← België

Arrest 177826 - Plannen van aanleg - 12/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.826 Rolnummer: A. 80623/X-8473 Zaak: Arrest 177826 - Plannen van aanleg - 12/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-28 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:36 Fiche Arrest nr 177.826 van 12 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.826 van 12 december 2007 in de zaak A. 80.623/X-

  1. In zake : de n.v. DOMEIN VAN BORNEM, die woonplaats kiest bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen :
  2. de gemeente BORNEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27,
  3. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. Domein van Bornem op 9 oktober 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 juni 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, waarbij het BPA “Weert nr. 1” van de gemeente Bornem wordt goedgekeurd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 3 november 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij en van de gemeente Bornem; X-8473-1/15 Gelet op de beschikking van 27 februari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 16 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDEN BERGHE, die loco advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de gemeente Bornem, en van advocaat J. CLAES, die verschijnt voor het Vlaamse Gewest; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift stelt : “Beroepster is eigenaar en exploitant van een deel van de gronden die het voorwerp uitmaken van het bestreden besluit. Het betreft terreinen aan de overzijde van de oude Schelde ten opzichte van het kasteeldomein ‘de Marnix de Sainte Aldegonde’ op het grondgebied van de gemeente Bornem, omvattende bossen, akkers, weilanden, stroken, oevergrond voor de vissers, enzovoort”; dat op 14 oktober 1997 de gemeenteraad van Bornem beslist het “Bijzonder Plan van Aanleg Weert nr. 1 en detailplannen 1-2-3-4-5-6-7 en 8, (...) met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften” alsmede de “gedeeltelijke herziening B.P.A. Landelijk Gebied “Oude Schelde” nr. 47 Noordelijke Strook - Centrale Strook deel en 1 en 2 - en detailplan nr. 17, (...) met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften” definitief goed te keuren; dat op 8 juni 1998 de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening “het bijzonder plan van aanleg, “Weert nr. 1” genaamd, van de gemeente Bornem, bestaande uit een plan van de bestaande en juridische toestand, drie afzonderlijke detailplannen van de bestaande en juridische toestand (nrs. 1-2-4-5-6-7, nr. 3 en nr. 8), een bestemmingsplan, drie afzonderlijke detail-bestemmingsplannen (nrs. 1-2-4-5-6-7, nr. 3 en nr. 8) en de stedenbouwkundige voorschriften” goedkeurt; dat dit het bestreden besluit is dat bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 augustus 1998; X-8473-2/15 2.1.
  6. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord volgende excepties opwerpt : “
  7. Verzoeker stelt in zijn verzoek tot nietigverklaring, in algemene termen, eigenaar en exploitant te zijn van een deel van de gronden die het voorwerp uitmaken van het bestreden besluit. Voor zover die eigendomsrechten kunnen hard gemaakt worden, rijst de vraag of verzoeker wel belang heeft bij de middelen die hij inroept. Het volstaat immers niet dat een verzoekende partij belang heeft bij de vordering tot vernietiging, opdat de Raad van State zal overgaan tot het onderzoek van de aangevoerde middelen. Het is vaste rechtspraak dat de verzoeker bovendien een belang dient te hebben bij elk der aangevoerde middelenl. De beoordeling van het belang bij de middelen geschiedt aan de hand van dezelfde voorwaarden als die welke gelden bij het onderzoek van het belang bij de vordering in het algemeen. Zo dient het betreffende middel van aard (te) zijn aan verzoekende partij een direct en persoonlijk voordeel te verschaffen, als equivalent van het te verwachten persoonlijk, rechtstreeks en zeker nadeel. Zulk (een) belang bij de middelen heeft verzoeker, minstens bij het merendeel ervan, niet. Géén van de geviseerde bepalingen van het B.P.A. zijn immers van aard de globale doelstellingen en de algemene economie van het plan aan te tasten, en nog minder van aard de toestand van verzoeker op enige wijze te benadeligen. De ingeroepen onwettigheden betreffen stuk voor stuk marginale aspecten zonder invloed op de positie van verzoeker. Ofwel betreffen de ingeroepen bepalingen slechts een miniem deeltje van het ganse grondgebied van het B.P.A., dat dan nog niet in eigendom is van verzoeker, ofwel zijn het detailvoorschriften zonder enig doorslaggevend belang. Meestal beide aspecten tesamen. Gebeurlijke vernietiging ervan zou allerminst van aard zijn het opzet van het plan, en diens globale uitzicht, teniet te doen, of zelfs maar te wijzigen. De belangen van verzoeker worden door de bedoelde voorschriften niet gekrenkt. Uw Raad zal zulks bij onderzoek van de middelen vaststellen. Het is overigens geenszins uitzonderlijk dat het belang, of de afwezigheid ervan, verbonden is met de grond van de zaak. De Raad kan genoodzaakt zijn voorafgaand de middelen te onderzoeken alvorens over het belang uitspraak te doen.
