id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.774 Rolnummer: A. 185114/XII-5204 Zaak: Arrest 177774 - Varia (onderwijs en cultuur) - 11/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-18 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:35 Fiche Arrest nr 177.774 van 11 december 2007 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 177.774 van 11 december 2007 in de zaak A. 185.114/XII-
- In zake : VZW QUATUOR DANEL, die woonplaats kiest bij advocaat P. Peeters, kantoor houdende te 1170 Brussel, Terhulpsesteenweg 177/6 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat W. Muls, kantoor houdende te 1000 Brussel, A. Dansaertstraat
- -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de vzw Quatuor Danel op 12 september 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging onder verbeurte van een dwangsom te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 29 juni 2007 om haar geen meerjarig financieringsbudget voor de periode 2007 - 2009 toe te kennen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. Weymeersch; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 december 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-5204-1\16 Gehoord de opmerkingen van advocaten P. Peeters die verschijnt voor verzoekende partij, en van advocaat W. Muls verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. Weymeersch; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens
- Verzoekende partij is een vereniging zonder winstoogmerk met als doel “het bevorderen en het ontwikkelen van het repertorium van het strijkkwartet” en is sinds 1998 erkend en ondersteund door de Vlaamse Gemeenschap.
- Op 31 augustus 2005 vraagt zij een subsidie aan voor de periode 1 januari 2007 - 31 december
- Die aanvraag leidt tot een beslissing van 23 juni 2006 van de Vlaamse regering houdende de subsidiëring van kunstenorganisaties en organisaties voor kunsteducatie in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december
- Uit die beslissing kan impliciet worden afgeleid dat aan de verzoekende partij geen subsidie wordt toegekend. Met zijn arrest nr. 166.055 van 19 december 2006 beveelt de Raad van State evenwel de schorsing van de tenuitvoerlegging “van de uit het besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 2006 houdende de subsidiëring van kunsten- organisaties en organisaties voor kunsteducatie in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2009 blijkende weigering om aan de vzw Quatuor Danel een subsidie toe te kennen”. In het arrest wordt onder meer overwogen wat volgt : “
- Overwegende dat uit de redactie van het aangehaalde artikel 8 van het Kunstendecreet prima facie moet worden afgeleid dat de betrokken XII-5204-2\16 beoordeling uitsluitend geschiedt aan de hand van de criteria vastgesteld in artikel 8, § 1, en eventueel de aanvullende criteria die zouden worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8, § 2; dat de criteria waarnaar wordt verwezen in paragraaf 3 enkel kunnen worden aangewend als aanvulling; Overwegende dat de beoordelingscommissie verzoekster ‘één van de beste kwartetten’ in België” noemt, met ‘onbetwistbare kwaliteit en internationale uitstraling; dat de commissie niettemin ‘van mening [is] dat dit ensemble niet meer in aanmerking komt voor structurele subsidiëring’ omdat ‘niet meer de noodzaak [blijkt] van subsidiëring om de kwaliteit te behouden of te verbeteren’ en omdat het kwartet ‘[g]elet op de beperkte bezetting en op het succes van het ensemble’, ‘in staat [moet] zijn om op eigen benen te staan’; Overwegende dat de grootte van het ensemble noch het eventueel zichzelf bedruipend karakter van zijn activiteiten op het eerste gezicht zijn onder te brengen in een van de beoordelingscriteria van artikel 8 van het Kunstendecreet; dat alleszins de beoordelingscommissie de reden waarom negatief advies wordt verleend, aan geen enkele van de geciteerde beoordelingscriteria vastknoopt; dat de commissie integendeel in de volgende zin van het advies zelf erkent daar niet toe in staat te zijn : ‘Hoewel niet decretaal bepaald, staat het de Commissie vrij om te oordelen dat een kwartetformule minder nood heeft aan subsidiëring dan een groter ensemble’; Overwegende dat de commissie zich over de inhoudelijk-artistieke aspecten van iedere aanvraag moet uitspreken binnen het raam van de decretaal voorgeschreven beoordelingscriteria en een kwaliteits- en inhoudelijke beoordeling ervan moet geven; dat het haar niet vrij staat andere criteria bij die beoordeling te betrekken noch, overigens, aanvragen onderling te vergelijken, zo lijkt; dat ook de idee dat een ensemble, eenmaal succesvol, zonder subsidies moet kunnen voortbestaan, wat ook de minister in het algemeen met betrekking tot ensembles met een kleine bezetting als een beleidslijn lijkt te propageren in de Nota aan de Vlaamse regering, prima facie er op neerkomt dat een nieuwe subsidiëringsvoorwaarde wordt opgelegd;”.
