← België

Arrest 177761 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 11/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.761 Rolnummer: A. 181543/XIV-28984 Zaak: Arrest 177761 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 11/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-02 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:34 Fiche Arrest nr 177.761 van 11 december 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.761 van 11 december 2007 in de zaak A. 181.543/XIV-28.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat C. LEJEUNE, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, de Wynantsstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 1 maart 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 23 januari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen en waarbij hem de subsidiaire beschermingsstatus niet wordt toegekend; Gelet op de beschikking nr. 427 van 13 april 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 5 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-28.984-1/16 Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. LEJEUNE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX komt op 13 november 2002 België binnen en vraagt op dezelfde datum om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 9 augustus 2005 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 25 augustus 2005 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  6. Op de zitting van 23 januari 2007 wordt verzoeker, bijgestaan door advocaat A. VINOIS loco advocaat C. LEJEUNE, gehoord. 1.
  7. Op 23 januari 2007 neemt de gemachtigde bijzitter van de tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd en waarbij hem evenmin de subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de feiten in de bestreden beslissing als volgt luiden: "U verklaarde de Chinese nationaliteit te bezitten, van Tibetaanse origine te zijn en afkomstig te zijn uit XXX. In 1991 zou u als monnik toegetreden zijn tot het Dhargye klooster. In de loop van 1992 zou u via Nepal naar India gereisd zijn om er een betere religieuze opleiding te volgen dan mogelijk was in Tibet. U zou er tot eind 1995 als monnik XIV-28.984-2/16 gestudeerd hebben in het Sera klooster te Bylakuppe. Op 15 november 1995 zou uw vader in Tibet zijn aangehouden door de Chinese autoriteiten op basis van het bezit van verboden cassettes en een foto van de Dalai Lama. Wegens tal van moeilijkheden die u als illegaal kende in India zou u eind 1995 (westerse jaartelling begin 1996) naar Tibet zijn teruggekeerd. Aan de grens in Dram zou u echter zijn aangehouden. U zou achtereenvolgens enkele dagen zijn opgesloten in Nyalam, Dingri en tenslotte Lhatse waar u werd vrijgelaten. U zou niet hebben toegegeven in India te zijn geweest. De lokale Chinese autoriteiten zouden na de aanhouding van uw vader en sinds uw terugkeer vaak uw ouderlijke woning binnenvallen om u te ondervragen en huiszoe- kingen te verrichten. Op 1 oktober 1999 zou u een eerste maal antiregeringsgezinde pamfletten hebben verspreid in Kandze. U zou ook deelgenomen hebben aan de betogingen tegen de aanhouding van geshe Sonam Phuntsok in Kandze. Tot het jaar 2000 zou u gewoon thuis hebben verbleven. In 2000 zou u dan officieel gewijd zijn tot monnik. U zou sindsdien in het bezinningsoord van uw leerkracht nabij het Dhargye klooster verblijven om uw meester te dienen en dorpskinderen onderricht te geven. In de nacht van 25 juni 2002 zou u samen met de monnik Rinzin Gyantso pamfletten gekant tegen het Chinese bewind in Tibet aanplakken in het winkelcentrum van Kandze. U zou hierbij betrapt zijn door enkele politieagenten per motorfiets. Wanneer u en uw kompaan het op een lopen zette, zou de politie de achtervolging hebben ingezet en XXX zou geraakt zijn door geweerschoten. U zou via de velden naar uw zus gevlucht zijn. De ochtend van 26 juni 2002 zou uw moeder naar uw zus gekomen zijn met het nieuws dat diezelfde ochtend de politie uw ouderlijke woning was binnengeval- len op zoek naar u. Op 27 juni 2002 zou u per vrachtwagen naar Chamdo gegaan zijn, vanwaar u verder reisde naar Lhasa. U zou vervolgens naar de khangrinpoche gegaan zijn waar u de hulp inroep van de westerling Michael. U zou illegaal de grens met Nepal hebben overgestoken in Purang. Met behulp van de westerling XXX zou u in het bezit van een vals paspoort naar Europa gereisd zijn op 11 november 2002 na 23 dagen in Nepal te hebben verbleven. U vroeg hier asiel aan op 13 november 2002."; Overwegende dat de verklaringen van de appellant een voldoende bewijs kunnen zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, plausibel en oprecht zijn; dat de verklaringen van de appellant coherent moeten zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten; dat de bewijslast in beginsel rust op de appellant en hij in de mate van het mogelijke bewijzen moet aanbrengen van de feiten die hij aanhaalt; dat het vervolgens de taak is van de persoon die de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling moet onderzoeken om de waarde van de bewijselementen en de geloofwaar- digheid van de verklaringen van betrokkene te beoordelen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, september 1979, 53); dat de Vaste Beroepscommissie niet moet bewijzen dat de aangehaalde feiten onwaar zouden zijn (R.v.St., XXX, nr. 43.027, 19 mei 1993; R.v.St., XXX, nr. 52.125, 8 maart 1995); dat het- niet de taak is van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zelf de" lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (R.v.St., XXX, nr. 136.692, 26 oktober 2004); Overwegende dat appellant als bewijs van zijn identiteit een Chinese identiteitskaart heeft neergelegd; dat het attest van het Tibet-bureau uitgereikt door de afgezant van de Dalai Lama te Brussel, appellants etnische afkomst bevestigt op basis van zijn verklaarde identiteit; dat dit document geen nationaliteitsbewijs is, noch bewijst dat appellant afkomstig is uit het gedeelte van Tibet dat valt