  8. Het belang bij de middelen is afwezig aangezien de geviseerde voorschriften allerminst van aard zijn de economie van het plan (en de positie van verzoeker) aan te tasten, en bijgevolg hoogstens de betreffende, detaillistische bepalingen onwettig en voor vernietiging vatbaar zijn. Verzoeker heeft geen belang bij de vermelde middelen, minstens niet bij de vernietiging van het gehele plan. Uw Raad heeft daaromtrent verduidelijkt : ‘dat de vernietiging ervan kan beperkt worden tot die litigieuze zones zonder de algemen economie van het plan aan te tasten, gelet op de zeer beperkte en marginale plaats van die lokaties in het geheel van het plan; dat verzoeker bovendien niet aantoont welk belang hij heeft bij de vernietiging van het gehele, plan.’ Verweerder verwijst in dit verband ook naar punt
  9. bij de weerlegging van het tweede middel. Gevolg is dat verzoeker, zo goed gevolg zou gegeven worden aan één van de middelen en de goedkeuring van het B.P.A. wat dat specifieke voorschrift betreft niet zou standhouden, geen persoonlijk en zeker voordeel kan verwachten. De zeer gedeeltelijke vernietiging van de goedkeuring zou verzoeker geen voordeel verschaffen. Het zijn geenszins aspecten van wezenlijk belang.
  10. Hetgeen hierboven is uiteengezet geldt voor al de aangevoerde middelen, minstens voor de middelen twee, vier, vijf en zes. De kleine agrarische strook (middel twee) is niet of niet volledig in eigendom van verzoeker en ondergaat X-8473-3/15 nauwelijks verandering door het B.P.A., de beperking der oprichting van schuilhokken (middel vier) betreft eveneens beperkte gebiedsdelen die niet in eigendom zijn en is daarenboven overbodig en zonder invloed, de zaak van de landwegen (middel vijf) heeft evenmin enige werkelijke invloed. Voor de kwestie van de afstand der vissershutten (middel zes) geldt al het voorgaande minstens in dezelfde mate. Het gebrek aan reëel belang in hoofde van verzoeker zal blijken doorheen de bespreking der middelen. Lijdt verzoeker werkelijk een nadeel indien de goedkeuring der bepaling dat visserhutten, te plaatsen op gronden waarvan hij geen eigenaar is, geen twee doch drie meter van de oever dienen te blijven, of de bepaling dat schuilhokken voor vee enkel door landbouwers in hoofdberoep (er zijn er geen andere) onder strikte voorwaarden mogen opgericht worden, zou geannuleerd worden ? Voor elk van de middelen werpt verweerder het gebrek aan belang op. Verwerende partij komt hierna niet meer per middel terug op die afwezigheid van belang. Deze bron van onontvankelijkheid blijkt echter doorheen de bespreking der middelen, en wordt aldaar telkenmale herhaald geacht. Verzoeker heeft geen belang bij vernietiging van de goedkeuring van het B.P.A., bij gebreke aan ontvankelijke middelen en aan de aanvechting van wezenlijke bepalingen. Tevens heeft verzoeker geen belang bij de annulatie van de goedkeuring van de specifieke, aangevochten voorschriften uit het B.P.A.. Hij kan noch het B.P.A. in zijn algemeenheid, noch de aangevochten voorschriften in het bijzonder doen wankelen, bij gebrek aan voldoende belang”; 2.1.
  11. Overwegende dat de tweede verwerende partij dezelfde excepties opwerpt als de eerste verwerende partij; 2.1.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert : “Beide tegenpartijen betwisten in gelijke termen het belang dat beroepster zou hebben bij de vernietiging van het bestreden BPA. Bij lezing van de opgeworpen exceptie, blijkt evenwel dat beide tegenpartijen zelf de mening zijn toegedaan dat de vraag naar het belang van beroepster eigenlijk samenvalt met en afhangt van het onderzoek dat moet gedaan worden naar de gegrondheid en vooral naar de draagwijdte van de ingeroepen middelen. Wat alleszins fout is, is dat beroepster bij ‘minstens het merendeel’ der middelen geen belang zou hebben, omdat slechts ‘marginale aspecten’ die ‘niet van wezenlijk belang’ zouden zijn, geviseerd zouden worden. Bij het overlopen van de middelen blijkt immers ofwel een schending van de wet de steen des aanstoots te zijn (middel l), ofwel bijkomende beperkingen op het eigendoms- en gebruiksrecht van het domein (middelen 2-8). In de mate dat de aangevochten bepalingen uit of gedeelten van het BPA daarbij van aard zijn beroepster een nadeel toe te brengen, zijn deze middelen ontvankelijk, en heeft beroepster er natuurlijk belang bij zich in rechte te voorzien. In hoeverre tenslotte het mogelijks gegrond bevinden van bepaalde middelen, de vernietiging van het geheel dan wel een gedeelte van het bijzonder plan van aanleg met zich moet brengen, zal moeten blijken bij een nader onderzoek van deze middelen. Het komt beroepster voor dat het gegrond bevinden van bepaalde middelen inderdaad geen volledige annulatie van het bijzonder plan van aanleg kan of zal X-8473-4/15 rechtvaardigen, en dat de gegrondheid van andere middelen wel degelijk van aard zal zijn ‘de economie van het plan’ in zijn integraliteit aan te tasten. Het komt in de huidige stand van de procedure noch beroepster, noch tegenpartijen toe om zich daarover nu reeds uit te spreken”; 2.1.