← België

Arrest 177748 - Politie - 11/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.748 Rolnummer: A. 84508/XII-2078 Zaak: Arrest 177748 - Politie - 11/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-26 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 04:33 Fiche Arrest nr 177.748 van 11 december 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.748 van 11 december 2007 in de zaak A. 84.508/XII-

  1. In zake : Daniel DEJAEGHER, die woonplaats kiest bij advocaat P. De Maeyer, kantoor houdende te 1160 Brussel, Tedescolaan 7 tegen : de STAD VILVOORDE, die woonplaats kiest bij advocaat K. Van Alsenoy, kantoor houdende te 1000 Brussel, Antoine Dansaertstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Daniel Dejaegher op 31 mei 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 maart 1999 van de burgemeester van de stad Vilvoorde, waarbij hij ongunstig werd geëvalueerd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 23 oktober 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 mei 2007, op welke datum de zaak is uitgesteld tot de terechtzitting van 5 juni 2007; XII-2078-1/15 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Jacubowitz die, loco advocaat P. De Maeyer verschijnt voor verzoeker en van advocaat Y. Sacreas die, loco advocaat K. Van Alsenoy verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  3. Volgens verzoekers verklaring maakt hij op 1 november 1986 de overstap van de rijkswacht naar de gemeentepolitie, en wordt hij vanaf die datum commissaris van politie - korpschef van de politie van de stad Vilvoorde.
  4. Blijkens het bij gemeenteraadsbesluit van 25 mei 1998 vastgesteld administratief statuut van het politiepersoneel van de stad Vilvoorde : - wordt elk vastbenoemd personeelslid om de twee jaar geëvalueerd, met uitzondering van de overgangsregeling bepaald in artikel 219 (artikel 67, eerste lid); luidens artikel 219 loopt de eerste periode van de periodieke evaluatie van 1 juli 1998 ( dit is de datum van inwerkingtreding van het gemeenteraadsbesluit van 25 mei 1998) tot 31 december 1998, en heeft de daarmee overeenstemmende evaluatie plaats tijdens de vier daaropvolgende maanden; - gebeurt de evaluatie door ten minste twee hiërarchische chefs, waaronder de rechtstreekse chef van het personeelslid, maar kan, indien om reden van de geringe hiërarchische opbouw van de personeelsformatie of om reden van de hiërarchische positie van het personeelslid zelf geen twee hiërarchische chefs beschikbaar zijn, de beoordeling gebeuren door één hiërarchische chef (artikel 63); - wordt de korpschef beoordeeld door de burgemeester (artikel 64, tweede lid); - is het resultaat van de periodieke evaluatie gunstig of ongunstig, en is een gunstige evaluatie nodig om de volgende weddenschaal van de functionele XII-2078-2/15 loopbaan te kunnen verkrijgen en om in aanmerking te komen voor bevordering (artikel 67, zesde en zevende lid); - kan het personeelslid, als het evaluatieverslag ongunstig is, beroep instellen bij de burgemeester (artikel 73, paragraaf 1); - heeft de korpschef geen beroepsmogelijkheid (artikel 73, paragraaf 2); - is een functioneringsgesprek met het personeelslid een verplicht onderdeel van de evaluatie en zal het ook gevoerd worden teneinde de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren (artikel 76); - het resultaat van het functioneringsgesprek is een nota over de concrete afspraken (artikel 78, vierde lid).
  5. Op 6 oktober 1998 wordt verzoeker door de burgemeester van de stad Vilvoorde uitgenodigd voor het functioneringsgesprek dat op 3 november 1998 zal plaats hebben, en wordt hij verzocht zijn agendapunten te bezorgen door middel van een bijlage. Verzoeker deelt geen agendapunten mee. Op 20 oktober 1998 stelt de burgemeester de definitieve agendapunten voor het functioneringsgesprek vast. Die definitieve agenda luidt als volgt : “
  6. Naar mijn mening vult U de opdracht van ‘leiding geven en controle’ onvoldoende in. O.m. op het stuk van aanwending en beheer van de beschikbare personeelscapaciteit en van de uitbouw van een goede wijk- en sectorwerking. De aanwerving van drie nieuwe adjunct-commissarissen heeft geen verbetering gebracht. Hebben zij op dat vlak geen precieze opdrachten, wordt er met hen regelmatig overleg gepleegd?
