← België

Arrest 177829 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 12/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.829 Rolnummer: A. 154030/X-11994 Zaak: Arrest 177829 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 12/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-08 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 04:36 Fiche Arrest nr 177.829 van 12 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.829 van 12 december 2007 in de zaak A. 154.030/X-11.

  1. In zake : de c.v. REDEVCO RETAIL BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaat E. EMPEREUR, kantoor houdende te 2600 BERCHEM, Uitbreidingstraat 2 tegen :
  2. de stad LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaat B. BEELEN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24,
  3. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v. REDEVCO RETAIL BELGIUM op 20 juli 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
  5. het besluit van 29 april 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, waarbij het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de stad Leuven, bestaande uit een informatief en een richtinggevend gedeelte en uit bindende bepalingen, wordt goedgekeurd , en
  6. het besluit van 9 februari 2004 van de gemeenteraad van de stad Leuven, waarbij het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de stad Leuven definitief wordt vastgesteld; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; X-11.994-1/10 Gelet op de beschikking van 30 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 april 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 11 mei 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. VERLINDEN, die loco advocaat E. EMPEREUR verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat J. VANSTIPELEN, die loco advocaat B. BEELEN verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaat P. DECLERCQ verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  7. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord de volgende exceptie van onontvankelijkheid opwerpt : “Exceptie van onontvankelijkheid van het verzoekschrift tot nietigverklaring: Middels het ingediende verzoekschrift tot nietigverklaring worden specifieke bepalingen uit het ruimtelijk structuurplan van Leuven aangevochten; De vraag stelt zich evenwel of een ruimtelijk structuurplan een voor uw Raad aanvechtbare akte of reglement is in de zin van artikel 14 § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Verwerende partij is de mening toegedaan dat het duidelijk is dat er geenszins sprake (kan) zijn van een akte in de zin van een bestuurshandeling met individuele strekking die rechtsgevolgen ressorteert; Verwerende partij is eveneens de mening toegedaan dat het geen reglement betreft in de zin van art. 14 § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overeenkomstig art. 18 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening wordt onder ruimtelijk structuurplan verstaan : X-11.994-2/10 ‘Een beleidsdocument dat het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur. Het geeft een lange termijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied in kwestie. Het is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van de beslissingen die de ruimtelijke ordening aanbelangen’; Het betreft hier dus in de eerste plaats een beleidsdocument dat weliswaar een dwingend karakter heeft maar zich in weze enkel tot de overheid richt; Het moet dus zeer duidelijk worden onderscheiden van de bodembestemmingsplannen, zoals de klassieke plannen van aanleg en de nieuwe ruimtelijke uitvoeringsplannen ( Memorie van toelichting, Parl. St., VI. P., 1995-1996, 360/1,2); Het ruimtelijk structuurplan bevat immers geen concrete regels die het gebruik van één of ander perceel direct beïnvloeden. De particulier die bouwt of verkavelt zal dus nooit rechtstreeks met een ruimtelijk structuurplan worden geconfronteerd Een ruimtelijk structuurplan bestaat uit een bindend gedeelte, een richtinggevend gedeelte en een informatief gedeelte; De bindende onderdelen van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren (artikel 19 § 2 DRO); Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen (art. 19 § 3 DRO); Het informatief gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is zoals het woord het zegt louter een informatief deel en heeft geen verbindend karakter; Artikel 19 § 5 van het DRO bepaalt dat na vaststelling van het ruimtelijk structuurplan, de overheid die een structuurplan heeft vastgesteld de nodige maatregelen neemt om de ruimtelijke uitvoeringsplannen in kwestie in overeenstemming te brengen met het ruimtelijk structuurplan; Artikel 19 § 6 van het DRO bepaalt dat de ruimtelijke structuurplannen geen beoordelingsgrond vormen voor de werken en handelingen, bedoeld in artikel 99 en 101, noch voor het stedenbouwkundig uittreksel en attest, bedoeld in art. 135 DRO; Dat aldus uit al deze bepalingen volgt dat het structuurplan zich in weze richt tot de overheid en dus geen bindende bepaling oplegt aan de particulieren; De bindende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan verbinden enkel de overheid, niet de burger; Dit gedeelte van het structuurplan is bindend, maar niet verordenend; Wat betreft het richtinggevend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan bepaalt artikel 19 § 3 van het DRO uitdrukkelijk dat hiervan kan worden afgeweken in bepaalde omstandigheden; Tot slot wordt in het decreet en met name in artikel 19 § 6 DRO uitdrukkelijk gesteld dat de structuurplannen geen