id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.943 Rolnummer: A. 130667/IX-3641 Zaak: Arrest 177943 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 04:40 Fiche Arrest nr 177.943 van 17 december 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.943 van 17 december 2007 in de zaak A. 130.667/IX-3641 In zake : Rita D’HOOGHE, die woonplaats kiest bij advocaat A. VAN ROOSBROECK, kantoor houdende te ANTWERPEN, Desguinlei 6 tegen : het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR), vertegenwoordigd door de afgevaardigd bestuurder. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rita D’HOOGHE op 17 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 30 september 2002 van de afgevaardigd bestuurder van SELOR om haar resultaat van de selectie voor verhoging in weddeschaal 20E, georganiseerd voor bestuursas- sistenten van de FOD Financiën, niet te valideren; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 31 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-3641-1/15 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. VAN ROOSBROECK, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur-generaal J. MOMMENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Verzoekster was beambte -niveau 3- bij de FOD Financiën. Zij slaagde in het examen voor overgang naar de graad van bestuursassistent -rang 20- dat afgesloten werd op 31 mei
- 1.
- Met een instructie van 28 september 2001 wordt aan het personeel van de FOD Financiën meegedeeld dat er een selectie wordt georganiseerd voor de bevordering van bestuursassistenten tot de weddeschaal 20E. Mogen deelnemen, de personeelsleden die op 1 november 2001 vast benoemd ambtenaar en titularis van een graad van rang 20 zijn. De instructie bepaalt ook dat personeelsleden van niveau 3 die laureaat zijn van een vergelijkend examen voor overgang naar de graad van bestuursassistent uitzonderlijk aan deze selectie mogen deelnemen. De deelnemingsvoorwaarden moeten vervuld zijn op 1 november
- 1.
- Op 24 maart 2002 neemt verzoekster deel aan de selectieproeven. Zij slaagt niet. 1.
- Met een instructie van 7 mei 2002 wordt aan het personeel van de FOD Financiën meegedeeld dat er een laatste selectie voor verhoging in de weddeschaal 20E georganiseerd wordt voor de bestuursassistenten. De uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen is vastgesteld op 1 juni
- Blijkens deze instructie, die “uitzonderlijk eveneens meegedeeld moet worden aan de personeelsleden van niveau 3 die uiterlijk op 1 juni 2002 zijn IX-3641-2/15 voorgesteld voor benoeming in de graad van bestuursassistent”, moeten de deelnemingsvoorwaarden vermeld in het bijgevoegd selectiereglement, vervuld zijn op 1 juni 2002, is de selectie “eveneens toegankelijk voor de ambtenaren die ingeschreven waren voor de sessie van 24 maart 2002" en wordt “de aandacht in het bijzonder gevestigd op de voetnoot op bladzijde 1 van het selectiereglement”. Het bijgevoegde selectiereglement is het reglement BNF02220 van SELOR, dat voor alle federale overheidsdiensten vastgesteld is en dat in de rubriek “deelnemingsvoorwaarden” vermeldt: “De sollicitanten moeten uitdrukkelijk ten laatste op 1 juni 2002 volgende deelnemingsvoorwaarden vervullen: 1.
- vast ambtenaar van rang 20 en titularis van de graad van bestuursassis- tent; 1.
- zich in een administratieve stand bevinden waarin men zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden.” In een voetnoot bij het voormeld punt 1.1 wordt vermeld: “- de bestuursassistenten waarvoor het benoemingsbesluit tot deze graad uiterlijk op 1 juni 2002 is getekend - de bestuursassistenten waarvoor de stage ten laatste op 31 mei 2002 eindigt en die voorgesteld zijn voor vaste benoeming.” 1.
- Verzoekster schrijft zich in voor deze selectie. Zij wordt door de FOD Financiën op 5 juli 2002 ingeschreven op de lijst der deelnemers, met de vermelding “niet benoemd maar voorgesteld” voor de benoeming in rang
- 1.
