op 5 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Minister van Justitie van 3 maart 2004 tot uitlevering van verzoeker aan de Britse autoriteiten; Gelet op het arrest nr. 159.297 van 30 mei 2006 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 7 juli 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK; Gelet op de beschikking van 2 maart 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XIV-19.261-1/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 25 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 november 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. PATTYN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat B. DERVEAUX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Op 2 augustus 2003 verzoeken de Britse overheden om de uitlevering van verzoeker. 1.
  5. Op 3 maart 2004 neemt de Minister van Justitie het besluit tot uitlevering van verzoeker. Dit is het bestreden besluit: “DE MINISTER VAN JUSTITIE, Gezien de nota dd. 14.08.2003 van de ambassade van Groot-Brittannië te Brussel waarbij de uitlevering wordt gevraagd van de Britse onderdaan REGAN Kenneth, alias AVERY Kenneth, geboren te Perivale op 19.12.1948; Gezien de daarbij overgelegde stukken waaronder: I. het bevel tot aanhouding dd. 26.06.2003 uitgevaardigd door de District Judge (Magistrates Court) te Londen wegens: 1) tot 5): moord, feiten gepleegd op Brits grondgebied, op of voor 22.04.2003, 6):ontvoering, feiten gepleegd op Brits grondgebied op of voor 20.02.2003, 7): wederrechtelijke vrijheidsberoving, feiten gepleegd op Brits grondgebied op of voor 20.02.2003, 8) a-f : belemmering van de rechtsgang, feiten gepleegd op Brits grondgebied op of voor 30.04.2003, 9) verhinderen van de begrafenis of verberging van een lijk, feiten gepleegd op Brits grondgebied op of voor 22.04.200

(0)
  1. II. het bevel tot aanhouding dd. 07.08.2003 uitgevaardigd door de District Judge (Magistrates Court) te Londen wegens verhinderen van de begrafenis of verberging van een lijk, feiten gepleegd op Brits grondgebied op of voor 15 juni 2003; XIV-19.261-2/14 Gezien het advies uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent op 12.02.2004; Gelet op het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957 en de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Lidstaten van de Europese Unie van 27 september 1996; Gelet op de uitleveringswetten van 1 oktober 1833 en 15 maart 1874; Overwegende dat de feiten omschreven onder I. a-f naar Belgisch recht geen misdrijf uitmaken en derhalve geen aanleiding kunnen geven tot uitlevering; Overwegende dat voor het overige de feiten zowel naar Belgisch (ingevolge de artikelen 340, 347bis§4-1/, 392, 393, 394 en 436 van het Strafwetboek) als naar Brits recht strafbaar zijn gesteld, dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.§1 van voornoemde Overeenkomst, en dat de verjaring van de strafvordering naar Brits recht niet is bereikt; Overwegende dat niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om een persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke overtuiging te vervolgen of te straffen; Overwegende bijgevolg dat aan de voorwaarden en de formaliteiten inzake de uitlevering gedeeltelijk is voldaan, Besluit Enig artikel. De uitlevering van REGAN Kenneth, alias AVERY Kenneth wordt aan de regering van Groot-Brittannië toegestaan wegens de feiten op grond waarvan de uitlevering wordt gevraagd, behalve wegens de feiten omschreven onder I. 8) a-f. (...).”.
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  3. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “
  4. Eerste middel Schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna: EVRM) (B.S., 19.08.1955) en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 (B.U.P.O.) (B.S., 06.07.1983); Doordat de minister van justitie bij de bestreden beslissing de uitlevering toestaat voor de in de bestreden beslissing omschreven feiten, behalve wegens de feiten in de bestreden beslissing omschreven onder 1.8) a-f; Terwijl, eerste onderdeel, overeenkomstig 6, 2/ E.V.R.M. en artikel 14 B.U.P.O. eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld volgens de wet wordt bewezen; Artikel 6, 2/ E.V.R.M. in beginsel niet verhindert dat de autoriteiten of overheden het publiek inlichten over de gerechtlelijke onderzoeken die worden gevoerd; Het vermoeden van onschuld zoals vastgelegd in artikel 6, 2/ E.V.R.M. vereist dat de overheden die het publiek over aan de gang zijnde gerechtelijke onderzoeken deze inlichtingen verstrekken met de nodige terughoudendheid, kiesheid en onder alle voorbehoud (EHRM, 10.02.1995, ALLENET DE RIBEMONT tegen FRANKRIJK, http://hudoc.echr.coe.int (18.08.2003); De verantwoordelijken voor de politiediensten in het Verenigd Koninkrijk - die de aan verzoeker ten laste gelegde feiten onderzoeken - in het publiek en in de pers herhaaldelijk met de regelmaat van de klok openlijk hebben gesteld dat verzoeker schuldig is aan de hem ten laste gelegde feiten; Op 03.05.2003 in de Engelse krant de GUARDIAN het artikel verscheen met de titel “Missing family : murder probe begins" (vrij vertaling: "vermiste familie: diepgaand moordonderzoek begint); Dat verzoeker voor alle duidelijkheid volgende passage uit voormeld krantenartikel citeert (zie stuk 2 stukkenbundel verzoeker) : "Detectives investigating the death of a businessman and the disappearance of his family have launched a murder hunt and named two suspects who are believed to have fled the country XIV-19.261-3/14 Officers investigating the death of haulage firm boss Amarjit Chohan said they were seeking HGV driver Ken Regan, alias Avery, an employee of Mr Chohan. They are also