  7. De functie ‘onthaal’ naar de burger toe wordt algemeen als zeer belangrijk [b]eschouwd. Uit reacties vanuit de bevolking kan het onthaal in uw korps als zeer pover worden beschouwd. Welke maatregelen heeft U op dat vlak genomen of zult U nemen om de kwaliteit van deze functie te verbeteren?
  8. In de wet Franchimont wordt de informatie aan gerechtelijke dossiers aan het parket toegewezen. In ons korps gebeurt dit blijkbaar vooral door de politiebeambten van de gerechtelijke politie of andere ongeschikten. Werden de betrokkenen gewezen op de wettelijke regeling en op de deontologische regels voorzien in het statuut? Hoe wordt gevolg gegeven aan mijn opdracht dat communicatie met de media moet worden georganiseerd op het officieren niveau? Is dat niet de beste manier om de bevolking en de media correct te informeren?”. XII-2078-3/15 Blijkens de door verzoeker en de burgemeester ondertekende “nota functioneringsgesprek” werden de hierboven vermelde agendapunten besproken, en werden er ter zake afspraken gemaakt.
  9. Op 22 maart 1999 stelt de burgemeester een “evaluatieverslag periode: 1998” over verzoeker op, dat bestaat uit een evaluatieformulier en een beschrijvend verslag. Op het evaluatieformulier zijn 44 rubrieken aangeduid, waarop telkens een score gaande van -2 tot +2 kan worden behaald. Verzoeker behaalt voor 10 rubrieken een score van -2, voor 17 rubrieken een score van -1, voor 10 rubrieken een score van 0, voor 4 rubrieken een score van +1, en voor 3 rubrieken een score van +
  10. De eindevaluatie is “ongunstig”. Het beschrijvend verslag luidt als volgt : “Betrokkene beschikt over de nodige kennis en intellectuele capaciteiten. Helaas volstaan deze eigenschappen tot op heden niet om zijn gebrek aan leiding en inzet te compenseren”.
  11. Op 31 maart 1999 verklaart verzoeker zijn evaluatieverslag te hebben ontvangen. Eveneens op 31 maart 1999, wordt hij door de burgemeester uitgenodigd voor een “evaluatiegesprek”, dat zal plaats hebben op 12 april
  12. Nadat het voornoemde evaluatiegesprek heeft plaats gehad, geeft verzoeker op 20 april 1999 de volgende opmerkingen bij het evaluatieverslag : “- In toepassing van het artikel 219 van het administratief statuut van de politie Vilvoorde dient de evaluatieperiode te lopen van 01/07/98 tot 31/12/98 en niet het volledig jaar
  13. - Tijdens het functioneringsgesprek van 03/11/98 werd met [geen woord] gerept over de verschillende aspecten die aanleiding geven tot de nu zo negatieve beoordeling. - Buiten de wekelijkse vergadering in aanwezigheid van de brigadecommandant van de rijkswacht, de preventieambtenaar en de stadssecretaris gebeurt de communicatie tussen burgemeester en mijzelf uitsluitend schriftelijk; het merendeel van de evaluatiecriteria kunnen niet eens beoordeeld worden. - Tijdens het evaluatiegesprek was het onmiddellijk duidelijk dat de heer Cortois ‘niet zeer vertrouwd’ was met de normbeschrijvingen van de onderscheiden evaluatiecriteria. Hoe kan het ook anders? Terwijl alle evaluatoren meerdaagse opleidingen dienden te volgen voor het voeren van de functioneringsgesprekken en het opstellen van de evaluaties, volstaat voor XII-2078-4/15 mandatarissen een summiere uiteenzetting in een vergadering van het schepencollege. - Van [geen enkele] geïncrimineerde tekortkoming werd een concreet, objectief aantoonbaar bewijs geleverd; de bedoeling is echter wel zeer duidelijk. Gezien het resultaat van deze ‘evaluatie’ uitwerking heeft op 01/01/2000 voor de functionele loopbaan kan dit enkel maar bedoeld zijn om mij alle kansen te ontnemen in de nakende hervormingen van de politiediensten en meer bepaald om mij het mandaat van korpschef van de lokale politie te ontzeggen. - Gezien ik als korpschef geen beroepsmogelijkheid heb, zullen alle beschikbare rechtsmiddelen worden aangewend om de nadelige (zowel morele als materiële) gevolgen van dit verslag te bestrijden”. Excepties
  14. In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij drie excepties aan waarin zij de ontvankelijkheid van het beroep betwist. In het auditoraatsverslag worden die excepties niet aanvaard. De verwerende partij heeft deze excepties in haar laatste memorie onbesproken gelaten en vraagt daarin alleen nog het beroep als ongegrond af te wijzen. Dienvolgens moet worden aangenomen dat ze niet langer aandringt op haar excepties. De gegrondheid van het beroep 8.