- Met een ministerieel besluit van 8 mei 2002 worden zes Franstalige laureaten van het bevorderingsexamen voor bestuursassistent dat werd afgesloten op 31 mei 2001 benoemd tot bestuursassistent, met ingang van 1 juni
- Met een ministerieel besluit van 8 juli 2002 worden ook zestien Nederlandstalige laureaten van dat examen met ingang van 1 juni 2001 tot bestuursassistent benoemd. 1.
- Verzoekster wordt pas tot bestuursassistent benoemd bij ministerieel besluit van 17 december
- Dat besluit werkt eveneens terug tot 1 juni
- IX-3641-3/15 1.
- De selectieproeven voor de bevordering tot de weddeschaal 20E vinden plaats bij SELOR op 14 september
- 1.
- Verzoekster neemt deel, maar de afgevaardigd bestuurder van SELOR beslist op 30 september 2002 haar resultaat niet te valideren, omdat zij op datum van 1 juni 2002 enkel voorgesteld was voor benoeming in de graad van bestuursassistent, maar nog niet daadwerkelijk benoemd en het selectiereglement enkel de bestuursassistenten toeliet waarvan het benoemingsbesluit “uiterlijk op 1 juni 2002 was getekend”, zodat zij ten onrechte aan de selectie deelgenomen heeft. Dit is de bestreden beslissing. Zij is met een brief van 31 oktober 2002 aan verzoekster meegedeeld. De grond van de zaak
- In het eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 2, § 2, van het besluit van 20 februari 2001 van de afgevaardigd bestuurder van SELOR tot vaststelling van het reglement van orde betreffende de vergelijkende selecties, de selecties en de taalexamens (hierna: het reglement van 20 februari 2001). Volgens haar heeft de afgevaardigd bestuurder zijn bevoegdheid overschre- den door de toelaatbaarheid van verzoekster nogmaals te onderzoeken nadat -zoals blijkt uit de haar bezorgde oproeping voor de selectieproef- haar ministerie van herkomst reeds vastgesteld had dat zij aan de voorwaarden voldeed.
- De verwerende partij antwoordt daarop dat SELOR garant moet staan voor de gelijke behandeling van de kandidaten die deelnemen aan eenzelfde selectie. De afgevaardigd bestuurder heeft, op basis van de dwingende bepalingen van het selectiereglement, het recht om kandidaten die de deelnemingsvoorwaarden niet vervullen uit te sluiten van deelname aan de selectie of hun resultaat niet te valideren.
- Verzoekster repliceert dat de verwerende partij geen reglement aanwijst dat de afgevaardigd bestuurder van SELOR toelaat om de beslissing van het bestuur van herkomst te beoordelen. In haar laatste memorie voegt zij daar nog aan toe dat het logisch is dat de dienst die over de nodige gegevens beschikt om de toelaatbaarheid na te gaan, daarover ook een beslissing neemt. IX-3641-4/15
- Artikel 42, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel luidt: “De afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid is belast met de selectie van het Rijkspersoneel onder de door Ons vastgestelde voorwaarden.” Artikel 70bis, eerste lid, van hetzelfde besluit, zoals het bestond ten tijde van het bestreden besluit, bepaalt: “De afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid organiseert de selecties voor verhoging in graad of voor verhoging in weddeschaal en de vergelijkende examens voor overgang naar het hoger niveau.” Artikel 2, § 2, van het reglement van 20 februari 2001 luidt: “De aanvraag om deelneming aan een selectie (voor verhoging in wedde- schaal) wordt gericht aan de personeelsdienst waarvan de kandidaat afhangt. Deze dienst bevestigt dat de kandidaat de deelnemingsvoorwaarden vervult (...). De lijst van de kandidaten die aan de gestelde eisen voldoen, wordt volgens de modaliteiten vastgesteld door de afgevaardigd bestuurder toegezonden aan de overheid die de selectie organiseert en ondertekend door het hoofd van het bestuur.”