onder de Volksrepubliek China; Overwegende dat appellant ter staving van zijn herkomst een aantal foto's heeft neergelegd waarop hij stelt dat zijn familie en hijzelf voorkomen; dat deze foto's met grote waarschijnlijkheid in Tibet en meerbepaald in de vallei ten westen van XXX waar het township van appellant is gesitueerd werden genomen; dat de foto waarop appellant stelt zelf voor te komen, hem toont op veel jongere leeftijd; dat deze foto's hoogstens aannemelijk maken dat appellant zijn jeugd doorbracht in XXX; dat uit de foto's opgestuurd bij brief van 24 december 2006 niet kan afgeleid worden waar en of deze XIV-28.984-3/16 in Tibet werden genomen; dat deze herkomst verder ondersteund wordt door de geografische kennis over zijn herkomstregio (gehoorverslag van 19 februari 2003, p. 5-7); Overwegende dat appellant noch zijn reisweg van Nepal naar België noch het ogenblik dat hij in België aankwam, bewijst; dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn reisgezel Michael met wie hij al dan niet de grens met Nepal overstak en het bezit van zijn vals paspoort zoals op juiste wijze door de Commissaris-generaal werd vastgesteld (verhoorverslag van 4 augustus 2005, p. 13 in vergelijking met verhoorver- slag van 19 februari 2003, p. 9); dat dit een bijkomende negatieve indicatie is voor zijn geloofwaardigheid; Overwegende dat appellant ter staving van zijn eerste vertrek uit Tibet in 1992 een origineel attest van het Sera Jey Monastic University for Advanced Buddhist Studies & Practice uit Bylakuppe in India heeft neergelegd; dat hij bijkomend een afschrift van een registratiedocument van het Tibetan Refugee Registration Center te Kathmandu heeft neergelegd; dat het registratiedocument gedateerd op 15 september 1999 (vertaling d.d. 10 oktober 2006 in Commissiedossier) stelt dat XXX, 18 jaar oud, geboren te Ganzi, zoon van XXX, met verblijfsadres in Tibet te Dargon (Dhargye gonpa Dhargyeklooster) monnik is, dat hij is aangekomen op 10 september (zonder opgave van jaartal), zonder documenten, dat hij is gekomen via Lema en geen hulp ontving van het reception center aan de grens en dat zijn doel is naar het Sera klooster te gaan; dat dit document is voorzien van een foto waarvan niet duidelijk is of het een foto van appellant is; Overwegende dat appellant niet van bij de aanvang dit eerder verblijf in India van 1992 tot 1995 heeft aangegeven (gehoorverslag van 21 september 2004, p. 7); dat een verzwegen verblijf in een derde land in het algemeen de geloofwaardigheid van een asielrelaas ondermijnt; dat een dergelijk verzwijgen een gegronde vrees voor vervolging niet uitsluit en niet betekent dat de andere elementen in het dossier niet in beschouwing genomen worden; dat bij de beoordeling van de asielaanvraag een afweging dient gemaakt te worden tussen de ingeroepen feiten, de situatie in het land van herkomst en het verzwegen verblijf in een derde land; dat rekening houdend met de frauduleuze verklaringen een verhoogde, bewijslast rust op appellant; Overwegende dat appellant na zijn gewijzigde verklaringen volhoudt dat hij verbleef in Tibet tussen 1995 en 2002 (verhoorverslag 21 september 2004, p. 8-9); dat deze stelling inhoudelijk niet correspondeert met de uitgifte van het voorgelegde registratie- document gedateerd op15 september 1999 in Kathmandu, Nepal; dat voormelde datum van het registratiedocument evenmin te rijmen valt met de eerdere verklaringen van appellant waar hij stelt op 1 oktober 1999 in Kandze (China) pamfletten verdeeld te hebben (gehoorverslag van 28 november 2002 en 17 december 2002, p. 10 en gehoorverslag van 19 februari 2003, p. 18-19) en eind oktober 1999 in Rongbatsa (China) (gehoorverslag van 21 september 2004, p. 6); dat deze verklaringen op een bedrieglijke en deloyale houding van appellant wijzen; Overwegende dat uit de verschillende mensenrechtenrapporten blijkt dat de situatie in Tibet verontrustend blijft; dat, niettegenstaande de veiligheidssituatie gestabiliseerd lijkt, er toch nog sprake is van ernstige mensenrechtenschendingen; dat uit deze verslagen niet blijkt dat de hoedanigheid van Tibetaan afkomstig uit China op zich het bewijs is van een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade; Overwegende dat het essentieel is ter beoordeling van de asielaanvraag dat appellant aantoont dat hij recentelijk voor zijn vertrek naar België in Tibet is geweest; dat appellant het ogenblik van zijn terugkeer naar Tibet en van zijn tweede vertrek niet bewijst; Overwegende dat appellant ter zitting uitvoerig werd ondervraagd betreffende zijn verblijf in de periode 1995 tot 2002 (beweerd vertrek uit Tibet); dat hij ter zitting stelt dat hij in 1998 en 1999 bij zijn moeder leefde op een afstand van zeven tot acht minuten van het Dragyeklooster; dat hij in 2000 een "echte monnik" werd en werd ingewijd; dat hij vanaf 2000 in de bergen leefde; Dat appellant ter zitting geen kennis toont over de gebeurtenissen in deze periode; XIV-28.984-4/16 Dat publieke bronnen tal van incidenten aanhalen waaruit blijkt dat de herkomstregio van appellant in Kandze zeer onrustig is; dat uit deze bronnen blijkt dat uitingen van religieuze devotie in deze streek speciaal hard werden aangepakt; dat het Dargyekloos- ter in het township van appellant evenals het Kardzeklooster in de stad religieuze centra zijn van de Gelugpa (strekking van de Dalai Lama) die gekend staan om hun activisme; dat het geval van Geshe Sonarn Phuntsog in 1999 slechts één van de vele incidenten is, die weliswaar tot grootschalig volksprotest, arrestaties, foltering en veroordelingen heeft geleid; dat behalve deze rechtstreeks aan religieuze uitingen gekoppelde incidenten ook spontane pamflettenacties gekend zijn van leken die geen specifieke aanleiding leken te hebben; dat in deze context het dan ook volstrekt ongeloofwaardig is dat appellant in deze streek zou verbleven hebben en geen enkel gebeurtenis kende; dat hij ter zitting foutief stelt dat er voor de arrestatie van Phuntsok in