← België

Arrest 177959 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 18/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.959 Rolnummer: A. 79698/IX-1330 Zaak: Arrest 177959 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 18/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-24 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 177.959 van 18 december 2007 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.959 van 18 december 2007 in de zaak A. 79.698/IX-

  1. In zake : Luc CATTEEUW, wonende te HASSELT, Paul Bellefroidlaan 29 bus 19 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc CATTEEUW op 5 augustus 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 29 januari 1998 waarbij hij wordt uitgesloten van het genot van de productiviteitspremies voor het tweede en derde kwartaal van 1997 en van het ministerieel besluit van 22 juni 1998 waarbij hij wordt uitgesloten van het genot van de productiviteitspremies voor het vierde kwartaal van 1997; Gelet op het arrest nr. 79.958 van 28 april 1999 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 1 maart 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-1330-1/15 Gelet op de beschikking van 20 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 december 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  3. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker bekleed met de graad van ingenieur bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Leefmilieu en Infrastructuur, administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen, afdeling Limburg. 1.
  4. Op grond van een overgangsbepaling vervat in artikel XIII 146 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: Vlaams personeelsstatuut), blijft de verzoeker verder de premie genieten bedoeld in het koninklijk besluit van 14 januari 1969 betreffende productiviteitspremies ten gunste van de burgerlijke ingenieurs van het Ministerie van Openbare Werken. Luidens artikel 31, b), van dat koninklijk besluit van 14 januari 1969 worden van het genot van de productiviteitspremies uitgesloten: “de ambtenaren van wie het rendement onvoldoende wordt geacht. Het onvoldoende rendement wordt geconstateerd door de Minister, op advies van de in artikel 33 bedoelde commissie”. IX-1330-2/15 1.
  5. Op 3 juni 1997 beslist de directieraad van het departement Leefmilieu en Infrastructuur om, op basis van de evaluatie van de verzoeker over het jaar 1996, diens functionele loopbaan te vertragen. 1.
  6. Bij brief van 25 juni 1997 deelt de Secretaris-generaal van het departement Leefmilieu en Infrastructuur aan de verzoeker mede dat de commissie bedoeld in artikel 33 van het koninklijk besluit van 14 januari 1969 (hierna : de Commissie der XII) beslist heeft “de toekenning van de productiviteitspremies te koppelen aan het evaluatiegebeuren en de prestaties van de burgerlijke ingenieurs die voor de tweede maal een vertraging in hun functionele loopbaan kregen van nabij te onderzoeken”. De secretaris-generaal stelt voorts : “Indien er geen verbetering vastgesteld wordt in uw rendement, vestig ik uw aandacht op het feit dat u kan uitgesloten worden van het genot van de productiviteitspremies.” Op 19 november 1997 adviseert de Commissie der XII om aan de verzoeker voor het tweede en het derde kwartaal van 1997 geen productiviteitspremies toe te kennen. De notulen van de vergadering van de commissie vermelden desbetreffend: “De heer G. B. merkt op dat na overleg met de heer G. K., afdelingshoofd van L. CATTEEUW, ingenieur bij de afdeling Rohm Limburg, en verwijzend naar de trimestriële verslagen wordt vastgesteld dat de minder goede evaluatie van betrokkene, zoals deze is weergegeven in het evaluatieverslag van het jaar 1996 ook in 1997 bevestigd wordt. De inhoud van zijn activiteitenverslagen is zeer oppervlakkig. De dossiers die worden onderzocht door de heer CATTEEUW vereisen, gelet op de technische en wettelijke aspecten die eigen zijn aan infrastructuurwerken, een omvangrijker en grondiger onderzoek dan een doorsnee bouwdossier. Daarenboven heeft het respecteren van de voorziene afhandelingstermijn bij de besluitvorming voor de uitvoerende overheden in de meeste gevallen belangrijke financiële gevolgen zodat een permanente opvolging van deze dossiers onontbeerlijk is. De heer CATTEEUW vervulde deze opdracht echter niet naar behoren in het tweede en derde kwartaal
  7. Er werden terzake meerdere opmerkingen geformuleerd door de gemachtigde ambtenaar. De Commissie is dan ook van oordeel dat de heer L. CATTEEUW geen recht heeft op de productiviteitspremies voor het tweede en derde kwartaal
  8. Deze beslissing van de Commissie der XII dient aanzien te worden als een belangrijk signaal aan L. CATTEEUW om onverwijld en in overleg met zijn hiërarchische oversten resultaatgerichter en kwaliteitsvoller te presteren.” Bij ministerieel besluit van 29 januari 1998 wordt de verzoeker, overeenkomstig het voormeld advies van 19 november 1997, van het genot van de productiviteitspremies voor het tweede en het derde kwartaal van 1997 uitgesloten. IX-1330-3/15 Dit is het eerste bestreden besluit. 1.
