id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.868 Rolnummer: A. 69475/X-6672 Zaak: Arrest 177868 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:38 Fiche Arrest nr 177.868 van 14 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.868 van 14 december 2007 in de zaak A. 69.475/X-
- In zake : de n.v. FLORIZOONE, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. FLORIZOONE op 21 juni 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 januari 1996 van de gemachtigde ambtenaar waarbij aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, Administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer, Dienst West-Vlaanderen de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor aanleg van het vak Adinkerke-Franse grens van de A18, bestaande uit het uitvoeren van grond-, afwaterings- en verhardingswerken en het bouwen van de brug B31, Moeresteenweg over de A18 te Adinkerke”; Gelet op het arrest nr. 62.911 van 5 november 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd J. HUBREGTSEN; Gelet op de beschikking van 25 september 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-6672-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 januari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 9 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. MAN, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat de vordering te laat is ingesteld; dat zij deze exceptie als volgt toelicht : “2.
- Het het (sic) annulatieberoep werd niet ingediend binnen de termijn van zestig dagen vanaf de dag dat eisende partij er kennis van heeft gehad. 2.
- Het verzoekschrift tot nietigverklaring is gedateerd op 21 juni
- Er van uitgaande dat 21 juni 1996 de laatst nuttig dag was voor het indienen van het verzoekschrift, houdt in dat verzoekende partij ten vroegste kennis heeft genomen van de bestreden beslissing op 22 april 1996, wil zij tijdig een annulatieberoep indienen. Verzoekende partij beweert slechts kennis te hebben gekregen van de bestreden beslissing op 3 juni
- 2.
- De termijn voor het indienen van het beroep tot nietigverklaring van een handeling die aan betrokkene noch bekendgemaakt, noch aan hem dient betekend te worden, gaat in de dag waarop hij er in feite kennis van heeft. Die feitelijke kennis moet voldoende zijn om te kunnen oordelen of het aangewezen is er een annulatieberoep tegen in te stellen. Het is hierbij niet vereist dat hij kennis heeft gekregen van de volledige tekst van deze akte, maar wel dat hij op de hoogte is gebracht van de precieze inhoud en van de draagwijdte ervan. 2.
- Verzoekende partij beweert dat gezien zij eigenares is van gronden gelegen in de onmiddellijke omgeving van de werken en zich overigens geëngageerd heeft voor de levering van het zand voor de aanleg van de A 18, zij er belang bij heeft te weten of de A 18 al dan niet door het beschermd duingebied loopt, reden waarom zij op 31 mei 1996 door gerechtsdeurwaarder Rogiers ter plaatse de nodige vaststellingen laat doen op de percelen op het terrein tussen de Molendam, de Moeresteenweg en het Ringslot, tot waar de werken aan de A 18 gevorderd zijn. X-6672-2/5 Met de vergunde werken werd een aanvang genomen op 1 maart
- Het eerste werk dat werd ondernomen was het terugduwen op de percelen van verzoekende partij van de door verzoekende partij op het traject van de A 18 opgeduwde bovenlaag van de ontginning die zij korte tijd voordien was gestart. Het staat vast dat verzoekende partij vanaf 28 maart 1996 en vooral in de eerste week van de maand april 1996 circa 4000 m3 zand heeft geleverd voor de aanleg van de A
- Verwerende partij (sic) was bijgevolg minstens op de hoogte van het bestaan van de bouwvergunning die thans door haar wordt bestreden. Er kan zelfs worden vermoed dat verzoekende partij enige dagen vóór 28 maart 1996 van de hoofdaannemer opdracht kreeg zand aan te voeren, zodat zij enkele dagen vóór deze datum kennis had van het bestaan van de door haar bestreden bouwvergunning. Dit blijkt uit de vaststellingen van 15 maart 1996 van Paul Guillemin (...) waaruit blijkt dat verzoekende partij reeds voorbereidingen aan het treffen was voor de aanvoer van het zand. Wanneer zij, zoals door haar wordt aangevoerd, er belang bij heeft te weten of het traject al dan niet door beschermd duingebied loopt, kon zij vanaf enige dagen vóór 28 maart 1996 de nodige stappen ondernemen om te achterhalen of dit al dan niet het geval was. In elk geval mag