- Overeenkomstig artikel 42, § 1, eerste lid en artikel 70bis, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 is de afgevaardigd bestuurder van SELOR de ultieme verantwoordelijke voor de selectie van het rijkspersoneel. Die bevoegdheid impliceert dat de afgevaardigd bestuurder ook de eindverantwoorde- lijkheid heeft op het vlak van de toelaatbaarheid van de kandidaten tot de proeven. Overigens bepaalt artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel dat de afgevaardigd bestuurder het reglement van de selecties vaststelt. En verzoekster betwist niet dat een selectiereglement onder meer betrekking heeft op de vaststelling van de deelnemingsvoorwaarden en van de datum waarop de voorwaarden vervuld moeten zijn. Te dezen stelt verzoekster dat blijkens het voornoemd artikel 2, § 2, eerste lid, van het reglement van 20 februari 2001 het bestuur van herkomst beslist over de toelaatbaarheid. Daargelaten de vraag of de afgevaardigd bestuurder de beslissing over de toelaatbaarheid tot een selectie, die een essentieel element uitmaakt van zijn toegewezen bevoegdheid, kan delegeren zonder daartoe IX-3641-5/15 uitdrukkelijk de machtiging te hebben gekregen -wat te dezen niet blijkt-, moet worden vastgesteld dat artikel 2, § 2, niet onverenigbaar is met de artikelen 42, § 1, eerste lid en 70bis, eerste lid, van het statuut van het rijkspersoneel. Immers, de personeelsdienst van het bestuur van herkomst -die over alle nuttige gegevens beschikt- “bevestigt” (Franse tekst: “atteste”) enkel dat de kandidaat de deelne- mingsvoorwaarden vervult maar neemt geen definitieve beslissing. Er is dan ook reden om artikel 2, § 2, eerste lid, van het reglement van 20 februari 2001 te lezen in het licht van de algemene bevoegdheid die de artikelen 42 en 70 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 aan de afgevaardigd bestuurder toekent. De vaststelling, door de personeelsdienst van het bestuur van herkomst dat een kandidaat de deelnemingsvereisten vervult, is dan ook niet meer dan een niet- bindend voorstel. Artikel 2, § 2, van het reglement van 20 februari 2001 laat niet toe te stellen dat het ministerie van Financiën een beslissing kon nemen over de toelaatbaarheid van verzoekster tot de selectie. Die bevoegdheid kwam enkel de afgevaardigd bestuurder van SELOR toe. Het middel is niet gegrond.
- In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van de formele motiveringsverplichting, ingesteld door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991). Zij is tot bestuursassistent benoemd met ingang van 1 juni 2001 en was dus op 1 juni 2002 “vast benoemd ambtenaar van rang 20 en titularis van de graad van bestuursassistent”. De bestreden beslissing steunt op de toelichting opgenomen in de voetnoot bij punt 1.1 van het selectiereglement, krachtens welk enkel “bestuurs- assistenten waarvoor het benoemingsbesluit op 1 juni 2002 getekend is” aan de selectie mogen deelnemen, maar de verwerende partij duidt niet aan op welk reglement die interpretatie van het begrip ‘vast ambtenaar’ steunt. In het bestreden besluit wordt ook niet aangeduid waarom geen rekening gehouden kan worden met de terugwerkende kracht van haar benoemingsbesluit, waardoor die retroactiviteit elke zin verliest. IX-3641-6/15
- De verwerende partij antwoordt dat de deelnemingsvoorwaarden vermeld in het selectiereglement, in overeenstemming zijn met de geldende reglementering en dat de afgevaardigd bestuurder autonoom de datum bepaalt waarop de deelnemingsvoorwaarden vervuld moeten zijn. In de mededeling van 31 oktober 2002 aan verzoekster is verwezen naar punt 1 van het selectiereglement en daarmee is voldaan aan de formele motiveringsverplichting van het bestuur.
