← België

Arrest 177835 - Milieuvergunningen - 13/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.835 Rolnummer: A. 137080/VII-29924 Zaak: Arrest 177835 - Milieuvergunningen - 13/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-11 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 04:37 Fiche Arrest nr 177.835 van 13 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.835 van 13 december 2007 in de zaak A. 137.080/VII-29.924. In zake : 1. Antoine FAUCONNIER, 2. André POPPE, die woonplaats kiezen bij advocaten D. D'HOOGHE en J. BOUCKAERT, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat 25 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Antoine FAUCONNIER en André POPPE op 23 mei 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 12 maart 2003 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 7 september 1995, houdende het verlenen van een vergunning, voor een termijn verstrijkend op 7 september 2015, aan de n.v. TERCOMIX om een servicestation te exploiteren, gelegen aan de Huivelde 50 te Zele, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 19 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoekers; VII-29.924-1/20 Gelet op de beschikking van 2 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. ROGGEN die, loco advocaat J. BOUCKAERT verschijnt voor verzoekers, en van advocaat J. SIMENON die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Het bestreden besluit is het gevolg van de herneming van de beroepsprocedure nadat het eerdere besluit van de verwerende partij over dit beroep werd vernietigd bij 's Raads arrest nr. 111.659 van 17 oktober 2002. Voor de relevante gegevens van de zaak wordt verwezen naar dit arrest. 1.2. Op 30 oktober 2002 herneemt de verwerende partij de behandeling van het administratief beroep tegen de beroepen beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 7 september 1995. 1.3. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen ingewonnen : (

  1. a)Op 11 december 2002 adviseert de afdeling Milieuvergunningen de beroepen ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing te bevestigen. (
  2. b)Op 12 december 2002 adviseert de Vlaamse Milieumaatschappij gunstig voor de vergunning. (
  3. c)Op 13 december 2002 adviseert de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen gunstig voor de vergunning. VII-29.924-2/20 (
  4. d)Op 16 december 2002 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie de bestreden vergunning te wijzigen door toevoeging van een aantal bijzondere voorwaarden. 1.4. Op 12 maart 2003 wordt het bestreden besluit genomen. De verwerende partij verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond en verleent de milieuvergunning, mits een aantal wijzigingen. In dit besluit wordt onder meer het volgende overwogen : "Gelet op de ligging van de inrichting in een woongebied met landelijk karakter volgens het gewestplan Dendermonde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 december 1978; Gelet op het feit dat de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen in haar voormeld advies van 13 december 2002 het volgende stelt : '... Wat de omgevingsgesteldheid betreft dient gewezen op het feit dat de gemeentelijke weg Huivelde een relatief drukke verbindingsweg is tussen Zele en Hamme. Hij verbindt vanaf de drukke gewestweg N41 Lokeren - Dendermonde, de kernen van Zele en Hamme, via het straatdorp Huivelde-Hansevelde. De betrokken, voldoende verharde weg is uitgerust met de nodige nutsvoorzieningen. Het betrokken op het gewestplan aangeduide woongebied met landelijk karakter, 50 m diep aan weerszijden van de weg, vormt een bebouwingslint doorheen het zuidelijke, landelijke deel van de gemeente Zele. De bebouwing komt ter plaatse van het goed in kwestie quasi ononderbroken voor langs beide kanten van de weg en bestaat op macro- schaal overwegend uit vrijstaande woningen, ingeplant op vrij ruime percelen. De inrichting in kwestie is gelegen relatief ver buiten de kern van Zele, op 2 km van het centrum. Op het eigendom van de NV Tercomix, voorwerp van de aanvraag, (...)staat een benzinestation met bijhorende infrastructuur, ingeplant op het voorste deel van het eigendom. Er achter staat een grote loods, ingeplant op meer dan 30 m van de straat, voorheen in gebruik van een transportfirma en nu blijkbaar een autohandel. ... Onderhavige milieuvergunningsaanvraag heeft echter geenszins betrekking op die achterliggende gebouwen. In het bewuste straatgedeelte van 750 m lengte, tussen de gewestweg en de spoorweg, zijn een achttal kleinschalige bedrijfjes in verspreide orde gevestigd, te weten een kleine garage, een carrosseriebedrijfje en drankgelegenheid, kant gewestweg, en een assemblagebedrijfje voor motorfietsen, een melkhandel, een handel in groenten en fruit, een aannemerij tuinbouw en een in exploitatie zijnde hoeve, kant spoorweg. Voorheen was er ook een benzinestation aanwezig op het perceel links, maar dat is inmiddels verwijderd. Op dat links aanpalend perceel komt echter nog een loods voor waarin thans een beperkte landbouwactiviteit zou worden uitgeoefend. De aanvraag betreft een courant benzinestation dat, afgezien van de relatief grote verhardingsgraad van het perceel en het bestaan van de grote loods achteraan (die evenwel geen deel uitmaakt van de milieuvergunningsaanvraag en mee oorzaak is van de grote verharding), bestaanbaar is met de bestemming van een woongebied met landelijk karakter, net omwille van zijn complementariteit met een dergelijke VII-29.924-3/20 bestemming, namelijk in functie staand van de bewoners en voorbijgangers in het algemeen. Uit de bovenstaande omgevingsbeschrijving moge bovendien duidelijk zijn dat het hier niet gaat om een loutere woonbuurt of gemengde landbouw- en woonomgeving (...), maar dat ook commerciële en ambachtelijke bedrijfjes er - weliswaar in beperkte mate - voor komen. Het gaat daarenboven om een doorgangsweg waar in de regel wel dergelijke zaken voorkomen. In die optiek kan ook het benzinestation als verenigbaar met de aard en het karakter van die omgeving beschouwd worden. Het perceel kent echter een vrij grote terreinsverharding (volledig of quasi volledig) en leidt dan ook tot een te geringe integratie ten opzichte van de aanpalende(
