id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.866 Rolnummer: A. 69478/X-6661 Zaak: Arrest 177866 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-24 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:37 Fiche Arrest nr 177.866 van 14 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.866 van 14 december 2007 in de zaak A. 69.478/X-
- In zake : Elisabeth GEURTS, die woonplaats kiest bij advocaat N. VAN DE VELDE, kantoor houdende te 9660 BRAKEL, Wielendaalstraat 17 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat C. LEMACHE, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Tongersesteenweg
- -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Elisabeth GEURTS op 20 juni 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 2 april 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende weigering van de regularisatievergunning voor een hondenkennel op een perceel gelegen te Bilzen (Beverst), Holt 24, kadastraal bekend sectie E, nr. 237/f; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 14 februari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 januari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 9 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; X-6661-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat V. SCHALENBOURG, die loco advocaat C. LEMACHE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Overwegende dat de verzoekster op 1 februari 1994 een bouw- aanvraag indient voor de “regularisatie van garage en bergplaats en kweekhok, regularisatie van hondenhokken (1 t/m 38) en het slopen van hondenhokken (39 t/m 50)” op het perceel gelegen Holt 24 te Bilzen (Beverst), kadastraal bekend sectie E, nr. 237/f; dat de verzoekster binnen de door artikel 54, § 1, eerste lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: Stedenbouwwet) voorziene termijn geen kennisgeving ontvangt van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bilzen; dat de verzoekster de gemachtigde ambtenaar op 7 juni 1994 verzoekt over haar regularisatieaanvraag te beschikken; dat de gemachtigde ambtenaar bij gebreke van een binnen de termijn bepaald bij artikel 54, § 1, tweede lid, van de Steden- bouwwet genotificeerde beslissing wordt geacht de gevraagde vergunning te hebben geweigerd; dat de verzoekster tegen deze impliciete weigeringsbeslissing op 25 augustus 1994 beroep aantekent bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg; dat de verzoekster bij gebreke van ontvangst van een beslissing van de bestendige deputatie binnen de termijn bepaald bij artikel 55, § 2, tweede lid, van de Stedenbouwwet op 21 november 1994 beroep aantekent bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening; dat dit beroep met een ministerieel besluit van 2 april 1996 wordt verworpen; dat dit de bestreden beslissing is; 2.
- Overwegende dat de verzoekster een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt : “Dat in art.
- van de Wet van 29/7/91 bepaald wordt dat de bestuurshandelingen van de besturen dienen gemotiveerd te worden en dat uit art.
- van dezelfde Wet blijkt dat deze motivering afdoende dient te zijn. Vanzelfsprekend dient de motivering bovendien juist te zijn. Als enige motivering blijkt uit het Ministerieel Besluit: ‘Dat het bedrijf grotendeels in de agrarische zone is gelegen en dat het hier in casu geen leefbaar agrarisch bedrijf betreft.’ Artikel 11 van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, voorziet onder X-6661-2/7 andere: De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen..... voor zover deze een integrerend deel uitmaken van een leefbaar bedrijf. De Minister weigert de vergunning omdat het bedrijf van verzoekster niet leefbaar zou zijn. De vraag die zich stelt is te weten op wat de Minister zich baseert om te stellen dat het bedrijf niet leefbaar zou zijn. Verzoekster toont, aan de hand van de stukken 1 t.e.m. 4, aan, dat haar bedrijf wel degelijk leefbaar is. Zo blijkt uit stuk 3 dat de (bruto-) winst van verzoekster voor het jaar 1995 604.784 fr. bedroeg, hetgeen inhoudt dat haar bedrijf zeker leefbaar is. Uit de stukken 4 t.e.m. 6 blijkt (...) bovendien dat het bedrijf van verzoekster garant staat voor kwaliteitsdieren. Verzoekster won immers oa. het wereldkampioenschap in 1994 (met een Beagle) (stuk 4) en een internationaal concours te Brussel in 1995 (stukken 5 en 6). Uiteraard hebben deze internationale onderscheiding