- In haar memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster dat niet wordt uiteengezet waarom, voor de beoordeling van de deelnemingsvoorwaarde dat de kandidaat “vast ambtenaar” moet zijn, de datum van de ondertekening van het benoemingsbesluit in de plaats kan komen van de datum vermeld in het benoemings- besluit. In haar laatste memorie voegt zij daaraan toe dat het middel ook betrekking heeft op de schending van de materiële motiveringsverplichting, waar zij betoogt dat de verwerende partij geen reden had om te stellen dat zij op 1 juni 2002 niet vast benoemd was, nu zij op 12 december 2002 effectief tot bestuursassistent benoemd is met uitwerking op 1 juni
- Blijkens de uiteenzetting in het verzoekschrift is het middel duidelijk beperkt tot de schending van de wet van 29 juli
- In haar laatste memorie zet verzoekster wel uiteen waarom naar haar oordeel de vermelde motivering ook inhoudelijk niet deugt -schending van de retroactieve uitwerking van haar benoeming-, maar daarmee formuleert zij een nieuw middel of breidt zij minstens het middel op onontvankelijke wijze uit tot de schending van de materiële motiveringsverplichting.
- De bestreden beslissing valt onder toepassing van de wet van 29 juli
- De formele motiveringsverplichting houdt in dat het bestuur in de beslissing zelf aanduidt welke juridische en feitelijke gegevens eraan ten grondslag liggen. In de brief van 31 oktober 2002 wordt aan verzoekster meegedeeld dat haar administratie geen kopie van haar benoemingsbesluit heeft kunnen bezorgen, aangezien zij nog niet benoemd maar enkel voorgedragen was, terwijl punt 1.1 van het selectiereglement bepaalt dat enkel de bestuursassistenten wier benoemingsbesluit op 1 juni 2002 getekend was, mochten deelnemen. Die motivering geeft duidelijk de feitelijke en juridische redenen weer waarom verzoekster niet aan de selectie mocht deelnemen en verschaft haar de nodige informatie om uit te maken of het zinvol is tegen die beslissing op te komen. Zij IX-3641-7/15 impliceert ook dat het bestuur geen rekening gehouden heeft met de terugwerkende kracht waarmee zij uiteindelijk tot bestuursassistent benoemd werd, zodat daaraan geen formele uiteenzetting gewijd moest worden. Het middel is niet gegrond.
- In het derde middel voert verzoekster de schending aan van artikel 1 van het reglement van de afgevaardigd bestuurder van SELOR van 20 februari 2001, van de formele motiveringsplicht en van de zorgvuldigheidsplicht. Zij stelt dat volgens artikel 1 van het reglement van 20 februari 2001, het bestuur van herkomst van de kandidaat in een dienstnota de deelnemings- voorwaarden vaststelt en de datum bepaalt waarop deze vervuld moeten zijn. Aldus is SELOR de overheid die in opdracht van de diverse federale overheden selectie- proeven organiseert en valideert volgens de richtlijnen die het van de verzoekende administraties krijgt. Wanneer de verzoekende overheid voor een welbepaalde selectie voorziet in wijzigingen en uitzonderingen op algemene voorschriften, dan moet SELOR zich daaraan houden. Aldus heeft de FOD Financiën met zijn instructie van 7 mei 2002 het selectiereglement op twee punten gewijzigd, met name waar voorzien werd in de toelating tot de selectie van enerzijds de ambtenaren van niveau 3, die uiterlijk op 1 juni 2002 waren voorgesteld voor een benoeming in de graad van bestuursassistent, en anderzijds van de ambtenaren die ingeschreven waren voor de sessie van 24 maart
- Verzoekster was bij dienstorder van 4 april 2002 voor bevordering voorgesteld; zij had ook deelgenomen aan de selectie van 24 maart
- Het bestreden besluit houdt geen rekening met het feit dat zij op grond van die uitzonderingen wel degelijk kon deelnemen aan de selectie en het geeft ook niet uitdrukkelijk aan waarom het bestuur met die gegevens geen rekening gehouden heeft.
