← België

Arrest 177937 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.937 Rolnummer: A. 162768/IX-4911 Zaak: Arrest 177937 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-14 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:39 Fiche Arrest nr 177.937 van 17 december 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.937 van 17 december 2007 in de zaak A. 162.768/IX-

  1. In zake : Patrick SCHUDDINCK, die woonplaats kiest bij advocaat V. GOOSSENS, kantoor houdende te MORTSEL, Prins Leopoldlei 81 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Patrick SCHUDDINCK op 24 mei 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 10 maart 2005 van de Algemene Directie van de materiële middelen van de federale politie waarbij bepaald wordt dat hij voor de periode van 1 januari 2002 tot 31 december 2004 een teveel aan wedde heeft ontvangen voor een bedrag van 314,97 euro en dat dit bedrag teruggevorderd zal worden. Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-4911-1/6 Gelet op de beschikking van 29 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. PEETERS die, loco advocaat V. GOOSSENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur K. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  3. Verzoeker was vóór de politiehervorming hoofdinspecteur eerste klasse bij de gemeentepolitie van Hove. 1.
  4. Bij besluit van 12 september 2002 van de politieraad van de politiezone HEKLA wordt, met ingang van 1 april 2001, de graadverandering vastgelegd en de nieuwe loonschaal bepaald van de personeelsleden die daags vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) behoorden tot het gemeentelijk politiekorps van een gemeente die deel uitmaakt van voornoemde politiezone HEKLA, zijnde de gemeenten Aartselaar, Edegem, Hove, Kontich en Lint. Verzoeker verkrijgt de graad van hoofdinspecteur van politie. Zijn nieuwe loonschaal wordt bepaald als volgt : “SCHUDDINCK Patrick, geboren op 25 mei 1959, huidig korps GEMEEN- TEPOLITIE HOVE : C Loonschaal op 31 maart 2001: PB6 C Niet-geïndexeerde jaarwedde op 31 maart 2001: 1.096.000 BEF C Geldelijke anciënniteit op 31 maart 2001= 22 C Gecorrigeerde geldelijke anciënniteit overeenkomstig bepalingen in K.B.van 30 maart 2001= 19 IX-4911-2/6 C Loonschaal per 1 april 2001: M6 C Niet-geïndexeerde jaarwedde per 1 april 2001: 1.272.000 BEF C Nieuwe geldelijke anciënniteit in voornoemde weddeschaal per 1 april 2001= 22 C Volgende weddetrapverhoging in voornoemde weddeschaal op 01-09-01”. 1.
  5. Met een brief van 10 maart 2005 deelt de Federale Politie, Algemene Directie van de materiële middelen, Directie van de Financiën, dienst Secretariaat GPI aan verzoeker mee dat uit de controle van zijn weddedossier gebleken is dat zijn geldelijke anciënniteit in de loonschaal M6 een aanvang genomen heeft in februari 1979 en niet in september
  6. Uit de herberekening van zijn wedde blijkt dat hij 314,97 euro teveel ontvangen heeft voor de periode van 1 januari 2002 tot 31 december
  7. De bijzondere rekenplichtige zal terzake een terugvorderingsplan opstellen. De in die brief vervatte beslissing maakt het voorwerp uit van het onderhavig beroep. De bevoegdheid van de Raad van State
  8. De verwerende partij betwist de bevoegdheid van de Raad van State. Volgens haar heeft de vordering betrekking op een burgerlijk recht en behoort het geschil, overeenkomstig artikel 144 van de Grondwet, tot de uitsluitende bevoegdheid van de gewone rechtbanken.
  9. Verzoeker repliceert dat de bestreden beslissing een eenzijdige, door de overheid gestelde, rechtshandeling is met een duidelijk beoogd rechtsge- volg, namelijk het ingrijpen in de weddeschaal van verzoeker.
  10. In zijn laatste memorie voegt verzoeker daar nog aan toe dat zijn beroep niet gericht is tegen de betaling van zijn wedde, maar tegen de eenzijdige administratieve beslissing waarbij zijn wedde wordt vastgesteld. Stellen dat het bestuur een gebonden bevoegdheid uitgeoefend zou hebben kan geen reden zijn om tot de onbevoegdheid van de Raad van State te besluiten wanneer voorafgaandelijk niet uitgemaakt is of het besluit wel door het bevoegde orgaan van het bestuur genomen is, hetgeen hij in zijn middelen betwist. IX-4911-3/6
  11. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat een reglement waarbij buiten elke discretionaire bevoegdheid van het bestuur om, de wedde van de ambtenaren wordt vastgesteld, aan de ambtenaar een subjectief recht toekent. De beslissing waarbij vervolgens de wedde van de ambtenaar individueel wordt vastgesteld, is een declaratieve beslissing waarbij het bestuur erkent een bepaald bedrag, dat het krachtens het weddereglement moet betalen, uit te keren. In dit geval heeft de verwerende partij de bepalingen van het statuut toegepast zonder daarbij enige appreciatiebevoegdheid uit te oefenen.
  12. Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een te dezen niet- bestaande toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijk en rechtstreeks voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep gericht is op de erkenning van een subjectief recht waaromtrent het bestuur een gebonden bevoegdheid uitoefent.
  13. Te dezen is het beroep gericht tegen een beslissing waarbij vastgesteld wordt dat, wegens een verkeerde anciënniteitsberekening, verzoeker voor de periode van 1 januari 2002 tot 31 december 2004 ten onrechte een te hoog bedrag aan wedde heeft ontvangen. Volgens de verwerende partij leidt de toepassing van het stappenplan waarin het RPPol voorziet om de wedde van de personeelsleden binnen de nieuwe politiestructuur te bepalen in het geval van verzoeker tot de vaststelling dat hij op 1 april 2001 recht had op de loonschaal M6 met een geldelijke anciënniteit van 22 jaar en 2 maanden. Verzoeker betwist zulks niet.
  14. De bepalingen van het RPPol, die de verwerende partij bij de vaststelling van de wedde van verzoeker heeft toegepast -met name de artikelen XI.II.3 tot XI.II.9, XII.II.18 en XII.XI.17- regelen de wijze waarop de wedde van verzoeker vastgesteld wordt. Bij de vaststelling van de hoegrootheid van het bedrag van deze wedde, waarop verzoeker een subjectief recht heeft, beschikt het bestuur niet over een discretionaire bevoegdheid. IX-4911-4/6
  15. De gewone rechter is bevoegd om uitspraak te doen over de omvang van het subjectief recht op wedde dat verzoeker tegenover het bestuur heeft. De beslissingen waarbij het bedrag daarvan wordt vastgesteld zijn geen constitutieve beslissingen. Zij beletten de gewone rechter derhalve niet, in geval van betwisting, de bedragen zelf vast te stellen, los van de beslissingen die het bestuur ter zake genomen heeft.
  16. Verzoeker verzet zich tegen de herberekening van zijn wedde en de daarop steunende beslissing dat hij te grote bedragen ontvangen heeft, die hij moet terugbetalen. Het geschil heeft betrekking op de omvang van de rechten die verzoeker tegenover het bestuur heeft. De bevoegdheid van de gewone rechter ter zake sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit. De omstandigheid dat, zoals verzoeker in zijn eerste middel betoogt, de bestreden beslissing zou uitgaan van een onbevoegde overheid, doet aan die vaststelling niets af. Als gezegd kan de gewone rechter in het kader van een bij hem aanhangig gemaakt geding, los van de bestreden beslissing uitspraak doen over de rechten van verzoeker.
  17. De exceptie is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  19. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-4911-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 december 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-4911-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.937 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.