seeking an associate of Regan, William Horncy; Mr. Chohan, his wife, two children and mother-in-law vanished in February and have not been seen or heard from since. Detective Chief Inspector Normann McKinlay investigating, told a press conference: "From the searches of premises we have conducted and the interviews of persons, I am satisfied that these two people are involved in the murder of Amarijit Chohan and also involved in the missing members of Chohan's family” (eigen onderlijning) (zie stuk 2 stukkenbundel verzoeker) Vrij vertaald : onderzoekers die de dood van een zakenman en de verdwijning van zijn familie onderzoeken hebben een klopjacht georganiseerd en hebben twee verdachten genoemd waarvan wordt aangenomen dat zij het land zijn ontvlucht De onderzoekers die de dood van de baas van een transportbedrijf Amarjit Chohan onderzoeken hebben meegedeeld dat zij Ken REGAN, alias AVERY, zoeken, een werknemer van de heer Chohan. Zij zoeken eveneens een handlanger van REGAN, William HORNCY. De heer CHOHAN, zijn vrouw, twee kinderen en de schoonmoeder verdwenen in februari, van hen werd sedertdien niets meer gehoord of gezien Hoofdinspecteur Normann MCKINLAY verklaarde tijdens een persconferentie het volgende : "Op basis van de onderzoeken die wij hebben uitgevoerd en de door ons afgenomen verhoren ben ik ervan overtuigd dat deze twee personen betrokken zijn in de moord op Amarijit CHOHAN en de verdwijning van de vermiste leden van de familie CHOHAN " Op 11.05.2003 in de Engelse krant de GUARDIAN het artikel verscheen met de titel "Drug gangs muscle in on £ 150m new trade " (vrije vertaling: Drugsbendes dringen in nieuwe handel met een waarde van 150 miljoen pond); Dat verzoeker voor alle duidelijkheid volgende passage uit voormeld krantenartikel citeert (zie stuk 3 stukkenbundel verzoeker) : "On 22 April, a body was discovered by canoeists off the pier at Bournemouth. It had been in the sea for several weeks and was not identified as that of Chohan until nine days later Two post mortems were inconclusive, but detectives are almost certain that Chohan was strangled. Soon after the body was found, police received a report that Regan had been digging on remote farmland at Stoodleigh, near Tiverton in Devon, an area where a year earlier Regan had installed a drain. Police Checks quickly confirmed that Chohan's body had been buried at the site before being dumped at sea. Regan an Horncy, last seen boarding a ferry at Dover, are now chief suspects in Chohan's murder. Detectives are investigating Regan's links to the khat trade and believe he may have falsified the letters and power of attorney to take over the company after killing Chohan. Police think that the signatures may be genuine but not the content, and that Chohan may have been forced to sign the letters before he was murdered". (eigen onderlijning) (zie stuk 3 stukkenbundel verzoeker) Vrij vertaald : Op 22 april 2003 werd een lichaam ontdekt door kanovaarders ter hoogte van de pier in Bournemouth. Het was reeds enkele weken op zee en werd slechts negen dagen later geïdentificeerd als het lichaam van CHOHAN. Twee lijkschouwingen konden de exacte doodsoorzaak niet achterhalen, maar de onderzoekers zijn bijna zeker dat CHOHAN werd gewurgd. Kort nadat het lichaam werd gevonden, ontving de politie een melding dat REGAN opgemerkt was terwijl hij aan het graven was op een afgelegen landbouwgrond in Stoodleigh, dichtbij Tiverton in Devon, waar REGAN een jaar voordien een afvoerbuis had geplaatst. Onderzoekingen van de politie bevestigden reeds vlug dat het lichaam van Chohan vooraleer het in zee werd gedumpt eerst begraven was op voormelde plaats. REGAN en HORNCY die laatst werden opgemerkt toen zij op een ferry stapten in Dover zijn nu de hoofdverdachten in de moord op CHOHAN. Onderzoekers onderzoeken nu de verbanden van REGAN met de handel in “khat" en zijn ervan overtuigd dat hij de brieven alsook de volmacht voor de overname van het bedrijf XIV-19.261-4/14 heeft vervalst, nadat hij CHOHAN heeft vermoord. De politie denkt dat de handtekeningen echt zijn maar niet de inhoud, en dat CHOHAN waarschijnlijk gedwongen werd om de brieven te ondertekenen voordat hij werd vermoord. Op 11.05.2004 in de Engelse krant de THE TELEGRAPH het artikel verscheen met de titel "Shrub smuggle stink in mystery death" (vrije vertaling: geur van smokkel van gewassen bij mysterieus overlijden); Dat verzoeker voor alle duidelijkheid volgende passage uit voormeld krantenartikel citeert (zie stuk 4 stukkenbundel verzoeker) : "Scotland yard believes the murder of Indian millionaire Amaffit Chohan and the disappearance of his family is linked to the booming trade in Khat, a West African shrub that is a natural stimulant. It is trying to trace three gangsters including Kenneth REGAN, who worked as a haulage driver for Chohan, for their role in the murder" (...) “Back in February, Regan dug a drainage ditch opposite Brewin's 17th century farmhouse. It is now thought he was burying Chohan" "One theory being advanced is Regan and his associates were using CIBA as a front for smuggling hard drugs into Britain from Mexico. Chohan was "always averse” to trading in drugs and told Regan to stop. Once he did so, Regan and his gang had no option but to dispose of Chohan and his family" (eigen onderlijning) (zie stuk 4 stukkenbundel verzoeker) Vrij vertaald : Scotland yard is ervan overtuigd dat de moord op de Indiaanse miljonair Amarjit CHOHAN en de verdwijning van zijn familie gelieerd is met de opkomende handel in Khat, a West Afrikaans kruid, een natuurlijke stimulator. Drie gangsters worden opgespoord voor de rol in de