← België

Arrest 177834 - Milieuvergunningen - 13/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.834 Rolnummer: A. 127172/VII-27927 Zaak: Arrest 177834 - Milieuvergunningen - 13/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 04:37 Fiche Arrest nr 177.834 van 13 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.834 van 13 december 2007 in de zaak A. 127.172/VII-27.927. In zake : de b.v.b.a. MEADOWS, die woonplaats kiest bij advocaat G. DE TROYER, kantoor houdende te GERAARDSBERGEN, Vredestraat 48 tegen : de deputatie van de provincie OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ, gevestigd te OUDENAARDE, Kattestraat 23. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. MEADOWS op 24 september 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 18 juli 2002 waarbij de beroepen ingesteld door de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ en Marc VAN DEN BROEKE tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Oudenaarde van 4 juli 1994, houdende het verlenen aan de verzoekende partij van de vergunning voor de exploitatie van een paardenpension, gelegen te Oudenaarde, Koppenberg 24, worden ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de verzoekende partij de gevraagde vergunning wordt geweigerd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 18 april 2003; Gelet op de beschikking van 24 april 2003 die de tussenkomst van de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-27.927-1/19 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op de beschikking van 15 maart 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. DE TROYER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris-jurist K. VAN KEYMEULEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Het bestreden besluit is het gevolg van de herneming van de beroepsprocedure betreffende de weigering van de milieuvergunning, nadat het eerdere besluit van de verwerende partij over dit beroep door de Raad van State vernietigd werd bij arrest nr. 104.684 van 14 maart 2002. Voor de relevante feitelijke gegevens, die de voorgeschiedenis uitmaken van de nu voorliggende betwisting, wordt naar dit arrest verwezen. VII-27.927-2/19 1.2. Na betekening van het arrest op 28 maart 2002 is de beroepsprocedure door de verwerende partij hernomen en worden de volgende adviezen ingewonnen: (

  1. a)De afdeling Milieuvergunningen adviseert op 29 april 2002 ongunstig omwille van de onverenigbaarheid met de bestemming bosgebied; (
  2. b)De Vlaamse Landmaatschappij (hierna : VLM) adviseert op 7 mei 2002 ongunstig voor de inrichting, in essentie omdat niet voldaan wordt aan de bepalingen van het "vergunningenbesluit" van 20 december 1995 en aan artikel 33ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet); (
  3. c)De provinciale milieudeskundige adviseert op 10 juni 2002 ongunstig, in essentie omwille van de planologische onverenigbaarheid; (
  4. d)De Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert op 25 juni 2002 eveneens ongunstig omwille van de planologische onverenigbaarheid. 1.3. Op 18 juli 2002 beslist de verwerende partij de beroepen in te willigen en de beroepen beslissing op te heffen. De gevraagde milieuvergunning voor het houden van tien paarden en de opslag van 100 m³ dierlijke mest wordt geweigerd. Dit is het bestreden besluit; 2. De gegrondheid 2.1.1. Overwegende dat, gelet op de samenhang tussen het eerste en het tweede middel, deze samen worden onderzocht; dat de verzoekende partij in het eerste middel toelicht dat de Provinciale Milieuvergunningscommissie op grond van artikel 23, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I) advies moet verlenen binnen een termijn van 90 dagen na ontvangst door de verwerende partij van het ingediende beroep, dat bij gebrek aan voornoemd advies binnen de gestelde termijn, zij wordt geacht van oordeel te zijn dat er geen risico's verbonden zijn aan de inrichting, dat in casu de Provinciale Milieuvergunningscommissie werd gevat ingevolge het beroep dat werd aangetekend door de tussenkomende partij op 12 juli 1994 en door Marc VAN DEN BROEKE op 28 juli 1994, dat zij in het kader van dit hoger beroep en in toepassing van artikel 24, § 4, van Vlarem I pas werd gehoord op 25 juni 2002, dat de Provinciale Milieuvergunningscommissie vervolgens in het kader van hetzelfde hoger beroep haar advies gaf op 25 juni 2002, dat dit ruim buiten de termijn valt VII-27.927-3/19 zoals voorzien bij artikel 23, §4, van Vlarem I, dat bij gebrek aan advies binnen de gestelde termijn, er bijgevolg, volgens de verzoekende partij mag worden aangenomen dat de Provinciale Milieuvergunningscommissie van oordeel is dat de risico's van de inrichting voor de externe veiligheid, de effecten op het leefmilieu, op de wateren en op de mens veroorzaakt door de inrichting tot een aanvaardbaar niveau zijn beperkt, dat de verwerende partij zich bijgevolg ten onrechte bij haar besluit nog heeft gesteund op zowel het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 4 oktober 1994 als dit van 25 juni 2002, dat het advies van 4 oktober 1994 ingevolge de vernietigingsbeslissing van de Raad van State van 14 maart 2002 van generlei waarde is, dat het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 25 juli 2002 eveneens geen waarde heeft, vermits het niet werd geformuleerd binnen de voorziene termijn van 90 dagen; Overwegende dat zij in het tweede middel stelt dat de termijn van vier maanden plus een eventuele verlenging met één maand, te rekenen vanaf de datum vanaf ontvangst van het beroep, aangetekend door de tussenkomende partij op 12 juli 1994, ontvangen op 18 juli 1994, en door Marc VAN DEN BROEKE aangetekend op 28 juli 1994, ontvangen op 29 juli 1994, op datum van het bestreden besluit reeds lang was verstreken, dat de verwerende partij op 18 juli 2002 bijgevolg geen nieuwe beslissing meer kon nemen, dat