← België

Arrest 177828 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 12/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.828 Rolnummer: A. 153989/X-11992 Zaak: Arrest 177828 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 12/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-28 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:36 Fiche Arrest nr 177.828 van 12 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.828 van 12 december 2007 in de zaak A. 153.989/X-11.

  1. In zake : de b.v.b.a. CELIS-TRANSCOMAT, die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18 tegen :
  2. de stad LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaat B. BEELEN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24,
  3. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. CELIS-TRANSCOMAT op 20 juli 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
  5. het besluit van 29 april 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, waarbij het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de stad Leuven, bestaande uit een informatief en een richtinggevend gedeelte en uit bindende bepalingen, wordt goedgekeurd , en
  6. het besluit van 9 februari 2004 van de gemeenteraad van de stad Leuven, waarbij het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de stad Leuven definitief wordt vastgesteld; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; X-11.992-1/10 Gelet op de beschikking van 30 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 april 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 11 mei 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. RYCKALTS, die loco advocaat C. GYSEN verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat J. VANSTIPELEN, die loco advocaat B. BEELEN verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaat P. DECLERCQ verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  7. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord de volgende exceptie van onontvankelijkheid opwerpt : “Exceptie van onontvankelijkheid van het verzoekschrift tot nietigverklaring: Middels het ingediende verzoekschrift tot nietigverklaring wordt het ruimtelijk structuurplan van Leuven aangevochten; De vraag stelt zich evenwel of een ruimtelijk structuurplan een voor uw Raad aanvechtbare akte of reglement is in de zin van artikel 14 § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Verwerende partij is de mening toegedaan dat het duidelijk is dat er geenszins sprake zijn van een akte in de zin van een bestuurshandeling met individuele strekking die rechtsgevolgen ressorteert; Verwerende partij is eveneens de mening toegedaan dat het geen reglement betreft in de zin van art. 14 § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overeenkomstig art. 18 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening wordt onder ruimtelijk structuurplan verstaan: X-11.992-2/10 ‘Een beleidsdocument dat het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur. Het geeft een lange termijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied in kwestie. Het is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van de beslissingen die de ruimtelijke ordening aanbelangen’; Het betreft hier dus in de eerste plaats een beleidsdocument dat weliswaar een dwingend karakter heeft maar zich in weze enkel tot de overheid richt; Het moet dus zeer duidelijk worden onderscheiden van de bodembestemmingsplannen, zoals de klassieke plannen van aanleg en de nieuwe ruimtelijke uitvoeringsplannen ( Memorie van toelichting, Parl. St., Vl. P., 1995-1996, 360/1,2); Het ruimtelijk structuurplan bevat immers geen concrete regels die het gebruik van één of ander perceel direct beïnvloeden. De particulier die bouwt of verkavelt zal dus nooit rechtstreeks met een ruimtelijk structuurplan worden geconfronteerd Een ruimtelijk structuurplan bestaat uit een bindend gedeelte, een richtinggevend gedeelte en een informatief gedeelte; De bindende onderdelen van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren (artikel 19 § 2 DRO); Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen (art. 19 § 3 DRO); Het informatief gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is zoals het woord het zegt louter een informatief deel en heeft geen verbindend karakter; Artikel 19 § 5 van het DRO bepaalt dat na vaststelling van het ruimtelijk structuurplan, de overheid die een structuurplan heeft vastgesteld de nodige maatregelen neemt om de ruimtelijke uitvoeringsplannen in kwestie in overeenstemming te brengen met het ruimtelijk structuurplan; Artikel 19 § 6 van het DRO bepaalt dat de ruimtelijke structuurplannen geen beoordelingsgrond vormen voor de werken en handelingen, bedoeld in artikel 99 en 10 1, noch voor het stedenbouwkundig uittreksel en attest, bedoeld in art. 135 DRO; Dat aldus uit al deze bepalingen volgt dat het structuurplan zich in weze richt tot de overheid en dus geen bindende bepaling oplegt aan de particulieren; De bindende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan verbinden enkel de overheid, niet de burger; Dit gedeelte van het structuurplan is bindend, maar niet verordenend Wat betreft het richtinggevend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan bepaalt artikel 19 § 3 van het DRO uitdrukkelijk dat hiervan kan worden afgeweken in bepaalde omstandigheden; Tot slot wordt in het decreet en met name in artikel 19 § 6 DRO uitdrukkelijk gesteld dat de structuurplannen geen beoordelingsgrond bij de behandeling van de stedenbouwkundige en verkavelingsaanvragen noch bij de behandeling van aanvragen van een stedenbouwkundig uittreksel of attest vormen; R. Vekeman schreef hierover uitdrukkelijk ‘De structuurplannen zijn dus als zodanig louter instrumenten tot sturing van het planologisch beleid. Zij hebben geen directe invloed op de behandeling van de vergunningsaanvragen. Juist daarom hebben de belangrijkste bepalingen van de structuurplannen verbindende, maar geen verordenende kracht gekregen’; X-11.992-3/10 Dat verwerende partij de mening is toegedaan dat uit al deze bepalingen blijkt dat ruimtelijke structuurplannen aldus geen reglementair karakter hebben en zij dan ook niet voor vernietiging vatbaar zijn door de Raad van State; Bijgevolg dient het verzoekschrift als onontvankelijk te worden afgewezen en indien verzoekende partij bezwaren heeft omtrent eventuele beleidsopties die in het ruimtelijk structuurplan zouden zijn vervat zal zij moeten wachten tot deze beleidsopties zijn uitgewerkt in de ruimtelijke uitvoeringsplannen om deze alsdan voor Uw raad aan te vechten”; Overwegende dat de tweede verwerende partij een soortgelijke exceptie opwerpt; 1.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert als volgt : “
  9. Verzoekster is onbetwistbaar eigenaar van de percelen grond gelegen te 3012 Wilsele, Kolonel Begaultlaan, kadastraal bekend afdeling 6, sectie D, nummer 272 e
  10. Ingevolge de bestreden beslissingen worden de percelen van verzoekster sterk en onredelijk beknot in hun aanwendingsmogelijkheden, zodanig zelfs dat de exploitatie mogelijk in gevaar kan komen. Als rechtsadressanten van deze beslissingen, minstens als eigenaar van de percelen waarop deze beslissingen van toepassing zijn, heeft verzoekster een apert belang bij de vernietiging hiervan. (...) Door de goedkeuring van het structuurplan en door de inwerkingtreding ervan voor wat betreft deze site wordt de exploitatie van deze site voor verzoekster, als eigenares aanzienlijk beknot. Verzoekster ziet haar kansen voor de aanwending van het huidig terrein teloorgaan wanneer het thans bestreden RSP zijn uitwerking krijgt. Zowel het bindende gedeelte als het richtinggevende gedeelte van een dergelijk structuurplan, bevatten voor de overheid die het opmaakt en voor de instellingen die het uitvoeren bindende bepalingen. Artikel 19 DRO stelt namelijk: ‘§
  11. Bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan duidt de instantie die het plan definitief vaststelt de onderdelen ervan aan die bindend zijn. Voor het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen zijn deze onderdelen bindend voor het Vlaamse Gewest, de diensten van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de instellingen die ressorteren onder het Vlaamse Gewest en de besturen die onder het administratief toezicht staan van het Vlaamse Gewest en de vennootschappen die een erkenning hebben van de instellingen die ressorteren onder het Vlaamse Gewest.’ ‘§
  12. Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen. van de ruimtelijke behoeften van de -verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen.’ X-11.992-4/10 In principe zouden enkel overheden of de uitvoerende instellingen deze bindende bepalingen kunnen bestrijden bij de Raad van State (VEKEMAN, R. Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw: planologie, verordeningen en vergunningen, Antwerpen, Kluwer, 1999, 37; R.v.St, ...). Op het niveau van de bindende bepalingen is dit echter niet evident nu vaststaat dat de overheid verplicht is deze bindende bepalingen uit te voeren en er niet van kan worden afgeweken (Memorie van Toelichting, Parl.St.VI.Parl. 1995-96, 360/1,2,7 en 9). De richtinggevende en de bindende bepalingen zullen bovendien indirect doorwerken bij de behandeling van vergunningen. Onrechtstreeks wordt op deze wijze het toekomstig vergunningenbeleid beïnvloed (Vekemans, R., ‘Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw.’, Kluwer, 1999, p 36.). Verzoekster zal zolang het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan in zijn huidige vorm van toepassing is, onmogelijk met succes een dienstige verkavelingsvergunning of enig andere vergunning kunnen aanvragen voor het perceel waarvan ze eigenaar is en zij wordt door het bestreden structuurplan dan ook zeer ernstig in haar eigendomsrecht aangetast. Uit artikel 19 DRO volgt dat het ruimtelijk structuurplan de door de lokale overheden te volgen opties bevat. Deze overheden dienen dus te handelen zoals aangegeven in alle, zelfs indicatieve bepalingen van het structuurplan.