  15. Verzoeker leidt een eerste middel af uit de schending van artikel 219 van het administratief statuut van de politie van de stad Vilvoorde, uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, en uit machtsoverschrijding, middel dat hij als volgt toelicht: de bestreden beslissing houdt een evaluatie in over een periode die het gehele jaar 1998 bestrijkt, dus met betrekking tot een periode waarop de bepalingen van het administratief statuut nog niet van toepassing waren; nochtans stelt artikel 219 van het administratief statuut uitdrukkelijk dat de eerste periode van de periodieke evaluatie loopt van 1 juli 1998 tot 31 december 1998; een zorgvuldige en redelijk handelende overheid mag geen regels met terugwerkende kracht toepassen op haar bestuurden, waarvan deze noodzakelijkerwijze geen kennis hebben kunnen nemen. 8.
  16. De verwerende partij repliceert dat het evaluatieverslag enkel “Periode: 1998” vermeldt, zonder meer, en dus niet “Periode: 01.01.1998- 31.12.1998”, dat, vermits het verslag werd opgesteld in toepassing van onder meer de artikelen 67 en 219 van het statuut, de vermelding “Periode: 1998”geen andere XII-2078-5/15 uitleg kan hebben dan het feit dat het te dezen de eerste periodieke evaluatie betreft, die de periode bestrijkt van 1 juli 1998 tot 31 december 1998, en dat trouwens uit geen enkel gegeven dat in het evaluatieverslag werd verwerkt volgt dat er vóór 1 juli 1998 werd geëvalueerd. 8.
  17. Verzoeker dupliceert dat de vermelding “Periode: 1998” in de bestreden beslissing ofwel op zich duidelijk is en derhalve tot geen interpretatie in het licht van welke bepaling dan ook noodzaakt, waaruit dan volgt dat de beoordeling heeft plaats gevonden met schending van artikel 219 van het statuut en met terugwerkende kracht, ofwel onduidelijk is en staat voor iets wat zij klaarblijkelijk niet betekent, waaruit dan volgt dat verzoeker de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel kan inroepen, temeer daar uit het thans voorliggend verslag op geen enkele wijze kan afgeleid worden op grond van daarin aangegeven concrete feitelijke gegevens over welke periode het nu juist gaat. 8.
  18. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker betoogt, is het feit dat het evaluatieverslag “periode: 1998” vermeldt, en niet: “periode : 1 juli 1998 tot 31 december 1998”, op zich onvoldoende om te besluiten dat de eerste periodieke evaluatie, in strijd met hetgeen in artikel 219 van het statuut wordt bepaald, betrekking had op het gehele jaar
  19. Om de Raad van State tot dat laatste besluit te kunnen brengen, moet verzoeker aantonen, minstens voldoende aannemelijk maken, dat de verwerende partij bij haar evaluatie rekening heeft gehouden met concrete feitelijke gegevens die zich buiten de statutair voorziene eerste periode van de periodieke evaluatie situeren. Verzoeker kan weliswaar worden bijgevallen, waar hij stelt dat hij zulks uit het evaluatieverslag zelf niet kon afleiden, vermits noch het evaluatieformulier, noch het beschrijvend verslag daartoe voldoende concrete informatie - minstens bij wijze van voorbeeld - bevat. De door de burgemeester opgestelde definitieve agenda voor het te houden functioneringsgesprek daarentegen bevatte wel degelijk concrete informatie waaruit verzoeker kon afleiden op welke punten zijn prestaties op dat ogenblik door zijn evaluator onvoldoende of voor verbetering vatbaar werden XII-2078-6/15 geacht. Het functioneringsgesprek is een verplicht onderdeel van de evaluatie (artikel 76 van het voormelde administratief statuut), beoogt de begeleiding van de medewerker naar de optimale uitoefening van zijn functie (artikel 60), en moet ten laatste binnen twee maanden na het verstrijken van de helft van de evaluatieperiode worden gevoerd (artikel 77). Enerzijds spreekt het dan ook voor zich dat de concrete aandachtspunten die tijdens het aan de evaluatie voorafgaand functioneringsgesprek aan bod kwamen ook als grondslag hebben gediend om het eindoordeel van de beoordelaar gestalte te geven, anderzijds doet verzoeker op geen enkel ogenblik gelden - laat staan dat hij aannemelijk maakt - dat deze concrete aandachtspunten geen betrekking hadden op de te evalueren periode. Integendeel maakt het feit dat er omtrent deze agendapunten afspraken werden gemaakt teneinde de aan bod gekomen problemen op te lossen, het tegendeel aannemelijk. Het eerste middel is niet gegrond. 9.