het bestreden besluit enkel nog het karakter van een administratieve feitelijkheid vertoont, dat in casu bij arrest nr. 104.684 van 14 maart 2002 het besluit van de verwerende partij van 1 december 1994 werd vernietigd omwille van een procedurefout in graad van beroep bestaande in het feit dat de Provinciale Milieuvergunningscommissie nagelaten had de verzoekende partij te horen niettegenstaande haar verzoek conform artikel 24, § 4, van Vlarem I, dat bijgevolg de eigen tekortkoming in het naleven van de procedureregels en termijnen geen aanleiding kan geven tot een bijkomende termijn van vier maanden, mogelijk te verlengen met één maand, dat de verwerende partij zich moet gedragen conform de beginselen van behoorlijk bestuur, dat mocht het vernietigingsarrest het omvangrijke gevolg hebben dat de ganse zaak zou worden hernomen in de toestand na het indienen van het beroep, dit met zich zou meebrengen dat de in artikel 23 en inzonderheid artikel 50 van Vlarem I opgelegde termijnen in casu geen uitwerking zouden hebben, dat zelfs in de hypothese dat de termijn van artikel 50, 3 /, van Vlarem I geen vervaltermijn is doch een termijn van orde, er zonder meer moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit niet binnen een redelijke termijn na het indienen van het hoger beroep werd genomen, dat een arrest waarbij de Raad van State een beslissing van een administratieve overheid vernietigt, erga omnes geldt en bijgevolg a fortiori ten aanzien van de verwerende VII-27.927-4/19 partij, dat de miskende rechtsplicht eveneens na de vernietiging nog blijft bestaan, dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens het overschrijden van de redelijke beslissingstermijn door de verwerende partij; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord één repliek geeft op het eerste en het tweede middel; dat zij erop wijst dat het vernietigingsarrest nr. 104.684 van 14 maart 2002 erga omnes geldt en terugwerkende kracht heeft tot op de dag waarop het bestreden besluit is genomen, dat de gevolgen van dit arrest zich dus niet uitstrekken tot de beroepen ingediend door de tussenkomende partij en Marc VAN DEN BROEKE tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Oudenaarde van 4 juli 1994, dat aangezien beide beroepen bleven bestaan, de verwerende partij zich opnieuw over de gegrondheid ervan moest uitspreken, na rechtzetting van de schending van het procedurevoorschrift dat tot de vernietiging heeft geleid, dat het evident is dat de rechtzetting van deze procedurefout zich niet beperkt tot het louter horen van de exploitant zonder dat de Provinciale Milieuvergunningscommissie vaststelt of de aangevoerde elementen aanleiding geven tot ofwel een bevestiging van haar vorig advies, ofwel een andersluidend advies, dat aangezien noch het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) noch Vlarem I specifieke termijnen vaststellen voor dergelijke gevallen, de gewone termijnen werden weerhouden, zijnde 90 kalenderdagen voor de adviesverlening door de Provinciale Milieuvergunningscommissie en vier maanden voor de uitspraak van de verwerende partij, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het vernietigingsarrest van 14 maart 2002, dat aangezien het arrest op het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen is toegekomen op 28 maart 2002 en de Provinciale Milieuvergunningscommissie een advies uitbracht op 10 juni 2002 (lees : 25 juni 2002) en het bestreden besluit dateert van 18 juli 2002, de voornoemde termijnen niet werden overschreden; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord betreffende het eerste middel stelt dat objectief niet is voldaan aan de strikte termijnen van artikel 23, § 4, van Vlarem I en dat het vernietigingsarrest nr. 104.684 van 14 maart 2002 irrelevant is wat deze termijnen betreft; dat zij betreffende het tweede middel betoogt dat de gevolgen van het arrest zich wel uitstrekken tot de ingediende beroepen, dat de beslissing van 1 december 1994 van de verwerende partij juist werd genomen ingevolge de beroepen, dat de beslissing van 4 juli 1994 van het college van burgemeester en schepenen van de stad VII-27.927-5/19 Oudenaarde herleeft, dat de verwerende partij geen nieuwe beslissing kan nemen, dat zij het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr. 104.684 schendt; 2.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst eveneens een gemeenschappelijke repliek geeft op het eerste en tweede middel; dat zij argumenteert dat het arrest nr. 104.684 van 14 maart 2002 het besluit van de verwerende partij van 1 december 1994 vernietigt op basis van een procedurefout, dat hierop door de verwerende partij werd beslist om de beroepsprocedure op een correcte manier opnieuw te doorlopen, dat het dan ook logisch lijkt dat er voor de berekening van de diverse termijnen, bepaald in Vlarem I, niet kan worden teruggegrepen naar sleuteldata uit 1994, dat door het heropstarten van de procedure de verzoekende partij in haar rechten is hersteld, dat de termijn waarin dit is gebeurd veeleer ondergeschikt is, dat de verzoekende partij er zelf blijk van geeft dat de respectievelijke termijnen ondergeschikt zijn, omdat zij bij beide procedures nooit een verzoek tot schorsing, met een snellere afhandeling als gevolg, heeft ingediend, dat zij mag worden verondersteld gekend te zijn met de normale termijnen van behandeling van een zaak bij de Raad van State, dat dit impliceert dat de redelijke termijn nog niet is overschreden, dat de verzoekende partij destijds ook niet reageerde op de beslissing van de verwerende partij van 22 september 1994 om de beslissingstermijn te verlengen met één maand, waaruit nogmaals blijkt dat het snel kunnen beschikken over de gevraagde milieuvergunning geen prioriteit was; dat zij van mening blijft dat de milieuvergunningsaanvraag niet zozeer werd ingediend om een