  5. n)en bewoonde percelen in de omgeving waar wel een bouwvrije, vaak beplante bouwvrije strook aanwezig is. Het gaat hier echter om een historisch gegroeide situatie. Het is nochtans wenselijk dat er een initiatief wordt genomen om de werkzaamheden op het terrein te beperken of tenminste in goede banen te leiden. Dat geldt echter vooral voor de achtergelegen, in agrarisch gebied gesitueerde loods die niet het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag uitmaakt. Contactname met het gemeentebestuur leert dat zij de intentie heeft om de bedrijfssite - met een bedrijvigheid in een ingeperkte vorm - op te nemen in een sectoraal plan van aanleg voor zonevreemde bedrijven. Uit de plannen blijkt dat de verharding tot op enige afstand van de rechterperceelsgrens blijft. Links zou enkel een groenaanplanting bestaande uit siersparren bestaan. Om een degelijke inkadering te bekomen lijkt een buffering met een breedte langs beide perceelsgrenzen aangewezen. Het is echter momenteel niet duidelijk in hoeverre dit nog verzoenbaar is met de afgegeven stedenbouwkundige vergunningen. In elk geval is die voorwaarde nog verwezenlijkbaar aan de rechterzijde. In de mate van het mogelijke zal ook de linkerzijde best voorzien worden van een zo dicht mogelijk groenscherm teneinde de aanpalende in zijn privacy en woongenot zoveel mogelijk te beschermen. Onder die voorwaarden kan de inrichting voldoende geïntegreerd worden in de specifieke omgeving'; Overwegende dat de Raad van State de vernietiging van het ministerieel besluit nr. AMV/00066832/600 van 7 maart 1996 heeft uitgesproken aangezien in deze beslissing louter geponeerd werd dat het tankstation verenigbaar is met het woongebied met landelijk karakter; dat de bestreden beslissing geen motivering bevat aangaande de bestaanbaarheid van de betrokken inrichting met de bestemming woongebied met landelijk karakter noch aangaande de verenigbaarheid ervan met de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat de NV Tercomix een vergunning vraagt voor een nieuwe inrichting : een onbemand tankstation met twee brandstofverdeelzuilen met elk vier producten, de opslag van 70.000 l benzine en 30.000 l diesel, de opslag van diverse soorten oliën en antivries in beperkte hoeveelheden, alsmede het lozen van behandeld ander dan normaal huishoudelijk afvalwater; dat de brandstoffen als volgt zullen worden opgeslagen : een ondergrondse tank van. 50.000 l gecompartimenteerd in een vak voor 30.000 l diesel en 20.000 1 superbenzine, een ondergrondse tank van 50.000 l gecompartimenteerd in een vak voor 25.000 l superplus en 25.000 l eurosuper; Overwegende dat er op de locatie reeds een onbemand tankstation uitgebaat wordt waarvoor vergunning verleend werd op 19 mei 1988; dat er geen overname heeft plaatsgevonden van de vergunning conform de bepalingen van artikel 42 §2 van titel I van het Vlarem; dat in artikel 19 van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 vermeld staat dat de toegestane vergunningen geldig blijven voor de duur van de lopende vergunning (2/) VII-29.924-4/20 wanneer de inrichting door een andere exploitant wordt overgenomen en de overname vooraf moet worden gemeld aan de overheid die de vergunning heeft verleend; dat het huidige tankstation volledig zal omgebouwd en vernieuwd worden; dat omwille van deze grote investering in 1995 een nieuwe vergunning voor een nieuwe inrichting werd aangevraagd; Overwegende dat de maatschappelijke zetel van de NV Tercomix tijdens de procedure bij de Raad van State gewijzigd is van locatie; dat de maatschappelijke zetel verhuisd is naar de Kazernestraat 18 te 9200 Dendermonde; Overwegende dat de indelingslijst van hinderlijke inrichtingen in bijlage 1 van titel I van het Vlarem sinds 1995 gewijzigd is; dat de aangevraagde rubriek 3.3. volgens de huidige indelingslijst overeenkomt met rubriek 3.1.1/, en de aangevraagde rubriek 17.3.8. overeenkomt met rubriek 17.3.9.3/; dat de aangevraagde rubriek 3.7.2. voor de gecombineerde slibvangput / KWS-afscheider niet meer van toepassing is, aangezien bij rubriek 3 van voornoemde indelingslijst onder opmerking 2,
  6. e)vermeld staat dat het scheiden van bestanddelen aanwezig in het waterig medium op basis van het verschil in dichtheid tussen de aanwezige vervuilde bestanddelen en waterig medium (bv. KWS-afscheider, vetvanger), uitgezonderd centrifuges, niet ingedeeld is; dat enkel de rubricering gewijzigd is ten opzichte van de aanvraag in 1995, en niet het voorwerp van de aanvraag; Overwegende dat inzake het risico op bodem- en grondwaterverontreiniging kan gesteld worden dat de huidige enkelwandige ondergrondse tanks zullen vervangen worden door nieuwe dubbelwandige tanks; dat de lege dubbelwandige tanks reeds aangekocht zijn en op het terrein aanwezig zijn; dat een nieuwe coating en dichtheidsattest vereist zijn voor ze ondergronds worden geplaatst; dat een elektronische overloopbeveiliging wordt voorzien, een permanent lekdetectiesysteem zal geïnstalleerd worden en een kathodische bescherming, zoals voorgeschreven in de sectorale voorwaarden van titel II van het Vlarem; dat de exploitant tevens aangeeft dat de vulprocedure van de ondergrondse tanks steeds zal plaatsvinden in aanwezigheid van een verantwoordelijke van het tankstation en de bestuurder van de tankwagen; dat dit voorgeschreven staat in artikel 5.17.1.17. 3/ van titel II van het Vlarem; Overwegende dat de NV Tercomix, volgens de milieucoördinator, voorziet om bij het vervangen van de oude opslagtanks een beperkt bodemonderzoek uit te voeren, teneinde eventuele bodemsaneringen door te voeren; dat volgens de afdeling Milieuinspectie rond 1995 reeds een bodemonderzoek werd uitgevoerd, maar gezien de verstreken termijn en de aanwezigheid van enkelwandige tanks, een nieuw onderzoek dient uitgevoerd te worden; dat volgens de afdeling Milieuinspectie reeds 2 van de aanwezige enkelwandige tanks buiten gebruik werden gesteld vanwege lekkage; dat in de bestreden beslissing opgelegd is dat voor het verwijderen van de oude ondergrondse tanks een bodemonderzoek dient uitgevoerd onder toezicht van de afdeling Milieuinspectie, teneinde eventuele historische verontreinigingen vast te stellen; dat indien nodig tot sanering dient overgegaan te worden; Overwegende dat de voorziene vulpunten zich, volgens het plan horende bij de aanvraag, op 3,5 m afstand van de dichtste perceelsgrens zullen bevinden en de tanks op 7 m van de perceelsgrens en circa 21,5 m van de rooilijn; dat de tanks onderling op 1 m afstand gelegen zijn; dat de ontluchtingsleidingen op 3 meter van de dichtste perceelsgrens gelegen zijn en 5 meter hoog zullen zijn en voorzien van een veiligheidsmetaaldoek; dat met deze afstanden de afstandsregels voor nieuwe inrichtingen voorgeschreven in titel II van het Vlarem nageleefd worden; Overwegende dat de houders zo ingeplant zijn dat bovenop de houders geen doorgang of losplaats dient plaats