- De verwerende partij antwoordt dat artikel 1, § 2, van het besluit van 20 februari 2001 enkel bepaalt dat het betrokken bestuur de selecties met een dienstnota ter kennis van het personeel brengt, met mededeling van de deelnemings- voorwaarden en opgave van de datum waarop deze voorwaarden vervuld moeten zijn. In dit geval is dienovereenkomstig gehandeld: op 19 april 2002 heeft SELOR alle betrokken besturen in kennis gesteld van de organisatie van een selectie, met meedeling van de deelnemingsvoorwaarden en de datum waarop deze vervuld moesten zijn. In tegenstelling tot wat verzoekster stelt zijn de besturen niet bevoegd IX-3641-8/15 om zelf deelnemingsvoorwaarden vast te stellen of er een eigen interpretatie aan te geven.
- In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster nog dat de verwerende partij niet aantoont welk reglement SELOR toelaat autonoom deelnemingsvoorwaarden vast te stellen en op te leggen aan de besturen op wier verzoek selectieproeven worden ingericht. In haar laatste memorie benadrukt zij nog dat artikel 1 van het reglement van 20 februari 2001 niet uitsluit dat het bestuur van herkomst de deelnemingsvoorwaarden voor selectieproeven bepaalt en geen reglement wordt aangewezen waarin ondubbelzinnig vastgesteld is dat SELOR de deelnemingsvoorwaarden vaststelt.
- Artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel belast de afgevaardigd bestuurder van SELOR met het vaststellen van “het reglement en de procedure” voor de selecties van het rijkspersoneel. Artikel 5 van het hetzelfde besluit bepaalt dat hij “het reglement van orde betreffende de organisatie van de selecties” vaststelt. Het reglement van 20 februari 2001 voert artikel 5 uit. Artikel 1 van dat reglement van orde luidt: “§
- De mededeling waarmede de organisatie van een vergelijkende selectie wordt bekendgemaakt, vermeldt tenminste de uiterste datum van kandidaatstel- ling, het vereiste diploma of studiegetuigschrift en eventueel de samenstelling van een reserve van geslaagden, de duur en de omvang ervan. §
- De vergelijkende selecties voor overgang naar het hogere niveau en de selecties voor verhoging in weddeschaal of voor verhoging in graad worden door een dienstnota van het betrokken bestuur aan het personeel medegedeeld. De dienstnota vermeldt o.m. : - de taal van de selectie; - de deelnemingsvoorwaarden en de datum waarop deze moeten vervuld zijn; - de selectieprocedure; - en de uiterste inschrijvingsdatum.”
- Met artikel 1, § 2, van het reglement van 20 februari 2001 legt de afgevaardigd bestuurder van SELOR aan de besturen voor wie SELOR selectieproe- ven organiseert, verplichtingen op inzake de bekendmaking van selecties. Die bepaling machtigt het bestuur niet om zelf deelnemingsvoorwaarden vast te stellen of de vastgestelde deelnemingsvoorwaarden te wijzigen of aan te vullen. Die bevoegdheid berust krachtens artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 uitsluitend bij de afgevaardigd bestuurder van SELOR. IX-3641-9/15 Uit de gegevens van het dossier blijkt overigens dat de selectie waaraan verzoekster deelgenomen heeft, niet georganiseerd werd op vraag van en beperkt was tot de FOD Financiën, maar dat het een algemene selectie betrof geldend voor alle FOD’s. Ook om die reden kon de minister van Financiën geen afwijkende deelnemingsvoorwaarden voor zijn departement vaststellen. Verzoekster geeft aan artikel 1 van het reglement van 20 februari 2001 een draagwijdte die het niet heeft. Het middel is niet gegrond.