oktober 1999 geen andere monniken werden gearresteerd; dat de publieke bronnen dit tegenspreken; dat hij geen weet heeft van de samenwerking die er bestond tussen 64 dorpen in deze omgeving begin 2002; dat hij vage verklaringen aflegt en enkel spreekt over patriottische heropvoedingskampen van 1995 en, 1996; dat hij evenmin weet dat er in het najaar van 1999 maar liefst een troepenontplooiing van ongeveer 20.000 personen zich in het Kandze district bevond; dat hij zijn verblijf in Tibet voor zijn vertrek naar India, en/of België niet aannemelijk maakt; dat het bezit van een identiteitskaart uitgereikt in 1999 niet opweegt tegen dit gebrek aan kennis; Dat hij ter zitting zijn inwijding tot monnik niet kan concretiseren en slechts vage verklaringen aflegt; dat hij stelt dat hij geen monnik meer is sedert zijn aankomst in België; Dat hij ter zitting stelt dat hij in hetzij 1997 of 1998 vier of vijf maanden in India was; dat ook dit gegeven steeds werd verzwegen en niet overeenstemt met de inhoud van een registratiedocument van het Tibetan Refugee Registration Center te Kathmandu waaruit blijkt dat hij zou aangekomen zijn op 10 september zoals geattesteerd op 15 september 1999; dat een tweede maal essentiële zaken verzwijgen frauduleus en bedrieglijk is; Overwegende dat appellant tegenstrijdige verklaringen aflegt over zijn relaas; dat hij stelt dat hij gevaarlijke pamfletten ronddroeg; dat hij in dringend beroep stelt dat hij ongeveer zestig pagina's pamfletten had (verhoorverslag van 19 februari 2003, p. 19); dat hij ter zitting en bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat dit er slechts tien waren; Dat hij bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij in de periode 1999-2002 elk jaar pamfletten kleefde (verhoorverslag van 28 november en 17 december 2002, p. 10); dat hij in dringend beroep stelde dat hij in deze periode geen politieke activiteiten had (verhoorverslag van 19 februari 2003, p. 20); dat hij ter zitting stelt dat bij de betrapping in 2002 het slechts de tweede maal was dat hij pamfletten kleefde; Overwegende dat appellant stelde dat hij diende te vluchten met zijn vriend toen zij betrapt werden; dat zijn vriend werd neergeschoten; dat hij ter zitting stelt dat hij het schot enkel hoorde en niet zag of zijn vriend gekwetst werd; dat hij in dringend beroep expliciet verklaarde dat zijn vriend in het been werd geschoten (verhoorverslag van 19 februari 2003, P. 20); dat deze tegenstrijdigheid de kern van het relaas raakt omdat dit de aanleiding is van appellants vlucht; Overwegende dat appellant geen verklaring heeft voor het bestaan van deze tegenstrij- digheden; dat hij ter zitting zich ertoe beperkt een versie uit te kiezen en stelt dat de gekozen versie altijd werd verklaard; dat dit niet aanvaardbaar is en de Commissie besluit tot de ongeloofwaardigheid van het relaas; Overwegende dat gelet op de ongeloofwaardigheid van het relaas, appellant niet aannemelijk maakt dat hij op het ogenblik van zijn vertrek uit Tibet in de bijzondere negatieve aandacht was van de Chinese overheden; dat hij zelfs niet aantoont dat hij was teruggekeerd uit Tibet na zijn verblijf in de periode 1992-1995 en/of na 1997 of 1998 (verklaring ter zitting); dat zijn verklaringen in dringend beroep over de omstandigheden in Tibet bij zijn terugkeer wel geloofwaardig overkomen en overeenstemmen met de gekende situatie (verhoorverslag van 21 september 2004, p. 8- XIV-28.984-5/16 9) maar hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn pelgrimstocht naar Khangrimpoche zoals hoger werd uiteengezet; Dat appellant buiten het feit dat hij illegaal in India verbleef geen bijzondere problemen vermeldt over zijn verblijf in India; Dat appellant een document neerlegt waarin bevestigd wordt dat hij in 1992 in het Seraklooster in India geregistreerd werd; dat verschillende bronnen melding maken van het feit dat Tibetaanse vluchtelingen in India beschouwd worden als vreemdelingen in de zin van de Indiase "Foreigners Act" van 1946 en bijgevolg genieten van de basisrechten van de staatsburgers met uitzondering van het recht om deel te nemen aan de verkiezingen; dat Tibetanen die problemen hebben ten gevolge van een eventueel illegaal verblijf eerder zeldzaam zijn; dat deze categorie Tibetanen zich kunnen wenden tot het bureau van de Dalai lama die dergelijke gevallen behandelt; dat zij beschermd zijn tegen refoulement (zie http://www.irb-cisr.gc.ca/en/research/rir/?action = record.viewrec&gotorec=450153); dat er geen berichten zijn dat Tibetaanse vluchte- lingen door India worden teruggestuurd (Algemeen Ambtsbericht, Nederland, mei 2006, p. 73, http://www.minbuza.nl/nl/actueel/ambtsberichten); Dat de Commissie bij de afweging tussen de ingeroepen feiten en het tot zelfs tweemaal toe verzwegen verblijf in een derde land vaststelt dat appellant noch aannemelijk maakt dat hij voor zijn vertrek uit Tibet (China) in de bijzondere negatieve aandacht was van de Chinese overheden noch dat hij China en/of India verlaten heeft omwille van een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 of van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in art. 48/4 van de wet van 15 december 1980; Dat de appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951; dat appellant niet aantoont dat hij beantwoordt aan de bepalingen van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980, OM DEZE REDENEN: verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan XXX de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling; kent geen subsidiaire beschermingsstatus toe aan XXX.”;
  8. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  9. Overwegende dat verzoeker als middelen aanvoert: “Eerste middel Formulering en uiteenzetting Dit middel is gesteund op een schending van de motiveringsplicht zoals bepaald in artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat De motivering van de beslissing niet adequaat en relevant is en dus niet aan de vereisten van de wet voldoet.