te vinden; dat de tankpiste en de losplaats waterdicht zullen uitgevoerd worden door middel van kleimatten onder VII-29.924-5/20 betonklinkers; dat bij de aanvraag nog onduidelijkheid bestond over de manier van waterdichte uitvoering, maar volgens de milieucoördinator ondertussen geopteerd werd voor kleimatten; dat het mogelijks verontreinigd regenwater via de licht afhellende vloeistofdichte ondergrond en via drainageleidingen naar een bezinkput en een koolwaterstofafscheider wordt geleid, vooraleer het wordt geloosd in de openbare riolering; dat eigenlijk gevraagd wordt om gezuiverd bedrijfsafvalwater in de riolering te lozen, met een lozingsdebiet van maximaal 0,03 m³/uur, 0,55 m /dag en 200 m³ /jaar; dat door het kleine lozingsdebiet het volgens de indelingslijst van titel I van het Vlarem om een inrichting klasse 3 gaat; dat van een 3de klasse-inrichting enkel akte kan worden genomen; dat de Vlaamse Milieumaatschappij erop wijst dat de riolering van (...) Huivelde (investeringsplan 99453/aansluiting Huivelde- Hansevelde) via een gescheiden stelsel zal aangesloten worden op de RWZI Zele; dat wanneer het gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is, zowel het gezuiverde als het niet verontreinigd hemelwater afkomstig van de luifel dient aangesloten te worden op de regenwaterafvoerleiding; Overwegende dat de inrichting gelegen is langs een drukke weg; dat de verkeersintensiteit als gevolg van de exploitatie van de inrichting verwaarloosbaar kan geacht worden ten opzichte van de bestaande verkeerssituatie; dat het perceel voldoende breed en diep is (circa 45 m diep, vooraan op het smalst 19 meter breed) om een veilige verkeersdoorstroming mogelijk te maken; dat ook de tankwagens voor de bevoorrading voldoende ruimte zullen hebben om veilig op en af te rijden en te draaien op het perceel; dat de dichtstbijgelegen woningen (links en rechts) mogelijk visuele hinder kunnen ervaren; dat een groenscherm van 3 meter breedte aangewezen is links en rechts van het perceel; dat dit groenscherm tevens de mogelijke geluidshinder ten goede komt; dat de verkeersdoorstroming hierdoor niet in het gedrang komt (vooraan wordt de minimale breedte dan 13 meter); dat bij het op- en afrijden van de inrichting steeds voor een goede zichtbaarheid op de openbare weg moet gezorgd worden, teneinde moeilijke verkeerssituaties of ongevallen te vermijden; dat men op de inrichting zal werken met het systeem van éénrichtingsverkeer rondom het pompeiland en de klanten verzocht zullen worden dit systeem van éénrichtingsverkeer te gebruiken; Overwegende dat inzake brand- en explosiegevaar de nodige brandbestrijdingsmiddelen zullen worden voorzien; dat het bepalen en het aanbrengen van de brandbestrijdingsmiddelen in overleg met de bevoegde brandweer dient te gebeuren, zoals bepaald in artikel 5.17.1.8. §1 van titel II van het Vlarem; dat nadien de brandblusmiddelen jaarlijks zullen gecontroleerd worden op hun degelijkheid door een erkend organisme; dat op het tankstation een algemeen rookverbod geldt; dat dit verbod op goed zichtbare plaatsen dient uitgehangen te worden, verspreid over het station; dat een noodstop zal geïnstalleerd worden; dat in geval van onheil hiermee alle elektrische stroom van het tankstation (uitgezonderd de verlichting) onmiddellijk kan uitgeschakeld worden; Overwegende dat het concept van het aangevraagde station voldoet aan de toepasselijke bepalingen van titel II van het Vlarem; Overwegende dat achter het tankstation zich een bestaande loods bevindt; dat deze loods geen deel uitmaakt van huidige aanvraag; dat enkel de aanvraag kan beoordeeld worden; Overwegende dat het toezicht op het naleven van de exploitatievoorwaarden behoort tot de bevoegde toezichthoudende overheid; Overwegende dat de NV Tercomix na beroep en uitspraak door de Raad van State, op 18 juli 2002 de bouwvergunning bekomen heeft voor het nieuw in te richten tankstation; dat artikel 56 van titel I van het Vlarem bepaalt dat de vergunning als bedoeld in artikel 42 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, voor een inrichting waarvoor VII-29.924-6/20 overeenkomstig onderhavig besluit een milieuvergunning is vereist of die onderworpen is aan de meldingsplicht, wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet definitief is verleend of de melding niet is gebeurd; dat de koppeling tussen milieu- en bouwvergunning als gevolg heeft dat beide vergunningen volledig conform moeten verleend zijn; dat wanneer dit niet het geval is de vergunningen niet uitvoerbaar zijn; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van de aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt"; 2. De gegrondheid 2.1.1. Overwegende dat het eerste en het tweede middel samen worden onderzocht; dat verzoekers in het eerste middel de schending aanvoeren van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het koninklijk besluit van 7 november 1978 houdende vaststelling van het gewestplan Dendermonde, van de artikelen 5.1.0. en 6.1.2.2. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : het inrichtingsbesluit), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het beginsel volgens hetwelk elke administratieve beslissing op juiste en deugdelijke motieven moet zijn gesteund en van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, doordat het bestreden besluit een milieuvergunning verleent voor het exploiteren van een servicestation in functie van een internationaal transportbedrijf dat gelegen is in woongebied met landelijk karakter; dat verzoekers de overwegingen waarop het bestreden besluit is gesteund citeren; dat zij vooreerst argumenteren dat de vergunningverlenende overheid, overeenkomstig artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, gehouden is om bij de toekenning van de milieuvergunningen, de verordenende kracht van plannen van aanleg te eerbiedigen, vervolgens dat bedrijven slechts kunnen worden toegelaten in woongebied met landelijk karakter wanneer het gaat om een "kleinbedrijf" en het betrokken "kleinbedrijf" ter wille van de goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moet worden afgezonderd, dat ten slotte noch uit het bestreden besluit noch uit het administratief dossier blijkt dat het om een "kleinbedrijf" gaat, en evenmin dat de omvang en de aard van het benzinestation, hetzij als onderdeel van een internationaal transportbedrijf, hetzij op zichzelf genomen, met de bestemming woongebied met landelijk karakter bestaanbaar en verenigbaar zijn ; dat zij bij het eerste middel toelichten dat, met betrekking tot het internationaal VII-29.924-7/20 transportbedrijf van de n.v. TERCOMIX waarop de bestreden milieuvergunning betrekking heeft, de Raad van State zich in zijn arresten nrs. 43.162 van 3 juni 1993 en 70.165 van 11 december 1997 als volgt over de verenigbaarheid van het bedrijf met de onmiddellijke omgeving en de bestaanbaarheid ervan met de bestemming woongebied met landelijk karakter heeft uitgesproken : "(...) dat, zoals in de diverse adviezen naar voren gebracht, een internationaal transportbedrijf van minstens 40 vrachtwagens met een eigen herstelwerkplaats onbestaanbaar is met de bestemming agrarisch gebied en evenmin kan worden aangemerkt als een 'kleinbedrijf' dat onder bepaalde voorwaarden in een woongebied mag worden ingeplant; dat zoals de Raad van State reeds in zijn arrest nr. 43.162 van 3 juni 1993 heeft gewezen, dergelijk bedrijf van de tussenkomende partij overeenkomstig artikel 7.2.0. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 thuishoort in een industriegebied (...)", dat in het licht van die omstandigheden niet anders kan worden besloten dan dat het bestreden besluit betrekking heeft op een benzinestation dat deel uitmaakt van één globale inrichting die niet kan worden aangemerkt als "kleinbedrijf", zodat de exploitatie van het genoemde benzinestation onder geen enkel beding kan worden toegelaten binnen het woongebied met landelijk karakter; dat zij in ondergeschikte orde, in de veronderstelling dat wordt aangenomen dat het vergunde benzinestation deel uitmaakt van een kleinbedrijf, stellen dat de exploitatie ervan in ieder geval onverenigbaar is met de onmiddellijke omgeving en van aard is om de woonfunctie te verstoren, dat de Raad van State in zijn arresten nrs. 20.681 van "4 november 1980" en 25.145 "van 21 maart 1985" reeds heeft bepaald dat autoherstelplaatsen en de inrichtingen die er deel van uitmaken niet verenigbaar zijn met de bestemming woongebied met landelijk karakter, dat in het arrest nr. 36.782 van 28 maart 1991 de Raad van State bovendien specifieerde dat de exploitatie van de in een transportbedrijf geïntegreerde inrichtingen, zoals een benzinestation "onbestaanbaar" is met de bestemming woongebied met landelijk karakter, dat over de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving de Raad van State zich in het voornoemd arrest nr. 111.659 van 17 oktober 2002 als volgt uitspreekt : "(...) dat bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving uitgegaan dient te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, of van de bijzondere bestemming die het bijzonder plan van aanleg van het gebied aan die omgeving heeft gegeven", dat in weerwil van vaste rechtspraak van de Raad van State, de verwerende partij beslist heeft dat de vergunningsaanvraag voor de exploitatie van het benzinestation voldoet aan de voorwaarden van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en dat deze exploitatie in overeenstemming kan worden geacht met de bestemming VII-29.924-8/20 woongebied met landelijk karakter, dat deze conclusie lijkt te zijn ingegeven door de overweging dat in de omgeving van het genoemde bedrijf nog enkele andere bedrijven zijn gevestigd en dat de exploitatie van het "kleinschalige" benzinestation, bij gebrek aan een ander benzinestation in de omgeving, kan worden beschouwd als een dienst die complementair is aan de woonfunctie, dat in zoverre het bestreden besluit is ingegeven door voornoemde eerste overweging, het gebaseerd is op een foutieve vergelijking, dat aangezien bezwaarlijk kan worden ingeschat welke de impact zal zijn van de aangevraagde exploitatie op de onmiddellijke omgeving, zonder dat daarbij ook rekening kan worden gehouden met de effecten en impact van de overige activiteiten op de site, volgens verzoekers niet valt in te zien hoe de vergunningverlenende overheid met kennis van zaken heeft kunnen oordelen over de verenigbaarheid van de aangevraagde exploitatie met de onmiddellijke omgeving, dat in die omstandigheden evenmin valt in te zien hoe de vergunningverlenende overheid in redelijkheid heeft kunnen beoordelen of en in welk mate het internationaal transportbedrijf van aard is de woonfunctie van het gebied te verstoren, dat uit het bestreden besluit overigens blijkt dat de verwerende partij er zich duidelijk van bewust is dat de aangevraagde exploitatie bijzonder hinderlijk zou zijn voor de omwonenden; 2.1.2. Overwegende dat verzoekers in hun tweede middel de schending aanvoeren van de artikelen 2 en 3 van wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het beginsel volgens hetwelk iedere administratieve beslissing op juiste, deugdelijke, niet-tegenstrijdige motieven moet zijn gesteund, van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, doordat het bestreden besluit op basis van onvolledige, onjuiste en tegenstrijdige motieven een milieuvergunning verleent voor de exploitatie van een benzinestation dat deel uitmaakt van een internationaal transportbedrijf, terwijl vooreerst, alle bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd en de ingeroepen motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, vervolgens de genomen beslissingen steeds op afdoende, draagkrachtige en niet-tegenstrijdige motieven moeten berusten die in redelijkheid de beslissing moeten kunnen verantwoorden en ten slotte het dossier ontoereikende informatie bevat om een gefundeerde beoordeling te maken van de verenigbaarheid van de betrokken exploitatie met de onmiddellijke omgeving en de bestaanbaarheid ervan met de bestemming woongebied met landelijk karakter; dat verzoekers bij het tweede middel toelichten dat met betrekking tot eerdere vergunningsaanvragen van de n.v. TERCOMIX, de Raad van State in zijn arrest nr. 86.920 van 26 april 2000 stelt : VII-29.924-9/20 "(...) dat hij met andere woorden te dezen in zijn adviezen concrete elementen moest aangeven waarop hij steunde om tot de conclusie te komen dat het optrekken, op gronden die deels in woongebied met landelijk karakter, deels in agrarisch gebied zijn opgenomen, van gebouwen voor de uitbreiding van de installaties van het bedrijf van de tussenkomende partij, met name een internationaal transportbedrijf met eigen herstelwerkplaats dat overeenkomstig artikel 7.2.20. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 in een industriegebied thuishoort, de realisatie voor het overige van de bestemming die het gewestplan aan het gebied gegeven heeft, niet in het gedrang brengt en derhalve de ruimtelijke ordening, zoals in het gewestplan nader is aangegeven en vastgesteld, niet schaadt; (...); Overwegende dat terzake (...) wordt onderzocht of de inrichting verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving, zondermeer ervan uitgaande dat zij bestaanbaar is met het woongebied met landelijk karakter; dat het (...) die bestaanbaarheid van de inrichting met de bestemming van het gebied in genen dele verantwoordt; dat het middel gegrond is", dat in het meergenoemde arrest nr. 111.659 van 17 oktober 2002 de Raad van State ook het volgende overweegt : "(...) Dat wordt vastgesteld dat in de weergegeven overwegingen louter wordt geponeerd dat het tankstation verenigbaar is met het woongebied met landelijk karakter, dat het bestreden besluit geen motivering bevat aangaande de bestaanbaarheid van de betrokken inrichting met de bestemming van woongebied met landelijk karakter, noch aangaande de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving; dat nochtans de verzoekende partijen in hun beroepschrift er hadden op gewezen dat de inrichting verenigbaar en onbestaanbaar was met de landbouw- en woonfunctie zoals voorzien in het gewestplan; dat het middel in de aangegeven mate gegrond is", dat het bestreden besluit weliswaar formeel is gemotiveerd, doch geenszins verantwoordt om welke redenen de vergunningsaanvraag verenigbaar wordt geacht met de onmiddellijke omgeving en/of bestaanbaar zou zijn met de bestemming woongebied met landelijk karakter, dat voor zover een verantwoording wordt ingeroepen, zij gebaseerd is op tegenstrijdige motieven, dat een eerste tegenstrijdigheid erin bestaat dat de bestreden vergunning wordt verleend op grond van de overweging dat een kleinschalig pompstation te beschouwen is als een dienst die complementair is aan de woonfunctie, terwijl eveneens in het bestreden besluit impliciet wordt bevestigd dat het benzinestation, samen met de loods en de overige infrastructuur op de site, deel uitmaakt van één groter geheel, dat ook in zoverre het bestreden besluit de vergunning verleent op grond van de overweging dat nog andere bedrijven in de omgeving zijn gevestigd, zij is gesteund op tegenstrijdige motieven, dat niettegenstaande de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een internationaal transportbedrijf, het bestreden besluit is gebaseerd op een vergelijking van deze grootschalige inrichting met die andere bedrijven waarvan in het bestreden besluit verduidelijkt wordt dat zij kleinschaliger van aard zijn en veel beter dan het bedrijf VII-29.924-10/20 van de n.v. TERCOMIX zijn geïntegreerd in de residentiële omgeving; dat zij herhalen dat geen informatie beschikbaar is over de huidige activiteiten in de overige gebouwen op de site, dat, nu de impact en de effecten van het vergunde project onmogelijk correct kunnen worden ingeschat, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de effecten en de impact van de overige activiteiten op de site, volgens verzoekers niet valt in te zien hoe de verwerende partij met kennis van zaken heeft kunnen oordelen dat de aangevraagde exploitatie verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving en bestaanbaar is met het omliggende woongebied; 2.2.1. Overwegende dat de verwerende partij met betrekking tot het eerste middel antwoordt dat verzoekers ook op het niveau van het middel blijk moeten geven van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel, zeker en wettig belang, dat de nadelen die verzoekers in dit middel inroepen als zeker moeten voorkomen en rechtstreeks uit het bestreden besluit moeten voortvloeien, dat er zich op deze twee punten een ontvankelijkheidsprobleem stelt, dat verzoekers immers twee van elkaar te onderscheiden nadelen inroepen om hun stelling te onderbouwen, dat het vergunnen van de inrichting strijdig is met het inrichtingsbesluit, dat zij zich enerzijds beroepen op nadelen voortvloeiend uit de exploitatie van het benzinestation en anderzijds op nadelen voortvloeiend uit de exploitatie van een internationaal transportbedrijf waarvan het benzinestation volgens hen deel zal uitmaken, dat er zich met betrekking tot de nadelen voortvloeiend uit de exploitatie van het benzinestation geen probleem van ontvankelijkheid stelt, dat de nadelen voortvloeiend uit de exploitatie van een internationaal transportbedrijf waarvan het benzinestation deel uitmaakt, niet voldoen aan de vereisten van het zeker en rechtstreeks karakter van het belang, dat met betrekking tot de vereiste van het zeker belang kan worden opgemerkt dat de feitelijke bewering van verzoekers dat het benzinestation deel uitmaakt van een internationaal transportbedrijf nauwelijks of geen steun vindt in 's Raads arresten nrs. 43.162 van 3 juni 1993 en 70.165 van 11 december 1997 waarnaar zij verwijzen, dat deze arresten geen informatie leveren over de actuele toestand en evenmin over de activiteiten van de n.v. TERCOMIX; dat de verwerende partij dit toelicht; dat zij voorts verwijst naar voornoemd arrest nr. 111.659 van 17 oktober 2002; dat zij stelt dat de Raad van State haar beslissing van 7 september 1996 heeft vernietigd maar het middel enkel gegrond heeft geacht in de mate dat het steunde op de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dat aldus voor het onderzoek van de wettigheid van het bestreden besluit, het tankstation terecht als een alleenstaande, zelfstandige entiteit werd beschouwd en niet als deel uitmakende van een internationaal transportbedrijf, dat er geen elementen zijn die ertoe dwingen dit VII-29.924-11/20 uitgangspunt opnieuw te verlaten, dat het ontvankelijkheidsprobleem zich ook stelt op het vlak van het rechtstreeks karakter van het belang, dat voor zover de schending van het inrichtingsbesluit en het voornoemd koninklijk besluit van 7 november 1978 is gesteund op de bewering dat het benzinestation deel uitmaakt van een internationaal transportbedrijf, er geen rechtstreeks causaal verband bestaat met het bestreden besluit, dat het bestreden besluit enkel de beroepen beslissing bevestigt, dat de nadelen ingevolge transportactiviteiten dan ook niet voortvloeien uit het bestreden besluit, dat dergelijke transportactiviteiten door het bestreden besluit niet worden gewettigd en door verzoekers op de wijze voorzien in de artikelen 29 en volgende van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning kunnen worden bestreden; dat zij beklemtoont dat verzoekers ook op generlei wijze aantonen dat de toetsing van een milieuvergunning aan het inrichtingsbesluit en het voornoemd koninklijk besluit van 7 november 1978, het voorwerp van die vergunning en van de milieuvergunningsaanvraag zou overstijgen, dat integendeel op basis van artikel 21, § 2, 2 /, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) met