  9. Op 18 februari 1998 adviseert de Commissie der XII om aan de verzoeker voor het vierde kwartaal van 1997 geen productiviteitspremies toe te kennen. De notulen van de vergadering van de commissie vermelden desbetreffend: “De heer G. B. deelt mee dat het driemaandelijkse verslag van L. CATTEEUW nog steeds zeer oppervlakkig is. Wat de prestaties van betrokkene betreft kan na overleg met het afdelingshoofd G. K. het volgende worden geconcludeerd: in vergelijking met het vorige evaluatiejaar

(1996)werden in het resultaatgebied rond het onderzoeken, vaststellingen ter plaatse doen, adviseren en opvolgen van dossiers en procedures inzake vergunningen (dat voor de geëvalueerde als zijn belangrijkste taak moet aanzien worden) in 1997 geen noemenswaardige verbeteringen waargenomen. Het onderzoeken maar vooral het adviseren en opvolgen van dossiers gaven nog steeds aanleiding tot inhoudelijke bemerkingen van de gemachtigde ambtenaar (onvoldoende gemotiveerde adviezen - onvoldoende opvolging van de dossiers naar afhandeling). De Commissie is dan ook van oordeel dat de heer L. CATTEEUW geen recht heeft op de productiviteitspremies voor het vierde kwartaal 1997.” Bij ministerieel besluit van 22 juni 1998 wordt de verzoeker, overeenkomstig het voormeld advies van 18 februari 1998, van het genot van de productiviteitspremies voor het vierde kwartaal van 1997 uitgesloten. Dit is het tweede bestreden besluit. 1.
  1. Op 11 mei 1998 adviseert de Commissie der XII om aan de verzoeker voor het eerste kwartaal van 1998 geen productiviteitspremies toe te kennen. De notulen van de vergadering van de commissie vermelden desbetreffend: “Daar de heer G. D.W. de vergadering niet kon bijwonen heeft de Voorzitter contact opgenomen met de heer G. K., afdelingshoofd van de heer CATTEEUW, ingenieur bij de afdeling Rohm Limburg. De heer K. laat weten dat naar aanleiding van het evaluatiegesprek met ir. Luc Catteeuw, d.d. 30/01/1998, de afspraak met betrokkene werd gemaakt dat in het kader van de werkherschikking binnen de sector ruimtelijke ordening de gemeentelijk gebonden dossiers in de toekomst zouden behandeld worden door de regioverantwoordelijken. Zodoende zou hij voor een deel van de dossiers technische werken die in het verleden door betrokkene werden behandeld worden ontlast. Ook de informaticatoepassing werd uitgebreid naar zijn werkomgeving zodat de dossieropvolging beter zou kunnen functioneren. Dit laatste veronderstelde wel dat hij de nodige opleidingen terzake zou volgen. Na het evaluatiegesprek is Luc Catteeuw langdurig ziek geworden. Inderdaad werden maandelijks verlengingen doorgebeld en gezonden zodat hij op dit ogenblik afwezig wordt gemeld tot 31 augustus a.s. indien niet opnieuw wordt verlengd. In gegeven IX-1330-4/15 omstandigheden is het mij ook onmogelijk om na te gaan of er enige verbetering wordt vastgesteld bij de uitoefening van zijn job aangezien hij niet aanwezig is. De Voorzitter stelt voor om betrokkene geen productiviteitspremies toe te kennen voor het eerste kwartaal
  2. De Commissie gaat eenparig akkoord met dit voorstel.” Bij ministerieel besluit van 7 oktober 1998 wordt de verzoeker, overeenkomstig het voormeld advies van 11 mei 1998, van het genot van de productiviteitspremies voor het eerste kwartaal van 1998 uitgesloten. Met een ter post aangetekende brief van 27 oktober 1998 vraagt de verzoeker aan de Raad van State dat het voorwerp van zijn beroep tot dit besluit zou worden uitgebreid. 1.