  10. Tegenpartij grondt zich op de aanvoering dat het registratiedocument van het Tibetan Refugee Registration Center te Kathmandu gedateerd is van 15 september 1999 om het relaas en de verklaringen van verzoeker als bedrieglijk af te wijzen De Vaste Beroepscommissie stelt op pagina 3 van zijn vonnis " Overwegende dat appelant ter staving van zijn eerste vertrek uit Tibet in 1992 een origineel attest van het Sera Jey Monastic University for Advanced Buddhist Studies and Practice uit Bylakuppe in India heeft neergelegd; dat hij bijkomend een afschrift van een registratiedocument van het Tibetan Refugee Registration Center te Kathmandu XIV-28.984-6/16 heeft neergelegd; dat het registratiedocument gedateerd op 15 september 1999 (vertaling d.d. 10 oktober 2006 in Commissiedossier) [wij onderlijnen] stelt dat XXX, 18 jaar oud, geboren te XXX, zoon van XXX, met verblijfsadres in Tibet te Gargon (Dhargye gonpa -Dhargyeklosster- monnik is, dat hij is aangekomen op 10 september (zonder opgave van jaartal), zonder documenten, dat hij gekomen is via Lema en geen hulp ontving van het reception center aan de grens en dat zijn doel is naar het Sera klooster te gaan;" De Vaste Beroepscommissie motiveert zijn beslissing verder op het feit dat de datum van het registratiedocument totaal inconsequent is met de verklaringen van verzoeker volgens de welke hij van 1995 tot 2002 in Tibet verbleven heeft en dat hij er onder meer in oktober 1999 pamfletten opkleefde. Het document brengt het hele relaas van verzoeker in gedrang en maken zijn verklaringen bedrieglijk. De datum van het document werd echter ontegensprekelijk foutief vertaald! De correcte datum is inderdaad 15 september 1992, wat dus wel consequent is met verzoekers relaas die verklaard heeft Tibet in dat jaar verlaten te hebben, voor er in 1995 terug te keren. Deze datum wordt bevestigd door de vertaling van het Commissariaat generaal voor vluchtelingen en staatlozen ( cf p.2 van de beslissing tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling waar verwezen wordt naar "het formulier van uw registratie in de “Nelen Khang" of "Refugee Reception Center" van Nepal in 1992" ) en door de vertaling die verzoeker als bijlage aan huidig verzoek voegt (stuk 2). Bovendien, moest het om 1999 gaan in plaats van 1992, dan zouden de drie laatste cijfers van het jaartal dezelfde moeten zijn, wat duidelijk niet het geval is (zie stuk 2: 199 is in geprinte cijfers geschreven, waarna het precieze jaar, de maand en de dag schriftelijk vermeld zijn; de schrijfwijze van de maand september, dus de 9de maand, stemt overigens overeen met het geprinte cijfer 9). De Vaste Beroepscommissie heeft dus een grove vergissing begaan door haar beslissing op de hierboven vermelde foutieve elementen te motiveren.
  11. Tegenpartij verklaart dat verzoeker niet zou aantonen na zijn eerste vertrek terug naar Tibet te zijn gekeerd, in die zin dat hij ter zitting weinig kennis getoond zou hebben over de gebeurtenissen die zich in zijn herkomstregio afgespeeld hebben in de periode 1995-2002 De Vaste Beroepscommissie erkent echter verder in haar beslissing “(...) dat zijn verklaringen in dringend beroep over de omstandigheden in Tibet bij zijn terugkeer wel geloofwaardig overkomen en overeenstemmen met de gekende situatie (verhoorverslag van 21 september 2004, p.8-9- maar hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn pelgrimstocht naar Khangrimpoche zoals hoger uiteengezet werd" (p. 5 beslissing VBC) De motivatie van tegenpartij is dus niet adequaat vermits zij zelf bevestigt dat verzoeker wel elementen aangebracht heeft die zijn kennis weergeven over de situatie in Tibet na zijn terugkeer in 1995, wat wijst op een effectief verblijf van verzoeker in Tibet in die periode.
  12. Tegenpartij merkt op dat verzoeker ter zitting verklaard zou hebben in 1997 of in 1998 voor 4 of 5 maanden naar India te zijn geweest, wat hij in zijn vorige verhoren verzwegen heeft. Verzoeker betwist met klem verklaard te hebben dat hijzelf naar India gegaan is gedurende die periode. Na 3 jaar in India te hebben verbleven, is hij in 1995 naar Tibet teruggekeerd. Hij heeft zijn geboorteland niet meer verlaten tot zijn vlucht in
  13. Een misverstand moet zich met de tolk voorgedaan hebben in die zin dat verzoeker verstaan had dat hem gevraagd werd of XXX naar India gegaan was. Verzoeker is namelijk ter zitting ondervraagd geweest over de gebeurtenissen in zijn herkomstregio in de periode 1995-2002 en o.a. over de vervolgingen waarvan deze eminente Boeddhistische meester het slachtoffer is geweest (zie pA van de beslissing). In de documentatie die deel uitmaakt van het administratief dossier van het Commissariaat generaal voor vluchtelingen en staatlozen blijkt inderdaad dat XXX in 1996 gedurende 6 maanden naar India is gegaan om er heilige oorden te bezoeken. Verzoekers uitleg voor dit misverstand komt aan het licht van deze elementen redelijk over, des te meer XIV-28.984-7/16 dat al ontegensprekelijk bewezen werd dat vertalingproblemen zich voorgedaan hebben (zie punt l). De nadruk moet eveneens gelegd worden op het feit dat de tolk van het Engels naar het Tibetaans vertaald, waarna tegenpartij weer van het Engels naar het Nederlands vertaald. Misverstanden kunnen zich dus redelijkerwijze voordoen. Voor al deze redenen schendt de bestreden beslissing de motiveringsplicht en de in het middel aangevoerde wetsbepaling. Tweede middel Formulering en uiteenzetting Dit middel is gesteund op de schending van artikel 1.a.