beoordelingsgrond bij de behandeling van de stedenbouwkundige en verkavelingsaanvragen noch bij de behandeling van aanvragen van een stedenbouwkundig uittreksel of attest vormen; R. Vekeman schreef hierover uitdrukkelijk: ‘De structuurplannen zijn dus als zodanig louter instrumenten tot sturing van het planologisch beleid. Zij hebben geen directe invloed op de behandeling van de vergunningsaanvragen. Juist daarom hebben de belangrijkste bepalingen van de structuurplannen verbindende, maar geen verordenende kracht gekregen’; X-11.994-3/10 Dat verwerende partij de mening is toegedaan dat uit al deze bepalingen blijkt dat ruimtelijke structuurplannen aldus geen reglementair karakter hebben en zij dan ook niet voor vernietiging vatbaar zijn door de Raad van State; Bijgevolg dient het verzoekschrift als onontvankelijk te worden afgewezen en indien verzoekende partij bezwaren heeft omtrent eventuele beleidsopties die in het ruimtelijk structuurplan zouden zijn vervat zal zij moeten wachten tot deze beleidsopties zijn uitgewerkt in de ruimtelijke uitvoeringsplannen om deze alsdan voor Uw raad aan te vechten”; Overwegende dat de tweede verwerende partij een soortgelijke exceptie opwerpt; 1.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert als volgt : “2.
  9. De aanvechtbare rechtshandeling Verder houden de verwerende partijen voor dat de voor Uw Raad bestreden beslissingen geen aanvechtbare administratieve rechtshandelingen zouden uitmaken, waarbij verwerende partijen zich voornamelijk steunen op art. 19DRO. De fictie dat een structuurplan niet gebruikt zou mogen worden als beoordelingsgrond voor vergunningen neemt echter niet weg dat de bepalingen van het structuurplan wel degelijk ‘doorwerken’ ten aanzien van de rechtsonderhorigen. De aangevochten bepalingen uit het Structuurplan behoren alle tot het Bindend of Richtinggevend gedeelte. Bovendien zijn zij dermate specifiek omschreven, dat zij nu reeds een nadeel inhouden voor verzoekende partij. Op basis van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan is de gemeente ertoe gehouden de nodige uitvoeringsplannen op te stellen, waarbij deze uitvoeringsplannen in overeenstemming zullen moeten zijn met de bepalingen van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan (zie in deze zin ook R.v.St., nr. 121.293, 3 juli 2003: ‘Dat er van strijdigheid sprake lijkt te kunnen zijn van zodra het goedgekeurde bijzonder plan van aanleg niet in overeenstemming is met de in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan vastgelegde visie op de ruimtelijke ontwikkeling’). Het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan is bijgevolg wel degelijk van die aard om de juridische ruimtelijke ordening te wijzigen. De verdere invulling die aan de desbetreffende percelen van verzoekende partij wordt gegeven zal met andere woorden wel degelijk worden afgewogen tegenover de ruimtelijke visie die in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan werd uitgezet. De bestemming van de percelen wordt afgewogen met het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan en dienen ermee overeen te stemmen (zoals aangegeven in het decreet ruimtelijke ordening dd. 18 mei 1999). Dit blijkt onder meer uit een arrest van de Raad van State dd. 3 juli 2003 waar de bestemming van percelen in een BPA werd afgewogen tegen de bestemming van percelen in een Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan (R.v.St., BVBA Itegems Autopark / Vlaams Gewest, nr. 121293, 3 juli 2003). Hierin oordeelde de Raad van State ‘Wat er van strijdigheid [tussen een BPA en een Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan] sprake lijkt te kunnen zijn van zodra het goedgekeurde bijzonder plan van aanleg niet in overeenstemming is met de in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan vastgelegde visie op de ruimtelijke ontwikkeling’. X-11.994-4/10 In een Ruimtelijk Structuurplan worden aldus wel degelijk bindende bepalingen ten aanzien van de ruimtelijke ordening opgenomen. Een verdere uitvoering van dit plan, door middel van uitvoeringsplannen of vergunningen (plannen van aanleg, verordeningen) moet in overeenstemming zijn met dit plan. Bij gebreke aan overeenstemming met de bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan kunnen de uitvoeringsmaatregelen worden afgewezen. Dat het ruimtelijk structuurplan wel degelijk verordenende bepalingen bevat die ten uitvoer kunnen worden gelegd, blijkt overigens tevens uit het feit dat de bevoegde niveaus ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen opstellen die een uitvoering vormen van het ruimtelijk structuurplan. De structuurplannen kennen dan ook een doorwerking in de uitvoeringsplannen. Zo stellen de voorbereidende werken ten aanzien van artikel 48: ‘Tenslotte is het uiteraard zo dat de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen in het algemeen minstens conform moeten zijn met de principes die ontwikkeld werden in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, het provinciaal ruimtelijk structuurplan en het RSV’ (St. Vl. Parl., 1998-1999, nr. 1332/1, p. 32). Een Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan bevat aldus wel degelijk bepalingen met een algemeen en verordenend karakter. Met betrekking tot artikel 49 van het ontwerp decreet stellen de voorbereidende werken voorts ‘Men mag verder ook niet uit het oog verliezen dat uitvoeringsplannen de structuurplannen uitvoeren. Zeker op gemeentelijk niveau zal dit structuurplan reeds heel wat concrete uitspraken bevatten’, St. Vl. Parl., 1998-1999, nr. 1332/1, p.