  20. Verzoeker leidt zijn tweede middel af uit de schending van artikel 70 van het administratief statuut van de politie van de stad Vilvoorde, uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, en uit machtsoverschrijding. Hij betoogt daartoe : de bestreden beslissing is er gekomen zonder dat voor verzoeker een evaluatiedossier werd aangelegd, en werd derhalve genomen zonder dat daarvoor de noodzakelijke in het evaluatiedossier aanwezige rechtvaardigingsstukken aanwezig waren; nochtans legt artikel 70 van het administratief statuut uitdrukkelijk op dat voor elk personeelslid een individueel evaluatiedossier wordt aangelegd, met daarin de van punt 1 tot en met 8 vermelde stukken (beschrijvende evaluatieverslagen, persoonlijke nota’s, lijst evaluatiecriteria, examenuitslagen, opleiding en vorming, beroep tegen evaluatie, concrete afspraken na functioneringsgesprek, tuchtstraffen), waarop de uiteindelijke evaluatie met betrekking tot een bepaalde periode dient te zijn gesteund; een zorgvuldig en redelijk handelende overheid kan geen evaluatiebeslissing met betrekking tot één van haar personeels-leden nemen zonder dat ze over een volledig evaluatiedossier beschikt dat haar in staat stelt een gefundeerde beslissing ter zake te nemen. 9.
  21. De verwerende partij repliceert dat artikel 70 dient te worden uitgelegd in die zin dat de in punt 1 tot en met 8 vermelde stukken zich in het evaluatiedossier moeten bevinden, voor zover deze uiteraard bestaan, dat de ratio XII-2078-7/15 legis van de opsomming van de in punt 1 tot en met 8 beschreven stukken bij gevolg gelegen is in de bezorgdheid om te vermijden dat men bij de beoordeling van een personeelslid bepaalde belangrijke gegevens niet in overweging zou nemen, dat het administratief statuut daarenboven pas in werking trad op 1juli 1998, zodat het vrij evident is dat de evaluatiedossiers van verschillende personeelsleden gedurende de eerste maanden slechts weinig van de in de punten 1 tot en met 8 beschreven stukken zullen bevatten, dat het bestaan van die stukken dan ook geen opschortende voorwaarde is om een evaluatie te kunnen maken, dat de verwerende partij wel degelijk over het individueel dossier van verzoeker beschikte en dat de door haar genomen beslissing rekening houdt met alle elementen uit dat dossier, en dat er bijgevolg geen enkel stuk of gegeven met betrekking tot verzoeker bestaat waarmee zij bij het nemen van haar beslissing geen rekening zou hebben gehouden. 9.
  22. Verzoeker dupliceert dat hij bij zijn stelling blijft dat er geen dossier voor hem werd aangelegd, vermits de verwerende partij geen enkel concreet stuk uit dat dossier kan weergeven in haar memorie van antwoord, hetgeen erop wijst dat er helemaal geen stukken en derhalve geen dossier bestond op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen. In zijn laatste memorie argumenteert verzoeker onder voorlegging van een stuk betreffende een strafklacht, dat dit stuk zich in het administratief dossier had moeten bevinden. 9.