paardenpension te kunnen houden op terreinen te Oudenaarde maar dat deze vergunning enkel een aanleiding en argument moet vormen om de woning en aanhorende gebouwen te verbouwen en uit te breiden, dat het weinige belang dat de verzoekende partij stelde in de termijnen voor het verkrijgen van de milieuvergunning, vragen doet rijzen over het belang dat zij heeft om de vernietiging van het betrokken besluit te vorderen, te meer daar zij nergens aantoont dat zij meer schade zal lijden tengevolge van het niet verkrijgen van een vergunning, dat het overbrengen van paarden vanuit Knokke-Heist naar Oudenaarde, naar efficiëntie en economisch rendement toe, geen echt goede keuze lijkt, dat indien de verzoekende partij wordt gevolgd in haar redenering, er moet worden besloten dat de verwerende partij geen beslissing nam binnen een termijn van vier maanden met eventuele verlenging van één maand na het indienen van de beroepen, dat na het verstrijken van deze termijn de vergunning toegekend door het college van burgemeester en schepenen van de stad Oudenaarde definitief zou zijn, dat aangezien deze vergunning werd verleend voor de periode van vijf jaar, ze inmiddels al is verlopen; VII-27.927-6/19 2.1.5. Overwegende dat in geval van vernietiging van een beslissing over een administratief beroep, de beroepsprocedure moet worden hernomen; dat de verwerende partij bijgevolg een nieuwe beslissing moest nemen over de ingediende beroepen; dat in voorkomend geval, een nieuwe termijn geldt om de vereiste adviezen in te winnen en om een beslissing te nemen; dat de Provinciale Milieuvergunningscommissie, overeenkomstig artikel 23, § 4, van Vlarem I, binnen de voorgeschreven termijn van 90 dagen advies heeft gegeven; dat de verwerende partij, overeenkomstig artikel 50, 3/, van Vlarem I, het bestreden besluit binnen de voorgeschreven termijn van vier maanden heeft genomen; dat aangezien deze termijnen werden gerespecteerd, er in deze geen sprake is van een schending van het beginsel van de redelijke termijn; dat het eerste en het tweede middel bijgevolg niet gegrond zijn; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel de schending aanvoert van artikel 49, §1, 4 /, van Vlarem I; dat zij betoogt dat ingevolge voormeld artikel en artikel 23, §1, van het milieuvergunningsdecreet, elke natuurlijke en rechtspersoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreekse hinder kan ondervinden, alsook elke rechtspersoon die zich de bescherming tot doel heeft gesteld van het leefmilieu dat door deze hinder kan worden getroffen, beroep kan instellen tegen elke beslissing van het college van burgemeester en schepenen, houdende uitspraak over een milieuvergunnings- aanvraag bij de bestendige deputatie van de provincieraad, dat door de tussenkomende partij en Marc VAN DEN BROEKE een beroep werd ingediend, dat bij het bestreden besluit van 1 december 1994 beide beroepen werden ingewilligd, dat zij reeds in de loop van de administratieve procedure heeft aangegeven dat Marc VAN DEN BROEKE geen aanpalende noch naaste gebuur is, dat Marc VAN DEN BROEKE vanop zijn eigendom noch de hoeve noch de weiden, vermeld in de vergunningsaanvraag, kan zien, dat de ware geburen van de verzoekende partij geen enkele hinder ondervinden van de uitbating, zoals door hen werd geattesteerd, dat het beroep van Marc VAN DEN BROEKE dan ook is ingegeven door een actio popularis, doch geenszins is gesteund op een rechtstreekse hinder die hij van de eventuele uitbating zou kunnen ondervinden, dat de verwerende partij dan ook minstens het beroepschrift van Marc VAN DEN BROEKE bij gebrek aan enig rechtstreeks en persoonlijk belang als onontvankelijk had dienen af te wijzen; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat artikel 49, § 1, van Vlarem I bepaalt wie een beroep kan instellen tegen een beslissing van een college van burgemeester en schepenen VII-27.927-7/19 betreffende een milieuvergunningsaanvraag; dat zij er de aandacht op vestigt dat in dit artikel nergens is voorgeschreven dat het om een aanpalende of naaste gebuur moet gaan, dat er evenmin een limitatieve omschrijving wordt gegeven van wat onder hinder moet worden verstaan, zodat hieraan een ruime interpretatie kan worden gegeven, met dien verstande dat er een "rechtstreeks" effect moet zijn; dat zij stelt dat het beroep van Marc VAN DEN BROEKE duidelijk is gericht tegen de vestiging van de inrichting in een bosgebied, dat Marc VAN DEN BROEKE in zijn beroepschrift besluit met de wens dat de bestendige deputatie "ervoor zal zorgen dat de weinige bosgebieden die ons resten, enkel worden gebruikt voor datgene waarvoor zij bestemd zijn, in het voordeel van elkeen", dat hieruit onmiskenbaar het rechtstreeks nadeel blijkt dat Marc VAN DEN BROEKE meent te ondervinden tengevolge van de vestiging van een paardenpension in bosgebied, met name het risico dat hem het genot van dit gebied zal worden ontnomen, dat zij dan ook geen reden had om het beroep van Marc VAN DEN BROEKE onontvankelijk te verklaren; 2.