moord, o.a. Kenneth REGAN, die werkte als chauffeur voor CHOHAN. (...) “In februari groef REGAN een gracht tegenover de 17de eeuwse boerderij van Brewin. REGAN wordt ervan verdacht om CHOHAN te hebben begraven" "Volgens een theorie heeft REGAN en zijn handlangers CIBA gebruikt als een dekmantel voor de trafiek van hard drugs in Groot-Brittannië vanuit Mexico. CHOHAN was "altijd gekant" tegen de handel in drugs en vroeg REGAN om ermee te stoppen. Vanaf dat moment hadden REGAN en zijn bende geen andere optie dan zich van CHOHAN en zijn familie te ontdoen Enerzijds, verzoeker in de nationale en internationale berichtgeving in de pers gebrandmerkt wordt als zijnde schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten; Anderzijds de gerechtelijke autoriteiten, welke met het strafonderzoek naar de aan verzoeker ten laste gelegde feiten zijn belast, publiekelijk, ongenuanceerd en zonder voorbehoud hebben gesteld dat verzoeker schuldig is aan de hem ten laste gelegde feiten; De gerechtelijke autoriteiten in huidige zaak inlichtingen hebben verstrekt zonder acht te slaan op de nodige terughoudendheid en kiesheid en zonder enig voorbehoud terzake, zoals dit nochtans door artikel 6,2/ EVRM wordt vereist; Artikel 6,2/ EVRM in hoofde van verzoeker door een uitlevering aan Groot- Brittannië flagrant dreigt te worden geschonden; De rechten van verdediging en processuele rechten, zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM een absoluut karakter hebben; De Belgische staat overeenkomstig artikel 1 EVRM er toe gehouden is de in het EVRM vastgestelde rechten en vrijheden te verzekeren; De Belgisch staat weliswaar niet rechtstreeks aan een schending van artikel 6 EVRM in hoofde van verzoeker ten grondslag ligt; Dat een Staat die een persoon uitlevert evenwel niet a priori vrij is van verantwoordelijkheid voor de rest van de procesgang in de verzoekende Staat (VAN DE WYNGAERT, C., Is uitlevering naar een staat waar de opgeëiste persoon de doodstraf riskeert nog langer verenigbaar met E.V.R.M.? Beschouwingen naar aanleiding van het arrest Soering van het europees hof voor de rechten van de mens", R. W 1989-1990, p. 768.); XIV-19.261-5/14 Het EVRM impliciet voor de verdragsluitende Staten de verplichting omvat niet over te gaan tot uitlevering van een persoon indien de hem krachtens het EVRM toegestane rechten in de verzoekende staat geschonden dreigen te worden; De Belgische staat, door het nemen van de bestreden beslissing, zich gedraagt op een wijze die niet in overeenstemming is met de waarden die aan het EVRM ten grondslag liggen, nu zij verzoeker uitlevert aan een land alwaar zijn rechten, meer bepaald zijn rechten van verdediging en zijn processuele rechten, flagrant geschonden dreigen te worden; De bestreden beslissing manifest indruist tegen de geest en de bewoordingen van het EVRM; (Schending van artikel 6,2/ EVRM); Dat het middel gegrond is; Terwijl, tweede onderdeel, overeenkomstig artikel 6, 10 E.V.R.M. eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingesteld strafvervolging recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdig rechterlijke instantie welke bij wet is ingesteld; Verzoeker in Groot-Brittannië zal dienen te verschijnen voor een volksjury, die over de aan verzoeker ten laste gelegde feiten zal dienen te oordelen; Door de door de gerechtelijke autoriteiten in huidige zaak verstrekte inlichtingen, zoals omschreven in het eerste onderdeel van huidig middel dat als hier integraal hernomen beschouwd dient te worden, het publiek, waaronder de potentiële juryleden, doet geloven aan de schuld van verzoeker aan de hem ten laste gelegde feiten en voorafgaandelijk aan een onderzoek ten gronde door de bevoegde en bij wet opgerichte rechterlijke instantie over de schuld van verzoeker uitspraak heeft gedaan; Verzoeker aldus bij het bepalen van de gegrondheid van de tegen hem ingestelde strafvervolging niet meer voor een onafhankelijke en onpartijdig rechterlijke instantie kan worden gebracht; Artikel 6, 1/ EVRM in hoofde van verzoeker door een uitlevering aan Groot- Brittannië flagrant dreigt te worden geschonden; De rechten van verdediging en processuele rechten, zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM een absoluut karakter hebben; De Belgische staat overeenkomstig artikel 1 EVRM er toe gehouden is de in het EVRM vastgestelde rechten en vrijheden te verzekeren; De Belgisch staat weliswaar niet rechtstreeks aan een schending van artikel 6 EVRM in hoofde van verzoeker ten grondslag ligt; Dat een Staat die een persoon uitlevert evenwel niet a priori vrij is van verantwoordelijkheid voor de rest van de procesgang in de verzoekende Staat (VAN DE WYNGAERT, C., Is uitlevering naar een staat waar de opgeëiste persoon de doodstraf riskeert nog langer verenigbaar met E.V.R.M.? Beschouwingen naar aanleiding van het arrest Soering van het Europees hof voor de rechten van de mens", R. W 1989-1990, p. 768.); Het EVRM impliciet voor de verdragsluitende Staten de verplichting omvat niet over te gaan tot uitlevering van een persoon indien de hem krachtens het EVRM toegestane rechten in de verzoekende staat geschonden dreigen te worden; De Belgische staat, door het nemen van de bestreden beslissing, zich gedraagt op een wijze die niet in overeenstemming is met de waarden die aan het EVRM ten grondslag liggen, nu zij verzoeker uitlevert aan een land alwaar zijn rechten, meer bepaald zijn rechten van verdediging en zijn processuele rechten, flagrant geschonden dreigen te worden; De bestreden beslissing manifest indruist tegen de geest en de bewoordingen van het EVRM; (Schending van artikel 6,1/ EVRM); Dat het middel gegrond is ;”; 2.1.