  23. Luidens artikel 70, eerste en tweede lid, van het administratief statuut wordt over elk personeelslid een individueel evaluatiedossier aangelegd, en omvat dat dossier

(1)de beschrijvende kwalitatieve evaluatieverslagen,
(2)de persoonlijke nota’s betreffende het personeelslid en de opmerkingen van het personeelslid terzake,
(3)de lijst van de functierelevante evaluatiecriteria,
(4)de uitslagen van het personeelslid in de loopbaanexamens,
(5)de gevolgde opleiding en vorming, eventueel de resultaten,
(6)het beroep tegen de evaluatie en de beslissing in beroep,
(7)de concreet gemaakte afspraken naar aanleiding van de functioneringsgesprekken en
(8)de tuchtstraffen. Nadat de verwerende partij in haar memorie van antwoord benadrukt dat zij wel degelijk over zijn individueel dossier beschikte, houdt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord ten onrechte voor dat de verwerende partij “geen enkel concreet stuk uit dat dossier kan weergeven in haar memorie van antwoord, hetgeen erop wijst dat er helemaal geen stukken en er derhalve geen dossier bestond op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen”, vermits XII-2078-8/15 de verwerende partij zowel de bij artikel 70 bedoelde lijst van functierelevante evaluatiecriteria als de bij dat artikel bedoelde concreet gemaakte afspraken naar aanleiding van het functioneringsgesprek neerlegt, tezamen met de agenda op grond waarvan het functioneringsgesprek werd gevoerd. Wat betreft de overige in artikel 70 opgesomde stukken (persoonlijke nota’s betreffende de ambtsuitoefening, uitslagen in de loopbaan- examens, gevolgde opleiding en vorming, opgelopen tuchtstraffen), mag artikel 70 bezwaarlijk in die zin worden geïnterpreteerd dat het niet opmaken van die stukken zonder meer de nietigheid van de evaluatie voor gevolg heeft. Overigens kon het dossier, vermits het administratief statuut pas in werking trad op 1 juli 1998, hoe dan ook nog geen vorige beschrijvende kwalitatieve evaluatieverslagen, en al evenmin beroepen ertegen bevatten, nog ongeacht het feit dat voor de korpschef niet in een beroepsmogelijkheid was voorzien. Verzoeker kan zich bijgevolg enkel dan nuttig op de schending van artikel 70 beroepen, indien hij aannemelijk maakt dat hij door het ontbreken van die stukken in zijn dossier in zijn belangen werd geschaad, Te dezen moet echter worden vastgesteld wat volgt : - het valt moeilijk in te zien op welke wijze de belangen van verzoeker konden worden geschaad door het ontbreken in zijn dossier van gegevens met betrekking tot opgelopen tuchtstraffen en indien verzoeker er geen had opgelopen, kon het dossier daaromtrent geen stukken bevatten; - door het ontbreken van gegevens met betrekking tot verzoekers uitslagen in de loopbaanexamens en de door hem gevolgde opleiding en vorming kon verzoeker enkel in zijn belangen worden geschaad, indien door die gegevens de beoordeling van zijn functioneren tijdens de periode van 1 juli 1998 tot 31 december 1998 er desgevallend anders had kunnen uitzien wat verzoeker niet aantoont - door het ontbreken van persoonlijke nota’s betreffende de ambtsuitoefening kon verzoeker enkel in zijn belangen worden geschaad, indien deze nota’s noodzakelijk waren om de hem toegekende beoordeling te begrijpen; bij de bespreking van het eerste middel werd reeds vastgesteld dat de door de burgemeester opgestelde definitieve agenda voor het te houden functionerings- gesprek de concrete informatie bevatte waaruit verzoeker kon afleiden op welke punten zijn prestaties door zijn evaluator onvoldoende of voor verbetering vatbaar werden geacht. XII-2078-9/15 Vandaar is de loutere bewering dat de bestreden beslissing werd genomen “zonder dat daarvoor de noodzakelijke in het evaluatiedossier aanwezige rechtvaardigingsstukken aanwezig waren”, onvoldoende om het tweede middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 70 van het administratief statuut, tot een gegrond middel te maken. Al evenmin maakt verzoeker door die loutere bewering aannemelijk dat de verwerende partij het zorgvuldigheids- en het redelijkheids- beginsel heeft miskend, nu hij nergens concreet verduidelijkt welke stukken en om - welke reden juist deze stukken naast de stukken die reeds werden opgesteld naar -, aanleiding van het als een verplicht onderdeel van de evaluatie te houden functioneringsgesprek, noodzakelijk waren om zijn evaluator in staat te stellen tot een gefundeerde eindevaluatie te komen. Het tweede middel is niet gegrond. 10.