- Gevolg gevend aan dit arrest deelt de verwerende partij met een op 19 februari 2007 gedateerde en blijkbaar aangetekend verstuurde brief mee dat besloten is de aanvraag van de verzoekende partij voor meervoudige subsidiëring opnieuw te onderzoeken en worden de betrokken voorlopige -negatieve- adviezen meegegeven.
- Met een brief van 1 maart 2007 reageert de verzoekende partij.
- De definitieve adviezen van de beoordelingscommissie en de administratie luiden als volgt : “Antwoord op de repliek van Quatuor Danel In haar repliek van 1 maart 2007 stelt de vzw Quatuor Danel dat de Beoordelingscommissie Muziek een negatief advies verleent op basis van een criterium dat niet voorkomt in artikel 8, § 1 van het Kunstendecreet. Dit is echter niet correct. Het negatieve advies van de Beoordelingscommissie Muziek is gebaseerd op de overtuiging dat het Quatuor Danel geen overheidssteun meer nodig XII-5204-3\16 heeft om te kunnen voortbestaan. Met andere woorden, de continuïteit van de werking van het Quatuor Danel is volgens de beoordelingscommissie Muziek haalbaar zonder meerjarige subsidiëring in het kader van het Kunstendecreet. Dit advies is dus gebaseerd op het criterium ‘haalbaarheid’, ofwel punt 6/ van de criteria vermeld in artikel 8, § 1 van het Kunstendecreet. [...] De Beoordelingscommissie Muziek blijft dan ook hij haar negatief advies. [...] De structurele subsidies die het ensemble ontving in het kader van het Muziekdecreet gedurende de periode 1999-2006 hebben zeker bijgedragen tot de positie die het Danel Strijkkwartet nu verworven heeft. Het zijn echter ook precies de kwaliteit en internationale uitstraling van het Danel strijkkwartet anno 2006, die de Commissie nu overtuigen dat dit ensemble ongetwijfeld verder kan werken zonder meerjarige subsidiëring. Voor een kwartet met dergelijke status moet het immers haalbaar zijn om voldoende eigen inkomsten te genereren uit uitkoopsommen voor concerten en vergoedingen voor masterclasses zodat ze hun huidige kwaliteit kunnen behouden en zelfs verbeteren. Om deze reden brengt de Commissie een negatief advies uit over de vraag van de vzw Quatuor Danel tot meerjarige subsidiëring in de periode 2007-
- Analyse van de reactie [...] Definitief advies administratie De administratie meent dat het dossier van Quatuor Danel niet voldoende onderbouwd is om een stijging van de huidige subsidie te verantwoorden. De administratie kan wel akkoord gaan met de continuering van de subsidiëring zoals toegekend in de periode 2003-
- Geïntegreerd advies na overleg met de commissie Na samenspraak met de beoordelingscommissie, met als doel tot een geïntegreerd advies te komen, blijkt dat de commissie op basis van de artistieke kwaliteit en de relevantie binnen het landschap van het ensemble, oordeelt dat de gemiddelde uitkoopsommen relatief laag liggen. Indien deze structureel zouden worden verhoogd tot wat volgens de commissie de internationale normen zijn voor een kwaliteitskwartet, zou het continueren van de werking van het ensemble, gegeven het hoge aantal concerten, ook zonder subsidies gemakkelijk haalbaar zijn. De administratie volgt de redenering van de commissie en onderschrijft dus ook het negatieve advies van de commissie. Voorontwerp van beslissing: geen subsidie voor de meerjarige periode 2007- 2009”;
- Op 29 juni 2007 keurt de Vlaamse regering het door de bevoegde minister geformuleerde voorstel tot niet-subsidiëring goed. De bevoegde minister onderschrijft in zijn voorstel “het negatieve advies van de beoordelingscommissie en de administratie. De beoordelingscommissie geeft duidelijk aan dat een kwartet met de kwaliteit van Quatuor Danel in staat moet zijn om via een verhoging van de XII-5204-4\16 uitkoopsommen (conform de internationale normen die voor gelijkaardige ensembles gehanteerd worden) zijn werking zonder subsidie te kunnen voortzetten. De administratie sluit zich na overleg met de beoordelingscommissie aan bij het standpunt van de beoordelingscommissie”.
