id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.824 Rolnummer: A. 66645/X-9633 Zaak: Arrest 177824 - Monumenten en Landschappen - 12/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-02 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:36 Fiche Arrest nr 177.824 van 12 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.824 van 12 december 2007 in de zaak A. 66.645/X-9633. In zake : de n.v. ARA, die woonplaats kiest bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus 1. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ARA op 30 november 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 september 1995 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn waarbij de woning van beeldhouwer ROEMAET, gelegen Diestsevest 58 te Leuven, als monument wordt beschermd; Gelet op het arrest nr. 59.777 van 23 mei 1996 waarbij de vordering tot schorsing wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 132.286 van 11 juni 2004 waarbij de debatten worden heropend; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 1 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-9633-1/7 Gelet op de beschikking van 5 september 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 28 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. JONGBLOET, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat N. DAELMAN, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de relevante feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Bij ministerieel besluit van 15 maart 1994 wordt de woning van beeldhouwer ROEMAET, gelegen Diestsevest 58 te Leuven, op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten geplaatst. De verzoekster is eigenares van dit pand, ten gevolge van een openbare verkoop die plaatsvond op 26 januari 1992. 1.2. De verzoekster vordert de schorsing en de nietigverklaring van voornoemd ministerieel besluit in de zaak gekend onder het nummer A. 58.074/X-8223. Op 15 december 1994 verwerpt de Raad van State bij het arrest nr. 50.714 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit en in een arrest nr. 80.190 van 11 mei 1999 wordt in de annulatieprocedure de afstand van het geding toegewezen. 1.3. Bij ministerieel besluit van 8 september 1995 wordt de woning van beeldhouwer ROEMAET beschermd als monument wegens zijn historische waarde overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten. X-9633-2/7 1.4. De verzoekster vordert de schorsing en de nietigverklaring van voornoemd beschermingsbesluit. Op 23 mei 1996 verwerpt de Raad van State bij arrest nr. 59.777 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit, omdat het enig middel niet ernstig werd bevonden. 2. Ten gronde 2.1.1. Overwegende dat de verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 van de Vlaamse Raad tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, “doordat, het besluit houdende de opname van de eigendom van beroepster op de lijst der te beschermen monumenten in het Belgisch Staatsblad werd vermeld op 9 september 1994, en doordat, het bestreden besluit vóór 9 september 1995, en bij weten van beroepster op de dag van het indienen van het verzoek tot schorsing nog steeds niet is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, terwijl, artikel 7 van het Decreet van de Vlaamse Raad dd. 3 maart 1976 duidelijk stelt dat de inschrijving op een ontwerp van lijst van rechtswege vervalt indien het definitieve beschermingsbesluit niet is opgenomen in het Belgisch Staatsblad binnen het jaar na de vermelding van de ontwerplijst in het Belgisch Staatsblad, en terwijl, het verstrijken van deze termijn in elk geval tot gevolg heeft dat de gevolgen van de opname van het te beschermen monument op de ontwerplijst vervallen, en de procedure van vooraf aan dient herbegonnen, en terwijl, het dus niet volstaat dat het definitieve beschermingsbesluit wordt genomen binnen het jaar na de publicatie van de ontwerplijst, maar in tegendeel dit definitieve beschermingsbesluit binnen het jaar na de publicatie van het ontwerp van lijst eveneens moet gepubliceerd zijn in het Belgisch Staatsblad, en terwijl, uit de tekst van artikel 7 van het Decreet van de Vlaamse Raad dd. 23 maart 1976 overduidelijk blijkt dat de éénjarige termijn waarvan in dit artikel sprake een termijn van verval is, en terwijl, een vervaltermijn een termijn is die werd vastgesteld met het oog op de rechtszekerheid, en waarbij het dus noodzakelijk is dat voor derden komt vast te staan wat (
- de)rechtstoestand is, en terwijl, wanneer een termijn wordt vastgesteld om de burger de mogelijkheid te verlenen rechtszekerheid te bekomen over de rechtstoestand X-9633-3/7 waarin hij verkeert, het ook noodzakelijk is dat de rechtsonderhorige exact kan nagaan wanneer deze vervaltermijn aanvangt en verstrijkt, en terwijl, de rechtsonderhorige onmogelijk kan nagaan op welke datum exact een bepaald besluit wordt genomen, en zich voor deze informatie moet behelpen met het Belgisch Staatsblad, en terwijl, indien voor beroepster in casu de datum van de uitvaardiging van het besluit zou gelden als einde van de tijdsspanne die moet besloten liggen binnen de vervaltermijn van 1 jaar na de publicatie van de ontwerplijst in het Belgisch Staatsblad, zij na het verstrijken van deze termijn van 1 jaar niet zeker kan zijn omtrent haar rechtstoestand, omdat zij niet kan nagaan of op deze datum ja dan neen reeds een definitief beschermingsbesluit is getroffen, en terwijl, beroepster in dit geval nooit zekerheid kan bekomen omtrent haar rechtstoestand, vermits de wet geen enkele termijn voorziet binnen dewelke een genomen besluit moet worden vermeld in het Belgisch Staatsblad, en beroepster dus steeds moet blijven vrezen dat ooit een besluit zal worden vermeld in het Belgisch Staatsblad dat is