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie daartegen inbrengt : “De Auditeur besluit tot grote verbazing van beroepster tot de onontvankelijkheid van het beroep wegens gebrek aan belang. Hij leidt dit gebrek aan belang af uit het feit dat verzoekster, klaarblijkelijk, verzuimd heeft ons de vereiste medewerking te verlenen en dat uit dit verzuim het teloorgaan van het belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing dient te worden afgeleid’. Deze conclusie van de hand van de Auditeur verwondert beroepster ten zeerste. Wanneer men het Auditoraatsverslag erop naleest, waarin enkel een chronologische weergave van de procedure tot op heden wordt weergegeven, moet beroepster immers vaststellen dat beroepster op geen enkel tijdstip in de procedure kan worden aangewreven niet ‘de vereiste medewerking’ te hebben verleend aan de vooruitgang van het dossier. Vooreerst spreekt beroepster met klem tegen dat zij in de memorie van wederantwoord niet zou zijn ingegaan op de door tegenpartijen opgeworpen excepties aangaande haar belang bij de vernietiging van het BPA. In de memorie van wederantwoord wordt immers een volledige pagina besteed aan het belang van beroepster bij de vernietiging van het BPA. Dit antwoord van beroepster ging voldoende in op de argumentatie van tegenpartijen. De door tegenpartijen opgeworpen exceptie sloeg immers niet zozeer op het feit dat beroepster geen eigenaar zou zijn van gronden binnen het bestemmings- gebied van het BPA, maar zij stelden zich wel de vraag of de door beroepster ingeroepen middelen zich niet beperkten tot te marginale aspecten van de nieuwe bestemmingsvoorschriften opdat deze zouden kunnen leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Dit staat te lezen in zowel de memorie van antwoord van het Vlaamse Gewest als deze van de gemeente Bornem. Het Vlaamse Gewest raakt weliswaar zijdelings het vraagstuk van de eigendomsrechten aan, maar stelt op p. 3 van haar memorie letterlijk dat ‘voor zover die eigendomsrechten kunnen hard gemaakt worden’, ‘rijst de vraag of verzoeker wel belang heeft bij de middelen die hij inroept’. Het Vlaamse Gewest is dus van oordeel dat, zelfs ervan uitgaande dat beroepster wel degelijk eigenaar is zoals zij in het beroep tot nietigverklaring voorhoudt, dan nóg de vraag rijst naar het belang bij de middelen. De vraag naar het belang van beroepster wordt door het Vlaamse Gewest dus niet gekoppeld aan het eventuele gebrek aan eigendomsrechten in hoofde van beroepster, maar wel aan de grond van de zaak, m.n. de formulering van de ingeroepen middelen. Ook de gemeente Bornem stelt in haar memorie in exact dezelfde termen deze vraag (...). Zo stelt de gemeente Bornem zelf letterlijk dat in casu de afwezigheid van een belang in hoofde van beroepster ‘verbonden is met de grond van de zaak’. En dus niet met de eigendomsrechten van beroepster. De kritiek van de gemeente Bornem slaat op het feit dat de voorschriften die door beroepster worden bestreden ‘zonder enige werkelijke invloed’ zijn, dat X-8473-5/15 haar eigendom er ‘nauwelijks verandering’ door ondergaat, enz. Er wordt echter niet in twijfel getrokken dat beroepster wel degelijk eigendommen bezit binnen het bestemmingsgebied van het bestreden BPA. Daarenboven wordt op die manier niet gesteld dat er geen belang zou zijn, maar wel dat het om een miniem belang zou gaan. De Auditeur heeft het dan ook bij het verkeerde eind waar hij stelt dat beroepster deze excepties van tegenpartijen niet voldoende of op een verkeerde wijze heeft behandeld in de memorie van wederantwoord. Terecht heeft beroepster opgeworpen dat het inderdaad mogelijk is dat bepaalde middelen slechts tot een gedeeltelijke vernietiging van het BPA kunnen leiden, maar dat het niet tot de taak van beroepster, noch van tegenpartijen, behoort om zich hierover uit te spreken. Vast stond op dat moment immers reeds dat beroepster wel degelijk een aantal eigendommen heeft binnen het bestemmingsgebied van het bestreden BPA - hetgeen trouwens minstens impliciet wordt toegegeven in de memories van antwoord van tegenpartijen -, en zodoende een voldoende belang heeft bij de, zij het eventueel gedeeltelijke, vernietiging ervan. Zodoende zal de Raad van State genoodzaakt zijn voorafgaand de middelen te onderzoeken alvorens over het belang uitspraak te kunnen doen, omdat enkel zo kan worden vastgesteld of het gegrond bevinden van het middel beroepster een voordeel kan bijbrengen. Het is daarenboven evenzeer vaste rechtspraak van de Raad van State dat een verzoeker wiens gronden gelegen zijn binnen de omschrijving van een plan van aanleg, belang heeft om de vernietiging te vorderen van de bestemmingsvoorschriften die hem grieven. Of er daadwerkelijk sprake is van enige grief, moet blijken uit het onderzoek van de middelen. In casu bestaat er initieel geen discussie tussen partijen over de vraag of bepaalde eigendommen van beroepster zijn gelegen binnen het bestemmingsgebied van het bestreden BPA, maar wél of deze eigendommen enig nadeel wordt toegebracht door de nieuwe bestemmingsvoorschriften. Terecht heeft beroepster in de memorie van wederantwoord opgeworpen dat dit slechts zal blijken na het onderzoek van de middelen door de Raad van State. De Auditeur interpreteert de opgeworpen excepties echter anders, en meent dat beroepster ‘door neerlegging van de nodige stavingsstukken’ de excepties moet ontkrachten. Hij is m.a.w. van mening dat er wel degelijk een discussie bestaat over de eigendomsrechten van beroepster, en laat zulks ook duidelijk verstaan in zijn brief van 9 mei