  13. In het kader van de Brusselse Ordonnantie Planning en Stedenbouw heeft de Raad van State op grond van dit argument reeds impliciet aangenomen dat ook derden de richtinggevende voorschriften van de gewestelijke ontwikkelingsplannen voor uw Raad kunnen bestrijden. (Vekemans, R., ‘Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw.’, Kluwer, 1999, p 37 en R.v.St., v.z.w. assoc.des comités de quartier Ucclois, nr. 73.500, 6 mei 1998, Amén., 1998, 309, noot J. SAMBON). Dit laatste arrest had betrekking op de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 3 maart 1995 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van het gewestelijk ontwikkelingsplan. Deze rechtspraak kan naar analogie worden toegepast op de richtinggevende en de bindende bepalingen van het bestreden gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Leuven en zijn goedkeuring. 3.(...)
  14. Aangaande de mogelijkheid om af te wijken van bindende bepalingen van het structuurplan stelt de memorie van toelichting dat het abstracte en algemene karakter ervan impliceert dat enkel aantoonbare en manifeste afwijkingen tot een strijdigheid kunnen leiden (Memorie van Toelichting, Parl.St.VI.Parl. 1995-96, 360/1, 9). Uit deze stelling blijkt duidelijk de visie dewelke schuilt achter het opmaken van structuurplannen en zodoende het door verwerende partijen benadrukte label van ‘beleidsdocument’. In casu kunnen verschillende van de in het structuurplan opgenomen bepalingen dewelke een nadeel berokkenen aan verzoekster, niet ernstig meer als ‘abstract en algemeen’ worden bestempeld. Zulks is een vaststelling die aangaande verschillende structuurplannen (of ontwerpen ervan) kan worden gemaakt, zeker wanneer kan worden opgemerkt dat verschillende van deze gemeentelijke structuurplannen lijviger zijn dan het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. In de rechtsleer (ROELANDTS, B., Ruimtelijke structuurplannen, in ‘Handboek Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw’, ed. Hubeau, B, & X-11.992-5/10 Vandevyvere, W., die keure, 2004, p. 141) werd reeds verwezen naar het funest karakter van een overdreven detaillering. De auteur durft zelfs aan te geven dat sommige gemeentebesturen de werkelijke systematiek en bedoeling van de structuurplanning in zekere zin ontgaat. In de plaats van een algemeen beleidskader te creëren, waarin de grote opties inzake de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling worden vastgesteld, verglijden sommige structuurplannen naar een detailleringsniveau dat gemakkelijk met de invulling van een ruimtelijk uitvoeringsplan zou kunnen concurreren. Zulks een gedetailleerde beslissing dewelke dan nog voor bepaalde stukken bindend is en er aangaande de richtinggevende gedeelten enkel in uitzonderlijke gevallen van kan worden afgeweken, heeft direct en indirect een impact op het verdere planningsbeleid, waarin de betreffende overheden over geen enkele nuttige discretionaire bevoegdheid meer beschikken aangaande verschillende gedetailleerde voorschriften, en op het vergunningenbeleid, daar in de periode voor het goedkeuren van de uitvoeringsplannen deze gedetailleerde beleidslijn zoals opgesteld door de gemeente door dezelfde gemeente dient (direct of indirect) te worden geëerbiedigd in het vergunningenbeleid. De opmerking dat het enkel gaat om een beleidsdocument kan niet verbergen dat de bindende/quasi bindende bepalingen de discretionaire bevoegdheid volledig wegnemen in het verdere uitvoeringsproces (en vergunningenbeleid). Ook van de richtinggevende bepalingen mag de overheid in principe niet afwijken hetgeen gelet op de zeer specifieke opgenomen voorwaarden ten aanzien van het perceel van verzoekster, een enorme impact heeft op de mogelijke benutting van dit perceel. Slechts in twee limitatief opgesomde gevallen kan op deze regel een uitzondering worden gemaakt. Afwijkingen zijn mogelijke op basis van: 1) onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten; 2) dringende sociale, economische of budgettaire redenen. Indien er dus geen achterhaalde prognoses van toekomstige ruimtelijke behoeften als bedoeld in artikel 19 §4, 2/ DRO tussenkomen of er zich plots dringende sociale, economische of budgettaire gegevens aandienen, moeten deze gedetailleerde richtinggevende worden gevolgd door de bevoegde overheden.