uitgevaardigd binnen het jaar na publicatie van de ontwerplijst, zodat, de termijn opgenomen in de tekst van artikel 7 van het decreet van de Vlaamse Raad dd. 3 maart 1976 ongetwijfeld slaat op de opname van het definitief beschermingsbesluit in het Belgisch Staatsblad binnen de vervaltermijn van één jaar na publicatie van de ontwerplijst in het Belgisch Staatsblad, en bijgevolg het bestreden besluit in elk geval laattijdig is vermeld in het Belgisch Staatsblad waardoor het nietig is, en behoort vernietigd te worden”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat artikel 7, derde lid, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten weliswaar vermeldt dat de inschrijving op de ontwerpen van lijst van rechtswege vervalt, indien het definitieve beschermingsbesluit niet is opgenomen uiterlijk één jaar na publicatie van de inschrijving op de ontwerpen van lijst in het Belgisch Staatsblad; dat de verwerende partij daaraan toevoegt betreffende de toepassing van voormelde bepaling dat “de rechtsleer unaniem van mening (
- is)dat krachtens art. 7 in fine de inschrijving op een ontwerp van lijst van rechtswege vervalt indien het definitieve beschermingsbesluit niet is genomen uiterlijk één jaar na publicatie in het Belgisch Staatsblad”; dat de verwerende partij bovendien verwijst naar het arrest nr. 59.777 van 23 mei 1996 van de Raad van State, dat de vordering tot schorsing verwerpt, en dat onder meer het volgende overweegt : X-9633-4/7 “Overwegende dat uit de ontstaansgeschiedenis van het decreet van 3 maart 1976 duidelijk blijkt dat ten gevolge van een materiële misslag het woord ‘opgenomen’ in de plaats is gekomen van het woord ‘genomen’; (...) dat die materiële misslag overigens inmiddels door voormeld decreet van 22 februari 1995 werd ongedaan gemaakt; (...)”; Overwegende dat de verwerende partij als volgt besluit : “(Het) ontwerp van lijst van voor bescherming vatbaar monument werd vastgesteld bij M.B. van 15 maart 1994. (H)et werd aan verzoekende partij betekend op 11 april 1994 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 9 september 1994. De bestreden beslissing werd genomen op 8 september 1995 en derhalve binnen de termijn van één jaar. Verzoekende partij meent nog te moeten beweren dat het bestreden besluit geantidateerd werd!! Deze bewering mist elke grondslag, wordt (aldus) uiteraard niet bewezen en wordt met klem geprotesteerd. Dergelijke verklaringen zijn volstrekt ongepast. (...)”; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekster in haar memorie van wederantwoord het verzoekschrift tot nietigverklaring integraal herneemt; 2.1.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie “volhardt in het verweer uiteengezet in de memorie van antwoord en (zich) aan(sluit) bij het auditoraatsverslag”; Overwegende dat de verzoekster in haar laatste memorie verwijst “naar hetgeen in het beroep tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord werd uiteengezet”; 2.2. Overwegende dat bedoeld artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 dient te worden toegepast zoals het gelding had vóór het in werking treden van het decreet van 22 februari 1995 tot wijziging van het decreet van 3 maart 1976 ; dat krachtens artikel 11 van het decreet van 22 februari 1995 de onder het stelsel van het decreet van 3 maart 1976 begonnen procedures -zoals die welke tot het bestreden besluit heeft geleid- immers worden voortgezet overeenkomstig dat decreet; dat derhalve volgende bepaling van toepassing is : “De inschrijving op de ontwerpen van lijst vervalt van rechtswege indien deze koninklijke besluiten niet zijn opgenomen uiterlijk één jaar na de publicatie van de voormelde ontwerpen van lijst in het Belgisch Staatsblad. Die termijn kan bij gemotiveerde beslissing van de Minister, eenmaal voor ten hoogste zes maanden worden verlengd”; X-9633-5/7 Overwegende dat uit de ontstaansgeschiedenis van het decreet van 3 maart 1976 duidelijk blijkt dat ten gevolge van een materiële misslag het woord “opgenomen” in de plaats is gekomen van het woord “genomen”; dat immers in het tweede amendement van de regering op het ontwerp van decreet bewuste bepaling als volgt was opgesteld : “De inschrijving op de ontwerplijsten vervalt van rechtswege indien deze koninklijke besluiten niet zijn genomen uiterlijk één jaar na de publicatie van de voormelde ontwerplijsten in het Belgisch Staatsblad” (Gedr. St. Cultuurraad 15 (B.Z. 1974) - nr. 4, blz. 4); dat het die versie is die bij de tweede artikelsgewijze bespreking door de Commissie voor culturele promotie en het cultureel patrimonium van de Cultuurraad werd aangenomen (Gedr. St. Cultuurraad 15 (B.Z. 1974) - nr. 10, blz. 24); dat in de door de commissie bij de eindstemming over het geheel van het ontwerp aangenomen tekst het woord “opgenomen” vermeld werd in plaats van “genomen” (ibid., blz. 64); dat uit niets blijkt dat die wijziging gewild was door de decreetgever; dat die materiële misslag overigens inmiddels door voormeld decreet van 22 februari 1995 werd ongedaan gemaakt; dat derhalve de verwerende partij terecht stelt dat het woord “opgenomen” als “genomen” moet worden gelezen; dat het bestreden besluit werd genomen op 8 september 1995, dit is binnen een jaar na de vermelding in het Belgisch Staatsblad van 9 september 1994, van het ministerieel besluit van 15 maart 1994, waardoor de betrokken woning als een voor bescherming vatbaar monument op een ontwerp van lijst werd geplaatst; dat het middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-9633-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9633-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.824 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.286 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div