reden kan worden gesteld dat de draagwijdte van de toetsing van een milieuvergunning aan het inrichtingsbesluit en het voornoemd koninklijk besluit van 7 november 1978 wordt begrensd tot het voorwerp van de milieuvergunning; Overwegende dat de verwerende partij, met betrekking tot de argumentatie die door verzoekers in ondergeschikte orde is ontwikkeld, stelt dat verzoekers in grote mate terugvallen op de bewering dat het benzinestation deel uitmaakt van een internationaal transportbedrijf, dat om bovengenoemde redenen - geen zeker, actueel en rechtstreeks belang- het middel voor wat dat betreft niet ontvankelijk, minstens ongegrond is, dat zij zich de vraag stelt of verzoekers wel met succes de schending van het inrichtingsbesluit en het voornoemd koninklijk besluit van 7 november 1978 kunnen inroepen, dat de Raad van State zich immers over deze vraag heeft uitgesproken in voornoemd arrest nr. 111.659 van 17 oktober 2002, dat door de beslissing van de verwerende partij van 7 maart 1996 louter op basis van motiveringsgebreken te vernietigen en in het arrest aan te geven dat het middel enkel in die mate gegrond was, er impliciet maar zeker werd geoordeeld dat het middel, voor zover het steunde op het inrichtingsbesluit en het voornoemd koninklijk besluit van 7 november 1978, niet gegrond was, dat verzoekers thans geen nieuwe feitelijke elementen aanbrengen die ertoe zouden leiden dat de exploitatie van het benzinestation op het kwestieuze perceel wel onbestaanbaar is met het woongebied met landelijk karakter en onverenigbaar is met de onmiddellijke VII-29.924-12/20 omgeving, dat in die omstandigheden verzoekers zich enkel kunnen richten tegen de motivering van het bestreden besluit, dat verzoekers dit nalaten wat het eerste middel betreft; dat de verwerende partij voorts uiterst ondergeschikt aanvoert dat verzoekers niet aantonen dat de exploitatie van de vergunde inrichting onbestaanbaar is met het woongebied met landelijk karakter of onverenigbaar is met de onmiddellijke omgeving, dat de bewering van verzoekers dat de andere kleinbedrijven die zich in de onmiddellijke nabijheid bevinden beter zijn geïntegreerd in de residentiële omgeving nauwelijks onderbouwd en intern tegenstrijdig is, dat men niet enerzijds kan pretenderen dat de omgeving residentieel van aard is en anderzijds erkennen dat er verschillende andere kleinbedrijven in de onmiddellijke nabijheid van de vergunde inrichting zijn gevestigd en dat de Huivelde een vrij drukke openbare weg is, dat voor de vernietiging het bewijs dat de andere kleinbedrijven beter zijn geïntegreerd in de onmiddellijke omgeving niet volstaat, dat evenwel is vereist dat de vergunde inrichting niet verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving dan wel onbestaanbaar is met het woongebied met landelijk karakter, dat dit niet het geval is; dat zij dit illustreert aan de hand van concrete elementen; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij met betrekking tot het tweede middel antwoordt dat, voor zover het middel steunt op de zogenaamde tegenstrijdigheid in de motieven, het niet ontvankelijk is om twee van elkaar te onderscheiden redenen; dat zij ten eerste verwijst naar de argumentatie die zij reeds bij de weerlegging van het eerste middel heeft uiteengezet en die steunt op het gebrek aan een zeker, actueel en rechtstreeks belang; dat zij ten tweede stelt dat het aan verzoekers is om de motieven in het bestreden besluit aan te duiden die tegenstrijdig zijn, dat zij dit evenwel niet doen, dat zij enkel de bewering uiten dat het benzinestation deel uitmaakt van een internationaal transportbedrijf, dat zij daarvoor verwijzen naar 's Raads arresten nrs. 43.162 van 3 juni 1993 en 70.165 van 11 december 1997, en vervolgens stellen dat niet valt in te zien hoe de exploitatie van een internationaal transportbedrijf verenigbaar met de onmiddellijke omgeving en bestaanbaar met het woongebied zou zijn, dat op basis van die bewering geen vernietiging kan worden bekomen, dat de Raad van State reeds herhaaldelijk heeft geoordeeld dat een middel dat enkel aanvoert dat een bepaling werd geschonden, zonder aan te tonen hoe aan die bepaling werd tekort gekomen, niet ontvankelijk is, dat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is; dat zij voorts betoogt dat ten gronde kan worden opgemerkt dat de formele motiveringsplicht in rechtstreeks verband staat met de draagwijdte van het bestreden besluit, dat dit de draagkrachtvereiste is, dat de draagwijdte van het bestreden besluit erin bestaat dat VII-29.924-13/20 het servicestation onder bepaalde expliciet aangeduide voorwaarden kan worden geëxploiteerd door de n.v. TERCOMIX, dat voor wat die draagwijdte betreft, het bestreden besluit afdoende is gemotiveerd; dat zij hiervoor verwijst naar een overweging uit het bestreden besluit; dat zij voorts stelt dat verzoekers evenmin aantonen dat het bestreden besluit het zorgvuldigheids- of het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden, dat de bewering dat er geen informatie beschikbaar was over de huidige activiteiten in de andere gebouwen op de site onjuist is; dat zij hiervoor verwijst naar een passage in het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen; dat zij aanvoert dat het bovendien aan verzoekers toekomt om te staven hoe het zogenaamde gebrek aan informatie over de huidige activiteiten in de andere gebouwen op de site tot de onwettigheid van het bestreden besluit kan leiden, dat verzoekers deze bewijslast verwaarlozen en zichzelf bovendien tegenspreken, dat zij immers zelf aangeven dat het onderzoek naar de verenigbaarheid en de bestaanbaarheid en de beoordeling ervan, wordt gekenmerkt door het voorwerp van de aangevraagde milieuvergunning, dat dan volgens de verwerende partij ook niet valt in te zien waarom de grenzen van dit voorwerp in het onderzoek en de beoordeling zouden moeten worden overschreden, dat de stelling dat zulks wel zou moeten gebeuren, geen steun vindt in een reglementaire bepaling en bovendien ontkracht wordt door artikel 21 van Vlarem I, dat in voornoemd artikel de adviezen die de adviesverlenende instanties aan de beslissingnemende overheid moeten verlenen, nader worden omschreven, dat in artikel 21, § 2, 2 /, van Vlarem I duidelijk wordt bepaald dat de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen een gemotiveerde beoordeling moet geven van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, dat dit standpunt herhaaldelijk naar voren komt in het administratief dossier; dat zij dit illustreert aan de hand van