  14. De raadsman van beroepster reageert onmiddellijk op deze brief, en laat aan de Auditeur weten dat hij beroepster heeft verzocht de nodige inlichtingen te verzamelen opdat deze aan de Auditeur zouden kunnen worden overgemaakt (cf. de brief van 27 mei 2003). Bij brief van 24 juli 2003 laat beroepster aan de Auditeur een uittreksel uit de kadastrale legger geworden waarop alle eigendommen van beroepster staan vermeld, alsook copie van een kadastraal plan dat indertijd was gevoegd bij het ministerieel besluit waarbij de kasteelomgeving werd gerangschikt als landschap. Uiteraard behoren alle op dit kadastraal plan aangeduide percelen tot de eigendom van verzoekster. Daarenboven wordt door beroepster nogmaals geargumenteerd aangaande de excepties van tegenpartijen, en wordt de Auditeur er tevens op gewezen dat het niet tot de taak van beroepster behoort om te oordelen of de bestemmings- voorschriften die zij aanvecht haar een voldoende nadeel toebrengen opdat tot de ontvankelijkheid van de middelen kan worden besloten. X-8473-6/15 Beroepster verwijst hiertoe uitgebreid naar de rechtspraak van de Raad van State, waarin de Raad van State letterlijk stelt dat wanneer een verzoeker belang heeft bij de vordering (in casu gestaafd door de eigendommen van beroepster binnen het bestemmingsgebied van het BPA), deze ‘derhalve belang heeft bij het middel’, nu het in het objectief contentieux niet nodig is dat de aangeklaagde onrechtmatigheid de verzoeker schaadt of nadeel berokkent (...). Nu uit de meegedeelde kadastrale legger duidelijk de eigendommen van beroepster blijken, meende zij dan ook de Auditeur hiermede voldoende te hebben ingelicht. Groot was dan ook de verbazing van beroepster wanneer zij in het Auditoraatsverslag moest lezen dat de Auditeur van oordeel is dat beroepster hem niet genoeg medewerking heeft verleend, en zodoende moet worden besloten dat haar belang is teloorgegaan. Daarbij valt uit het verslag af te leiden (...) dat de Auditeur struikelt over het feit dat beroepster hem geen plan heeft medegedeeld waarop zij expliciet de percelen toebehorend aan beroepster heeft aangeduid, i.p.v. gewoon een kadastrale legger op te sturen. Beroepster vraagt zich echter af wat de Auditeur ervan weerhouden heeft om in antwoord op de brief van 24 juli 2003 beroepster expliciet te verzoeken om de percelen aan te duiden op een plan, zodat hij niet zelf diende na te gaan waar deze percelen juist zijn gelegen. Bovendien is de Auditeur naar de mening van beroepster wel al te streng waar hij zich beklaagt over het feit dat hij ‘met het vergrootglas in de hand’ op een kadasterplan zou moeten opzoeken waar de eigendommen van beroepster precies zijn gelegen. Uit de lezing van de kadastrale legger valt immers genoegzaam af te leiden waar de percelen precies zijn gelegen, nu in deze legger uitdrukkelijk de ligging van de percelen wordt medegedeeld, zoals te ‘Achterweert’, ‘Voorderweert’, ... Deze deelgebieden zijn perfect op de kadastrale plannen terug te vinden, alsook op de plannen van het BPA, zoals deze zijn meegedeeld in het administratief dossier van de gemeente Bornem (...). Beroepster ziet dan ook niet in hoe zij de Auditeur zou verplicht hebben om ‘met het vergrootglas in de hand’ de percelen van beroepster te situeren. Een zulke houding in hoofde van de Auditeur, die nochtans alle nodige stukken in handen heeft om de ligging van de percelen van beroepster te kennen aan de hand van het administratief dossier en de door beroepster bij haar brief van 24 juli 2003 bezorgde stukken, doet naar de mening van beroepster dan ook afbreuk aan de inquisitoriale aard van de procedure voor de Raad van State. Daarenboven had de Auditeur, zo hij dit wenste, een aanvullend uitdrukkelijk verzoek kunnen richten aan beroepster om ingekleurde plannen te bekomen, en niet enkel een lijst van de eigendommen. Daar in de kadastrale legger duidelijk de ligging van de percelen stond vermeld, en de Auditeur voorts over de plannen van het BPA beschikte in het administratief dossier, meende verzoekster dat het niet nodig was op haar beurt een tweede reeks plannen in het dossier te moeten invoegen, maar dan door haarzelf ingekleurd. Bovendien belette niets de Auditeur om ook bij de gemeente Bornem de nodige inlichtingen in te winnen aangaande de ligging van de percelen van beroepster. Het inquisitoriaal karakter van de procedure voor de Raad van State is immers specifiek in het leven geroepen teneinde tegemoet te komen aan de ongelijke positie waarin de verzoekende partij zich bevindt tegenover het bestuur waarvan zij de handeling aanvecht. De procedure voor de Raad van State laat de Auditeur toe om in het kader van zijn onderzoek aan de administratie bijkomende inlichtingen te vragen. X-8473-7/15 - In casu leidt de Auditeur echter het gebrek aan belang in hoofde van beroepster af uit het feit dat zij in antwoord op zijn brief niet de gegevens heeft verstrekt die hij in zijn