- De beslissing van de Vlaamse regering van 29 juni 2007 is de thans bestreden beslissing en wordt aan de verzoekende partij betekend met een op 16 juli 2007 gedateerde en ter post aangetekende brief. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; De eerste schorsingsvoorwaarde
- In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan onder meer van de artikelen 6 en 8 van het decreet 2 april 2004 houdende de subsidiëring van kunstenorganisaties, kunstenaars, organisaties voor kunsteducatie en organisaties voor sociaal-artistieke werking, internationale initiatieven, publicaties en steunpunten (hierna: kunstendecreet). Daartoe betoogt zij dat zij voldoet aan de criteria van het voormelde artikel 8, dat nochtans haar subsidieaanvraag - opnieuw - werd afgewezen op grond van een subsidiëringsvoorwaarde die niet voorkomt in het kunstendecreet, meer bepaald omdat volgens de beoordelingscommissie het haalbaar moet zijn om voldoende eigen inkomsten te genereren uit uitkoopsommen voor concerten en vergoedingen voor masterclasses, dat de bewering van de commissie, dat het zelfbedruipend karakter kan worden vastgeknoopt aan het criterium van de XII-5204-5\16 “haalbaarheid”, opgenomen in artikel 8, §1, 6/, echter onjuist is, dat dit criterium daarentegen doelt op de vereiste dat het in het aanvraagdossier vooropgestelde beleidsplan haalbaar en realistisch moet zijn, dat het voorts onjuist is dat naar “internationale normen” te lage uitkoopsommen zouden worden gevraagd, deze wel degelijk vergelijkbaar zijn met kwalitatief vergelijkbare ensembles maar het bestaan van dergelijke normen betwistbaar is, nu de hoogte van uitkoopsommen veelal afhangt van het resultaat van onderhandelingen met de concertorganisator.
- De verwerende partij antwoordt in haar nota dat de verzoekende partij enkel kritiek levert op het advies van de beoordelingscommissie en niet op het negatieve advies van de administratie, dat de financiële en beheersmatige aspecten van de aanvraag beoordeelde en dat zelfs met een positief advies van de beoordelingscommissie het allesbehalve zeker is dat de regering een subsidie zou hebben toegekend zodat het eventueel ernstig bevinden van dit middel aan de verzoekende partij geen voordeel kan bijbrengen. Zij betoogt voorts dat zij zoals elke overheid bij het aanwenden van haar begrotingsmiddelen rekening moet houden met de eisen van zuinigheid, doeltreffendheid en doelmatigheid wat inhoudt dat geen subsidies kunnen worden toegekend aan personen of organisaties die deze subsidies niet nodig hebben. Volgens haar blijkt uit het advies van de beoordelingscommissie dat de verzoekende partij in staat moet zijn haar werking zelf te financieren. Zij stelt vervolgens dat haalbaarheid te maken heeft met de vraag of de structuur van de organisatie het voorgelegde plan kan dragen en te dezen dit mogelijk is zonder dat daarvoor overheidsgeld moet worden gebruikt Aldus moet volgens haar worden vastgesteld dat - waar er discussie kon bestaan over de gehanteerde criteria en ongelukkigerwijze werd verwezen naar een niet decretaal bepaald gegeven- dat het bestuur zich nu heeft geconformeerd aan het arrest nr. 166.055 van de Raad van State. XII-5204-6\16 Ten slotte doet de verwerende partij gelden dat de beoordelings- commissie uit deskundigen bestaat die wel degelijk weten welke uitkoopsommen in een internationale context worden gehanteerd. Beoordeling