- In het vierde middel voert verzoekster de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het verbod op discriminatie, van het gewekt vertrouwen en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Wat de schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, wijst verzoekster erop dat de benoeming van de Franstalige laureaten van het bevorde- ringsexamen voor bestuursassistent waarin ook zij geslaagd is -het examen is afgesloten op 31 mei 2001- gebeurd is bij collectief besluit van 8 mei 2002, terwijl de Nederlandstalige laureaten van hetzelfde examen benoemd werden met een besluit van 8 juli 2002, wat betekent dat, per 1 juni 2002 -de datum waarop volgens het selectiereglement het benoemingsbesluit getekend moest zijn- alleen de Franstaligen formeel tot bestuursassistent benoemd waren en alleen zij aan de selectie mochten deelnemen. Een andere ongelijkheid bestaat erin dat, door het wijzigen van de deelnemingsvoorwaarden, dezelfde sollicitanten ongelijk behandeld worden. Met name heeft verzoekster deelgenomen aan de selectie van 24 maart 2002, waarvoor toen als deelnemingsvoorwaarde gold dat de kandidaten op 1 november 2001 laureaat moesten zijn van het bevorderingsexamen voor bestuursassistent, en nu wordt haar resultaat voor de selectie van 14 september 2002 niet gevalideerd omdat haar benoemingsbesluit op 1 juni 2002 nog niet getekend was. Daarmee hanteert de verwerende partij ten overstaan van dezelfde kandidaat verschillende criteria. Zij creëert ook op onwettige wijze ongelijkheden tussen sollicitanten, aangezien andere personeelsleden die geslaagd waren in de selectie van 24 maart 2002 wel degelijk de verhoging in weddeschaal verkregen hebben, ondanks het feit dat ook zij slechts met het ministerieel besluit van 8 mei 2002 tot bestuursas- sistent benoemd zijn. IX-3641-10/15 Volgens verzoekster heeft de verwerende partij op twee vlakken bij haar het vertrouwen gewekt dat zij voldeed aan de benoemingsvoorwaarden. Enerzijds is zij opgeroepen om aan de selectieproeven van 14 september 2002 deel te nemen. Anderzijds was zij bij de selectie van 24 maart 2002 als volwaardig kandidaat aanvaard. Ook is de verwerende partij op twee vlakken tekortgekomen aan de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht, enerzijds door bij de selectie van 24 maart 2002 geen rekening te houden met de datum van de benoeming en dat wel te doen voor de selectie van 14 september 2002 en anderzijds door haar op te roepen voor deelname aan de proeven van 14 september 2002 en haar vervolgens mee te delen dat zij niet aan de toelatingsvoorwaarden voldeed.
- De verwerende partij antwoordt daarop dat zij alle kandidaten die aan deze selectieproef deelgenomen hebben, op gelijke voet behandeld heeft en dat zij de betrokken besturen en de kandidaten terdege ingelicht heeft over de deelnemingsvoorwaarden die vervuld moesten worden en over de gevolgen van het niet voldoen aan deze deelnemingsvereisten.
- In haar laatste memorie stelt verzoekster nog dat zij als laureate van het examen van bestuursassistent daadwerkelijk voor benoeming op 1 juni 2001 voorgesteld was en dat haar situatie niet verschilt van deze van de stagiairs wier stage op 31 mei 2002 afliep. Zij voegt daar, met betrekking tot de schending van het gewekte vertrouwen en van de zorgvuldigheidsverplichting, aan toe dat uit de termen van de brief van 31 oktober 2002 waarmee het bestreden besluit haar ter kennis gebracht werd, opgemaakt kan worden dat het bestuur de toelatingsvoorwaar- den slechts gecontroleerd heeft nadat de proeven waren afgenomen. Door die controle niet vooraf te verrichten heeft de verwerende partij onbehoorlijk gehandeld. Bovendien heeft het bestuur haar vertrouwen beschaamd door in de instructie van 7 mei 2002 te vermelden dat ook de ambtenaren die voorgesteld waren voor benoeming konden deelnemen aan de selectieproeven, waardoor zij er eigenlijk niet meer over kon twijfelen dat zij voldeed aan de toelatingsvoorwaarden.