hoofd had. Beroepster meende van haar kant dat zij bij haar brief van 24 juli 2003 meer dan voldoende concrete gegevens had gevoegd die de Auditeur moesten toelaten om aan de hand van de ligging vermeld in de kadastrale legger, de eigendommen van beroepster te situeren binnen het bestemmingsgebied van het bestreden BPA. Hieruit echter afleiden dat beroepster niet bereid zou zijn geweest om haar medewerking aan de Auditeur te verlenen, gaat toch te ver. Beroepster heeft naar behoren gereageerd op het schrijven om inlichtingen van de Auditeur, en heeft de nodige stukken bezorgd om de eigendommen te situeren binnen het bestemmingsgebied van het bestreden BPA. Nu op haar brief van 24 juli 2003 geen enkele reactie meer is gekomen vanwege het Auditoraat, verkeerde zij dan ook terecht in de mening dat de geleverde stukken voldoende waren bevonden door de Auditeur. - Volledigheidshalve voegt beroepster bij onderhavige memorie nog een aantal copies van de kadasterplannen, waarop de nummers van de percelen die eigendom zijn (van) beroepster met markeerstift zijn aangeduid. Wanneer men ze naast deze kadasterplannen van het bestreden BPA legt, kan men eens te meer duidelijk zien welke eigendommen binnen de perimeter van het BPA vallen. Bovendien worden hierbij een aantal luchtfoto's gevoegd uit de Aero Atlas Antwerpen, waarop de eigendommen van beroepster met zwarte stift omkleurd zijn. Op de foto's is duidelijk te zien welke eigendommen bossen dan wel akkers of waterlopen zijn. Dit toont nog maar eens aan dat beroepster wel degelijk een ononderbroken en voortdurende belangstelling voor het proces heeft behouden. - Voor wat betreft de grond van zaak, verwijst beroepster naar het beroep tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord”; 2.1.
  15. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt : “
  16. Concluante verwijst hierbij naar haar uiteenzetting in haar memorie van antwoord van 21 januari 1999, dewelke zij integraal bijtreedt, en aanvult als volgt:
  17. Verzoekende partij stelt ten onrechte in haar laatste memorie dat zij wel zou zijn ingegaan op de door tegenpartijen opgeworpen excepties aangaande het belang. Dit deed zij slechts gedeeltelijk, meer nog enkel ten aanzien van een ondergeschikte exceptie, (...);
  18. De primaire vraag is of verzoekende partij eigenaar is van ‘door de bestreden beslissing getroffen gronden’. Als deze vraag negatief beantwoord moet worden, is verzoekende partij in elk geval ontdaan van enig belang en moet de vordering afgewezen worden. Op deze exceptie werd geenszins een antwoord geformuleerd door verzoekende partij in haar memorie van antwoord. Zij heeft zodoende het antwoord hiervan onmogelijk gemaakt. Dat kan niet meer hersteld worden.
  19. De regel is inderdaad zo dat ‘hoewel het aan de verzoekende partij toekomt het bestaan van een belang aan te tonen, geen regel er die partij toe verplicht, reeds in haar verzoekschrift uiteen te zetten op welk belang zij zich beroept bij de nietigverklaring. Dit belang kan namelijk impliciet maar zeker blijken uit de uiteenzetting van de feiten en uit de aangevoerde middelen. Doch, wordt dit belang door de andere partijen betwist dan komt het de verzoekende X-8473-8/15 partij toe iedere twijfel op dit punt weg te nemen.’ Dit gebeurde niet. Verzoekende partij ging enkel in op de tweede en ondergeschikte exceptie, die echter van geen waarde is wanneer de eerste exceptie inderdaad weerhouden zou moeten worden. Er werd niet aangetoond dat verzoekende partij inderdaad eigendommen heeft die getroffen worden door de bestreden maatregel. Verzoekende partij toont dan ook niet aan belang te hebben bij de vordering zodat deze als onontvankelijk aanzien moet worden.
  20. Dat het door de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek vereiste belang een rechtmatig belang moet zijn, staat vast. De specifieke ontoelaatbaarheid van de vordering bij gebrek aan rechtmatig belang is een toepassing van het adagium nemo auditur turpitudinem suam allegans.
  21. Artikel 19, eerste lid, van de R.v.St.-wet echter, vereist niet enkel dat de verzoekende partij over het vereiste belang beschikt tot het instellen van een vernietigingsvordering, zij moet dit belang eveneens laten blijken. Het komt aan de verzoekende partij toe om het bestaan van een belang aan te tonen en eventuele twijfel daaromtrent weg te nemen. Laat de verzoeker dit na, of slaagt hij er niet in de twijfel op dat punt weg te nemen, dan is het beroep niet ontvankelijk.
  22. Blijkens rechtspraak van Uw Raad kan er geen rekening gehouden worden met stavingstukken die met aangetekende brieven aan de Raad van State werden toegezonden, wanneer bedoelde stukken ofwel reeds bij het verzoekschrift hadden kunnen worden gevoegd ofwel reeds eerder in de loop van de procedure hadden kunnen worden overgelegd.
  23. Krachtens de rechtspraak van Uw Raad dient het belang bovendien te worden uiteengezet in het verzoekschrift tot nietigverklaring. Uw Raad oordeelde dat het belang bij de vernietiging niet voor het eerst in de laatste memorie kan worden uiteengezet, aangezien hierdoor tekort wordt gedaan aan ‘de eisen van het behoorlijk verloop van het contradictoir debat’.