- Het middel strekt ertoe aan te tonen dat het negatief advies van de beoordelingscommissie niet deugt. Die beoordelingscommissie geeft luidens artikel 6, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 25 juni 2004 betreffende de uitvoering van het kunstendecreet van 2 april 2004, advies over de artistiek- inhoudelijke aspecten van de aanvraag tot structurele subsidiëring. Mede blijkens de artikelen 77 tot 85 van het kunstendecreet én te dezen het gegeven dat de minister zich zonder meer ook bij haar advies heeft aangesloten, heeft zij een zodanig centrale plaats in de ontworpen procedure dat wanneer haar beoordeling door een interne onwettigheid is aangetast, het bestuur niet anders kan dan de aanvraag opnieuw op haar artistieke kwaliteiten te beoordelen. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling zal het bestuur ertoe aanzetten zich andermaal over de aanvraag van de verzoekende partij uit te spreken. Het volstaat voor de verzoekende partij om bij de vordering voordeel te hebben, als zij er een nieuwe kans door verkrijgt op een voor haar gunstige beslissing. In dat verband moet er overigens worden op gewezen dat in het definitief advies de administratie, nadat de verzoekende partij op haar voorlopig advies had gereageerd, oordeelde “akkoord [te kunnen] gaan met de continuering van de subsidiëring zoals toegekend in de periode 2003-2006”. Het is pas “na overleg” met de beoordelingscommissie dat de administratie oordeelde het negatief advies van de commissie te moeten onderschrijven. Om welke reden echter de administratie een negatief advies verstrekt lijkt niet geheel duidelijk tenzij dat zij “de redenering volgt” van de beoordelingscommissie. Zelfs als het zo zou zijn dat de verzoekende partij het advies van de administratie niet bekritiseert, is dit op het eerste gezicht vrij aannemelijk aangezien het strikt genomen positief was. Aan de verzoekende partij mag dienvolgens geen belang bij het aanvoeren van dit middel worden ontzegd, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij betoogt. XII-5204-7\16
- Artikel 6, § 5, van het kunstendecreet bepaalt ten aanzien van de subsidiëring van kunstenorganisaties voor het geheel van hun werking bedoeld in artikel 4,§ 1, dat de Vlaamse Regering beslist over de toekenning van en over de grootte van de subsidies aan de hand van de beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 8 en dat deze beslissing gebeurt met inbegrip van de optionele internationale, sociaal- artistieke en kunsteducatieve elementen van de werking bedoeld in artikel 43 en artikel
- Het voornoemde artikel 8 luidt : “Art.
- §
- Om de grootte van het financieringsbudget te bepalen, worden -rekening houdend met de specificiteit van de organisatie- de volgende beoordelingscriteria gehanteerd, voor zover die relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteit en voor zover die relevant zijn voor een tweejarig of een vierjarig financieringsbudget : 1/ profilering en positionering; 2/ langetermijnvisie; 3/ kwaliteit van inhoudelijk concept en concrete (uit)werking; 4/ landelijke en/of internationale uitstraling; 5/ samenwerking en netwerking met artistieke en niet-artistieke actoren in het binnen- en/of in het buitenland; 6/ haalbaarheid; 7/ publieksgerichtheid; 8/ gedegen financiële onderbouw van de werking. §
- Ter aanvulling van de criteria, genoemd in § 1, mag de Vlaamse regering criteria bepalen in functie van de door haar geformuleerde prioriteiten. De adviescommissie, bedoeld in artikel 80, adviseert de Vlaamse regering bij het bepalen van aanvullende criteria met betrekking tot de artistieke of inhoudelijke kwaliteit van de gesubsidieerde activiteit. Ze kan zelf ook aanvullende artistieke of inhoudelijke criteria ter goedkeuring voorleggen aan de Vlaamse regering. De lijst van aanvullende criteria moet uiterlijk drie maanden voor de aanvraag tot subsidiëring worden ingediend, kenbaar gemaakt worden. Als dat niet is gebeurd, gelden de aanvullende criteria die het laatst van toepassing zijn. §