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst doet gelden dat het feit dat Marc VAN DEN BROEKE vanop zijn eigendom noch het huis en andere gebouwen, noch de weiden van de verzoekende partij kan zien, inherent is aan het gesloten landschap dat een bos is; dat zij zich de vraag stelt of het belang dat een persoon heeft voor het indienen van een beroep tegen een milieuvergunning afhankelijk is van de aard van het landschap; dat zij betoogt dat de bezwaren -en zeker deze die aanleiding gaven tot het inwilligen van de beroepen door de verwerende partij- ook waren opgenomen in haar beroepschrift, dat dit middel dan ook volgens haar niet terzake lijkt; 2.2.4. Overwegende dat ook de tussenkomende partij beroep heeft ingediend bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen en de verzoekende partij de ontvankelijkheid van dit beroep niet betwist; dat enkel in de hypothese dat Marc VAN DEN BROEKE de enige beroepindiener zou zijn geweest en de Raad van State zou oordelen dat dit administratief beroep ontoelaatbaar en dus onontvankelijk was, de verzoekende partij voordeel zou hebben bij de vernietiging van het bestreden besluit aangezien in deze hypothese de verwerende partij geen nieuwe beslissing meer zou kunnen nemen omdat dit administratief beroep als onontvankelijk zou moeten worden beschouwd; dat deze hypothese hier evenwel niet van toepassing is, vermits na een eventuele vernietiging, de verwerende partij hoe dan ook terug een nieuwe beslissing moet nemen over het VII-27.927-8/19 beroep ingediend door de tussenkomende partij; dat de verzoekende partij aldus geen belang heeft bij dit middel; dat het derde middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het vierde middel aanvoert dat het bestreden besluit steunt op verkeerde feitelijke en juridische grondslagen, dat in het besluit wordt gesteld dat : "het grootste gedeelte van de inrichting, met name alle bedrijfsgebouwen, gelegen zijn in een bosgebied; dat de rest, zijnde de toegangsweg, in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied ligt"; dat zij aanvoert dat op het ogenblik van de vergunningsaanvraag, er 4,37 ha weide gelegen in bosgebied en 0,99 ha weide gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied aanwezig was, dus meer dan alleen de toegangsweg, dat zij thans beschikt over 2,97 ha weide gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat zij aanvoert dat het bestreden besluit stelt : "dat de provinciale milieudeskundige tijdens het onderzoek de aanwezigheid van 4 paarden (van mevrouw Moons) vast stelde; dat deze vrij in de stal en op de omliggende weiden lopen; dat de oppervlakte van het ganse terrein (inrichting) ca. 5 ha bedraagt; dat momenteel de pensionactiviteiten nog niet zijn opgestart en volgens de exploitant het ook niet de bedoeling is om manegeactiviteiten te ontwikkelen", terwijl de pensionactiviteiten wel degelijk reeds sinds 1994 zijn opgestart doch ingevolge de weigering van de milieuvergunning door de verwerende partij, beperkt zijn tot het aantal paarden dat zonder vergunning kan worden gehouden in gebieden andere dan agrarisch gebied of landelijk woongebied, de vier aanwezige paarden geen eigendom zijn van de verzoekende partij doch pensionpaarden zijn van drie verschillende eigenaars, en de totale oppervlakte thans 7,45 ha aaneengesloten percelen weidegrond bedraagt, waarvan 2,96 ha gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat zij voorts doet gelden dat het bestreden besluit bepaalt dat "de activiteiten (...) niet-agrarisch en dus niet in overeenstemming (zijn) met de stedenbouwkundige bepalingen inzake bosgebieden", terwijl haar bedrijf als een agrarische, minstens para-agrarische inrichting moet worden aanzien, dat volgens de omzendbrief van 25 januari 2002 tot wijziging van de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, "stallen voor paardenhouderijen met minstens 10 paarden, waarbij de hoofdactiviteit is gericht op het fokken en/of houden van paarden en eventueel bijkomend op het africhten, opleiden en/of verhandelen ervan, en afhankelijk van de omvang van de paardenhouderij als activiteit, inclusief de aanhorigheden, zoals bergingen voor voeder, materieel en onderhoud, de VII-27.927-9/19 gebeurlijke manège, binnen- of buitenpiste, een tredmolen, een groom, verhardingen en afsluitingen, enz" als para-agrarisch bedrijf worden gekenmerkt, dat haar inrichting dus minstens een para-agrarisch bedrijf is, dat de provinciale milieudeskundige en de Provinciale Milieuvergunningscommissie "het dan ook bij het verkeerde eind hebben" waar zij stellen dat de activiteiten niet-agrarisch zijn en dus niet in overeenstemming zijn met de stedenbouwkundige bepalingen inzake bosgebieden; dat zij betoogt dat het bestreden besluit ten slotte bepaalt dat : "- sedert 30 maart 2002 (..) de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1 ,
  5. c)van het Mestdecreet van kracht (zijn); - deze inrichting (...) geen vergunde mestproductie (heeft); - er (...) niet wordt voldaan aan alle bepalingen van de artikelen 2 en 3 van het Vergunningenbesluit, genomen in uitvoering van artikel 33ter van het Mestdecreet, aangezien de inrichting geen bestaande veeteeltinrichting is en de vergunningsaanvraag een stijging van de vergunde mestproductie inhoudt", terwijl het ongunstig advies van de VLM in strijd is met artikel 36 van het decreet van 3 maart 2000 houdende wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, dat paragraaf 6 stelt dat bij wijze van overgangsregel milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij manèges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997,1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning voor 1 december 2000 wordt aangevraagd, dat de inrichting sinds 1994 in exploitatie is en de milieuvergunning voor de gestelde datum werd aangevraagd, dat er evenmin sprake is van afwezigheid van of stijging van de vergunde mestproductie zoals door de VLM "ten onrechte wordt geformuleerd", dat volgens artikel 54 van het decreet van 8 december 2000 houdende diverse bepalingen dat het meststoffendecreet wijzigt, producenten van wie het bedrijf een productie aan dierlijke mest van minder dan 300 kg P2O5 heeft, vrijgesteld zijn van de regels bepaald in artikel 33ter, § 1, 1 /, van het meststoffendecreet met betrekking tot de productie van dierlijke mest, dat volgens de uitscheidingsnormen de verzoekende partij met tien paarden slechts 210 kg P2O5 zou produceren; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de vergunning enkel werd geweigerd omwille van de stedenbouwkundige onverenigbaarheid van het paardenpension, dat het middel dan ook niet relevant is voor zover het betrekking heeft op de vergunde mestproductie, dat wat het planologisch aspect betreft, uit het dossier blijkt dat alle bedrijfsgebouwen gelegen zijn in bosgebied en niet beantwoorden aan de stedenbouwkundige voorschriften voor constructies in bosgebied; VII-27.927-10/19 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij niet betwist dat zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 36 van het decreet van 3 maart 2000 houdende wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, dat zij haar stelling aangetoond in het verzoekschrift dan ook handhaaft; 2.3.