  15. Mocht uw Raad van oordeel zijn, quod non en in tegenspraak met het arrest 73.005, 6 mei 1998, VZW Assoc. Des comités de quartier Ucclois, dat noch het bindende gedeelte noch het richtinggevende gedeelte, ongeacht de gedetailleerdheid ervan, enige directe of indirecte invloed zal ressorteren op de rechtspositie van verzoekster, wenst deze laatste te verwijzen naar de volgende situatie dewelke dan realiteit dreigt te worden: De bepalingen dewelke heden in het structuurplan als bindend en richtinggevend werden opgenomen, zullen spoedig uitgewerkt worden in een ruimtelijk uitvoeringsplan of een BPA. In casu is dit reeds het geval in het BPA Kolonel Begaultlaan deel II hetwelke werd opgesteld rekening houdende met bepaling van dit structuurplan. Gelet op het bindend karakter en/of het niet voldoen aan de twee mogelijkheden om af te wijken van de richtinggevende bepalingen, zal de opstellende overheid gebonden zijn deze bepalingen uit het structuurplan, dewelke even gedetailleerd zijn als deze van een uitvoeringsplan, over te nemen in het uitvoeringsplan hetgeen in het betreffende BPA werd voorzien. De betrokken overheid zou kunnen aanvoeren dat het haar in de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan/BPA ontbreekts aan enige discretionaire bevoegdheid aangaande het al dan niet opnemen van deze bepalingen, hetgeen X-11.992-6/10 de mogelijkheid van het indienen van een schorsings- of annulatieverzoek bij uw Raad wegens ontvankelijkheidsredenen onmogelijk zou kunnen maken. Zodoende ontstaat een situatie waarbij verzoekster op geen enkel moment toegang kan krijgen tot de rechtsbescherming tegen overheidsoptreden, dewelke de Raad van State procedure biedt. Vandaar dat verzoekster benadrukt dat er wel degelijk inwerking op de rechtspositie van verzoekster werd gecreëerd door de goedkeuring van het betreffende structuurplan. Zulks komt duidelijk naar voren in de vaststelling dat schijnbaar niemand betwist dat lagere overheden gelet op het dwingende karakter van het structuurplan, de mogelijkheid bezitten dit structuurplan aan te vechten voor de Raad van State. Gelet op de vaste rechtspraak van Uw Raad heeft verzoekster dan ook een voldoende actueel en rechtstreeks belang bij huidige procedure. Deze is dan ook ontvankelijk met betrekking tot het belang in hoofde van de verzoekende partij”; dat zij daar in haar laatste memorie niets meer aan toevoegt; 2.
  16. Overwegende dat een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp moet hebben; dat onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, m.a.w. waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten; dat om ontvankelijk te zijn het beroep een handeling tot voorwerp moet hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoekende partij; 2.
  17. Overwegende dat in casu de nietigverklaring wordt gevorderd van het besluit van 9 februari 2004 van de gemeenteraad van de stad Leuven houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan voor de stad Leuven (tweede bestreden beslissing) en van het besluit van 29 april 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Leuven (eerste bestreden beslissing); 2.