- Voor de optionele functies, vermeld in artikel 7, § 3, 1/, worden ter aanvulling van de criteria, genoemd in §1 en § 2, en rekening houdend met de specificiteit van de organisatie, de beoordelingscriteria gehanteerd, genoemd in artikel 43 en 55, voor zover die relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteit.”. XII-5204-8\16 Uit de redactie van de aangehaalde bepalingen kan op het eerste gezicht worden afgeleid dat de betrokken beoordeling uitsluitend gebeurt aan de hand van de criteria vastgesteld in artikel 8, § 1, en eventueel de aanvullende criteria die zouden worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8, §
- De criteria waarnaar wordt verwezen in paragraaf 3 kunnen enkel worden aangewend als aanvulling. Voorts lijkt uit niets te moeten volgen dat wanneer een organisatie geacht wordt aan alle subsidiëringsvoorwaarden te voldoen, zij meteen automatisch gerechtigd zou zijn op een subsidie. Te dezen lijkt uit het dossier te kunnen worden afgeleid dat de aanvraag tot subsidiëring werd geweigerd op grond van het feit dat de gemiddelde uitkoopsommen te laag zijn -waarbij verwezen wordt naar de internationaal gehanteerde normen ter zake- waardoor de inkomsten laag blijven, hierdoor een tekort ontstaat en aan de verwerende partij gevraagd wordt dat tekort aan te zuiveren. Verder poogt de verwerende partij deze reden tot weigering vast te knopen aan het in artikel 8, § 1, 6/, van het kunstendecreet vermeld criterium, namelijk de “haalbaarheid”. In de voorbereidende werken van het decreet wordt niet nader ingegaan op dit begrip en wat daar precies moet worden onder verstaan. Op het eerste gezicht dient dan ook, zoals de verzoekende partij doet, te worden teruggegrepen naar de “Handleiding” bij het Kunstendecreet, opgesteld door IVA Kunsten en Erfgoed. Op bladzijde 9 van die “handleiding” staat het volgende te lezen : “Het criterium haalbaarheid valt hierbij op: bij de beoordeling wordt nagegaan en ingeschat of de werking -met de (verschillende) functies, beschreven in het artistiek-inhoudelijke beleidsplan- overeenstemt met de (structuur) van de organisatie. heeft de organisatie de “juiste” knowhow (inhoudelijke expertise), personeelsstructuur, infrastructuur, financiële basis... om dit plan te realiseren? Is het beleidsplan haalbaar en realistisch? Hoe sterk het beleidsplan inhoudelijk ook is, de draagkracht ervan wordt getoetst aan de organisatie: kan de (interne) structuur van de organisatie dit plan dragen? De grootte van het budget zal onder andere op basis van deze afwegingen bepaald worden.”. XII-5204-9\16 Op het eerste gezicht dient uit deze ‘commentaar’ te worden afgeleid dat een organisatie slechts in aanmerking kan komen voor een subsidie wanneer haar beleidsplan haalbaar is. De vraag of het vooropgestelde of ingediende beleidsplan al dan niet kan worden verwezenlijkt met eigen middelen lijkt op het eerste gezicht dan ook een vraag te zijn die niet kan worden ingepast in dat criterium. Met betrekking tot de financiële situatie van de verzoekende partij kan er bovendien worden aan toegevoegd dat een gecumuleerd tekort van 57.838 euro tegen eind december 2007 dreigt. Dergelijk tekort geldt eveneens voor de komende jaren 2008 en
- Dit gegeven wordt als dusdanig niet tegengesproken : de beoordelingscommissie neemt wel aan dat het tekort “een volkomen artificieel gegeven” is te wijten aan de te lage uitkoopsommen die door de verzoekende partij worden gevraagd. In de adviezen voorafgaand aan de bestreden beslissing wordt in dat verband verwezen naar internationaal gehanteerde uitkoopsommen die gelden voor gelijkaardige ensembles. Welke die internationaal gehanteerde uitkoopsommen dan wel concreet zouden zijn, blijft onduidelijk. Trouwens, in een reactie op het oorspronkelijke en voorlopige advies vanwege de administratie waarin te lezen staat dat in de begroting “een ruim bedrag aan uitkoopsommen” wordt opgegeven, doch weliswaar niet te achterhalen is wat de gemiddelde uitkoopsom per concert bedraagt, geeft de verzoekende partij per concert op wat zij als uitkoopsom vraagt. Het lijkt niet op te gaan