  5. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “
  6. ONDERZOEK VAN HET EERSTE MIDDEL 3.
  7. Herinnering XIV-19.261-6/14 Verzoeker roept een schending in van artikel 6 EVRM en van artikel 14 van het BUPO Verdrag. In een eerste onderdeel verwijst hij naar drie artikelen in Britse kranten waarin wordt gewag gemaakt van verklaringen van de politie over de betrokkenheid van de verzoeker in een moord op de familie CHOHAN. Verzoeker stelt dat de gerechtelijke autoriteiten bij voorbaat van zijn schuld zijn overtuigd, zijn door het EVRM en BUPO Verdrag gewaarborgde vermoeden van onschuld niet meer is gewaarborgd. In een tweede onderdeel stelt de verzoeker dat artikel
  8. l. EVRM wordt geschonden doordat hij voor een volksjury zal dienen te verschijnen; de potentiële juryleden zouden dan ook door de verklaringen van de gerechtelijke autoriteiten geen onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie meer vormen. België mag daarom verzoeker niet uitleveren aan een land waar een dreiging bestaat dat het vermoeden van onschuld zou kunnen worden geschonden en er geen eerlijk proces zou kunnen doorgang vinden. 3.
  9. Weerlegging 3.2.
  10. Uit geen enkel document in het dossier wordt op een redelijke en aanvaardbare wijze aangetoond, bijvoorbeeld door verslagen van internationaal erkende organisaties, dat in Groot-Brittannië geen recht op een eerlijk proces kan worden gewaarborgd in overeenstemming met artikel 6 EVRM. Groot-Brittannië is een rechtsstaat die deel uitmaakt van de Europese Unie en heeft het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele rechten geratificeerd. De dreiging van de schending van de door verzoeker aangehaalde verdragsbepalingen aannemen om een uitlevering te weigeren, betekent in de praktijk dat verdachten die de staatsgrenzen oversteken, nooit zouden kunnen worden berecht. Eenvoudige opzoeking via het Internet leert trouwens dat de verzoeker inmiddels reeds de Britse rechtsgang heeft ondergaan en in juli 2005 werd schuldig bevonden en tot een levenslange gevangenisstraf werd veroordeeld. 3.2.
  11. Zoals verzoeker terecht stelt in zijn verzoekschrift (blz. 9) ligt "de Belgische Staat weliswaar niet rechtstreeks aan een schending van artikel 6 EVRM in hoofde van verzoeker ten grondslag". Zoals reeds hoger gesteld is Groot-Brittannië ene rechtsstaat alwaar de verzoeker alle mogelijkheden heeft om tijdens de rechtsgang aldaar zijn rechten gewaarborgd door nationale wetten en internationale bepalingen te doen vrijwaren. 3.2.
  12. Tenslotte zal de Raad van State niet uit het oog verliezen dat de uitlevering een daad van internationale solidariteit en samenwerking is tussen rechtstaten. In deze context dient de Belgische regering enkel na te gaan of de betrokkene een vreemdeling is en of de uitlevering wordt gevraagd door de verzoekende staat op grond van een bevel tot aanhouding of van een andere akte die dezelfde kracht heeft, uitgaande van de bevoegde vreemde overheid, onder duidelijke omschrijving van de feiten; het wordt door de verzoeker niet betwist dat aan deze voorwaarden is voldaan. Tevens dient te worden nagegaan of de feiten zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar Belgisch recht vervolgbaar en strafbaar zijn. Verzoeker betwist niet dat aan al deze voorwaarden is voldaan. Tenslotte staat vast (en betwist de verzoeker niet) dat de strafbare feiten niet als een politiek, militair of een niet voor uitlevering delict kunnen worden beschouwd en dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat het verzoek tot uitlevering werd gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen op grond van zijn ras, godsdienst nationaliteit of politieke gezindheid. 3.2.
