← België

Arrest 177946 - Penitentiair recht - 17/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.946 Rolnummer: A. 186193/IX-5803 Zaak: Arrest 177946 - Penitentiair recht - 17/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-20 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:40 Fiche Arrest nr 177.946 van 17 december 2007 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.946 van 17 december 2007 in de zaak A. 186.193/IX-

  1. In zake : Frederick VANCOILLIE, die woonplaats kiest bij advocaat A. VERMOUT, kantoor houdende te ZEDELGEM, B.J. Lievensstraat 12 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Frederick VANCOILLIE op 7 december 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing van de Directeur van de Strafinrichting te Brugge - Mannenafdeling 2 van 3.12.2007 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd: één maand geen binnenhuisbe- zoek, aansluitend op vorige sanctie, dit vanaf 30.12.07 tot en met 29.01.08”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 10 december 2007 waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 10 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 december 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-5803-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. VERMOUT die verschijnt voor de verzoeker en van attaché P. VAN CAENEGHEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  2. De verzoeker verblijft sinds 6 juni 2005 in het Penitentiair Complex te Brugge. Op 29 oktober 2007 is aan de verzoeker een tuchtstraf van twee maanden geen binnenhuisbezoek opgelegd. Die straf loopt van 30 oktober tot 29 december
  3. Wegens goed gedrag verkreeg de verzoeker een uitzondering op die strafmaatregel, en mocht hij op 28 november 2007 binnenhuisbezoek van een familielid hebben. Tijdens het verzamelen voor het binnenhuisbezoek deed zich evenwel een incident voor met een medegevangene, die aanduwde tegen de verzoeker. Toen een toezichthoudend personeelslid de verzoeker vroeg om rustig te blijven, reageerde de verzoeker op een manier die door het betrokken personeels- lid als spottend werd ervaren. Over deze feiten wordt dezelfde dag een rapport aan de directeur opgesteld, luidend als volgt: “Tijdens het verzamelen van het binnenhuisbezoek bedreigde VANCOILLIE medegedetineerde 4652 D.W. herhaaldelijk: ‘Kom niet achter me staan of ...’ Vancoillie draaide constant rond deze, en daagde meer dan duidelijk bewust uit ... Op een vraag van mij om rustig te blijven, begint Vancoillie spottend van ‘je spreekt mijn naam niet goed uit’. IX-5803-2/7 Ik heb hem gewezen op zijn gedrag (andere gedetineerden aanwezig) en dat ik een rapport ging opstellen indien hij niet stopte. Persoon is voor geen rede vatbaar: ‘Schrijf wat je wilt’, enz.” Op 30 november 2007 beslist de directeur van de gevangenis een tuchtprocedure te starten. Een hoorzitting vindt plaats op 3 december
  4. De verzoeker verklaart er dat de feiten grotendeels kloppen, maar nuanceert ze. Hij legt uit dat hij jaren met incest geconfronteerd geweest is, en dat hij tegen de medege- vangene gereageerd heeft omdat deze “met zijn voorste tegen (zijn) achterste (aanzat)”. Hij zegt altijd “heen en weer (te lopen) in dat hok”. Hij verklaart ook dat hij de beambte gewoon gecorrigeerd heeft toen deze zijn naam verkeerd uitsprak. Ten slotte verklaart hij dat hij een slechte dag had. Dezelfde dag wordt de thans bestreden beslissing genomen. Die beslissing is gemotiveerd als volgt: “Gelet op het ongehoord gedrag van betrokkene in de wachtzaal van het binnenhuisbezoek; Gelet op de ongepaste houding van betrokkene ten aanzien van de beambte; Gezien betrokkene reeds voor gelijkaardige inbreuken tuchtsancties opliep; Gelet op het feit dat betrokkene niet leert uit eerder opgelopen sancties; Gelet op het feit dat dergelijk gedrag niet kan getolereerd worden en dit de goede orde en veiligheid van de inrichting in het gedrang brengt.” Aan de verzoeker wordt de volgende tuchtsanctie opgelegd: “1 maand geen binnenhuisbezoek, aansluitend op een vorige sanctie (30/12/2007 t.e.m. 29/01/2008)”. Onderzoek van de vordering
  5. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
  6. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van het evenredigheidsbeginsel. Hij voert in de eerste plaats aan dat hij ten zeerste betwist enige inbreuk te hebben begaan. Subsidiair voert hij aan dat de opgelegde IX-5803-3/7 tuchtsanctie niet in verhouding staat tot de vermeende inbreuk, die slechts een bagatel is. Volgens de verzoeker wordt de evenredigheid tussen de inbreuk en de straf ook opgelegd bij artikel 81 van het algemeen reglement van de strafinrichtingen. De ministeriële omzendbrief van 5 maart 1975 inzake het regime van de gedetineerden laat de ontzegging van bezoek bovendien enkel toe wanneer de inbreuk werd gepleegd tijdens het bezoek, hetgeen te dezen niet het geval was. Ten slotte is de bestreden beslissing strijdig met artikel 8 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens, dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven waarborgt. 3.