  1. Verzoeker leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en uit machtsoverschrijding, middel dat hij als volgt toelicht: elke bestuurshandeling met individuele strekking dient op uitdrukkelijke en afdoende wijze te worden gemotiveerd; te dezen is de bestreden beslissing uitsluitend genomen op basis van een evaluatietabel met een loutere quotering op basis van rubrieken, zonder dat er op welke wijze dan ook een beschrijvende kwalitatieve evaluatie van verzoeker zou aan zijn voorafgegaan of op volgen, waaruit de motieven voor het geven van de verschillende quoteringen in het algemeen en de daaruit voortvloeiende eindbeoordeling in het bijzonder zouden kunnen blijken. 10.
  2. De verwerende partij repliceert dat de evaluatie niet alleen gebeurde op grond van de evaluatietabel, maar ook op grond van een functionerings- gesprek, waarbij de resultaten van dit functioneringsgesprek blijkbaar enkel en alleen de resultaten van de evaluatietabel bleken te bevestigen, dat het evaluatie- verslag eveneens een beschrijvend verslag bevat en er ook een evaluatiegesprek werd gehouden, dat de resultaten van de evaluatietabel bovendien over vrijwel de gehele lijn zo negatief zijn dat deze tabel op zich reeds weinig verder betoog behoeft, en dat het gehele evaluatieverslag en dus ook de evaluatietabel alle gegevens bevat zoals dit omschreven staat in het administratief statuut. XII-2078-10/15 10.
  3. Verzoeker dupliceert als volgt: voorhouden dat ook het functioneringsgesprek van 12 april 1999 nog deel uitmaakt van de evaluatie tart alle verbeelding, vermits de eindevaluatie reeds op 31 maart 1999 werd gemaakt zonder dat een evaluatiegesprek had plaats gevonden, zodat de stelling dat de resultaten van de tabel werden bevestigd door het gesprek van 12 april 1999 en op basis daarvan de eindbeoordeling werd opgemaakt, totaal onjuist is; het beschrijvend verslag blijkt de facto niet meer te zijn dan de vermelding “Betrokkene beschikt over de nodige kennis en intellectuele capaciteiten. Helaas volstaan deze eigenschappen tot op heden niet om zijn gebrek aan leiding en inzet te compenseren”, en kan geenszins enig relevant element aanbrengen om de gegrondheid van het ingeroepen middel te weerleggen, aangezien nergens een concreet feitelijk gegeven wordt beschreven dat het hierboven vermeld citaat zou kunnen bewijzen; de verwerende partij is zich bewust van het niet afdoende karakter van de door haar genomen beslissing aangezien zij stelt dat de evaluatietabel op zich reeds zo negatief was dat de beslissing zelfs geen bijkomende commentaar behoefde; op zijn minst had de verwerende partij zich de moeite kunnen getroosten om verzoeker te verduidelijken aan de hand van welke concrete elementen en gegevens zijn evaluatie zo eenduidig negatief heeft kunnen zijn, hetgeen evenwel niet is gebeurd; overigens kan de vraag worden gesteld hoe zulk een negatieve evaluatietabel nog niet tot één of andere tuchtrechteljke procedure aanleiding heeft gegeven; wellicht dient de oorzaak voor het negatieve resultaat van de beoordeling eerder gezocht te worden in de tussen de verwerende en verzoekende partij bestaande vete, dan in vermeende tekortkomingen van verzoeker in het vervullen van de hem opgedragen taken. 10.