- Verzoekster acht de bestreden beslissing onwettig omdat er een discriminatie wordt ingevoerd tussen de Franstalige laureaten van het examen voor bestuursassistent, die op 8 mei 2002 formeel benoemd zijn, en de Nederlandstalige laureaten, die slechts op 8 juli 2002 benoemd zijn. IX-3641-11/15 Er mag evenwel in dit geval niet uit het oog verloren worden dat de feitelijke situatie van verzoekster verschilt van die Nederlandstalige laureaten, aangezien zij niet op 8 juli 2002 maar slechts op 17 december 2002 tot bestuursassis- tent benoemd is, terwijl de selectieproeven plaatsgevonden hebben op 14 september
- De situatie van verzoekster kan dan ook slechts op dezelfde wijze beoordeeld worden als deze van de andere Nederlandstalige laureaten, indien blijkt dat, in de vergelijking tussen de datum van benoeming van de Nederlandstalige en de Franstalige kandidaten, het verschil geen enkele rol speelt.
- De verwerende partij heeft besloten de selectie open te stellen voor bestuursassistenten die op 1 juni 2002 vast benoemd waren in die graad. Zij heeft die voorwaarde nader toegelicht in de voetnoot bij punt 1.1 van het selectiere- glement, waar gesteld wordt dat het benoemingsbesluit ondertekend moet zijn vóór 1 juni
- In het arrest nr. 177.941 inzake VAN NOOTEN van heden is aangenomen dat de toelichting, begrepen als een -op de rechtszekerheid en de controleerbaarheid afgestemde- verduidelijking van de benoemingsvoorwaarde inzake de vaste benoeming, niet belet dat laureaten van het examen, die na 1 juni 2002 formeel vast benoemd werden, toch tot de proeven toegelaten konden worden wanneer een benoemingsbesluit voorgelegd kon worden waaruit onbetwistbaar bleek dat zij op 1 juni 2002 vast benoemd bestuursassistent waren. Begrepen als een toevoeging aan de voorwaarde van de vaste benoeming en dus als een echte beperking van de toelatingsvoorwaarde -doordat enkel de bestuursassistenten mogen deelnemen die op 1 juni 2002 formeel in die graad benoemd zijn-, heeft de verwerende partij de Nederlandstalige kandidaten die op 8 juli 2002 benoemd zijn, ongelijk behandeld ten overstaan van de Franstaligen die op 8 mei 2002 benoemd werden. De verwerende partij toont niet aan dat de voorwaarde die deze discrimina- tie doet ontstaan, te weten het bestaan van een formeel benoemingsbesluit dat uiterlijk op 1 juni 2002 genomen is, deugdelijk verantwoord wordt door redenen die verband houden met het doel waarvoor de voorwaarde werd ingevoerd, te weten de toegang tot de selectieproeven te beperken tot de kandidaten die met zekerheid op 1 juni 2002 vast benoemd bestuursassistent waren.
- Deze redenering kan doorgetrokken worden naar het geval van verzoekster. Ook ten haren aanzien is uiteindelijk komen vast te staan dat zij op 1 juni 2002 bestuursassistente was en ook haar benoemingsbesluit was niet uiterlijk op 1 juni 2002 getroffen. IX-3641-12/15 Blijft evenwel de vraag of de situatie van verzoekster toch niet verschilt van deze van de andere Nederlandstalige laureaten, nu haar benoemingsbe- sluit slechts op 17 december 2002 ondertekend is terwijl de selectieproeven plaatsvonden op 14 september 2002, de examencommissie in haar proces-verbaal van 30 september 2002 vastgesteld heeft dat voor verzoekster, die 60 punten op 100 behaalde, “nog geen benoemingsbesluit (bestond)” maar dat zij enkel “voorgesteld (was) voor benoeming” en de afgevaardigd bestuurder van SELOR op 31 oktober 2002 aan verzoekster geschreven heeft dat de administratie haar geen benoemings- besluit heeft kunnen bezorgen.