  13. Het middel mist dus feitelijke grondslag.”; 2.1.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert: “In antwoord op de memorie van antwoord dd. 10.08.2006 dient te worden opgemerkt dat verwerende partij blijkbaar geen pertinent verweer voert en zich blijkbaar beperkt tot het uiteenzetten van algemeenheden. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dd. 10.08.2006 dat het eerste middel van verzoeker feitelijke grondslag mist. XIV-19.261-7/14 Verwerende partij voert aan dat niet zou zijn bewezen dat in Groot-Brittannië geen recht op een eerlijk proces zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM kan worden gewaarborgd. Verwerende partij benadrukt dat Groot-Brittannië een rechtstaat is die partij is bij het E.V.R.M. en stelt in algemene bewoordingen dat aan alle wettelijke voorwaarden zou zijn voldaan om de uitlevering ván verzoeker toe te staan. Verzoeker stelt vooreerst vast dat de inhoud van de door haar in de debatten gebrachte stukken door de verwerende partij niet worden betwist. De verwerende partij betwist niet: - dat voorafgaandelijk aan het proces ten gronde door de vervolgende partij in Groot- Brittannië openlijk, publiekelijk en zonder voorbehoud werd gesteld dat verzoeker schuldig is aan de hem ten laste gelegde feiten; - dat de vervolgende partij hierdoor inlichtingen hebben verstrekt over de aan verzoeker ten laste gelegde feiten zonder acht te slaan op de nodige terughoudendheid en kiesheid zoals die door artikel 6, 2/ E.V.R.M. wordt vereist; - dat verzoeker in Groot-Brittannië voor een volksjury zou worden gebracht; - dat door de vervolgende partij verstrekte inlichtingen van aard zijn potentiële juryleden te doen geloven aan de schuld van verzoeker aan de hem ten laste gelegde feiten, en zulks voordat de bevoegde en bij wet opgerichte rechterlijke instantie deze feiten heeft onderzocht en over de schuld van verzoeker uitspraak heeft gedaan. De verwerende partij betwist bijgevolg niet de feitelijke elementen waaruit verzoeker de schending van de in het eerste middel aangehaalde wettelijke bepalingen en rechtsbeginselen afleidt. Louter volledigheidshalve merkt verzoeker bovendien op dat verwerende partij noch de uitlegging door verzoeker van de in zijn eerste middel aangevoerde wettelijke bepalingen en rechtsbeginselen, noch de toepassing van deze wetsbepalingen en rechtsbeginselen in huidige zaak betwist. De bewering van verwerende partij dat zij de bepalingen van de uitleveringswet juist zou hebben toegepast is onjuist en daarenboven niet relevant. De stelling van verwerende partij als zou laatstgenoemde in het kader van uitleveringsverzoeken zich enkel dienen te beperken tot de loutere toepassing van de voorwaarden van de uitleveringswet, en hierbij impliciet stellende dat verwerende partij geen rekening dient houden met de mogelijke schendingen van de hogere rechtsnorm -waaronder EVRM en BUPO - in de verzoekende staat, manifest onjuist is. Overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, welke in het eerste middel wordt geciteerd en welke door de verwerende partij niet wordt betwist, omvat het EVRM voor de verdragsluitende staten de effectieve verplichting om niet over te gaan tot uitlevering van een persoon indien de hem krachtens het EVRM toegestane rechten in de verzoekende staat geschonden dreigen te worden. Dit betekent dat de verplichting van de verwerende partij in geen geval beperkt is tot de loutere toetsing van een verzoek tot uitlevering aan de formele voorwaarden zoals vermeld in de uitleveringswet, maar dat verwerende partij wel degelijk rekening dient te houden met mogelijke schendingen van de rechten van verzoeker in de verzoekende staat. Dat verwerende partij in haar memorie van antwoord geen overtuigende elementen inroept waaruit blijkt dat zij aan de hierboven vermelde verplichting heeft voldaan. Het eerste middel is gegrond. Verzoeker volhardt in het eerste middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift tot nietigverklaring.”; 2.1.4.
  15. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 6 van het E.V.R.M. en artikel 14 van het BUPO-Verdrag; dat meer bepaald verzoeker er in een eerste onderdeel voor vreest dat hem in Groot-Brittannië geen eerlijk proces zal te beurt vallen omdat hij “in de nationale en internationale berichtgeving in de pers gebrandmerkt wordt als zijnde schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten” en omdat “de gerechtelijke autoriteiten, welke met het strafonderzoek naar de aan verzoeker ten laste gelegde feiten zijn XIV-19.261-8/14 belast, publiekelijk, ongenuanceerd en zonder voorbehoud hebben gesteld dat verzoeker schuldig is”; dat verzoeker bijgevolg meent dat er sprake is van een schending van artikel 6, tweede lid van het E.V.R.M., dat stelt dat “eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, (...) voor onschuldig (wordt) gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt.”; dat verzoeker er in een tweede onderdeel op wijst dat hij in Groot-Brittannië zal dienen te verschijnen voor een volksjury; dat volgens verzoeker deze jury, gelet op hetgeen hij in zijn eerste onderdeel heeft gesteld, niet meer kan worden beschouwd als een “onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie” in de zin van artikel 6, eerste lid van het E.V.R.M.; 2.1.4.