  4. Bij de bespreking van het eerste middel is vastgesteld : S dat het beschrijvend verslag wel een motivering bevat van de beslissing van de beoordelaar, maar dat die motivering onpersoonlijk en in algemene bewoordingen gesteld is, dat wil zeggen dat zij niet toegespitst is op concrete gegevens - minstens bij wijze van voorbeeld - over de wijze waarop verzoeker gedurende de evaluatieperiode in zijn functie gepresteerd heeft, en dat die concrete gegevens evenmin kunnen afgeleid worden afgeleid uit de aan het beschrijvend verslag voorafgaande schematisch opgestelde beoordeling van verzoeker op een aantal bijzondere criteria; S dat de door de burgemeester opgestelde definitieve agenda voor het te houden functioneringsgesprek daarentegen wel degelijk concrete informatie bevatte waaruit verzoeker kon afleiden op welke punten zijn prestaties op dat ogenblik door zijn evaluator onvoldoende of voor verbetering vatbaar werden geacht; XII-2078-11/15 S dat het voor zich spreekt dat de concrete aandachtspunten die tijdens het aan de evaluatie voorafgaand functioneringsgesprek aan bod kwamen ook aan de basis hebben gelegen van de bestreden evaluatie, zeker nu het een verkorte evaluatie- periode van zes maanden betrof en het functioneringsgesprek plaats had in de loop van de vijfde maand van die periode. Enerzijds geeft het administratief dossier van de zaak er derhalve blijk van dat verzoeker via het als een verplicht onderdeel van de evaluatie te houden functioneringsgesprek wel degelijk in staat was de algemene formulering gehanteerd in het evaluatieverslag te begrijpen. Anderzijds onderneemt verzoeker - ook nadat de verwerende partij in haar memorie van antwoord terecht opmerkt dat de evaluatie niet alleen gebeurde op grond van een evaluatietabel, maar ook op grond van een functioneringsgesprek, waarbij de aandachtspunten blijkbaar sporen met de resultaten van de evaluatietabel - geen enkele poging om de concrete aandachts-punten die tijdens dat gesprek aan bod kwamen in vraag te stellen. In zijn memorie van wederantwoord lijkt verzoeker het functioneringsgesprek van 3 november 1998 overigens te verwarren met het evaluatiegesprek van 12 april 1999 (“in die omstandigheden betogen dat ook het functioneringsgesprek van 12 april 1999 nog geen deel uitmaakt van de evaluatie tart alle verbeelding”), Aldus kan verzoeker zich te dezen niet nuttig op de schending van de formele motiveringsplicht beroepen, nu hij de motieven van de bestreden beslissing bleek te kennen voordat hij zijn annulatieberoep instelde en is het doel van de formele motiveringplicht bereikt. Het derde middel is niet gegrond. 11.
  5. Verzoeker leidt zijn vierde middel af uit de exceptie van onwettigheid gegrond op artikel 159 van de Grondwet, ingeroepen lastens het administratief statuut van de politie van de stad Vilvoorde en lastens de omzendbrief B.A. 94/09 waarin de bestreden beslissing haar uiteindelijke juridische grondslag vindt, uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, uit de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, en uit machtsoverschrijding, middel dat hij als volgt toelicht: het administratief statuut bepaalt enerzijds dat de korpschef wordt beoordeeld door de burgemeester en dat de korpschef geen beroepsmogelijkheid heeft, en anderzijds dat elk ander personeelslid door minstens twee hiërarchische XII-2078-12/15 chefs dient te worden beoordeeld en elk ander personeelslid bovendien over een beroepsmogelijkheid bij de burgemeester beschikt, bepalingen die in het statuut werden opgenomen naar aanleiding van de omzendbrief B.A. 94/09, die voormelde bepalingen reeds had uitgevaardigd; zowel de omzendbrief als het administratief statuut bergen derhalve een dubbele discriminatie in zich ten aanzien van de korpschef, die verstoken blijft van een dubbele beoordeling enerzijds en een recht op beroep anderzijds; de extreme willekeur waaraan de korpschef aldus wordt blootgesteld staat niet in verhouding tot de bijzondere positie die door hem wordt bekleed en ingenomen; er zijn derhalve geen objectieve en redelijke criteria voorhanden die voormelde onderscheiden op deugdelijke wijze kunnen ondersteunen. 11.