  14. van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende het statuut van vluchtelingen en van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980, gekoppeld aan een schending van de motiveringsplicht zoals bepaald in artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 Doordat Tegenpartij van oordeel is dat verzoeker niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging en evenmin van oordeel is dat hij de subsidiaire bescherming kan inroepen. Terwijl Verzoeker heeft aangetoond dat zijn vrees voor vervolging in geval van terugkeer naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft, nl. China, gegrond is, zonder dat hij de bescherming van diens autoriteiten kan inroepen omdat zij diegene zijn die de auteur van de gevreesde vervolging zijn. Het werd hierboven aangetoond dat de bestreden beslissing niet op een adequate manier gemotiveerd werd. Dat verzoeker Tibetaan is, daadwerkelijk uit Tibet komt en dat hij monnik was in het Sera klooster in India en in het Dhargye klooster in Tibet wordt niet betwist door tegenpartij die 5 tevens erkent dat de verklaringen die hij aan het Commissariaat generaal voor vluchtelingen en staatlozen afgelegd heeft omtrent de periode na zijn terugkeer in Tibet gestaafd worden door objectieve bronnen (p.3, 5). Verzoeker heeft o.a. een registratieformulier van het Refugee Reception Center in Kathamandu voorgelegd, een attest van het Sera-klooster en zijn Chinese identiteits- kaart uitgereikt in 1999 - die zijn identiteit, zijn origine en zijn relaas objectiveren. Het administratief dossier bevat een groot aantal documenten waaruit duidelijk blijkt dat de provincie Kham, waarvan verzoeker afkomstig is, de sterkste Tibetaanse weerstand kent en dat vele monniken van het Darghye klooster problemen hebben ondervonden met de autoriteiten. De Vaste Beroepscommissie verwijst in de bestreden beslissing zelf naar tal van incidenten die zich recentelijk in de herkomstregio van verzoeker voorgedaan hebben en die getuigen dat de situatie er zeer onrustig is. Ze erkent tevens dat "Overwegende dat uit de verschillende mensenrechtenrapporten blijkt dat de situatie in Tibet verontrustend blijft; dat, niettegenstaande de veiligheidssituatie gestabiliseerd lijkt, er toch nog sprake is van ernstige mensenrechtenschendingen; dat uit deze verslagen niet blijkt dat de hoedanigheid van Tibetaan afkomstig uit China op zich het bewijs is van een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade " (p. 4) In een beslissing van 10 november 2006 (VB/04-3817/E766: stuk 3) stelde ze echter dat "Overwegende dat appellant Tibet illegaal verlaten heeft; dat voor Tibetanen die het land hebben verlaten zonder de juiste procedures te volgen (bijvoorbeeld zonder paspoort ofmet een vals paspoort) de kans erg groot is dat zij zullen worden onder- vraagd wanneer zij terugkeren naar China (zie Nederlands Ministerie van Buitenlands Zaken, Algemeen Ambtsbericht China, 2005); Dat een ondervraging evenwel kan leiden tot een arrestatie wanneer ook andere elementen, buiten het illegale vertrek, in rekening worden gebracht (...);” XIV-28.984-8/16 In casu wordt, zoals eerder vermeld, niet betwist dat verzoeker daadwerkelijk uit Tibet komt. Volgens de bevestigingen van de Vaste Beroepscommissie loopt hij dus een zeer groot en reëel risico op om ondervraagd te worden over zijn illegaal vertrek uit China moest hij er terugkeren. De rechtspraak van tegenpartij heeft verder onderlijnd dat "illegale grensoverschrijding als misdrijf wordt beschouwd in het Chinese strafwetboek" - wat trouwens nogmaals op dramatische wijze aan de wereld werd herinnerd op 30.06.2006 toen een non van 17 jaar, die met tientallen anderen de grens met Nepal probeerde te overschrijden dicht bij het basiskamp van de Mount Everest, werd neergeschoten door Chinese militairen, terwijl het overgrote deel van de groep, waaronder een tiental kinderen tussen 8 en 10 jaar, door de militairen meegenomen werd -en dat "alle nonnen en monniken, en in het bijzonder de lagere niveaus in het hedendaagse Tibet door de Chinese overheden als verdachten worden beschouwd" (VB/04-3817/E766: stuk 3). Het werd aangetoond aan de hand van documenten -en het is trouwens evenmin betwist- dat verzoeker monnik was. Het staat dus vast dat hij een groot risico loopt op ernstige kwellingen door Chinese ambtenaren. Verder heeft tegenpartij eerder aannemelijk verklaard in Tibetaanse dossiers dat het indienen van een asielaanvraag in het Westen een aanleiding zou kunnen vormen voor een reëel risico op vervolging in cumulatie met andere factoren. Het is ontegensprekelijk dat al deze verschillende elementen, indien samengevoegd, een effect kunnen teweegbrengen waardoor een gegronde vrees voor vervolging kan gestaafd worden op basis van deze cumulatieve gronden. Verzoeker voldoet ongetwij- feld aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 1.a.
  15. van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende het statuut van vluchtelingen en in artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 om als vluchteling erkend te worden of, in ondergeschikte orde, om van de subsidiaire bescherming te kunnen genieten. Derhalve schendt de bestreden beslissing de in het middel aangevoerde wetsbepalin- gen.”; 2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.1 Betreffende een eerste middel. In een eerste middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van het art. 57/22 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.