een gunstige weerslag op de leefbaarheid van het bedrijf van verzoekster. Verzoekster heeft aldus immers naam en faam verworven in kringen van honde(n)liefhebbers. Bovendien kunnen de puppies van hogervermelde prijsdieren tegen aanzienlijke prijzen (veel hoger dan bij ‘normale’ dieren) worden doorverkocht, hetgeen de leefbaarheid van het bedrijf alleen maar ten goede kan komen. In dit verband dient nog te worden opgemerkt dat het voorgaande ook geldt voor de puppies van deze puppies, de puppies van laatstgenoemde puppies, enz. De motivering van de Minister is derhalve gebrekkig en zelfs onjuist. Dat dit een schending is van de artikelen 1 en volgende van de Wet van 29/7/
- De burger dient te weten waarom hem een vergunning geweigerd wordt. Dit blijkt echter nergens uit de bestreden beslissing. De Raad van State heeft reeds beslist dat een beslissing moet steunen op concrete en terzake dienende feiten en gegevens, en dat deze motieven moeten blijken uit het besluit zelf. (...) Er zijn geen concrete en terzake dienende feiten en gegevens en, zo deze er wel zouden zijn, blijken zij nergens uit het besluit zelve”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Aangezien verzoekende partij stelt dat de motiveringsplicht, zoals vastgelegd bij de Wet van 29 juli 1991, geschonden zou zijn, nu het M.B. maar één motief zou hebben, nl. het feit dat het bedrijf zou liggen in een agrarische zone en dat het geen (leefbaar) agrarisch bedrijf is, en dat dit motief niet juist zou zijn; Aangezien vooreerst toch moet worden benadrukt dat de door verzoekende partij gevolgde procedure vrij specifiek is, nu ze steeds beroep heeft aangetekend, rekening houdend met het gegeven dat binnen de bij wet gestelde termijn geen beslissing werd genomen; Dat ten tweede het (beroepschrift) dd. 19/11/1994 (...) ook vrij summier is en eigenlijk maar één element ten voordele van verzoekende partij aangeeft, nl. dat een aantal hondenhokken gesloopt worden en dat de andere hokken geregulariseerd kunnen worden, nu ze zijn ingeplant op een manier dat de ruimtelijke ordening niet wordt geschaad; X-6661-3/7 Dat op dit argument op een voldoende wijze werd geantwoord; Dat het immers niet juist is te stellen dat de motivering terug te brengen is naar één lijn; Dat immers in het M.B. op p. 2 een uitvoerige analyse werd gedaan van wat een agrarisch gebied precies is; Dat op p. 3 van het M.B. de te regulariseren stallingen uitvoerig met oppervlakte e.d. werden beschreven; Dat vervolgens op p. 3 van het M.B. rekening werd gehouden dat de bouwwerken wederrechtelijk waren en dat er derhalve rekening moest worden gehouden met een nog lopende beteugelingsprocedure; Dat ook werd gesteld dat men er rekening mee moest houden dat het bedrijf grotendeels lag in een agrarische zone en dat het geen leefbaar agrarisch bedrijf betrof; Dat verder op p. 3 van het M.B. ook rekening werd gehouden met de goede aanleg van de plaats; Dat bijgevolg het M.B. in concreto behoorlijk gemotiveerd is; Aangezien bovendien de wet van 29 juli 1991 betreffende de wettelijke motivering van bestuurshandeling niet tot gevolg heeft dat uitvoerig moet geantwoord worden op alle argumenten zoals het krachtens art. 97 Ger.W. het geval is met de gerechtelijke uitspraken (...); Dat immers algemeen aanvaard wordt dat het volstaat dat de beslissing de feitelijke en juridische grond doet kennen, waarop ze gesteund is, zoals in casu, en die haar kunnen verantwoorden (...); Dat in concreto de aangevochten beslissing beantwoordt aan de vereisten van hogergenoemde wet; Dat bovendien rechtspraak i.v.m. bouwdossiers stelt dat aan de voorgeschreven motiveringsplicht voldaan is : ‘Wanneer de uitspraak over het bouwberoep duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening ambtshalve verbandhoudende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het de aanvrager mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen, dat hij m.a.w. kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in (rechte) en in feite juist zijn, of zij die correct hebben beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen (...); Dat in concreto verzoekende partij met kennis van zake tegen de beslissing is kunnen opkomen en dat ook de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen; Dat in die optiek aan de motiveringsplicht correct is voldaan; Dat derhalve het eerste middel compleet ongegrond is”; 2.