  24. In de memorie van wederantwoord werd geenszins ingegaan op deze eigendomsexceptie. Bijkomende stukken werden blijkens het auditoraatsverslag wel toegezonden aan de auditeur op zijn vraag, doch deze bewijzen evenmin de eigendomstitel van verzoekende partij ten aanzien van de door de bestreden maatregel getroffen gronden. Bovendien blijkt uit de hierboven aangehaalde vaststaande rechtspraak van uw Raad dat het belang bij de vernietiging niet voor het eerst in de laatste memorie kan uiteengezet worden, aangezien hierdoor tekort wordt gedaan aan ‘de eisen van het behoorlijk verloop van het contradictoir debat’. Bovendien stelt de rechtspraak van uw Raad dat dit gebrekkig aantonen van belang geenszins rechtgezet kan worden in een laatste memorie en dat in dergelijk geval tot de onontvankelijkheid besloten moet worden: ‘Het komt aan de verzoekende partij toe om het bestaan van een belang aan te tonen en eventuele twijfel daaromtrent weg te nemen. Laat de verzoeker dit na, of slaagt hij er niet in de twijfel op dat punt weg te nemen, dan is het beroep niet ontvankelijk’.
  25. De vordering moet dan ook geacht worden onontvankelijk te zijn wegens gebrek aan belang.
  26. Hieraan kan nog toegevoegd worden dat zelfs al zou verzoekende partij bepaalde eigendomstitels op de door de bestreden beslissing getroffen gronden geldig en tijdig hebben kunnen aantonen, zij nog geen ontvankelijke vordering ingesteld heeft. De tweede opgeworpen onontvankelijkheidsexceptie blijft namelijk overeind.
  27. Prof. William LAMBRECHTS omschrijft het belang als : ‘het voordeel dat de verzoeker verwacht uit het verdwijnen van het nadeel dat voor hem is ontstaan uit het bestreden besluit, welke verdwijning het verhoopte gevolg is van de gevorderde vernietiging’. X-8473-9/15
  28. De vernietiging van de aangevochten akte moet aan de verzoekende partij op hoofdvordering ook een voordeel verschaffen, ze moet een nuttig effect ressorteren. Blijkt dat de vernietiging de verzoeker geen nuttig gevolg oplevert, dan zal het beroep bij gebrek aan belang worden afgewezen. Het is overigens vaste rechtspraak van Uw Raad dat een verzoeker een belang dient te hebben bij elk der aangevoerde middelen.
  29. Zelfs al zou verzoekende partij aldus toch haar eigendomstitel tijdig hebben aangetoond, quod non, dan nog zou de vordering onontvankelijk zijn wegens gebrek aan belang nu verzoekende partij naliet haar belang bij elk van de aangevoerde middelen uiteen te zetten, m.a.w. naliet aan te tonen dat haar eigendommen (en dewelke) enig nadeel wordt toegebracht door de nieuwe bestemmingsvoorschriften.
  30. Ten slotte wenst verwerende partij nog in te gaan op de door verzoekende partij geciteerde rechtspraak van Uw Raad medio pagina 4 van haar laatste memorie. Deze rechtspraak stelt dat wanneer een verzoeker belang heeft bij de vordering, deze derhalve belang heeft bij het middel, nu het in het objectief contentieux niet nodig is dat de aangeklaagde onrechtmatigheid die verzoeker schaadt of nadeel berokkent.
  31. De onontvankelijkheid van de vordering van verzoekende partij vloeit net voort uit het gebrek aan belang bij de vordering, aangezien verzoekende partij, zoals hierboven reeds uitvoerig uiteengezet, naliet haar eigendomstitel op de getroffen gronden aan te tonen, en derhalve naliet haar belang bij de vordering te bewijzen, zelfs na uitdrukkelijke vraag van het auditoraat. Bovendien blijft verzoekende partij volgens de hierboven uitvoerig geciteerde rechtspraak van Uw Raad geconfronteerd met een onontvankelijkheid wegens een gebrek aan het rechtens vereiste belang wanneer zij in dit late stadium van de procedure (laatste memorie) slechts haar belang zou aantonen, m.a.w. naliet in haar memorie van wederantwoord op de opgeworpen exceptie in te gaan. Doordat verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord naliet, haar beweerde hoedanigheid van eigenaar en exploitant van een deel van de gronden die het voorwerp uitmaken van het bestreden besluit, hard te maken, en daardoor verstoken blijft van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing.
  32. Bovendien is er eveneens rechtspraak die anders oordeelt over de geponeerde stelling bij voetnoot 16, en aldus stelt dat een verzoeker toch een belang dient te hebben bij elk der aangevoerde middelen.
  33. Gezien al de voornoemde redenen kan dan ook niet anders dan geconcludeerd worden dat verzoekende partij niet het rechtens vereiste belang aantoonde dat noodzakelijk is om een ontvankelijk beroep tot nietigverklaring bij Uw Raad in te stellen. Het auditoraatsverslag dient te worden bijgetreden.