  17. Ter ondersteuning uit de verzoekende partij (partiële) kritiek op de in casu bestreden beslissing en de door de Vaste Beroepscommissie gemaakte beoordeling en tracht hij aan de hand van vage en ongestaafde beweringen en 'eigen interpretaties' bepaalde door de Vaste Beroepscommissie gedane vaststellingen te weerleggen. De verwerende partij laat gelden dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, terecht, en geheel binnen de haar toebedeelde bevoegdheid ter zake, heeft geoordeeld om de asielaanvraag te verwerpen, nu zij - zoals wordt vermeld in de in casu bestreden beslissing - vaststelde dat: - het door verzoeker aangebrachte document (attest van het Tibet-bureau) geen nationaliteitsbewijs is, noch bewijst dat verzoeker afkomstig is uit het gedeelte van Tibet dat valt onder de Volksrepubliek China, - dat uit de foto's opgestuurd bij brief van 24.12.2006 niet kan worden afgeleid waar en of deze in Tibet werden genomen, - verzoeker noch zijn reisweg, noch het ogenblik dat hij in België aankwam bewijst, verzoeker tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn reisgezel Michael met wie hij al dan niet de grens met Nepal overstak, en dit een bijkomende negatieve indicatie is voor zijn geloofwaardigheid, - verzoeker niet bij aanvang het eerder verblijf in India tussen 1992 tot 1995 heeft aangegeven, XIV-28.984-9/16 - een verzwegen verblijf in een derde land in het algemeen de geloofwaardigheid van een asielrelaas ondermijnt, - dat een dergelijk verzwijgen een gegronde vrees voor vervolging niet uitsluit, dat rekening houdend met de frauduleuze verklaringen een verhoogde bewijslast rust op appellant, - verzoekers gewijzigde verklaringen niet overeenstemmen met de uitgifte van het voorgelegde registratiedocument, - de datum van het registratiedocument evenmin te rijmen valt met de eerdere verklaringen van verzoeker, - deze verklaringen wijzen op een bedrieglijke en deloyale houding van verzoeker, S ui de verschillende verslagen niet blijkt dat de hoedanigheid van Tibetaan afkomstig uit China op zich het bewijs is van een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade, - het essentieel is ter beoordeling van de asielaanvraag dat verzoeker recentelijk voor zijn vertrek naar België in Tibet is geweest, - verzoeker het ogenblik van zijn terugkeer naar Tibet en van zijn tweede vertrek niet bewijst, - verzoeker ter zitting geen kennis toont over de gebeurtenissen in de periode 1995- 2002, - verzoeker vage verklaringen aflegt, - verzoeker zijn verblijf in Tibet voor zijn vertrek naar België niet aannemelijk maakt, - het bezit van een identiteitskaart niet opweegt tegen het gebrek aan kennis, verzoeker zijn inwijding tot monnik niet kan concretiseren en slechts vage verklaringen aflegt, - verzoeker ter zitting stelt dat hij in hetzij 1997 of 1998 vier of vijf maanden in India was, en ook dit gegeven steeds werd verzwegen en niet overeenstemt met de inhoud van het registratiedocument, - een tweede maal essentiële zaken verzwijgen frauduleus en bedrieglijk is, - verzoeker tegenstrijdige verklaringen aflegt over zijn relaas, - verzoeker verklaarde dat hij gevaarlijke pamfletten ronddroeg, en in dringen beroep stelde dat hij zestig pagina's pamfletten had, terwijl hij ter zitting en bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat dit er slechts tien waren, - verzoeker bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij in de periode 1999- 2002 elk jaar pamfletten kleefde, hij in dringend beroep stelde dat in de periode geen politieke activiteiten had, en ter zitting dan weer stelde dat bij de betrapping in 2002 het slechts de tweede maal was dat hij pamfletten kleefde, - verzoeker stelde dat hij diende te vluchten bij de betrapping met zijn vriend, die werd neergeschoten, en verzoeker ter zitting stelde dat hij het schot enkel hoorde en niet zag of zijn vriend gekwetst was, terwijl hij in dringend beroep expliciet verklaarde dat zijn vriend in het been werd geschoten, - deze tegenstrijdigheid de kern van het relaas raakt omdat dit de aanleiding is van verzoekers vlucht, - verzoeker geen verklaring heeft voor het bestaan van deze tegenstrijdigheden, - dat hij ter zitting er zich ertoe beperkt een versie uit te kiezen, en stelt dat de gekozen versie altijd werd verklaard, en dit niet aanvaardbaar is, - de Commissie besluit tot de ongeloofwaardigheid van het relaas, - verzoeker geen bijzondere problemen vermeldt over zijn verblijf in India, - verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij voor zijn vertrek uit Tibet in de bijzondere negatieve aandacht was van de Chinese overheden, noch dat hij China en/of India verlaten heeft omwille van een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het verdrag, - verzoeker niet aantoont dat hij beantwoordt aan de bepalingen van art. 48/4 van de Wet dd. 15.12.
  18. Bovenstaande overwegingen vinden steun in de gegevens van de zaak, en zijn geenszins kennelijk onredelijk. XIV-28.984-10/16 Terwijl de affirmaties van verzoeker niet van aard zijn aan te tonen dat de bestreden beslissing niet op verantwoorde motieven zou steunen. Te meer nu verzoekers partiële kritiek kennelijk is gericht tegen een feitelijke beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, meerbepaald m.b.t. de geloofwaardigheid van de door verzoeker afgelegde verklaringen en de door hem naar voor gebrachte. stukken. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de feitenrechter, in casu de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen, wanneer deze haar eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent (R.v.St. nr. 45.632, 4.1.94, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 47.325, 6.5.94, R.A.C.E 1994, z.p,; R.v.St. nr. 49.801, 21.10.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 50.272, 18.11.94, R.A.C.E 1994, z.p). Aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen over de bewijskracht en de geloofwaardigheid van de door verzoeker aangebrachte elementen soeverein oordeelt, komt het aan haar toe om in laatste aanleg te beslissen welke de gevolgen zijn die uit deze elementen moeten worden afgeleid. Het is niet aan de Raad van State om zich in de plaats te stellen van de feitenrechter bij de beoordeling van de bewijskracht en waarachtigheid van de aangevoerde gegevens. Overigens, het zou gaan om een vervormde beoordeling van verzoekers asielaanvraag, aangezien verzoeker zijn voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen gedane verklaringen isoleert van degene die ze in de administratieve fase van het onderzoek van de genoemde aanvraag heeft afgelegd, De Raad van State kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad van State niet toe deze beoordeling over te doen en zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. Aangezien verzoekers middel in de huidige zaak er echter wel degelijk toe is beperkt de beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen van de feitelijke toedracht van de zaak en van de bewijskracht en geloofwaardigheid van afgelegde verklaringen en neergelegde stukken te betwisten, dient het middel als niet-ontvankelijk te worden beschouwd, daar het feiten met recht vermengt. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers eerste middel niet kan worden aangenomen. 2.2 Betreffende een tweede middel. In een tweede middel beroept verzoeker zich op een vermeende schending van het art. 1 van het Verdrag van Genève en van het art. 14/8 van de wet dd. 15.12.1980, gekoppeld aan een schending van het art. 57/22 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.