  7. In de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht staat het niet aan de Raad van State om zijn oordeel over de gepastheid van een bepaalde tuchtstraf in de plaats te stellen van het oordeel van de bevoegde tuchtoverheid. De Raad van State kan enkel nagaan of die overheid de grenzen van de wettigheid niet te buiten gegaan is. Te dezen dient aldus nagegaan te worden of de overheid geen sanctie heeft opgelegd die in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. Wat de vastgestelde inbreuk betreft, blijkt uit de bestreden beslissing dat de verzoeker is gestraft wegens ongepast gedrag in de wachtzaal en wegens een ongepaste houding ten aanzien van een beambte. De directeur heeft uit die feiten in redelijkheid kunnen oordelen dat de verzoeker de goede orde en de veiligheid in de inrichting in het gedrang heeft gebracht. Hij heeft bij het opleggen van de straf ook rekening gehouden met het feit dat de betrokkene reeds eerder voor gelijkaardige feiten tuchtstraffen heeft gekregen. Wat de ernst van de thans opgelegde sanctie betreft, gaat het om de ontzegging van binnenhuisbezoek, gedurende één maand. De verwerende partij wijst erop dat de verzoeker blijft beschikken over alle andere contactmogelijkheden, en dat hij nog steeds verblijft in het open gevangenisregime. In het licht van de voorgaande vaststellingen maakt de verzoeker voorshands niet aannemelijk dat de straf in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. De vaststelling dat de bestreden tuchtstraf te dezen beschouwd zou kunnen worden als een inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven, gewaarborgd bij artikel 8 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens, leidt niet tot een andere conclusie. IX-5803-4/7 In zoverre de verzoeker aanvoert dat hem, in strijd met een ministeriële omzendbrief van 5 maart 1975 (inmiddels vervangen door de ministeriële omzendbrief nr. 1715 van 5 juli 2000 met betrekking tot de bescherming van de affectieve relaties van de gedetineerden met hun omgeving), een beperking aan zijn bezoekrecht is opgelegd voor feiten die niet gepleegd werden tijdens een bezoek, volstaat het op te merken dat de verzoeker is gestraft voor feiten die zich voorgedaan hebben in de wachtzaal voor het binnenhuisbezoek, en dat er dus wel degelijk een verband is tussen de aard van de inbreuk en de opgelegde straf. Het middel is niet ernstig. 4.
  8. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij voert in de eerste plaats aan dat hij geen enkele inbreuk begaan heeft. Hij heeft geen bedreigingen geuit ten overstaan van een medegedetineerde, doch hem enkel gevraagd niet zo dicht achter hem te staan, ingegeven door de traumatische ervaringen uit zijn verleden. Dat de verzoeker een zenuwachtige en ongemakkelijke houding aannam, heeft te maken met het feit dat hij ADHD heeft. Het is ook niet juist dat hij geen lessen uit het verleden zou hebben getrokken, aangezien hij zich medisch laat behandelen en een cursus “leren omgaan met conflicten” volgt. Hij heeft de beambte ook niet bespot of uitgedaagd, maar hem enkel gecorrigeerd omdat hij de naam van de verzoeker verkeerd uitsprak. De verzoeker voert voorts aan dat hij geen gevaar was voor de orde en de veiligheid van de inrichting, terwijl het beroep op de tuchtprocedure volgens de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde beperkt moet blijven tot dergelijke situaties. Ten slotte voert de verzoeker aan dat de bestreden beslissing de subjectieve uiteenzetting van de beambte zonder meer voor waar aanneemt, zonder te antwoorden op de argumenten van de verzoeker. 4.
  9. De verzoeker roept ook een derde middel in, afgeleid uit de schending van de genoemde ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde. IX-5803-5/7 Met verwijzing naar wat reeds gesteld is in het tweede middel, voert de verzoeker aan dat het gedrag van de verzoeker nooit een gevaar was voor de orde en de veiligheid van de inrichting, terwijl het beroep op de tuchtprocedure volgens de genoemde omzendbrief beperkt moet blijven tot dergelijke situaties. 4.
  10. Het tweede en het derde middel kunnen samen behandeld worden. Met betrekking tot de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, moet opgemerkt worden dat het aan de betrokken overheid, te dezen de directeur van de gevangenis, staat om de feiten vast te stellen. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of die overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij naar recht en redelijkheid is kunnen uitgaan van de door haar vastgestelde feitelijke gegevens. Zowel uit de verdediging van de verzoeker tijdens de hoorzitting als uit zijn vordering tot schorsing blijkt dat hij de feiten als zodanig niet betwist, maar wel meent dat die feiten niet in de juiste context zijn geplaatst. Het komt evenwel aan de directeur toe, niet aan de Raad van State, om de feiten te beoordelen. In de huidige stand van de rechtspleging blijkt niet dat de directeur de feiten op een kennelijk onredelijke wijze zou hebben beoordeeld. De verklaringen die de verzoeker voor zijn gedrag aanvoert, nemen niet weg dat hij een gedrag aangenomen heeft dat, zowel wat betreft de houding ten opzichte van de medegedetineerde als wat betreft de reactie ten opzichte van de beambte, als ongepast beschouwd kon worden. De directeur kon bovendien in redelijkheid oordelen, zoals reeds is vastgesteld bij het onderzoek van het eerste middel, dat de verzoeker door zijn gedrag de goede orde en de veiligheid in de inrichting in het gedrang heeft gebracht. Uit de formele motiveringsplicht volgt ten slotte niet dat de directeur verplicht was om op de argumenten van de verzoeker te antwoorden. Te dezen is het voldoende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de directeur, anders dan de verzoeker, het gedrag van de verzoeker beoordeelt als een vorm van gedrag dat niet getolereerd kan worden en om die reden bestraft moet worden. Het tweede en het derde middel zijn niet ernstig. IX-5803-6/7
  11. Er is aldus niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling leidt ertoe dat de vordering verworpen moet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
  12. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  13. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 december 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5803-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.946 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.334 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.