worden verwacht van een nabuur en aannemer, zoals verzoekende partij, die volgens haar verklaringen hieraan belang hecht in die mate zelfs om hiertegen een verzoek tot nietigverklaring in te dienen, dat zij deze gegevens (de bouwvergunning) dienaangaande controleert vooraleer zij met de levering van zand ten behoeve van het vergunde bouwwerk start. Minstens kan worden aangenomen dat van zodra verzoekende partij wist dat er een bouwvergunning was afgeleverd, welk ogenblik dient bepaald te worden ten laatste enkele dagen vóór 28 maart 1996, dat zij onmiddellijk het nodige zou gedaan hebben om er kennis van te nemen op het gemeentehuis. Op verzoekende partij rust immers een plicht tot waakzaamheid, waarvan zij als professioneel aannemer en naburig eigenaar die zich volgens eigen verklaringen heeft geëngageerd voor de zandlevering zeker niet onwetende kon zijn. In haar verzoekschrift beschrijft verzoekende partij dat zij vanaf 25 mei 1996, dag van de voor haar alarmerende persberichten ingevolge verklaringen van een Vlaams Volksvertegenwoordiger tot 3 juni 1996 nodig had om kennis te krijgen van de bouwvergunning, d.i. 9 dagen. Zelfs wanneer zou worden aangenomen dat eisende partij 15 dagen zou nodig hebben om kennis te nemen van de bouwvergunning, nadat zij kennis kreeg van het bestaan ervan (in elk geval ten laatste op 28 maart 1966), dient gelet op hetgeen hierboven werd uiteengezet de aanvang van de termijn van 60 dagen waarbinnen een verzoek tot annulatie van de bestreden beslissing tijdig kan worden ingediend, bepaald te worden op ten laatste 13 april 1996 wat inhoudt dat de termijn van 60 dagen verstreek op 12 juni
- 2.
- Verzoekende partij heeft slechts een verzoek tot annulatie ingediend op 21 juni
- Het ziet er naar uit dat verzoekende partij zich slechts bekommerd heeft om de wettigheid van de bestreden beslissing vanaf 3 mei 1996, dag waarop haar de bekrachtigingsbeslissing van de gemachtigde ambtenaar betreffende het stopzettingsbevel werd betekend en pas nadat haar leveringen van zand noodgedwongen werden stopgezet en bijgevolg ook lang nadat zij van het bestaan van de bestreden beslissing kennis heeft gekregen. 2.
- Uit voorgaande blijkt dat het verzoek tot nietigverklaring laattijdig werd ingediend, zodat het als onontvankelijk dient te worden afgewezen”; Overwegende dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning noch bekendgemaakt, noch aan derden diende betekend te worden, zodat krachtens X-6672-3/5 artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekster er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad; dat het evenwel niet in de macht van een potentiële verzoeker mag liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien; dat het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, meebrengen dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting had om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de mogelijkheid die hem toentertijd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, gewijzigd bij de wetten van 22 april 1970 en 22 december 1970, geboden werd om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning; dat eens die redelijke termijn verstreken, de termijn van 60 dagen om annulatieberoep in te dienen, een aanvang neemt; Overwegende dat de verzoekende partij niet betwist wat de verwerende partij doet gelden, namelijk dat met de vergunde werken een aanvang werd genomen op 1 maart 1996 en dat het eerste werk dat werd ondernomen bestond uit het terugduwen op de percelen van verzoekende partij van de door deze laatste op het traject van de A18 opgeduwde bovenlaag van de ontginning die zij korte tijd voordien was gestart; dat zij evenmin betwist dat dit werk het begin der vergunde werken was, noch dat zij als eigenaar en als aannemer van grondwerken aan de hand van wat zij toen ter plaatse op haar eigen terreinen kon vaststellen, kon vermoeden dat ervoor een bouwvergunning is vereist; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij verzuimd heeft binnen een redelijke termijn gebruik te maken X-6672-4/5 van het haar wettelijk toegekende inzagerecht; dat het op 21 juni 1996 ingediende beroep tot nietigverklaring laattijdig is ingesteld; dat het niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-6672-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.868 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.62.911 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div