  19. Ter ondersteuning verwijst verzoeker naar de vage, partiële en loze kritiek die werd aangevoerd ter ondersteuning van het eerste middel. De verwerende partij verwijst naar haar repliek op verzoekers eerste middel, waarbij reeds werd uiteengezet dat: - de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, terecht, en geheel binnen de haar toebedeelde bevoegdheid ter zake, heeft geoordeeld om de asielaanvraag te verwerpen, te meer nu - zoals uitvoerig wordt gemotiveerd - werd vastgesteld dat het relaas ongeloofwaardig, bedrieglijk en frauduleus is, - de affirmaties van verzoeker niet van aard zijn aan te tonen dat de bestreden beslissing niet op verantwoorde motieven zou steunen. - verzoekers partiële kritiek - ook deze vervat in het tweede middel- kennelijk is gericht tegen een feitelijke beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, en het niet aan de Raad van State is om zich in de plaats te stellen van de feitenrechter bij de beoordeling van de bewijskracht en waarachtigheid van de aangevoerde gegevens. Ten overvloede merkt de verwerende partij op de ter zake geldende bewijslast in beginsel op verzoeker rust, derwijze dat hij in de mate van het mogelijke bewijzen moet aanbrengen ter staving van zijn relaas (zie onder meer de Guidé de procédures et critères á appliquer pour determiner le statut de réfugié van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, Genève, 1979, 53). XIV-28.984-11/16 De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen is terecht van oordeel dat verzoeker op dit punt in gebreke is gebleven en heeft - binnen de grenzen van de ruime beoordelings- bevoegdheid die de voormelde verdragsbepaling haar biedt - kunnen beslissen dat verzoekers relaas niet geloofwaardig moet worden geacht. De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft in casu in haar bestreden beslissing alle vaststellingen opgenomen die voor de beoordeling van het door verzoeker bij haar ingestelde beroep relevant zijn en die de afwijzing van dit beroep rechtvaardigen. Door op basis van de haar eigen feitelijke beoordelingsbevoegdheid verzoekers asielrelaas ongeloofwaardig te achten en de daartoe in aanmerking genomen gegevens in haar beslissing te vermelden heeft zij het vluchtelingbegrip geenszins miskend. Immers, uit een arrest van de Raad van State dd. 12.01.1999 (nr. 78.054) blijkt dat wanneer het verhaal van de asielzoeker kennelijk niet geloofwaardig is, er geen reden is om het verhaal van de betrokkene nog te toetsen aan de bovengenoemde verdragsbe- paling. Er kan derhalve geen sprake zijn van de door verzoeker ingeroepen schending van die verdragsbepaling. Terwijl evenmin een schending van het art. 48/4 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 wordt aangetoond. Het tweede middel kan niet worden aangenomen.”; 2.
  20. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal de in het initiële verzoekschrift aangevoerde middelen herneemt en het volgende repliceert op de argumenten van de verwerende partij: “Verzoekers kritiek van de beslissing van tegenpartij is kennelijk niet gericht op de feitelijke beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen, zoals beweerd wordt door verwerende partij, maar op de onrechtmatigheid van de betwiste beslissing die, objectief gezien, op onconsequente en onsamenhangende manier gemotiveerd werd en steunt op foutieve elementen die in strijd zijn met het administratief dossier. Voor al deze redenen schendt de bestreden beslissing de motiveringsplicht en de in het middel aangevoerde wetsbepaling.”; 2.4.
  21. Overwegende dat het de Raad van State niet toekomt na te gaan of de datum van het voorgelegde registratiedocument van het Tibetan Refugee Registration Center te Khatmandu foutief werd vertaald, vermits dit hem ertoe zou nopen feitelijke gegevens te verifiëren, hetgeen niet tot zijn bevoegdheid behoort; dat, daargelaten de vaststelling dat verzoeker niet ontkent dat de vertaling van voormeld registratiedocument deel uitmaakte van het administratief dossier dat hij vanaf 28 november 2006 (datum van de oproeping voor de zitting van 23 januari 2007) kon inkijken en hij zodoende in de mogelijkheid verkeerde om tijdig van dit stuk kennis te nemen en dienaangaande mogelijke vertalingsfouten te signaleren, en daargelaten de vraag of er zich gebeurlijk een fout in de vertaling zou hebben voorgedaan, de hieromtrent geformuleerde kritiek niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden, daar de op basis van voormelde vertaling gedane vaststellingen niet determinerend van aard zijn; dat het middel dat, ook al was het gegrond, geen weerslag zou hebben op de verantwoording van de bestreden beslissing, dan ook wegens gebrek aan XIV-28.984-12/16 belang niet-ontvankelijk is, aangezien die beslissing tevens berust op andere, voldoende grondslagen waartegen het middel niet of zonder succes opkomt; dat blijkens de uitvoerige motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoeker wordt verworpen omdat “appellant noch aannemelijk maakt dat hij voor zijn vertrek uit Tibet (China) in de bijzondere negatieve aandacht was van de Chinese overheden noch dat hij China en/of India verlaten heeft omwille van een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 of van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in art. 48/4 van de wet van 15 december 1980”; dat dit besluit inzonderheid steunt op de volgende vaststellingen: verzoeker bewijst zijn reisweg niet en legt tegenstrijdige verklaringen af over zijn reisgezel XXX en het bezit van zijn vals paspoort; hij heeft zijn eerder verblijf in India van 1992 tot 1995 niet van bij de aanvang aangegeven; hij bewijst noch het ogenblik van zijn terugkeer naar Tibet noch zijn tweede vertrek; wat zijn beweerde verblijf in Tibet van 1995 tot 2002 betreft, toont hij geen kennis over de gebeurtenissen in deze periode en maakt hij zijn verblijf in Tibet voor zijn vertrek naar India en/of België niet aannemelijk; hij kan zijn inwijding tot monnik niet concretiseren en legt slechts vage verklaringen af; zijn verklaring ter zitting dat hij ook in 1997 of 1998 vier of vijf maanden in India was, is een essentieel gegeven dat eveneens steeds verzwegen werd; hij legt tegenstrijdige verklaringen af over zijn relaas, meer bepaald omtrent het aantal verdeelde pamfletten en omtrent zijn politieke activiteiten in de periode 1999-2002; hij legt tevens tegenstrijdige verklaringen af omtrent de al dan niet verwonding bij hun vlucht van zijn vriend, hetgeen nochtans de kern van zijn relaas raakt omdat het de aanleiding vormde van zijn vlucht; hij toont niet aan dat hij was teruggekeerd naar Tibet na zijn verblijf in de periode 1992-1995 en/of na 1997 of 1998 en maakt niet aannemelijk dat hij op het ogenblik van zijn vertrek uit Tibet in de bijzondere negatieve aandacht was