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Ongeacht wat de tegenpartij ook moge beweren, de weigering van bouwvergunning is slechts gemotiveerd als volgt: a. Het gaat hem hier om een agrarisch gebied. (wat juist is) b. Agrarische gebieden mogen bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten benevens verblijfsgelegenheid, voor zover deze een integrerend deel uitmaken van een leefbaar bedrijf. (Ook dit is juist). c. Dat het bedrijf niet leefbaar is. (wat totaal onjuist is.) Met andere woorden: de Minister geeft zelf toe dat de vergunning dient toegekend te worden als het om een leefbaar bedrijf gaat. De Minister heeft echter op geen enkele manier onderzocht of het bedrijf ja X-6661-4/7 dan neen leefbaar was, en heeft, om redenen die voor verzoekster totaal onbekend zijn, en die trouwens nergens uit het administratief dossier blijken, geoordeeld dat het bedrijf niet leefbaar is. Begrijpe wie kan... Dat het bedrijf leefbaar is, blijkt uit de door verzoekster neergelegde stukken. Voor zoverre de Minister zou motiveren dat, aangezien er zich een wederrechtelijke toestand voordoet, dit laatste de reden is om de vergunning te weigeren, dan raakt die motivering kant noch wal... De bedoeling van een regularisatievergunning is immers een weder- rechtelijke toestand te ... regulariseren. Het middel is dus gegrond”; 2.
- Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn; dat artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”; dat uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is; Overwegende dat artikel 55, § 3, van de Stedenbouwwet, zoals het gold op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij als orgaan van actief bestuur in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiverings- verplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen; dat deze beslissingen derhalve niet onder de toepassing vallen van laatstgenoemde wet; dat uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 55, § 3 van de Stedenbouwwet; dat, om te voldoen aan de in de voormelde bepaling vastgelegde motiveringsplicht, de Vlaamse regering in haar beslissing duidelijk moet aangeven door welke met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen die beslissing is verantwoord; Overwegende dat de bestreden beslissing als volgt is gemotiveerd: X-6661-5/7 “Overwegende dat bij de beoordeling van deze aangelegenheid rekening dient gehouden met het feit dat het hier een wederrechtelijke toestand betreft en dat de door de stede(n)bouwwet voorziene beteugelingsprocedure nog lopende is; dat het bedrijf grotendeels in agrarische zone is gelegen en dat het hier in casu geen leefbaar agrarisch bedrijf betreft; dat om alle bovengenoemde redenen dient gesteld dat de gevraagde regularisatie de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt en stede(n)bouwkundig niet kan worden aanvaard; dat zodoende het beroep van de particulier niet in aanmerking komt voor inwilliging”; Overwegende dat de weigering derhalve is gesteund op het feit dat het bedrijf van de verzoekster “geen leefbaar agrarisch bedrijf” betreft, zonder daarbij de redenen uiteen te zetten waarop wordt gesteund om tot deze conclusie te komen; dat derhalve niet aan de in artikel 55, § 3 van de Stedenbouwwet opgelegde motiveringsplicht is voldaan en dat het eerste middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 2 april 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende weigering van de regularisatievergunning voor een hondenkennel op een perceel gelegen te Bilzen (Beverst), Holt 24, kadastraal bekend sectie E, nr. 237/f. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-6661-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december 2007, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-6661-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.866 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div