het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en het verslag van onderzoek en advies van de afdeling Milieuvergunningen; dat zij ten slotte stelt dat het feit dat in casu de vergunde inrichting als een nieuwe inrichting moet worden beschouwd - en dus geen overname is van de inrichting van de b.v.b.a. JOZEF SERVAES - een element ten overvloede is om te besluiten dat noch het zorgvuldigheids-, noch het redelijkheidsbeginsel werd geschonden; 2.3.1. Overwegende dat verzoekers met betrekking tot het eerste middel in hun memorie van wederantwoord repliceren dat zij wel doen blijken van het rechtens vereiste belang bij dit middel, dat zij in het eerste middel stellen dat de bestreden vergunningsbeslissing door onwettigheid is aangetast, vermits de VII-29.924-14/20 exploitatie van de vergunde inrichting strijdig is met de van kracht zijnde gewestplanbestemming, dat, wanneer dit middel door de Raad van State gegrond zou worden bevonden, dit de nietigverklaring van het bestreden besluit zou impliceren, dat zij niet inzien om welke reden zij geen rechtstreeks belang zouden hebben bij dit middel, dat het feit dat de nadelen, ingevolge de exploitatie van de transportactiviteiten op het achterste gedeelte van de inrichting, niet rechtstreeks het gevolg zijn van het bestreden besluit daarbij irrelevant is, dat, aangezien ook de exploitatie van het benzinestation zelf hinder oplevert voor de buren, zij als eigenaars en bewoners van aanpalende percelen, een evident rechtstreeks belang hebben bij dit middel, dat de verwerende partij een verkeerde voorstelling van zaken geeft, wanneer zij betoogt dat 's Raads arrest nr. 111.659 van 17 oktober 2002 zou hebben geoordeeld dat de exploitatie van de aangevraagde inrichting verenigbaar zou zijn met de omgeving en bestaanbaar zou zijn met de bestemming woongebied en dat verzoekers om die reden geen belang meer zouden hebben bij dit middel, dat in voornoemd arrest de Raad van State heeft geoordeeld dat het middel - dat overeenstemt met het huidig eerste middel -, gegrond is in de mate dat het bestreden besluit was aangetast door een motiveringsgebrek, dat de Raad van State zich evenwel niet heeft uitgesproken omtrent de gegrondheid van het middel voor zover het de schending van de bestemmingsvoorschriften betreft, dat de bewering van de verwerende partij, als zou de stelling van verzoekers, met name dat het benzinestation deel uitmaakt van een internationaal transportbedrijf, door de feiten worden tegengesproken, niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van het middel betreft; dat verzoekers met betrekking tot de gegrondheid van het middel aanvoeren dat het benzinestation één milieutechnische eenheid met het internationaal transportbedrijf vormt, dat bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de vergunningsaanvraag moest worden uitgegaan van de milieutechnische entiteit en niet van het afgezonderde onderdeel ervan, dat uit artikel 21, § 2, 2 /, van Vlarem I niet kan worden afgeleid dat de toetsing van de vergunningsaanvraag met de toepasselijke bestemmingsvoorschriften in casu beperkt moest blijven tot de toetsing van de exploitatie van het benzinestation, zonder dat de activiteiten van het achterliggende internationale transportbedrijf bij deze toetsing mochten worden betrokken, dat deze toetsing immers tot doel heeft na te gaan welke hinder zou resulteren uit de exploitatie van de inrichting nadat de aangevraagde werken zouden zijn vergund en uitgevoerd teneinde te beoordelen of deze hinder verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving en bestaanbaar is met de bestemming woongebied met landelijk karakter, dat aldus in artikel 1.1.2. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het concept van milieutechnische eenheid werd geïntroduceerd in de VII-29.924-15/20 milieuwetgeving, dat voornoemd artikel inzake een milieutechnische eenheid het volgende bepaalt : "verschillende ingedeelde inrichtingen, met inbegrip van hun exploitatieterrein en de overige onroerende goederen waarmee zij verbonden zijn, die als een geheel moeten worden beschouwd met het oog op het beoordelen van het nadeel dat zij kunnen berokkenen aan mens of milieu. Een gegeven dat kan wijzen op de aanwezigheid van een milieutechnische eenheid is de onderlinge geografische, materiële of operationele samenhang van inrichtingen, die gepaard gaat met een relatieve afscheiding van het geheel van deze inrichtingen ten opzichte van andere inrichtingen. Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieutechnische eenheid kunnen vormen", dat zelfs indien de Raad van State van oordeel zou zijn dat het benzinestation geen deel uitmaakt van het achtergelegen internationaal transportbedrijf, het zo blijft dat beide inrichtingen op eenzelfde perceel zijn gelegen en om die reden een milieutechnische eenheid uitmaken; dat verzoekers voorts stellen dat zij bij hun standpunt blijven dat de exploitatie niet verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving en niet bestaanbaar is met de bestemming woongebied met landelijk karakter, dat zij in ieder geval van oordeel zijn dat het tankstation met het internationaal transportbedrijf een milieutechnische eenheid vormt, zodat beide inrichtingen als één geheel te beschouwen zijn om te beoordelen of en in welke mate de vergunningsaanvraag hinder zou kunnen berokkenen aan mens en milieu, dat het feit dat in deze residentiële omgeving geen plaats is voor de exploitatie van een tankstation, in het verleden door de verwerende partij uitdrukkelijk werd gesteld, dat de aanvraag tot voortzetting van de uitbating van het tankstation van tweede verzoeker, op het terrein dat gelegen is naast het kwestieuze perceel, door de verwerende partij op 27 januari 2000 is geweigerd op grond van volgende overwegingen : "(...) Gelet op de mondelinge toelichting gegeven op (...) waaruit blijkt dat de inrichting niet in overeenstemming is met de voor de percelen geldende verkavelingsvergunning en verkavelingsvoorschriften; (...) Gelet op het feit dat de inrichting volgens het gewestplan 'Dendermonde', goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 november 1978, gelegen is in een woongebied met landelijk karakter; dat de inrichting eveneens gelegen is binnen een vergunde verkaveling dd. 24 april 1999 met als voorziene bestemming open bebouwing (...); Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt onverenigbaar is met de voor het perceel geldende verkavelingsvergunning en de verkavelingsvoorschriften (...)", dat aangezien het perceel waarop het bestreden besluit betrekking heeft, is gelegen