van de Chinese overheden; wat zijn verblijf in India betreft, vermeldt hij geen bijzondere problemen en er zijn geen berichten dat Tibetaanse vluchtelingen door India worden teruggestuurd; dat aldus genoegzaam wordt aangegeven waarom geen vrees in vluchtelingenrechtelijke zin noch een nood aan subsidiaire bescherming aannemelijk wordt gemaakt; dat, onder het mom van een schending van de motiveringsplicht de feitelijke beoordeling van de zaak door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt bekritiseerd; dat als administratieve cassatierechter de Raad van State de opdracht heeft om toezicht uit te oefenen op de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat hij hierbij luidens artikel 14, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State “niet in de beoordeling van de zaak zelf” mag treden; dat het dan ook uitsluitend aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als feitenrechter toekomt om te oordelen of de voorgelegde documenten verzoekers identiteit, origine en relaas objectiveren; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen XIV-28.984-13/16 in de bestreden beslissing geenszins bevestigt dat hij elementen heeft aangebracht die zijn kennis weergeven over de situatie in Tibet na zijn terugkeer in 1995, wat volgens hem zou wijzen op een effectief verblijf in Tibet in die periode, doch - integendeel - aan de hand van meerdere concrete voorbeelden vaststelt dat verzoeker weinig kennis toont over de gebeurtenissen die zich in de periode 1995-2002 in zijn herkomstregio hebben afgespeeld; dat, voor zover de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aanneemt dat zijn verklaringen over de omstandigheden in Tibet bij zijn terugkeer dan wel geloofwaardig overkomen en overeenstemmen met de gekende situatie, zij echter vaststelt dat -zo zou worden aangenomen dat hij mogelijks in Tibet aanwezig was vóór hij via Nepal naar België kwam- hij omtrent zijn vertrek tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn reisgezel Michael en het bezit van zijn vals paspoort; dat de verklaring van verzoeker ter zitting dat hij in hetzij 1997 of 1998 vier of vijf maanden in India was, opgenomen is in een authentieke akte, te weten de geschreven beslissing van een administratief rechtscollege, en derhalve geacht moet worden met de werkelijkheid overeen te stemmen; 2.4.
  22. Overwegende dat, wat betreft het onderzoek naar de nood aan subsidiaire bescherming, verzoeker in zijn “Besluiten” van 24 december 2006, onder verwijzing naar een andere beslissing inzake een Tibetaan, onder meer het volgende aanvoerde: “De Vaste Beroepscommissie heeft in een beslissing van 10 november 2006 (VB/04- 3817/E766) duidelijk gesteld dat "Overwegende dat appellant Tibet illegaal verlaten heeft; dat voor Tibetanen die het land hebben verlaten zonder de juiste procedures te volgen (bijvoorbeeld zonder paspoort of met een vals paspoort) de kans erg groot is dat zij zullen worden ondervraagd wanneer zij terugkeren naar China (zie Nederlands Ministerie van Buitenlands Zaken, Algemeen Ambtsbericht China, 2005); dat een ondervraging evenwel kan leiden tot een arrestatie wanneer ook andere elementen, buiten het illegale vertrek, in rekening worden gebracht; Overwegende dat bij analyse van appellants risicoprofiel genoegzaam gebleken is dat hij onder de negatieve aandacht van de Chinese overheden gekomen is ten gevolge van zijn politieke activiteiten: dat hij bovendien als monnik van een lager niveau een groot risico loopt op ernstige kwellingen door Chinese ambtenaren; dat immers alle nonnen en monniken, en in het bijzonder de lagere niveaus in het hedendaagse Tibet door de Chinese overheden als verdachten worden beschouwd; dat hij bovendien het land illegaal verlaten heeft en illegale grensoverschrijding als misdrijf wordt beschouwd in het Chinese strafwetboek [wat trouwens nogmaals op dramatische wijze aan de wereld werd herinnerd op 30.06.2006: een non van 17 jaar, die met tientallen anderen de Nepalese grens probeerde te overschrijden dicht bij het basiskamp van de Mount Everest, werd toen neergeschoten door Chinese militairen, incident, dat door een westerling gefilmd is geweest en uitgezonden werd door vele televisieketens in de wereld. Het overgrote deel van de groep, waaronder een tiental kinderen tussen 8 en 10 jaar, werd overigens door de militairen meegenomen]; XIV-28.984-14/16 dat tenslotte het indien van een asielaanvraag in het Westen eveneens een aanleiding zou kunnen vormen voor een reëel risico op vervolging in cumulatie met andere factoren; dat al deze verschillende elementen, indien samengevoegd, een effect kunnen teweegbrengen waardoor een gegronde vrees voor vervolging kan gestaafd worden op basis van cumulatieve gronden; (...)” Dezelfde overwegingen moeten aan verzoeker toegepast worden.”; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hierop genoegzaam antwoordt dat, niettegenstaande wordt aangenomen dat verzoeker mogelijks uit Tibet afkomstig is en niettegenstaande uit de verschillende mensenrechtenrapporten blijkt dat de situatie in Tibet verontrustend blijft, uit voormelde rapporten niet blijkt dat de hoedanigheid van de Tibetaan afkomstig uit China op zich het bewijs is van een gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op ernstige schade; dat in casu de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vaststelt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij - zoals in het geval waaraan verzoeker in zijn “Besluiten” refereerde -op het ogenblik van zijn vertrek uit Tibet in de bijzondere negatieve aandacht was van de Chinese overheden; dat dit besluit steunt op de vaststelling dat hij zijn verblijf in Tibet voor zijn vertrek naar India en/of België niet aannemelijk maakt omdat hij geen kennis toont over de gebeurtenissen in deze periode, hij zijn inwijding tot monnik niet kan concretiseren en hij tegenstrijdige verklaringen aflegt omtrent het verspreiden van pamfletten in de periode 1996-2002, en dat er, wat betreft zijn verblijf in India, “geen berichten zijn dat Tibetaanse vluchtelingen door India worden teruggestuurd”; dat aldus genoegzaam -en zonder daarbij de feiten foutief te kwalificeren- wordt aangegeven waarom niet wordt aangenomen dat verzoeker zijn land van herkomst heeft verlaten omwille van een gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op ernstige schade; dat de middelen, in de mate ze ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
  23. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  24. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-28.984-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf december tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-28.984-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.761 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.