  16. Overwegende dat er, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, dient op gewezen dat Groot-Brittannië partij is bij het E.V.R.M.; dat bijgevolg dit land er overeenkomstig artikel 1 van voormeld Verdrag toe gehouden is eenieder, die ressorteert onder zijn rechtsmacht, de rechten en vrijheden welke zijn vastgesteld in de Eerste titel van dit Verdrag te verzekeren; dat trouwens verzoeker onvoldoende concreet aantoont dat hij bij uitlevering geen eerlijk proces zal krijgen; dat hij zich beperkt tot hypothetische beweringen, meer bepaald tot het aanhalen van een aantal krantenartikels; dat met deze krantenartikels verzoeker poogt aan te tonen dat er de nodige media-aandacht is geweest omtrent de meervoudige moordzaak en dat ook melding wordt gemaakt van het feit dat de onderzoekers overtuigd zijn van de betrokkenheid van verzoeker bij de zaak; dat hieruit echter nog niet zomaar kan worden afgeleid dat verzoeker in Groot-Brittannië niet zal worden berecht door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie; dat trouwens verzoeker er zelf op wijst dat artikel 6 van het E.V.R.M. “niet verhindert dat de autoriteiten of overheden het publiek inlichten over de gerechtelijke onderzoeken die worden gevoerd”; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  17. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “
  18. Tweede middel Schending van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991); Van de materiële motiveringsplicht; Doordat de bestreden beslissing van de minister van Justitie als volgt is gemotiveerd: "Gezien de nota dd. 14.08.2003 van de ambassade van Groot-Brittannië te Brussel waarbij de uitlevering wordt gevraagd van de Britse onderdaan REGAN Kenneth, alias A VER Y Kenneth, geboren te Perivale op 19.12.1948; Gezien de daarbij overgelegde stukken waaronder: I het bevel tot aanhouding dd. 26.06.2003 uitgevaardigd door de District Judge (Magistrates court) te Londen wegens: 1) tot 5): moord, feiten gepleegd op Brits grondgebied, op of voor 22.04.2003, 6): ontvoering, feiten gepleegd op Brits grondgebied op of voor 20.02.2003 7): wederrechterlijke vrijheidsberoving, feiten gepleegd op Brits grondgebied op of voor 20.02.2003 8) a-f.- belemmering van rechtsgang, feiten gepleegd op Brits grondgebied op of voor 30.04.2003 9) verhinderen van de begrafenis of verberging van een lijk, feiten gepleegd op Brits grondgebied op of voor 22.04.2003 XIV-19.261-9/14 II het bevel tot aanhouding dd. 07.08.2003 uitgevaardigd door de District Judge (Magistrates court) te Londen wegens verhinderen van de begrafenis of verberging van een lijk, feiten gepleegd op Brits grondgebied op of voor 15.06.2003 Gezien het advies uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent op 12.02.2004; Gelet op het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957 en de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie van 27 september 1996, Gelet op de uitleveringswetten van 1 oktober 1833 en 15 maart 1874; Overwegende dat de feiten omschreven onder
  19. a-f naar Belgisch recht geen misdrijf uitmaken en derhalve geen aanleiding kunnen geven tot uitlevering,' Overwegende dat voor het overige de feiten zowel naar Belgisch (ingevolge de artikelen 340, 347bis§4-1/, 392, 393, 394 en 436 van het Strafwetboek) als naar Brits recht strafbaar zijn gesteld, dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2 §1 van voornoemde overeenkomst, en dat de verjaring van de strafvordering naar Brits recht niet is bereikt; Overwegende dat niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om een persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke overtuiging te vervolgen of te straffen; Overwegende bijgevolg dat aan de voorwaarden en de formaliteiten inzake de uitlevering gedeeltelijk is voldaan." De minister van justitie in de motieven van de bestreden beslissing verwijst naar een advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent van 12.02.2004, zonder te vermelden of dit advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent gunstig of dan wel ongunstig, gelijkluidend dan wel andersluidend was; Terwijl, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de bestuurshandelingen van de besturen moet worden gemotiveerd; dat overeenkomstig artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; dat [opgelegde motivering in de akte] afdoende moet zijn; Een bestuurshandeling aldus is gemotiveerd als niet alleen de concrete feiten maar ook de op die feiten toepasselijke rechtsregels worden vermeld en tevens wordt uitgelegd hoe de toepassing van die rechtsregels op de feiten naar de uiteindelijke beslissing heeft geleid; De motivering afdoende is in de mate dat zij de beslissing kan verantwoorden; De motieven die aan de bestuurshandeling ten grondslag liggen begrijpelijk dienen te zijn; De motiveringsverplichting vereist dat indien het bestuur in een bestuurshandeling afwijkt van een voorafgaand, met het oog op het stellen van die bestuurshandeling gegeven deugdelijk advies, het bestuur in deze bestuurshandeling dient aan te geven waarom zij van het voorafgaand advies afwijkt (VAN MENSEL, A., Het beginsel van behoorlijk bestuur, Gent, Mys & Breesch, 1997, nr. 88.); De minister van justitie in de motieven van de bestreden beslissing verwijst naar een advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent van 12.02.2004, zonder te vermelden of dit advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent gunstig of dan wel ongunstig, gelijkluidend dan wel andersluidend was; Een advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling aan de Regering in het kader van een uitleveringsprocedure geheim is (DECLERQ, R., Beginselen van strafrechtspleging, Antwerpen, Kluwer, 2003, nr. 3229.); Het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent niet aan verzoeker ter kennis werd gebracht, Verzoeker geen kennis heeft van het gunstig of ongunstig dan wel het gelijkluidend of andersluidend zijn van het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent van 12.02.2004; Voor zover de bestreden beslissing afwijkt van het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent van 12.02.2004, de materiële en formele motiveringsverplichting vereist dat de minister van justitie in de bestreden beslissing aangeeft waarom zij van dit advies afwijkt; XIV-19.261-10/14 Verzoeker, doordat in de bestreden beslissing niet wordt aangegeven of het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent van 12.02.2004 gunstig of ongunstig, dan wel gelijkluidend of andersluidend is, niet kan oordelen in welke mate de minister van justitie in de bestreden beslissing aangeeft waarom zij van het andersluidend advies afwijkt; Verzoeker, doordat in de bestreden beslissing niet wordt aangegeven of het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent van 12.02.2004 gunstig of ongunstig, dan wel gelijkluidend of andersluidend is, niet in staat is over de deugdelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing te oordelen; Dat de bestreden beslissing niet gemotiveerd is; (Schending van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van de materiële motiveringsplicht); Dat het middel gegrond is;”; 2.2.