binnen dezelfde verkavelingsvergunning als het perceel van tweede verzoeker, op VII-29.924-16/20 beide percelen dezelfde stedenbouwkundige voorschriften van toepassing zijn, dat het in die omstandigheden volkomen onredelijk is dat de exploitatie van een tankstation op de ene kavel onverenigbaar wordt bevonden met de verkavelingsvergunning en de verkavelingsvoorschriften, terwijl de exploitatie van een tankstation op het aanpalende perceel wel met deze stedenbouwkundige voorschriften verenigbaar zou zijn; dat zij ten slotte betwisten dat 's Raads arrest nr. 111.659 van 17 oktober 2002 geoordeeld zou hebben dat de exploitatie van het benzinestation van de n.v. TERCOMIX wel degelijk verenigbaar zou zijn met de toepasselijke bestemmingsvoorschriften; dat zij volgende passage uit voornoemd arrest citeren : "(...) wordt vastgesteld dat in de weergegeven overwegingen (van de bestreden beslissing) louter wordt geponeerd dat het tankstation verenigbaar is met het woongebied met landelijk karakter; dat het bestreden besluit geen motivering bevat aangaande de bestaanbaarheid van de betrokken inrichting met de bestemming woongebied met landelijk karakter noch aangaande de verenigbaarheid ervan met de onmiddellijke omgeving; dat nochtans de verzoekende partijen in hun beroepschrift er hadden op gewezen dat de inrichting onverenigbaar en onbestaanbaar was met de landbouw- en woonfunctie zoals voorzien in het gewestplan; dat het middel in de aangegeven mate gegrond is"; dat zij stellen dat uit deze overwegingen niet alleen valt af te leiden dat de motiveringsplicht is geschonden, maar dat de vergunningverlenende overheid eveneens heeft nagelaten aan te tonen dat het tankstation verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving en bestaanbaar is met de bestemming woongebied met landelijk karakter; 2.3.2. Overwegende dat verzoekers met betrekking tot het tweede middel in hun memorie van wederantwoord aanvoeren dat zij wel degelijk doen blijken van een zeker, actueel en rechtstreeks belang bij dit middel, dat de verwerende partij volgens hen uit het oog verliest dat de discussie omtrent het voortbestaan van het internationaal transportbedrijf en de vraag of het benzinestation al dan niet deel uitmaakt van een groter geheel, het voorwerp uitmaakt van de beoordeling ten gronde en niet kadert in de beoordeling van de ontvankelijkheid van het middel; dat zij met betrekking tot de gegrondheid van het middel stellen dat zij bij hun standpunt blijven dat het bestreden besluit is totstandgekomen zonder dat de verwerende partij over voldoende informatie kon beschikken om de vergunningsaanvraag met kennis van zaken te beoordelen, dat uit het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen geenszins blijkt dat er voldoende informatie voorhanden was met betrekking tot de activiteiten in de loodsen, dat de verwerende partij zich vergist wanneer zij stelt dat de activiteiten in de loodsen niet relevant zijn bij de beoordeling VII-29.924-17/20 van voorliggende vergunningsaanvraag, omdat die loodsen niet het voorwerp van deze aanvraag uitmaken, dat bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag steeds moet worden uitgegaan van de milieutechnische eenheid, dat nu de verwerende partij met betrekking tot de loodsen over geen duidelijke informatie kon beschikken, zij niet alleen heeft nagelaten voldoende informatie te verzamelen maar zonder afdoende kennis van zaken het bestreden besluit heeft genomen; 2.4. Overwegende dat het belang van verzoekers bij het eerste en tweede middel hierin ligt dat het gegrond bevinden ervan de nietigverklaring van het bestreden besluit zou meebrengen; dat de stelling van de verwerende partij dat de nadelen die verzoekers ondervinden het gevolg zijn van andere bedrijvigheden die op het betrokken perceel worden uitgeoefend en niet van het vergunde tankstation, irrelevant is voor de beoordeling van het belang bij het middel; dat de verwerende partij de milieuvergunningsaanvraag niet zelf toetst aan artikel 5.1.0. van het inrichtingsbesluit, maar er zich toe beperkt het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen te citeren; dat in het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt gewezen op de loods welke zich achter het tankstation bevindt en die "voorheen in gebruik van een transportfirma en nu blijkbaar een autohandel (is)"; dat aldus blijkt dat het tankstation niet de enige handelsfunctie is die op het perceel aanwezig is; dat de stedenbouwkundige vergunning van 18 juli 2002 voor het plaatsen van brandstoftanks en de aanleg van vulleidingen onder punt 1.2. stelt dat "de loods en het tankstation in ruimtelijk stedenbouwkundig opzicht één geheel uitmaken en dus als een globale inrichting moeten beoordeeld worden"; dat noch in de overwegingen van het bestreden besluit, noch in het administratief dossier die stelling wordt tegengesproken; dat in de overwegingen van het voornoemd advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen alleen het tankstation wordt getoetst aan artikel 5.1.0. van het inrichtingsbesluit; dat het bestreden besluit voorbijgaat aan de vaststelling dat de loods en het tankstation in ruimtelijk stedenbouwkundig opzicht één geheel vormen en derhalve als een globale inrichting moeten worden beschouwd, zodat uit de aard zelf van de inrichting die loods en het tankstation een milieutechnische eenheid uitmaken; dat het bijgevolg de bedrijfsactiviteiten in en om de loods niet heeft betrokken bij de beoordeling van het nadeel dat de inrichting als milieutechnische eenheid kan berokkenen aan mens en milieu zodat de motieven van het in het bestreden besluit geciteerde en overgenomen advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, met betrekking tot de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied met landelijk karakter en met betrekking tot de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving, geenszins afdoende zijn; dat het eerste en tweede middel in die mate gegrond zijn, VII-29.924-18/20 VII-29.924-19/20 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 12 maart 2003 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 7 september 1995, houdende het verlenen van een vergunning, voor een termijn verstrijkend op 7 september 2015, aan de n.v. TERCOMIX om een servicestation te exploiteren, gelegen aan de Huivelde 50 te Zele, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien december tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-29.924-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.835 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.