id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.957 Rolnummer: A. 79774/IX-1335 Zaak: Arrest 177957 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 18/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-17 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 177.957 van 18 december 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.957 van 18 december 2007 in de zaak A. 79.774/IX-
- In zake : Johan DE CLERCQ, wonende te GENTBRUGGE, Brusselseweg 234 tegen : de VLAAMSE HUISVESTINGSMAATSCHAPPIJ, rechtsgeding hervat door : de VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR SOCIAAL WONEN, burgerlijke naamloze vennootschap van publiek recht, die woonplaats kiest bij advocaat J. VAN PETEGHEM, kantoor houdende te SINT-NIKLAAS, Parklaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan DE CLERCQ op 12 augustus 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 4 juni 1998 van de directieraad van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, waarbij zijn functionele loopbaan wordt vertraagd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 1 maart 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 december 2007; IX-1335-1/6 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VERSCHUUREN, die loco advocaat J. VAN PETEGHEM verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker ambtenaar met de graad van medewerker bij de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij. 1.
- Op 9 april 1998 wordt met de verzoeker een evaluatiegesprek over het jaar 1997 gevoerd, waarvan de resultaten in een evaluatieverslag worden vastgelegd, dat op 15 april 1998 ter kennisneming door de verzoeker wordt ondertekend. Op 4 juni 1998 beslist de directieraad om de functionele loopbaan van de verzoeker te vertragen. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt per schrijven van 12 juni 1998 door de administrateur-generaal aan de verzoeker ter kennis gebracht. Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit de laattijdigheid ervan. Zij laat gelden dat het schrijven van 12 juni 1998 van de administrateur-generaal waarbij de bestreden beslissing aan de verzoeker ter kennis werd gebracht, dezelfde dag per drager aan de verzoeker werd overgemaakt. De verwerende partij meent dat de beroepstermijn IX-1335-2/6 op dat ogenblik is ingegaan. Het beroep werd pas ingediend op 12 augustus 1998, dit is na het verstrijken van de termijn van zestig dagen. 2.
- De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat in de bestreden beslissing geen melding werd gemaakt van een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State zodat de beroepstermijn, ingevolge artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, niet is beginnen lopen. Voorts voert de verzoeker aan dat hij de bestreden beslissing niet op 12 juni, maar pas op 13 juni 1998 heeft ontvangen. 2.
- De verwerende partij toont niet aan dat de verzoeker het schrijven van 12 juni 1998 van de administrateur-generaal reeds dezelfde dag, en niet op 13 juni 1998 heeft ontvangen. Wat er ook van zij, de verzoeker laat terecht gelden dat in voormeld schrijven, in strijd met artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geen melding werd gemaakt van het bestaan van een annulatieberoep en de in acht te nemen termijnen. De brief van de administrateur- generaal heeft dan ook de beroepstermijn niet doen ingaan. De exceptie is niet gegrond. Over de gegrondheid van het beroep 3.
- De verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van artikel 25, 8/, van het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeen- schappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen (hierna : APKB), doordat hij zijn evaluatie niet heeft kunnen aanvechten bij een commissie die voor de ene helft samengesteld is uit leden aangewezen door de overheid en voor de andere helft uit leden aangewezen door de representatieve vakorganisaties van het personeel. 3.
- De verwerende partij antwoordt hierop dat niet het evaluatieverslag, maar wel de beslissing van de directieraad van 4 juni 1998 ter discussie staat. Bovendien heeft de verzoeker geen opmerkingen gemaakt bij het IX-1335-3/6 evaluatieverslag, zodat hij niet geschaad kan zijn door het feit dat hij tegen het evaluatieverslag geen beroep heeft kunnen aantekenen. 3.
- In haar laatste memorie dupliceert de verwerende partij haar stelling dat de verzoeker het recht had om opmerkingen over zijn evaluatie te maken zodat ze bij het dossier gevoegd konden worden, maar dat hij uitdrukkelijk heeft verklaard geen opmerkingen te hebben en bovendien in zijn memorie van wederantwoord zelfs de zwakke punten op basis waarvan de directieraad de bestreden beslissing heeft genomen, heeft erkend. De verwerende partij leidt hieruit af dat de verzoeker door de afwezigheid van een beroepsmogelijkheid niet in zijn belangen is geschaad, daar hij niet kan aanvechten wat hij expliciet en ondubbelzinnig als juist erkent. De verwerende partij wijst er ook op dat de stelling van de auditeur-verslaggever dat de verzoeker de beslissing van de directieraad samen met zijn evaluatie moet kunnen aanvechten voor een paritaire commissie, zou betekenen dat de directieraad niet de bevoegdheid zou hebben de wettelijk voorziene sancties te nemen op basis van een eindevaluatie. De verwerende partij voert ook aan dat de beslissing van de directieraad slechts een marginale toetsing toelaat en dat niet ernstig kan worden voorgehouden dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is. Ten slotte laat de verwerende partij ook gelden dat de sanctie voor de verzoeker geen concreet financieel gevolg heeft, daar hij reeds de hoogste salarisschaal van zijn functionele loopbaan had bereikt; de sanctie heeft dus een louter morele draagwijdte, die niet in wanverhouding staat tot de feiten waarop zij is gebaseerd. 3.4.
- Artikel 25, eerste lid, 8/, van het APKB, in de versie ten tijde van de bestreden beslissing, verleent aan de ambtenaar die niet kan instemmen met de hem medegedeelde evaluatie een recht om beroep in te stellen bij een paritair samengestelde commissie. Het te dezen toepasselijke besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende organisatie van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: personeelsstatuut VHM) voorziet daarentegen, behalve voor het geval de evaluatie met de vermelding “onvoldoende” wordt besloten (artikel VIII 27, § 1, vierde lid), niet in een dergelijke beroepsmogelijkheid. IX-1335-4/6 Uit artikel VIII 72, § 2, van het personeelsstatuut VHM blijkt dat de beslissing over de loopbaansnelheid genomen wordt op basis van de functioneringsevaluatie. Overeenkomstig het voormelde artikel 25, eerste lid, 8/, van het APKB had de verzoeker, vooraleer hem op basis van zijn evaluatie definitief een loopbaanvertraging werd opgelegd, die evaluatie moeten kunnen aanvechten voor een paritair samengestelde commissie als bedoeld in de genoemde bepaling. 3.4.
- Het is ter zake zonder belang dat de verzoeker bij het beschrijvend evaluatieverslag geen opmerkingen heeft gemaakt. Evenmin is het relevant dat de loopbaanvertraging mogelijks geen financiële implicaties voor de verzoeker heeft, daar deze een moreel belang heeft om een loopbaanvertraging aan te vechten. 3.4.
- Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 4 juni 1998 van de directieraad van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, waarbij de functionele loopbaan van Johan DE CLERCQ wordt vertraagd. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-1335-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 december 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1335-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.957 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.