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst onder meer doet gelden dat alle gebouwen in bosgebied liggen en dat een paardenpension niet verenigbaar is met die bestemming, dat het al dan niet para-agrarisch karakter van een paardenpension niets verandert aan het feit dat deze activiteit niet vergunbaar is in bosgebied; 2.3.5. Overwegende dat, wanneer een inrichting niet verenigbaar is met de planologische bestemming, dit motief op zich volstaat om de beslissing tot weigering te schragen; dat de eventuele onwettigheid van andere motieven niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden indien het weigeringsmotief van de planologische onverenigbaarheid niet onwettig blijkt te zijn; dat de verzoekende partij er geen belang bij heeft het vierde middel gegrond te horen verklaren in de mate dat het motief van de planologische onverenigbaarheid niet onwettig is, wat, zoals hierna zal blijken uit het onderzoek van het vijfde middel, te dezen het geval is; dat zulks tot gevolg heeft dat bij het vierde middel niet verder wordt onderzocht of het bestreden besluit voor het overige gesteund zou zijn op "verkeerde feitelijke en juridische grondslagen"; dat het vierde middel niet gegrond is; 2.4.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het vijfde middel aanvoert dat het bestreden besluit artikel 50, 3/, van Vlarem I en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schendt, dat de inrichting, waarvoor de vergunning werd aangevraagd, volgens de planologische voorschriften deels is gelegen in een bosgebied en voor het overige gedeelte in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat het gaat om weilanden die deels gelegen zijn aan de rand van een bos, dat de bestaande gebouwen zich bevinden in bosgebied, dat het gebied van oudsher in gebruik is als weide voor rundvee, dat het houden van paarden evenwel milieuvriendelijker is dan het houden van rundvee gezien de afwezigheid van de noodzaak van intensieve stikstofbemesting, dat paarden daarentegen op schrale, stikstofarme en derhalve kruidenrijke weiden moeten grazen, dat een oppervlakte van 5 ha -en thans bijna 8 ha- ruim voldoende is om door tien paarden continu het VII-27.927-11/19 hele jaar te laten beweiden, dat het dan ook gaat om een vorm van extensieve begrazing, zoals die ook in natuurgebieden wordt toegepast om het manuele maaiwerk te vervangen en de soortrijkdom van de flora te bevorderen, dat dit ook wordt toegepast door natuurverenigingen vergelijkbaar met of verwant aan de tussenkomende partij, dat in de maand mei 2002 koeien en paarden werden uitgezet in het reservaat "Bos 't Ename" te Oudenaarde, dat dit project recent de Vlaamse Monumentenprijs 2002 van de Vlaamse regering in de wacht heeft gesleept, met daar bovenop ook de prijs van de provincie Oost-Vlaanderen, dat de houding van de provincie Oost-Vlaanderen dan ook dubbelzinnig en tweeslachtig te noemen is, waar zij enerzijds begrazing door paarden in bossen met prijzen beloont en anderzijds een milieuvergunning weigert voor een quasi identieke uitbating onder het mom dat die niet thuishoort in bosgebied, terwijl het in casu niet eens om bossen maar wel om weilanden gaat, dat de percelen die volgens de bestemming van het gewestplan in een bosgebied zijn gelegen, niet anders dan weilanden zijn, dat de exploitatie waarvoor een vergunning werd aangevraagd, dan ook niet strijdig is met het statuut van weiland, dat de klasse-indeling van Vlarem I het beweiden van dergelijke weilanden in een bosgebied "zeker niet" verbiedt, dat de verwerende partij stelt dat de inrichting stedenbouwkundig niet verenigbaar is met de omgeving, omdat bosgebieden louter bestemd zijn voor het bosbedrijf, dat in deze gebieden enkel gebouwen zijn toegelaten noodzakelijk voor de exploitatie en het toezicht op de bossen, evenals jagers- en vissershutten, dat de omzendbrief RO/95/4 van 29 maart 1995 betreffende schuilhokken voor dieren, uitgaande van de afdeling voor Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumentenzorg nochtans bepaalt dat: "2) in de graasweiden gelegen in groengebieden en parkgebieden zijn eveneens schuilhokken toegestaan voor zover de begrazing past in het beheer dat voor de bestemming van het betreffende gebied noodzakelijk is", dat de omstandigheid dat dit laatste van toepassing is blijkt uit het vergelijkbare graasbeheer in het "Bos t'Ename"; dat de verzoekende partij voorts stelt dat in de omzendbrief RO/2002/01 van 25 januari 2002 met richtlijnen voor de beoordeling van aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen of oprichten van stallingen voor weidedieren, geen betrekking hebbend op effectieve beroepslandbouwbedrijven, zelfs uitdrukkelijk de mogelijkheid van stallingen wordt voorzien, dat deze schuilhokken, respectievelijk stallingen, geenszins zijn bedoeld voor het bosbedrijf, de jacht of de visvangst, dat de verweving van functies zoals landbouw, bos en natuur uitdrukkelijk is voorzien in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, dat het thans nog vasthouden aan de strikte en bureaucratische bepalingen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de VII-27.927-12/19 inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit), dan ook ingaan is tegen de huidige onderrichtingen van de dienst Stedenbouw, dat de voornoemde omzendbrief RO/2002/01 immers stelt: "De adviezen zijn, behoudens die verstrekt onder