te stellen -zoals de beoordelingscommissie doet- dat de verzoekende partij maar de juiste uitkoopsommen moet vragen wanneer niet wordt aangegeven welke die “juiste” uitkoopsommen dan wel zouden zijn. Ten slotte kan men in dat verband niet om de vraag heen of het vragen van hogere uitkoopsommen dan geen repercussie zal hebben op het aantal concerten dat de verzoekende partij dan nog zou kunnen of mogen geven, vraag die zij in haar verzoekschrift te berde brengt. Uit het voorgaande lijkt derhalve te kunnen worden afgeleid dat de in aanmerking genomen weigeringsgrond niet kan worden ingepast in het XII-5204-10\16 criterium ‘haalbaarheid’ uit artikel 8, § 1, 6/, van het kunstendecreet. Het eerste middel is dienvolgens in de besproken mate ernstig. De tweede schorsingsvoorwaarde
- Wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, argumenteert de verzoekende partij dat haar voortbestaan in het gedrang komt omdat zij voor meer dan één vierde van haar werking afhankelijk is van subsidies van de Vlaamse Gemeenschap, die niet meer zijn gegeven vanaf 1 januari
- Zij verwijst voorts naar een aanvullende financieel plan voor september-december
- Volgens dit plan zou het gecumuleerd verlies tegen eind december 2007 reeds 57.838 euro bedragen omdat zij ruim onvoldoende inkomsten heeft om haar uitgaven te dekken. De verzoekende partij wijst er ook op dat de tenuitvoerlegging van de beslissing haar wellicht zal dwingen een of meer muzikanten te ontslaan, wat tot de stopzetting leidt van haar activiteiten als professioneel gezelschap als strijk- “kwartet” en dat zij haar succes precies dankt aan het unieke samenspel van vier muzikanten. Zij vreest voor haar voortbestaan, minstens zal haar internationale reputatie worden aangetast doordat zij aldus geplande concertactiviteiten zal moeten annuleren.
- De verwerende partij antwoordt dat voor het jaar 2004 de verzoekende partij voor 20,2 % van haar inkomsten door haar werd gesubsidieerd, hetgeen in de begroting voor 2007 oploopt tot 25,5% of - bij gelijke subsidie als in de vorige periode - tot 17,7 % daalt. Het aangevoerde nadeel dat gelegd wordt in het gevaar voor het voortbestaan is dan ook slechts hypothetisch en niet bewezen. De verzoekende partij komt ook nog in aanmerking komt voor projectmatige subsidiëring, zij gaat zelfs niet op zoek naar privé-sponsoring maar zit lijdzaam toe te zien op het resultaat van een procedure en vestigt hier alle hoop op. Beoordeling XII-5204-11\16
- Een louter financieel nadeel is in principe niet moeilijk te herstellen tenzij bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat dit wel het geval is. Als bijzondere redenen kunnen worden aangevoerd de vaststelling dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van een verzoekende partij ernstig in gevaar brengt bij zoverre dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing en het daaropvolgend rechtsherstel voor de verzoekende partij geen onmiddellijk nut meer kan hebben. Of nog, wanneer de activiteit van een verzoekende partij op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht. De verwerende partij zelf heeft vastgesteld dat de subsidies van de Vlaamse Gemeenschap blijkens de resultatenrekening van 2004, gevoegd bij de aanvraag en overgelegd in het administratief dossier, ongeveer een vijfde van de totale inkomsten bedroegen zodat de verzoekende partij voor, ongeveer, een vijfde van haar werking op die subsidies rekende. Het nadeel is dienvolgens niet hypothetisch en onbewezen. Reeds in het voormelde schorsingsarrest nr. 166.055 werd aanvaard dat weliswaar het wegvallen, tijdelijk en in afwachting van een uitspraak ten gronde, van (slechts) een vijfde van de werkingsmiddelen niet evident het voortbestaan van een vereniging in het gedrang brengt maar dat de verwerende partij evenwel niet repliceerde op het door de verzoekende