  6. De verwerende partij repliceert dat het administratief statuut werd goedgekeurd bij besluit van de gemeenteraad van 25 mei 1998 waarna het door de provinciegouverneur werd goedgekeurd op 13juli 1998, en dat het volledig conform is aan de omzendbrief B.A. 94/09, dat enerzijds verzoeker op geen enkel ogenblik enige nuttige nietigheidsprocedure heeft ingesteld tegen het administratief statuut en dat anderzijds de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing enkel en alleen een correcte en conforme toepassing heeft gemaakt van het statuut, zodat die beslissing dan ook met geen enkele nietigheidsgrond behept is, en dat er bovendien van een beweerde discriminatie geen sprake is: het is niet omdat diverse functies binnen het politiekorps een verschillende behandeling zouden krijgen, dat men daaruit mag afleiden dat zulks een schending zou inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet of van het artikel 6 van het E.V.R.M.. 11.
  7. Verzoeker dupliceert dat hij niet de vernietiging van het statuut vraagt maar wel de buiten toepassing verklaring ervan, dat deze verklaring op grond van artikel 159 van de Grondwet tot gevolg heeft dat de thans bestreden beslissing bij gevolgtrekking onwettig wordt en derhalve dient te worden vernietigd, en dat de verwerende partij geenszins aangeeft waarin de objectieve en redelijke criteria kunnen gelegen zijn die de aangehaalde onderscheiden op afdoende wijze kunnen rechtvaardigen. 11.
  8. Luidens artikel 63, tweede lid, van het te dezen toepasselijke administratief statuut kan, indien om reden van de hiërarchische positie van het personeelslid zelf geen twee hiërarchische chefs beschikbaar zijn, de beoordeling gebeuren door één hiërarchische chef. XII-2078-13/15 Blijkens de functiebeschrijving van commissaris van politie- korpschef heeft de commissaris van politie als hoofd van het politiekorps-korpschef, onder het gezag van de burgemeester, de algemene leiding van het politiekorps, en is commissaris van politie de hoogste graad van het officierenkader. Omwille van de hiërarchische positie van verzoeker is het dan ook evident dat hij, in tegenstelling tot andere personeelsleden, niet door twee hiërarchische chefs, maar zoals bepaald wordt in artikel 64, tweede lid, van het administratief statuut, enkel door de burgemeester kan worden geëvalueerd. Waar andere personeelsleden krachtens artikel 73,§1, van het meervermelde statuut bij een ongunstige evaluatie beroep kunnen instellen bij de burgemeester, is het in het kader van dat statuut al even evident dat verzoeker geen hoger beroep kan instellen bij dezelfde instantie die hem reeds - als enige daartoe bevoegd zijnde - heeft geëvalueerd. Het aangevoerde verschil in behandeling steunt derhalve op een objectieve en redelijke verantwoording. In zijn laatste memorie verwijst verzoeker naar nieuwe statutaire bepalingen die in andere dan de in huidig geding toepasselijke regelingen voorzien. Dit argument volstaat niet om tot de onrechtmatigheid van de betwiste regeling te doen besluiten. Het vierde middel is niet gegrond. 12.
  9. Verzoeker voert in zijn laatste memorie een vijfde middel aan. Dit nieuw middel wordt ontleend aan schending van het “onpartijdigheidsbeginsel, evenals uit de onbevoegdheid van de auteur van de bestreden akte”. Hij betoogt daartoe dat het bestreden besluit nopens hem is genomen terwijl de verwerende partij tegen hem reeds eerder een strafrechtelijke klacht had ingediend die op het ogenblik van de evaluatie nog hangende was. 12.
  10. Verzoeker doet geen begin van poging om aannemelijk te maken dat hij van die klacht geen weet had op het ogenblik dat hij in 1999 zijn annulatieberoep indiende. Dienvolgens is het middel niet ontvankelijk, nu op het onpartijdigheidsbeginsel geen middel mag worden gesteund dat in alle fases van de procedure zou mogen worden ingeroepen, indien zoals te dezen het gegeven waaruit een verzoeker de partijdigheid meent te moeten afleiden, hem reeds bekend was bij XII-2078-14/15 het instellen van zijn annulatieberoep. Ten onrechte overigens stelt verzoeker de beweerde partijdigheid gelijk met de onbevoegdheid van de overheid. Het vijfde middel is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf december 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2078-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.748 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.