  6. a)door de afdeling Monumenten en Landschappen van AROHM, niet bindend. Dat betekent dat ze moeten geëvalueerd worden bij de stedenbouwkundige beoordeling en dat er - mits voldoende gemotiveerd - mag van afgeweken worden. De adviezen worden immers verstrekt vanuit een sectorale visie, terwijl vanuit ruimtelijk ordenend oogpunt een globale afweging moet worden gemaakt, ook van de gebeurlijk reeds geformuleerde visie op de toekomst van het gebied, de huidige verweving van functies binnen de omgeving, de mogelijk reeds bestaande ruimtelijke en functionele aantasting van het gebied, enz. In die optiek kan de evaluatie en het oordeel een voorafname impliceren op de resultaten van een lopend planningsproces (gemeentelijk structuur- of ruimtelijk uitvoeringsplan), de visie op de toeristische of recreatieve ontwikkeling van het gebied, de visie op de agrarische potenties van het gebied, enz. Van een advies, verstrekt vanuit de doelstellingen van het natuurdecreet, kan echter niet worden afgeweken als blijkt dat de voorgenomen werken of handelingen een onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuurwaarden zullen teweegbrengen. Zoals in het vorige punt gesteld, mag door de gevraagde stalling de goede ruimtelijke ordening niet geschaad worden. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet mag worden overschreden, en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. De draagkracht van de ruimte wordt omschreven als het vermogen van de ruimte om, nu en in de toekomst, menselijke activiteiten op te nemen zonder dat de grenzen van het ruimtelijk functioneren worden overschreden. De draagkracht van de ruimte bepaalt de maximum omvang en de aard van de activiteiten in een bepaald gebied. Een gebied kan ofwel één specifieke activiteit bevatten (bijvoorbeeld, landbouw, wonen, industrie, recreatie), ofwel een complex samengaan van verschillende activiteiten. In de meeste gebieden is dit laatste het geval. Een duurzaam gebruik van de ruimte houdt in dat rekening wordt gehouden met een grens, een maximaal toelaatbare belasting, waarboven de ruimtelijke draagkracht van het gebied wordt overschreden. Deze grens kan per gebied verschillen. Het bepalen van de draagkracht van een gebied is niet eenvoudig en het resultaat ervan is dikwijls niet eenduidig. Ze is plaats-, situatie-, en soms tijdsgebonden. Algemene normeringen volstaan niet om de grenswaarden van de draagkracht te bepalen. Het is noodzakelijk de draagkracht per gebied, geval per geval, na te gaan. Betreffende de vraag of de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort, dient onder meer te worden onderzocht de manier waarop het gewestplan omgaat met de bovenbedoelde menselijke activiteiten, en of er al dan niet een verwevenheid van functies of eerder een strikte opdeling qua functies en qua aard is gepland (bijvoorbeeld omvangrijke agrarische gebieden die hele dorpen of gehuchten (mede) omvatten, tegenover een sterk gedetailleerd gewestplan waar zelfs het karakter van woonwijken wordt vastgelegd). Zo dient de realiteit van een bepaald gebied te worden afgewogen tegenover de in het gewestplan vastgelegde, te realiseren bestemming. Het eventueel voor die realisatie beperkende van de gevraagde bebouwing of VII-27.927-13/19 functie dient bovendien te worden afgewogen tegenover de andere functies die binnen dat gebied voorkomen"; dat zij voorts argumenteert dat de stad Oudenaarde de door haar gewenste ruimtelijke structuur voor het gebied waar de inrichting van de verzoekende partij is gelegen als volgt omschrijft: "4. Bosverwevings- en bosuitbreidingsgebieden. Zijn gebieden die aansluiten op bestaande bossen en die in aanmerking kunnen komen voor een mogelijke uitbreiding van de bestaande bossen. De functies landbouw bos en natuur ziin er nevengeschikt aan elkaar. Alle andere functies zijn ondergeschikt. Het zijn gebieden waar momenteel een verweving bestaat en waar ook in de toekomst voor verdere verweving wordt gekozen. De verweving houdt in dat elke functie behouden kan worden zonder andere functies te verdringen. Het ruimtelijk beleid is gericht op de ruimtelijke ondersteuning van de verweving tussen de functies landbouw, natuur en bosbouw. Het betreft Enamebos en omgeving en de Koppenberg en omgeving" en verder: "(
  7. a)Opmaken van een ruimtelijke uitvoeringsplan voor het Enamebos en Koppenberg en hun omgeving. Om het Enamebos en de Koppenberg te kunnen uitbreiden en om de evenwaardigheid te kunnen garanderen tussen de natuurfunctie en de agrarische functie voor de omgeving van beide bosgebieden, dient de gemeente een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) op te stellen" en bij de omschrijving van het deelgebied omgeving Melden: "Ter hoogte van de Koppenberg zijn er meer weiden en graslanden. Dit gebied is een uitgesproken landbouwgebied in waardevol landschap. Behoud van het agrarisch grondgebruik en tegengaan van verdere versnippering zijn prioritair. Om de leefbaarheid van de bestaande bedrijven in de toekomst te garanderen blijven uitbreiding en aanpassing ter hoogte van de bedrijfszetel mogelijk. Integratie van de bedrijfsgebouwen is belangrijk. Erfbeplanting en onderhoud van KLE dienen gestimuleerd te worden. Verlaten bedrijfszetels moeten zoveel mogelijk een agrarische of para-agrarische bestemming krijgen. Ook hoevetoerisme is een activiteit die hier extra ondersteund kan worden" en specifiek voor het Enamebos en Koppenberg: "De boscomplexen Enamebos en Koppenberg zijn gelegen op structurerende stei/randen en bestaan uit verschillende grote bossen en enkele restanten. De rest wordt agrarisch gebruikt. De omgeving van de Koppenberg en Enamebos zijn aangeduid als bosverwevingsgebied. Hier zal de landbouw rekening moeten houden met de landschappelijke en ecologische