  18. Overwegende dat artikel 18 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: D.R.O.) een ruimtelijk structuurplan definieert als volgt : X-11.992-7/10 “Onder ruimtelijk structuurplan wordt verstaan een beleidsdocument dat het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur. Het geeft een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied in kwestie. Het is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen die de ruimtelijke ordening aanbelangen”; Overwegende dat artikel 19, § 5 D.R.O. luidt als volgt : “Na de vaststelling van een ruimtelijk structuurplan neemt de overheid die het structuurplan heeft vastgesteld de nodige maatregelen om de ruimtelijke uitvoeringsplannen in kwestie in overeenstemming te brengen met het ruimtelijk structuurplan”; dat artikel 19, § 6 D.R.O. bepaalt wat volgt : “De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor de werken en handelingen, bedoeld in artikelen 99 en 101, noch voor een stedenbouwkundig uittreksel en attest, bedoeld in artikel 135”; dat artikel 19, § 2, eerste en vierde lid D.R.O. bepaalt wat volgt : “§
  19. Bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan duidt de instantie die het plan definitief vaststelt de onderdelen ervan aan die bindend zijn (...) Voor het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn deze onderdelen bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren”; 2.
  20. Overwegende dat uit de hiervoor aangehaalde bepalingen blijkt dat het bestreden gemeentelijk ruimtelijk structuurplan een document is dat loutere beleidsdoelstellingen op lange termijn omvat voor de realisatie waarvan nog (verordenende) maatregelen moeten worden genomen; dat het ruimtelijk structuurplan aldus enkel de beleidsintenties voor de gewenste ruimtelijke structuur en een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied aangeeft; dat weliswaar op grond van artikel 19, § 5 D.R.O. de overheid die het ruimtelijk structuurplan heeft vastgesteld, verplicht is de nodige maatregelen te nemen om de betrokken ruimtelijke uitvoeringsplannen met het ruimtelijk structuurplan in overeenstemming te brengen; dat deze rechtsplicht, die in casu enkel in hoofde van de gemeente bestaat, echter niet inhoudt dat het bestreden ruimtelijk structuurplan in hoofde van de verzoekende partij rechtsgevolgen doet ontstaan of belet dat zij tot stand komen; dat de onderdelen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, die als bindend zijn aangeduid, immers enkel bindend zijn voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren; dat dit bindend karakter, gelet op artikel 19, § 6 D.R.O., bovendien geen betrekking heeft op de beoordeling van een X-11.992-8/10 vergunningsaanvraag, noch van een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundig uittreksel of attest; dat het ruimtelijk structuurplan als beleidsdocument in het algemeen en de bindende onderdelen ervan in het bijzonder derhalve in hoofde van de verzoekende partij geen rechtsgevolgen doen ontstaan, noch beletten dat zij tot stand komen; dat de stelling van de verzoekende partij dat “de richtinggevende en de bindende bepalingen (...) indirect (zullen) doorwerken bij de behandeling van vergunningen” niet volstaat om de bestreden beslissingen het griefhoudende karakter te verlenen dat artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereist; dat ook het argument dat het bestreden ruimtelijk structuurplan “verschillende gedetailleerde voorschriften” bevat niet overtuigt, nu deze bepalingen immers op grond van artikel 19, § 2, laatste lid D.R.O., enkel de gemeente en de instellingen die er onder ressorteren, binden, waarbij ook hier dient herinnerd aan het bepaalde in artikel 19, § 6 D.R.O. en dit aldus niet betekent dat de rechtstoestand van de gronden van de verzoekende partij, en a fortiori haar rechtspositie door het bestreden ruimtelijk structuurplan worden gewijzigd; dat de verzoekende partij evenmin kan worden gevolgd waar zij stelt dat “zodoende een situatie (ontstaat) waarbij verzoekster op geen enkel moment toegang kan krijgen tot de rechtsbescherming tegen overheidsoptreden (...)”; dat immers de verzoekende partij ter zake alle wettigheidsbezwaren ten aanzien van het structuurplan kan laten gelden in een beroep tegen de in artikel 19, § 5 D.R.O. bedoelde maatregel; dat bovendien, ook al zou de verzoekende partij het bij het rechte eind hebben, quod non, dit nog niet zou impliceren dat de bestreden beslissingen griefhoudend zijn en om die reden voor vernieting vatbaar; dat de leer van het arrest nr. 73.500, waarnaar de verzoekende partij verwijst, niet dienstig op de voorliggende zaak kan betrokken worden; dat de exceptie van de verwerende partijen gegrond is; dat het beroep onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-11.992-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.992-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.828 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.