  34. De vordering is onontvankelijk”; 2.2.
  35. Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift onder de titel “I. Voorgaanden” stelt eigenaar en exploitant te zijn van een deel van de gronden die het voorwerp uitmaken van het bestreden besluit; dat ze dat specifieert door te stellen dat het terreinen betreft aan de overzijde van de oude Schelde ten opzichte van het kasteeldomein “de Marnix de Sainte Aldegonde” op het grondgebied van de gemeente Bornem, omvattende bossen, akkers, weilanden, stroken, oevergrond voor de vissers, “enzovoort”; X-8473-10/15 Overwegende dat ze onder diezelfde titel wijst op het feit dat ze tijdens het openbaar onderzoek dat vooraf is gegaan aan het bestreden besluit “een uitgebreid gemotiveerd bezwaarschrift” heeft ingediend waarin “wordt gewezen op de onwettigheid van meerdere bepalingen van het ontwerp van BPA en op andere bepalingen die van aard zijn het goede beheer van het domein op onaanvaardbare wijze te bemoeilijken”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord erop wijst dat “bij het overlopen van de middelen (...) ofwel een schending van de wet de steen des aanstoots (blijkt) te zijn (middel 1) ofwel bijkomende beperkingen op het eigendoms- en gebruiksrecht van het domein (middelen 2-8)”; Overwegende dat uit het voorafgaande blijkt dat het belang van de verzoekende partij bij de (gedeeltelijke) vernietiging van het bestreden besluit in essentie gelegen is in het feit dat ze als beweerde “eigenaar en exploitant van een deel van de gronden die het voorwerp uitmaken van het bestreden besluit”, de ten gevolge van het bestreden besluit ontstane bijkomende beperkingen op het eigendoms- en gebruiksrecht die het goede beheer van haar domein bemoeilijken, wil doen verdwijnen; 2.2.
  36. Overwegende dat de verzoekende partij bij haar verzoekschrift geen enkel stuk voegt dat kan dienen als bewijs van de bewering dat ze “eigenaar en exploitant” is “van een deel van de gronden die het voorwerp uitmaken van het bestreden besluit”; Overwegende dat de verwerende partijen ten aanzien van die beweerde hoedanigheid voorbehoud maken; dat ze immers in hun respectieve memorie van antwoord stellen “voor zover die eigendomsrechten kunnen hard gemaakt worden”; dat ze ook het belang van de verzoekende partij bij “het merendeel” van de middelen betwisten; dat ze daartoe aanvoeren dat die middelen slechts een miniem deel van het ganse grondgebied van het BPA betreffen, dat dan nog geen eigendom is van de verzoekende partij; dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nalaat om haar eigendomsrechten te specifiëren en om aldus de twijfels inzake haar belang weg te nemen door het neerleggen van de nodige bewijsstukken; X-8473-11/15 2.2.
  37. Overwegende dat het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat op 9 mei 2003 het volgende schrijft naar de verzoekende partij : “In het door U, namens de n.v. Domein van Bornem, ingesteld beroep tegen het B.P.A. ‘Oude Schelde nr. 47’, verklaart U dat ‘beroepster eigenaar en exploitant is van praktisch alle gronden en gebouwen die het voorwerp uitmaken van het bestreden besluit’. Die bewering wordt echter door geen, bij het verzoekschrift gevoegd, gegeven gestaafd. In de memorie van antwoord werpen de verwerende partijen evenwel, ondermeer, op dat ‘voor zover die eigendomsrechten hard gemaakt worden, de vraag rijst of verzoeker wel belang heeft bij de middelen die hij inroept’ en dat ‘het merendeel van de middelen slechts een miniem deeltje van het ganse grondgebied van het B.P.A. betreffen, dat dan nog niet in eigendom is van verzoeker’. Desalniettemin wordt in de memorie van wederantwoord op die opwerping geenszins ingegaan, laat staan dat de hoedanigheid, waarop verzoekster zich in haar verzoekschrift heeft beroepen alsnog, met concrete, gegevens wordt gestaafd. Kunt U, gelet op voormelde ontvankelijkheidsexceptie, mij, alsnog de nodige stavingsstukken toesturen, waaruit blijkt dat, middel per middel, verzoekster wel degelijk belang heeft. (...)”; Overwegende dat de verzoekende partij op 24 juli 2003 daarop het volgende antwoordt : “Mijn cliënte maakte mij inmiddels een uittreksel uit de kadastrale legger over waaruit blijkt dat zij inderdaad eigenaar is van een deel van de gronden die gelegen zijn binnen de perimeter van het bestreden BPA. Specifiek kan verwezen worden naar de gronden gelegen in de Luipegem Polder, die binnen de perimeter van het BPA-Weert zijn gelegen. U vindt copie van dit uittreksel in bijlage, alsook copie van een kadastraal plan gevoegd bij het Besluit tot bescherming van de kasteelomgeving tot landschap, en waarop de kadastrale percelen aangegeven staan. In de memories van antwoord wordt overigens niet met zoveel woorden betwist dat de verzoekende partij over eigendommen zou beschikken binnen de perimeter van het betrokken BPA. Hoogstens wordt in de memories van antwoord de vraag gesteld of de verzoekende partij wel belang zou hebben bij de middelen die zij ter nietigverklaring van het bestreden BPA inroept, en dit nu de geviseerde voorschriften allerminst van aard zouden zijn om de economie van het plan en de positie van de verzoekende partij aan te tasten. Hieruit leiden de tegenpartijen af dat de verzoekende partij geen belang zou hebben bij de vermelde middelen , minstens niet bij de vernietiging van het gehele plan. In het licht hiervan is het minstens opvallend dat de tegenpartijen de Raad niet (in ondergschikte orde) verzoeken tot vernietiging van een gedeelte van het bestreden besluit over te gaan. In Uw brief van 9 