voorwaarden"; dat zij ten slotte stelt dat het afwijzen van de milieuvergunningsaanvraag, louter en alleen gesteund op stedenbouwkundige redenen, dan ook een schending vormt van VII-27.927-14/19 de Vlarem I-indelingslijst en derhalve minstens niet aan de verplichting voldoet om de beslissing afdoende en op concrete juridische gronden te motiveren, dat de ongunstige adviezen van enerzijds de afdeling Milieuvergunningen en anderzijds de afdeling voor Ruimtelijke Ordening, die zich op deze stedenbouwkundige redenen beroepen en worden overgenomen door de Provinciale Milieuvergunningscommissie en door de verwerende partij, dan ook onjuist en in strijd zijn met de huidige visies en onderrichtingen inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening; 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het vaste rechtspraak is van de Raad van State dat de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag ook een onderzoek van de verenigbaarheid met de geldende stedenbouwkundige voorschriften omvat en dat de vergunningverlenende overheid de voorschriften van de geldende plannen van aanleg en verbindende ontwerp-plannen in acht moet nemen, dat dit rechtscollege bovendien heeft geoordeeld dat indien het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag niet verenigbaar is met de planologische voorschriften die gelden voor het gebied, de vergunningverlenende overheid de gevraagde vergunning moet weigeren en dienaangaande niet over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt, dat in zijn arrest nr. 86.381 van 29 maart 2002 de Raad van State overweegt dat : "het gegeven dat de exploitatie van een gevraagde milieuvergunning plaatsgrijpt in een bestaand en vergund gebouw niet automatisch inhoudt dat hetgeen aldaar wordt vergund verenigbaar is met de bestemming van het betrokken gebied"; dat wat de aangevoerde schending van de ruimtelijke structuurplannen betreft, zij verwijst naar 's Raads arrest nr. 85.762 van 2 maart 2000 waarin wordt overwogen dat "een ruimtelijk structuurplan enkel een beleidsdocument is dat alleen het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur"; 2.4.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij de permanente stelling aankleeft dat de exploitatie van de inrichting niet verenigbaar is met de gewestplanbestemming van bosgebied, dat bij besluit van 18 juli 2002 de verwerende partij de vergunning opnieuw heeft geweigerd, dat ingevolge het arrest nr. 102.924 van 25 januari 2002 van de Raad van State, de vergunningverlenende overheid de reglementering moet toepassen die geldt op het ogenblik van de uitspraak en zij niet gebonden is door de reglementering van toepassing op datum van de aanvraag, in casu op 19 april 1994, dat de voornoemde omzendbrief van 25 januari 2002, door de verzoekende partij aangehaald in het verzoekschrift, nergens VII-27.927-15/19 werd getoetst aan de aanvraag, dat dit een schending is van de motiveringsplicht, dat volgens die omzendbrief het bosgebied een ruimtelijk kwetsbaar gebied is, dat de constructies op het bedoelde terrein stallingen zijn welke, zoals beschreven in de omzendbrief, een stenen gebouw kunnen zijn, dat het decreet van 19 juli 2002 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 duidelijk maakt dat een bestaand gebouw vergund is indien het werd opgericht vóór de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, op voorwaarde dat noch de gemeente, noch de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumentenzorg kunnen bewijzen dat het gebouw vanaf 1962 werd verbouwd of de bestemming ervan werd gewijzigd in strijd met de geldende regelgeving, dat in casu noch de stad Oudenaarde, noch de verwerende partij hebben betwist dat het gebouw werd opgericht vóór 1962, dat de adviezen van de diverse instanties rekening moesten houden met de omzendbrief vermits de verwerende partij meende dat zij zich opnieuw diende uit te spreken over de gegrondheid van de aanvraag, dat het vernietigingsarrest eigenlijk tot gevolg heeft dat de gehele procedure opnieuw moest worden doorlopen, dat door uitdrukkelijk vast te houden aan de bepalingen van het inrichtingsbesluit, de verwerende partij de reglementering die op het ogenblik van de uitspraak van toepassing is miskent, dat de bestemmingen voorzien in het inrichtingsbesluit bovendien "thans onwettig" zijn, dat gedurende meer dan 30 jaar er geen enkel initiatief is genomen om deze bestemmingen te realiseren, dat de gewestplannen slechts geldig waren voor een periode van 10 jaar, dat deze thans "volledig achterhaald" zijn, dat gedurende meer dan 30 jaar de overheid de mogelijkheid had om de bestemming van bosgebied te realiseren en zo nodig tot onteigening van de bestaande gebouwen, die niet in overeenstemming zijn met de bestemming van bosgebied, over te gaan, dat er dan ook mag worden aangenomen dat de overheid van de bestemming als bosgebied heeft afgezien, dat de bestaande vergunde gebouwen al meer dan 30 jaar niet worden aangewend voor bosbeheer, jacht of visvangst, dat de verwerende partij zich dan ook niet kan steunen op gewestplannen die "thans achterhaald en onwettig" zijn, dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen bindend is voor de overheid; 2.4.4. Overwegende dat de tussenkomende partij aanvoert dat een goed ruimtelijk beleid veronderstelt dat percelen worden hersteld in hun bestemming volgens het gewestplan, dat in het nog niet goedgekeurd ontwerp van gemeentelijk structuurplan nergens terug te vinden is dat er plannen zouden worden voorgesteld om bosgebied om te zetten in agrarisch gebied of recreatiegebied; VII-27.927-16/19 2.4.5. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie aanvoert dat zij geen zonevreemde activiteit uitoefent voor het beheer van bosgebied door het houden van paarden ; dat zij in ondergeschikte orde omtrent de aangehaalde bezwaren tegen de inrichting opmerkt dat het stadsbestuur van in den beginne geen bezwaar tegen de inrichting heeft, dat omtrent de houding van de Vlaamse Landmaatschappij kan worden verwezen naar het vierde middel, dat een bedrijf slechts aangifteplichtig is bij de Mestbank vanaf een jaarproductie van 300 kg P2O5, dat een inrichting met tien paarden 210 kg P2O5 per jaar produceert naast 500 kg N, dat slechts vanaf vijftien paarden een inrichting aangifteplichtig wordt bij de Mestbank, dat het feit dat haar inrichting over meer dan 2 ha beschikt, haar aangifteplichtig bij de Mestbank maakt, dat dit er in feite op neerkomt dat een bedrijf dat niet eens over 2 ha beschikt, zonder enige formaliteit veertien paarden kan houden op dergelijke kleine oppervlakte, terwijl haar bedrijf met de huidige vier paarden op een oppervlakte van 7,45 ha aan allerlei beperkingen en regels is onderworpen, dat de argumenten van de VLM dan ook niet ter zake dienend zijn, nu zij geen enkel belang heeft bij de gevraagde inrichting, dat haar weiden die in bosgebied zijn gelegen, bovendien door de VLM zijn gecatalogeerd als permanent grasland en het haar verboden is de oppervlakte van het referentieareaal aan permanent grasland van 4,4 ha te verminderen, dat zij dan ook niet anders kan dan deze weiden te laten begrazen, dat de houding van de VLM dan ook tweestrijdig is te noemen, aangezien volgens haar eigen normen begrazing door 26 paarden wel mogelijk is terwijl zij anderzijds ongunstig advies geeft over begrazing door maximaal tien paarden waarbij geen enkele bemestingsnorm wordt overschreden, dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen werd vastgesteld bij regeringsbesluit van 23 september 1997 en bekrachtigd bij decreet van 17 september 1997, dat het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten ondertussen volop bezig zijn met het opmaken van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, dat er was voorzien dat binnen de vijf jaar de ruimtelijke uitvoeringsplannen de bestaande plannen van aanleg zouden hebben vervangen, dat evenwel pas op 17 januari 2003 een eerste reeks van vijftien groene en twee gele gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen voorlopig werd vastgesteld en in openbaar onderzoek gebracht, dat men thans volop bezig is met het realiseren van de overige gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, dat het perceel waarop de bedrijfszetel zich bevindt uit de VEN (Vlaams Ecologisch Netwerk)-afbakening werd gesloten conform het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, dat deze afbakening op 18 juli 2003 definitief werd vastgesteld, dat bij deze afbakening alleen gebieden werden opgenomen die enkel in het "Gewenste VEN" voorkwamen en niet in de "Gewenste Agrarische Structuur", dat de inrichting derhalve behoort tot de "Gewenste VII-27.927-17/19 Agrarische Structuur"; dat zij om dit te illustreren twee plannen toevoegt; dat zij voorts stelt dat deze VEN-afbakening op het vlak van de ruimtelijke ordening zal worden geïmplementeerd, dat deze afbakening aanzienlijke vertraging oploopt, dat het thans onredelijk is te oordelen op basis van de actuele gewestplannen, terwijl het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen in volle ontwikkeling is; 2.4.6. Overwegende dat de vergunning is geweigerd op grond van het enige en decisieve motief dat het paardenpension planologisch onverenigbaar is; dat dit uit de laatste overweging van het bestreden besluit blijkt: "Overwegende dat de inrichting stedenbouwkundig niet verenigbaar is met de omgeving; dat om die reden de voorliggende beroepen worden ingewilligd, de bestreden beslissing wordt opgeheven en de aangevraagde milieuvergunning wordt geweigerd"; dat de overheid die moet beschikken over een milieuvergunningsaanvraag er, krachtens artikel 2, §1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, toe is gehouden de voorschriften van de geldende plannen van aanleg en ontwerp-plannen in acht te nemen; dat dit onder meer inhoudt dat zij de vergunning dient te weigeren indien de inrichting niet past in de bindende voorzieningen van het plan; dat het grootste gedeelte van de betrokken site is gelegen in bosgebied; dat luidens artikel 12 van het inrichtingsbesluit bosgebieden "de beboste of de te bebossen gebieden, bestemd voor het bosbedrijf" zijn; dat het feit dat een bepaald gebied de facto niet bebost is de gewestplanbestemming bosgebied niet in de weg staat; dat anderzijds het houden van paarden moeilijk in overeenstemming kan worden gebracht met het begrip "bosbedrijf"; dat de aanvraag wordt geweigerd omwille van de onverenigbaarheid van de gevraagde inrichting, het houden van paarden, met de gewestplanbestemming bosgebied en niet omwille van de aanwezige gebouwen op de betrokken site; dat het betoog van de verzoekende partij aangaande de oppervlakte van begrazing dan ook niet dienend is; dat een ruimtelijk structuurplan enkel een beleidsdocument is dat slechts het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur; dat een structuurplan bijgevolg geen bindende richtlijnen voor de overheid, die een beslissing moet nemen, kan bevatten, en de verzoekende partij er ook geen rechten uit kan putten; dat eens het ruimtelijk uitvoeringsplan zal zijn goedgekeurd, duidelijk zal worden of de inrichting die zij aanvraagt toelaatbaar zal zijn; dat het loutere feit dat een bepaalde gewestplanbestemming niet gerealiseerd is, tot de conclusie zou kunnen leiden dat de gewestplanbestemming de facto voorbijgestreefd is, doch de gewestplanbestemming hiermee nog niet onwettig maakt; dat het vijfde middel niet gegrond is, VII-27.927-18/19 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien december tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-27.927-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.834 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.