  10. (...). Dit onderstreept de stelling dat een Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan rechtstreeks uitvoerbaar is en aldus een nadeel kan berokkenen in hoofde van de rechtsonderhorigen. Ook het feit dat een openbaar onderzoek wordt georganiseerd, zodat de betrokken en getroffen rechtsonderhorigen een bezwaar kunnen indienen tegen het ontwerp van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, onderstreept de stelling dat deze rechtsonderhorigen wel degelijk belang hebben bij de vaststelling van een ruimtelijk structuurplan. Verwerende partijen verwijzen verder uitvoerig naar de bepalingen uit het DRO waaruit zou volgen dat een structuurplan een louter beleidsdocument zou zijn, dat enkel beleidsintenties zou weergeven zonder dat deze reeds concreet en definitief gestalte zou gegeven zijn. Uw Raad zal vaststellen dat verzoekende partij ondermeer in het tweede middel juist aanvoert dat de bestreden beslissingen veel verder gaan dan loutere beleidsintenties maar reeds concreet, en op perceelsniveau uitspraken doen over de eigendommen van verzoekende partij. Uitgaande van een concreet onderzoek van de bestreden bepalingen dient dan ook het verordenend en bindend karakter ervan te worden vastgelegd, waardoor deze bepalingen uit het bindend en richtinggevend gedeelte wel degelijk aanvechtbaar zijn. Aldus kunnen de door verzoekende partij bestreden beslissingen wel degelijk het voorwerp uitmaken van een verzoekschrift tot nietigverklaring, nu zij rechtsgevolgen met zich brengen en een onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkenen aan de verzoekende partij (wat is vereist voor een administratieve rechtshandeling: R.v.St., nr. (...), C.D.P.K. 2004, afl. 1, 133). Verder kunnen volgens uw Raad de bindende bepalingen van een structuurplan rechtstreeks doorwerken naar het vergunningenbeleid, en kunnen de hoven en de rechtbanken en de Raad van State bij hun wettigheidstoezicht strijdige uitvoeringsbepalingen buiten toepassing verklaren (Ontwerp van decreet houdende de ruimtelijke planning, Gedr. Vl.R., 1995-1996, nr. 360/1, 85-86). Het weze herhaald dat het Besluit van de Vlaamse regering houdende goedkeuring van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan aan dit Ruimtelijk X-11.994-5/10 Structuurplan bindende en uitvoerbare kracht geeft en aldus een voor vernietiging vatbare rechtshandeling is. Bovendien zou, bij het louter optreden van verzoekende partij tegen het uitvoeringsplan, door de verwerende partijen wellicht worden opgemerkt dat dergelijk optreden laattijdig zou zijn, aangezien een uitvoeringsplan slechts de precisering en verdere uitwerking inhoudt van een definitief geworden ruimtelijk structuurplan. De redenering van verwerende partijen zou ertoe leiden dat enkel de overheden tot wie de verordenende en bindende kracht van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zich zou richten hiertegen kunnen optreden door middel van een procedure tot nietigverklaring bij de Raad van State. Een onderscheid tussen de mogelijkheid om al dan niet naar de Raad van State te kunnen trekken voor overheden of private rechtsonderhorigen kan uiteraard niet worden aanvaard voor de Raad van State. Het is dan ook ten onrechte dat verwerende partijen in hun memorie van antwoord stellen dat bestreden besluiten geen aanvechtbare administratieve rechtshandelingen zouden zijn”; dat zij daar in haar laatste memorie nog het volgende aan toevoegt : “De bewering dat een ruimtelijk structuurplan geen directe invloed heeft op de behandeling van vergunningsaanvragen, is slechts een fictie en verhindert niet dat het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan wel degelijk uitwerking heeft bij de beoordeling van vergunningsaanvragen, ook al zou de vergunningverlenende overheid niet expliciet verwijzen naar het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan. De richtinggevende en bindende bepalingen uit de structuurplannen kunnen indirect doorwerken ten aanzien van de rechtsonderhorigen. De bestreden bepalingen behoren allen tot het richtinggevend of bindend gedeelte van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Leuven. Een aantal van de sites van verzoekende partij wordt bovendien rechtstreeks getroffen door de bepalingen en voorschriften van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Leuven, zodat verzoekende partij een rechtstreeks nadeel hiervan ondervindt. Tweede verwerende partij citeert hierbij Hubeau: ‘Het ruimtelijk uitvoeringsplan bevat immers geen concrete regels die het gebruik van één of ander perceel direct beïnvloeden.’ In casu kan verzoekende partij hiermee absoluut niet akkoord gaan. Een aantal van haar percelen op het grondgebied Leuven worden immers letterlijk genoemd, evenals de concrete acties hieromtrent. Concrete en realiseerbare maatregelen worden immers in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan aangegeven met betrekking tot de centrumparkings en de handelsuitbating. Zo bevat het richtinggevend gedeelte in Hoofdstuk 8 ‘Verkeersstructuur’ van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Leuven definitieve opties inzake de aanwezigheid en de ontwikkeling van bepaalde centrumparkings in de binnenstad van Leuven (‘centrumparkings vangen het bestemmingsverkeer voor het centrum in de binnenstad zelf op. De bestemmingen liggen op loopafstand van de parkings.’). In uitvoering van deze opties vermeldt het richtinggevend gedeelte ad nominatim een aantal centrumparkings die te behouden, nieuw te ontwikkelen of te herbouwen zijn en anderzijds een aantal centrumparkings die op te heffen zijn in het kader van een uitdovingsbeleid. In dit kader dient de parking van verzoekende partij (Diestsestraat - parking V. Decosterstraat) te sluiten en/of omgevormd te worden tot buurtparking voor bewoners, waardoor de uitbating van de Inno in het gedrang komt. X-11.994-6/10 (...) Hieruit volgt dat gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen conform de bepalingen uit het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan dienen opgesteld te worden. Om deze redenen is het vanuit proces-economisch oogpunt onverantwoord verzoekende partij te verwijzen naar een nog op te maken gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan om alle wettigheidsbezwaren te laten gelden. De nu reeds aangehaalde middelen zullen immers dezelfde zijn als wanneer verzoekende partij een vordering tot nietigverklaring zou instellen tegen het (nog op te maken) gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Het is niet redelijk verantwoord te wachten op een ruimtelijk uitvoeringsplan, daar de nodige werken reeds in het kader van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Leuven kunnen aangevat worden, zonder dat verzoekende partij hiertegen kan ingaan. De ontvankelijkheid ratione materiae van de bestreden beslissing zou verder tot gevolg hebben dat het ruimtelijk structuurplan buiten het wettigheidstoezicht van de Raad van State zou vallen. Dit is onaanvaardbaar en strijdig met artikel 13 van de Grondwet en met artikelen 6 en 13 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Leuven heeft immers, zoals reeds uitvoerig aangetoond, rechtstreekse gevolgen voor verzoekende partij en grijpt rechtstreeks in in haar rechtspositie. In een moderne rechtstaat zou verzoekende partij over een rechtsmiddel moeten kunnen beschikken om haar rechtspositie te verdedigen. Dit werd vastgelegd in artikel 13 van de Grondwet (‘Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent’) en in de artikelen 6 en 13 van het E.V.R.M., die het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel en het recht op een (eerlijk) proces waarborgen”; 2.
  11. Overwegende dat een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp moet hebben; dat onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, m.a.w. waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand dan wel zodanige wijziging te beletten; dat om ontvankelijk te zijn het beroep een handeling tot voorwerp moet hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoekende partij; 2.
  12. Overwegende dat in casu de nietigverklaring wordt gevorderd van het besluit van 9 februari 2004 van de gemeenteraad van de stad Leuven houdende de definitieve vaststelling van het ontwerp van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan voor de stad Leuven (tweede bestreden beslissing) en van het besluit van 29 april 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Leuven (eerste bestreden beslissing); X-11.994-7/10 2.