partij toen overgelegd financieel plan en de daarop gesteunde verklaring dat het gecumuleerd verlies tegen eind 2007 verregaande, ernstige en moeilijk te herstellen gevolgen zou hebben voor de werking van de verzoekende partij. Sindsdien is bijna een kalenderjaar verlopen zonder dat subsidies werden verleend. In dat perspectief is de discussie die de verwerende partij voert omtrent de vraag of nu 20,2 % of 17 % of 25,5 % van de inkomsten ter zake in het gedrang komen, van weinig relevantie. De gecumuleerde verliezen dreigen de verregaande en moeilijk te herstellen gevolgen te hebben voor de werking van de verzoekende partij, die zij in haar verzoekschrift beschrijft en lijken haar aldus in steeds ernstiger financiële moeilijkheden te zullen doen belanden. XII-5204-12\16 XII-5204-13\16 Met de verzoekende partij kan ook worden aangenomen, dat als gevolg van de positie die de Vlaamse regering nu reeds tegenover het gezelschap inneemt, vragen zullen worden gesteld over de nog te verwachten uitstraling die het gezelschap in de toekomst zal hebben, alsook dat te vrezen valt dat de komende jaren de verzoekende partij haar internationale optredens in belangrijke mate zal moeten terugschroeven, hetgeen haar nationale en internationale artistieke uitstraling zwaar dreigt te zullen belasten. Er mag aldus opnieuw worden aanvaard dat het derven van de gevraagde subsidie de verzoekende partij ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te berokkenen.
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. De dwangsom
- De verzoekende partij vordert dat met de schorsing een dwangsom aan de verwerende partij zou worden opgelegd van 25 000 euro per dag vertraging, indien zij nalaat om een definitieve beslissing te nemen over de subsidieaanvraag van de verzoekende partij binnen de twee maanden na datum van het tussen te komen schorsingsarrest.
- Diegene die de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement vordert, dient aan te tonen dat het reële gevaar bestaat dat de overheid het schorsingsarrest niet zal uitvoeren indien de dwangsom niet wordt opgelegd. Met de verwerende partij moet worden aangenomen dat dit gevaar te dezen niet voorhanden is. Terecht kan daarvoor verwezen worden naar de uitvoering van het eerste schorsingsarrest. Dit arrest dateert van 19 december 2006 XII-5204-14\16 en reeds op 19 februari 2007 werden de nieuwe voorlopige adviezen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. Nadien lijkt de procedure haar normaal verloop te hebben gekend. In ieder geval bevat het dossier geen gegevens die zouden doen besluiten dat die procedure, al dan niet bewust, zou zijn vertraagd. Eveneens kan erop worden gewezen dat eenmaal in kennis gesteld van de bestreden beslissing, de verzoekende partij toch vrij lang gewacht heeft met het indienen van de vordering tot schorsing. Die vordering is weliswaar ontvankelijk wat de termijn betreft doch wanneer de verzoekende partij argumenteert dat het verlies steeds maar groter zal worden, had zij misschien gebruik kunnen maken van andere mogelijkheden die de procedureregeling haar biedt, temeer daar de betrokken subsidieronde zich tot de periode 2007-2009 beperkt. Op grond van bovenvermelde overwegingen dient de vordering tot het opleggen van een dwangsom verworpen te worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Vlaamse regering van 29 juni 2007 houdende de weigering om aan de vzw Quatuor Danel een meerjarig financieringsbudget voor de periode 2007-2009 toe te kennen. Artikel
- De vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen. XII-5204-15\16 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf december 2007, door : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-5204-16\16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.774 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.