  20. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “
  21. ONDERZOEK VAN HET TWEEDE MIDDEL 4.
  22. Herinnering Verzoeker roept de schending in van der artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1994 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht. Het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling werd hem niet ter kennis gebracht; hij kan dus niet uitmaken of het gunstig of ongunstig was en of de verwerende partij van dit advies is afgeweken. 4.
  23. Weerlegging 4.2.
  24. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker stelt, wordt in de bestreden beslissing niet louter wordt verwezen naar het advies van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent. In de bestreden beslissing wordt weliswaar de aandacht gevestigd op het feit dat het krachtens artikel 3 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 verplicht advies van de kamer van inbeschuldigingstelling wel degelijk werd uitgebracht, doch zulks enkel en alleen met de bedoeling om aan te tonen dat de procedure werd gevolgd. De verwijzing naar het hierboven aangehaalde advies heeft met andere woorden geen uitstaans heeft met de motivering van de bestreden beslissing op zich. Verzoeker verwijst o.m. naar het arrest van de Raad iz PETRAUSKAS (arrest nr. 159.298 van 30 mei 2006) 4.2.
  25. De verwijzing naar de Formele Motiveringswet is niet terzake nu het concrete middel niet op de motivering betrekking heeft doch wel op de mededeling aan de betrokkene van het concrete advies. Volgens artikel 3, 3e lid, van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 dient de regering verplicht advies in te winnen bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling; dit advies is, overeenkomstig het 5e lid van artikel 3, bestemd voor de regering, en niet voor de betrokkene zelf. Nadat deze procedure werd gevolgd, heeft de Minister van Justitie het bestreden besluit genomen, rekening gehouden met het verleende advies (zie de consideranda). Het bestreden besluit is dus op geldige wijze tot stand gekomen; het besluit is even geldig aan de betrokkene bekend gemaakt en deze brengt daarop trouwens geen kritiek. 4.2.
  26. Geen enkel wettelijke bepaling voorziet dat het advies aan de verzoeker moet worden medegedeeld; het advies zelf wordt nooit overgenomen in een Ministerieel uitleveringsbesluit. In casu heeft de Kamer van Inbeschuldigingstelling een gunstig advies uitgebracht, overeenkomstig de vordering van de procureur-generaal (daarvan had de verzoeker kennis). 4.2.
  27. Immers nog, de motiveringsverplichting zou slechts spelen in de mate dat de verwerende partij van het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling zou hebben afgeweken. De inhoud van het advies kan door de Raad van State trouwens niet op zijn wettigheid worden getoetst vermits het uitgaat van de rechterlijke macht; aan de Minister van Justitie komt het evenmin toe van een wettigheidstoezicht uit te oefenen op dit advies XIV-19.261-11/14 (zie o.m. arrest nr. 93.881 van 13 maart 2001 iz ANNUNZIATA). Het komt evenmin aan de Minister toe te antwoorden op de middelen die de betichte heeft aangebracht voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling (zie arrest nr. 89.335 van 18 augustus 2000 iz ISKANDER; arrest nr. 102.2169 van 20 december 2001 iz Martens). 4.2.