mei 2003 wordt mijns inziens ten onrechte gesteld dat op de opwerpingen met betrekking tot het zogenaamd ontbreken van belang bij de ingeroepen middelen in de memorie van wederantwoord helemaal niet wordt ingegaan. Pagina 4 van de memorie van wederantwoord is immers integraal gewijd aan de door de tegenpartijen opgeworpen exceptie van gebrek aan belang bij de middelen. Hierbij wordt uitdrukkelijk gesteld dat de middelen ofwel genomen X-8473-12/15 zijn uit een schending van de wet ofwel uit een beperking van het gebruiksrecht van verzoekers eigendom, zodat het belang dat de verzoekende partij heeft bij het beroep tot nietigverklaring an sich onmiskenbaar is. Dit belang wordt, het weze herhaald, door de tegenpartijen ook helemaal niet betwist. Met betrekking tot de stelling van de tegenpartijen dat, los van het belang bij de vernietiging van de bestreden akte, de verzoekende partij ook zou moeten aantonen belang te hebben bij het middel dat ter vernietiging wordt aangehaald, kan verwezen worden naar de rechtspraak van de 10/ kamer van de Raad van State, waaruit blijkt dat een belang bij de vernietiging van de bestreden akte meteen ook het belang impliceert bij elk middel dat tot de vemietiging van die akte kan leiden. (...). Op de verzoekende partij rust aldus helemaal niet de plicht haar belang bij de onderscheiden ingeroepen middelen aan te tonen eens vast staat dat zij een belang heeft bij de vernietiging van de bestreden akte. Nu uit de bijlagen onmiskenbaar blijkt dat de verzoekende partij eigenaar is van percelen die gelegen zijn binnen de perimeter van het bestreden bijzonder plan van aanleg, staat haar belang bij de nietigverklaring van dit plan buiten kijf, en ‘derhalve’ ook haar belang bij elk middel dat tot de nietigverklaring van het plan kan leiden. (...)”; Overwegende dat de verzoekende partij stelt “een uittreksel uit de kadastrale legger” voor te leggen, terwijl het in feite gaat om een kopie van het “aanslagbiljet inzake onroerende voorheffing” (aanslagjaar 2003) met daarbij gevoegd een “detailberekening”; dat die gegevens niet aantonen dat de verzoekende partij eigenaar is van de in de detailberekening weergegeven percelen; Overwegende dat de door de verzoekende partij bezorgde kopie van het kadastraal percelenplan, dat -aldus de verzoekende partij in haar laatste memorie- “indertijd gevoegd was bij het ministerieel besluit waarbij de kasteelomgeving werd gerangschikt als landschap”, evenmin een bewijs is van eigendomsrechten; dat het bovendien slechts een deel weergeeft van de gebiedsomschrijving van het betwiste bijzonder plan van aanleg en dat erop niet wordt aangeduid van welke percelen de verzoekende partij eigenares is of welke percelen zij exploiteert of laat exploiteren; Overwegende dat voorts nog blijkt dat de aangebrachte stavingstukken in deze zaak identiek zijn aan de stavingstukken die in een bij deze zaak aansluitende zaak (zaak A. 80.622/X-8.472), waarin het goedkeuringsbesluit van het wijzigingplan “Oude Schelde nr. 47” van het BPA “Landelijk gebied” van de gemeente Bornem wordt aangevochten, zijn overgemaakt in antwoord op een gelijkaardig verzoek van het met die zaak gelaste lid van het auditoraat; X-8473-13/15 Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet de door het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat gevraagde stavingstukken heeft bezorgd, minstens naliet desbetreffend duidelijkheid te verschaffen; 2.2.
  38. Overwegende dat de verzoekende partij, wil zij haar belang bij het ingestelde beroep handhaven, een voortdurende en ononderbroken belangstelling voor haar proces moet vertonen; dat zij om die reden verplicht is haar medewerking te verlenen telkens wanneer de magistraat die belast is met het onderzoek van de zaak daarom verzoekt; Overwegende dat de verzoekende partij niet is tegemoet gekomen aan de gedetailleerde vraagstelling van het auditoraat; dat dan ook moet worden aangenomen dat zij geen blijk heeft gegeven van een voortdurende, ononderbroken, voldoende belangstelling voor het door haar ingestelde beroep; dat de auditeur- verslaggever op goede gronden uit het verzuim van medewerking het teloorgaan van het belang bij het annulatieberoep heeft afgeleid; dat het feit dat de verzoekende partij nog bij haar laatste memorie kadastrale percelenplannen heeft gevoegd en daarop met markeerstift heeft aangeduid welke de gronden zijn waarvan ze beweert eigenares en/of exploitante te zijn, geen afbreuk doet aan die vaststelling, omdat die plannen en de aanduidingen daarop trouwens niet de betwiste eigendomsrechten bewijzen; dat, daarenboven, er anders over oordelen, zou betekenen dat de auditeur- verslaggever andermaal, maar nu bij arrest, zou moeten worden gelast met het onderzoek van de grond van de zaak - onderzoek dat hij, toen het ogenblik daarvoor gekomen was, niet heeft kunnen verrichten ten gevolge van het gebrek aan medewerking van de verzoekende partij; dat dergelijke opdracht, die het normale verloop van de procedure verstoort, niet kan worden gegeven omdat een partij heeft nagelaten de vereiste medewerking aan de procedure te verlenen; dat de verzoekende partij de gevolgen van haar gebrek aan medewerking moet dragen; Overwegende dat het beroep derhalve niet ontvankelijk is en dat de excepties gegrond zijn, X-8473-14/15 BESLUIT: Artikel
  39. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  40. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8473-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.826 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.