  13. Overwegende dat artikel 18 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: D.R.O.) een ruimtelijk structuurplan definieert als volgt : “Onder ruimtelijk structuurplan wordt verstaan een beleidsdocument dat het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur. Het geeft een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied in kwestie. Het is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen die de ruimtelijke ordening aanbelangen”; Overwegende dat artikel 19, § 5 D.R.O. luidt als volgt : “Na de vaststelling van een ruimtelijk structuurplan neemt de overheid die het structuurplan heeft vastgesteld de nodige maatregelen om de ruimtelijke uitvoeringsplannen in kwestie in overeenstemming te brengen met het ruimtelijk structuurplan”; dat artikel 19, § 6 D.R.O. bepaalt wat volgt : “De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor de werken en handelingen, bedoeld in artikelen 99 en 101, noch voor een stedenbouwkundig uittreksel en attest, bedoeld in artikel 135”; dat artikel 19, § 2, eerste en vierde lid D.R.O. bepaalt wat volgt : “§2.Bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan duidt de instantie die het plan definitief vaststelt de onderdelen ervan aan die bindend zijn (...) Voor het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn deze onderdelen bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren”; 2.
  14. Overwegende dat uit de hiervoor aangehaalde bepalingen blijkt dat het bestreden gemeentelijk ruimtelijk structuurplan een document is dat loutere beleidsdoelstellingen op lange termijn omvat voor de realisatie waarvan nog (verordenende) maatregelen moeten worden genomen; dat het ruimtelijk structuurplan aldus enkel de beleidsintenties voor de gewenste ruimtelijke structuur en een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied aangeeft; dat weliswaar op grond van artikel 19, § 5 D.R.O., de overheid die het ruimtelijk structuurplan heeft vastgesteld, verplicht is de nodige maatregelen te nemen om de betrokken ruimtelijke uitvoeringsplannen met het ruimtelijk structuurplan in overeenstemming te brengen; dat deze rechtsplicht, die in casu enkel in hoofde van de gemeente bestaat, echter niet inhoudt dat het bestreden ruimtelijk structuurplan in hoofde van de verzoekende partij rechtsgevolgen doet ontstaan of belet dat zij tot stand komen; dat de onderdelen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, die X-11.994-8/10 als bindend zijn aangeduid, immers enkel bindend zijn voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren; dat dit bindend karakter, gelet op art. 19, § 6 D.R.O., bovendien geen betrekking heeft op de beoordeling van een vergunningsaanvraag, noch van een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundig uittreksel of attest; dat het ruimtelijk structuurplan als beleidsdocument in het algemeen en de bindende onderdelen ervan in het bijzonder derhalve in hoofde van de verzoekende partij geen rechtsgevolgen doen ontstaan, noch beletten dat zij tot stand komen; dat de stelling van de verzoekende partij dat “de richtinggevende en bindende bepalingen uit de structuurplannen indirect (kunnen) doorwerken ten aanzien van de rechtsonder-horigen” niet volstaat om de bestreden beslissingen het griefhoudende karakter te verlenen dat artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereist; dat “het feit dat een openbaar onderzoek wordt georganiseerd, zodat de betrokken en getroffen rechtsonderhorigen een bezwaar kunnen indienen tegen het ontwerp van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan” evenmin vermag zulks te doen; dat ook het argument dat het bestreden ruimtelijk structuurplan concrete, goed lokaliseerbare maatregelen bevat niet overtuigt, nu deze bepalingen op grond van artikel 19, § 2, laatste lid D.R.O., enkel de gemeente en de instellingen die er onder ressorteren, binden, waarbij ook hier dient herinnerd aan het bepaalde in artikel 19, § 6 D.R.O., en dit aldus niet betekent dat de rechtstoestand van de gronden van de verzoekende partij, en a fortiori haar rechtspositie door het bestreden ruimtelijk structuurplan worden gewijzigd; dat tot slot het argument dat de onontvankelijkheid ratione materiae van de bestreden beslissingen zou inhouden dat daardoor het ruimtelijk structuurplan buiten het wettigheidstoezicht van de Raad van State zou vallen, een gevolg is dat inherent is aan elk beroep dat onontvankelijk is ratione materiae; dat overigens de verzoekende partij ter zake alle wettigheidsbezwaren ten aanzien van het structuurplan kan laten gelden in een beroep tegen de in artikel 19, § 5 D.R.O., bedoelde maatregel; dat de exceptie van de verwerende partijen gegrond is; dat het beroep onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen. X-11.994-9/10 Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.994-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.829 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.