  28. Dit middel is dus ook ongegrond.”; 2.2.
  29. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert: “In antwoord op de memorie van antwoord dd. 10.08.2006 dient te worden opgemerkt dat verwerende partij blijkbaar geen pertinent verweer voert en zich blijkbaar opnieuw beperkt tot het uiteenzetten van algemeenheden. Verzoeker stelt vast dat verwerende partij in haar memorie van antwoord dd. 10.08.2006 onder punt 4.2.4 (bladzijde 7) uitdrukkelijk bevestigt dat de motiveringsverplichting speelt in de mate dat de verwerende partij van het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling zou hebben afgeweken. De verwerende partij bevestigt hiermee uitdrukkelijk dat de motiveringsverplichting vereist dat indien het bestuur in een bestuurshandeling afwijkt van een voorafgaand met het oog op het stellen van die bestuurshandeling gegeven deugdelijk advies, het bestuur in deze bestuurshandeling dient aan te geven waarom zij van het voorafgaand advies afwijkt. De verwerende partij betwist niet dat de bestreden beslissing niet aangeeft in welke mate zij afwijkt van het advies van de Kamer van lnbeschuidigingstelling te Gent van 12.02.2004 en dat verzoeker bijgevolg op grond van de bestreden beslissing geen kennis kon hebben van de mate waarin de bestreden beslissing afwijkt van voormeld advies. Het staat bijgevolg vast dat noch verzoeker noch Uw Raad van State op grond van de bestreden beslissing kunnen oordelen over de deugdelijkheid van de formele en materiële motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. Het gegeven dat verwerende partij thans - middels haar memorie van antwoord dd. 10.08.2006 - voor het eerst verzoeker van voormeld advies in kennis stelt doet aan het voormelde geen afbreuk. Verzoeker volhardt in het tweede middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift tot nietigverklaring.”; 2.2.4.
  30. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat meer bepaald verzoeker de Minister van Justitie verwijt in zijn beslissing te verwijzen naar een advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent van 12 februari 2004, zonder echter te vermelden of het hier een gunstig of ongunstig advies betrof; dat verzoeker stelt dat dit advies hem evenmin werd meegedeeld, dat het nochtans belangrijk is te weten of het een gunstig dan wel ongunstig advies betrof, aangezien “de motiveringsplicht vereist dat indien het bestuur in een bestuurshandeling afwijkt van een voorafgaand, met het oog op het stellen van die bestuurshandeling gegeven deugdelijk advies, het bestuur in deze bestuurshandeling dient aan te geven waarom zij van het voorafgaand advies afwijkt”, dat hij bijgevolg “niet in staat is over de deugdelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing te oordelen”, aangezien hij “niet kan oordelen in welke mate de minister van justitie in de bestreden beslissing aangeeft waarom zij van het andersluidend advies afwijkt”; 2.2.4.
  31. Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Minister van Justitie verwijst naar “het advies uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te XIV-19.261-12/14 Gent op 12.02.2004", waarna de Minister van Justitie het besluit tot uitlevering verder motiveert; dat op impliciete wijze hieruit kan worden afgeleid dat het wel degelijk gaat om een gunstig advies vanwege de Kamer van Inbeschuldigingstelling; dat wanneer er, zoals in casu, een gunstig advies is uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling, moeilijk van de Minister van Justitie kan worden verwacht dat hij expliciet in de bestreden beslissing zou aangeven dat hij niet van het voorafgaand advies afwijkt, nu zulks de logica zelve is; dat bovendien uit de bestreden beslissing blijkt dat zij is gesteund op de overwegingen dat : a) verzoeker - de persoon om wiens uitlevering wordt verzocht - een vreemdeling is aangezien hij de Britse nationaliteit heeft; b) de uitlevering wordt gevraagd door de verzoekende staat op grond van de bevelen tot aanhouding van 26 juni 2003 respectievelijk 7 augustus 2003 van de “District Judge (Magistrate’s Court)” te Londen, onder duidelijke omschrijving van de feiten, namelijk : moord, feiten gepleegd op Brits grondgebied, op of voor 22 april 2003, ontvoering, feiten gepleegd op Brits grondgebied, op of voor 20 februari 2003, wederrechtelijke vrijheidsberoving, feiten gepleegd op Brits grondgebied, op of voor 20 februari 2003, belemmering van de rechtsgang, feiten gepleegd op Brits grondgebied, op of voor 30 april 2003, en het verhinderen van de begrafenis of verberging van een lijk, feiten gepleegd op Brits grondgebied, op of voor 22 april 2003 respectievelijk 15 juni 2003; c) de feiten, met uitzondering van de “belemmering van de rechtsgang”, “zowel naar Belgisch (...) als naar Brits recht strafbaar zijn gesteld”, en zulks met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur tenminste één jaar bedraagt of een zwaardere straf, aangezien in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gesteld “dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.§1 van voornoemde Overeenkomst (betreffende uitlevering tussen de Lidstaten van de Europese Unie van 27 september 1966)"; d) de ten laste gelegde feiten tot uitlevering aanleiding kunnen geven aangezien “niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om een persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke overtuiging te vervolgen of te straffen”; e) “de verjaring van de strafvordering naar Brits recht niet is bereikt”; dat, zelfs indien er van zou worden uitgegaan dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling een negatief advies had gegeven, dan nog verzoeker niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering hem niet in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet is voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; dat dit overigens des te meer klemt nu het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling door de verwerende partij bij haar memorie van antwoord wordt gevoegd; dat verzoeker bijgevolg thans heeft kunnen vaststellen dat het wel degelijk gaat om een gunstig advies; dat desalniettemin verzoeker in zijn memorie van wederantwoord volhardt in de door hem uitgewerkte, doch niet meer aan de realiteit beantwoordende hypothese van een ongunstig advies, hetgeen zijn kritiek totaal ongeloofwaardig maakt; dat het tweede middel ongegrond is, XIV-19.261-13/14 BESLUIT: Artikel
  32. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  33. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting op tien december tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter. C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.261-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.728 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.297 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.