- De vereiste van het bestaan van een formeel benoemingsbesluit wordt verantwoord door de rechtszekerheid en de mogelijkheid voor SELOR om, wanneer het een beslissing neemt over de deelneming van de kandidaten aan de selectie of, als te dezen, over de uiteindelijke validering van de uitslag van de kandidaten, zekerheid te hebben over deze vaste benoeming op 1 juni
- Aldus bezien, heeft de toepassing van deze voorwaarde geen aanleiding gegeven tot discriminatie van verzoekster, aangezien er noch bij het afsluiten van de examenver- richtingen, noch bij het treffen van het bestreden besluit zekerheid bestond over haar vaste benoeming op 1 juni
- Verzoekster kan zich niet beroepen op de schending van het gelijkheidsbeginsel ten overstaan van de Franstalige laureaten die benoemd zijn bij besluit van 8 mei
- De verwerende partij kon regelmatig besluiten dat verzoekster niet aan de toelatingsvoorwaarden voldeed.
- Verzoekster ziet een ongelijke behandeling in het feit dat voor de selectie van 24 maart 2002 minder strenge toelatingsvoorwaarden gehanteerd werden, aangezien het toen volstond dat de kandidaten op de datum van het afsluiten van de kandidaturen laureaat waren van een bevorderingsexamen tot bestuursassis- tent, terwijl er nu een formeel benoemingsbesluit wordt vereist. Daargelaten de vraag of de schending van het gelijkheidsbeginsel überhaupt ingeroepen kan worden tegen de deelnemingsvoorwaarden van een selectieproef omdat zij verschillen van de voorwaarden gesteld bij een eerder georganiseerde proef, dient te dezen opgemerkt dat verzoekster niet aantoont dat de deelnemingsvoorwaarden voor de selectie van 24 maart 2002, zoals zij door SELOR waren vastgesteld, dezelfde waren als deze voor de selectie van 14 september
- Zij bewijst enkel dat de instructie van haar departement van herkomst bepaalde dat ook de laureaten van het bevorderingsexamen voor bestuursassistent van de selectie in kennis gesteld moesten worden, maar dat betekent niet dat deze ambtenaren ook IX-3641-13/15 voldeden aan de deelnemingsvoorwaarden, vastgesteld door de afgevaardigd bestuurder van SELOR, die alleen bevoegd was om de deelnemingsvoorwaarden vast te stellen. Voorts kan de omstandigheid dat twee kandidaten geslaagd verklaard zijn in de selectieproef van 24 maart 2002 hoewel zij slechts op 8 juli 2002 tot bestuursassistent benoemd zijn, niet leiden tot de vaststelling dat verzoekster nu ongelijk behandeld is, aangezien in onwettig verkregen situaties geen grondslag gevonden kan worden om de schending van het gelijkheidsbeginsel aan te tonen.
- Volgens verzoekster is bij haar het vertrouwen gewekt dat zij aan de voorwaarden voor deelneming aan de selectie beantwoordde en is de verwerende partij onzorgvuldig geweest door die gegevens niet in haar besluitvorming te betrekken. Vooreerst bewijst verzoekster niet dat de toelatingsvoorwaarden voor de proeven van 24 maart 2002 en deze voor de proeven van 14 september 2002 identiek waren. Vervolgens is verzoekster er met de oproepingsbrief van 27 augustus 2002 uitdrukkelijk aan herinnerd dat haar “benoemingsbesluit tot de graad van bestuursas- sistent uiterlijk op 1 juni 2002 getekend (moet) zijn” en dat, in geval van slagen, een kopie van dat besluit opgevraagd zou worden om haar resultaat geldig te kunnen verklaren. De omstandigheid dat de omzendbrief van 7 mei 2002, die uitging van haar eigen administratie, een aantal nuanceringen bevatte die door de betrokkenen als een aanvulling van de door SELOR vastgestelde deelnemingsvoorwaarden geïnterpreteerd konden worden -de omzendbrief zou ook meegedeeld worden aan de laureaten van een bevorderingsexamen die voorgesteld waren voor benoeming en de ingeschrevenen van de sessie van 24 maart 2002 zouden toegelaten worden- zal ongetwijfeld bij verzoekster verwarring teweeg gebracht hebben, maar dat betekent dan weer niet dat SELOR, de enige terzake bevoegde overheid, bij het valideren van de uitslag verplicht was deze ten onrechte gewekte verwachting te honoreren.
- Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. IX-3641-14/15 Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 december 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3641-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.943 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div