  3. Ondertussen heeft de directieraad van het departement Leefmilieu en Infrastructuur op 9 juni 1998 beslist om, op basis van de evaluatie van de verzoeker over het jaar 1997, diens functionele loopbaan te vertragen. De verzoeker heeft tegen deze beslissing een beroep bij de Raad van State ingediend, ingeschreven onder nummer A. 79.697/IX-
  4. Bij arrest nr. 177.955 van heden wordt de bestreden beslissing vernietigd. Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
  5. De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre dit gericht is tegen het ministerieel besluit van 29 januari
  6. Zij stelt dat het verzoekschrift tegen voormeld besluit manifest laattijdig is ingediend. Volgens de verwerende partij is het bestreden besluit onverwijld ter kennis van de verzoeker gebracht. Daar de verzoeker niet betwist de gedane kennisgeving te hebben ontvangen en gelet op het feit dat de productiviteitspremies ten laatste zes maanden na het betreffende kwartaal worden uitbetaald, meent de verwerende partij dat de verzoeker niet ernstig kan betwisten dat hij sedert december 1997-januari 1998 en maart-april 1998 kennis had van het feit dat hij van het genot van de productiviteitspremies voor het tweede en het derde kwartaal van 1997 werd uitgesloten. 2.
  7. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat het feit dat de premies niet werden uitbetaald niet volstaat om te besluiten dat hij IX-1330-5/15 ervan werd uitgesloten, aangezien de niet-betaling ook andere oorzaken kan hebben. De verzoeker meent dan ook dat hij alleen zekerheid kan hebben van het feit dat hij van de productiviteitspremies uitgesloten wordt, vanaf het moment dat hij daarvan in kennis wordt gesteld. 2.
  8. Overeenkomstig artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, worden de beroepen bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ingediend binnen de zestig dagen nadat de bestreden beslissing werd bekendgemaakt of betekend en indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dient te worden, binnen de zestig dagen nadat de verzoeker er kennis van heeft gehad. Beslissingen die de individuele rechtstoestand van een persoon wijzigen dienen individueel aan de betrokkene ter kennis worden gebracht, zelfs bij ontstentenis van een wettelijke of reglementaire bepaling die dergelijke kennisgeving voorschrijft. Te dezen toont de verwerende partij niet aan dat het ministerieel besluit van 29 januari 1998 meer dan zestig dagen vóór het indienen van het vernietigingsberoep aan de verzoeker ter kennis is gebracht. De exceptie is niet gegrond. 3.
  9. De verwerende partij werpt met betrekking tot verzoekers vraag tot uitbreiding van het voorwerp van het beroep een tweede exceptie van onontvankelijkheid op. Zij voert aan, onder verwijzing naar artikel 2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat voor elke nieuwe beslissing een afzonderlijk verzoekschrift, met daarin een uiteenzetting van feiten en middelen, vereist is. Een loutere verwijzing naar het verzoekschrift tot vernietiging van het ministerieel besluit van 22 juni 1998 waarbij de verzoeker wordt uitgesloten van het genot van de productiviteitspremies voor het vierde kwartaal 1997 kan niet volstaan, aldus de verwerende partij, aangezien het ministerieel besluit van 7 oktober 1998 een nieuwe motivering bevat die verschilt van het vorige. 3.
  10. De verzoeker repliceert dat hij in zijn annulatieberoep aanvoert dat de uitsluiting van het genot van de productiviteitspremies dient los te staan van de evaluatieprocedure en niet louter gebaseerd kan zijn op de evaluatie. Met zijn brief van 27 oktober 1998 vraagt hij het annulatieberoep tegen het ministerieel IX-1330-6/15 besluit van 22 juni 1998 uit te breiden tot het ministerieel besluit van 7 oktober 1998, omdat de beslissing om hem van het genot van de productiviteitspremies uit te sluiten opnieuw alleen steunt op zijn evaluatie. Hij voegt eraan toe dat indien een verzoeker aan zijn vorderingen tot vernietiging dezelfde grondslag geeft, die eenheid van grondslag de verschillende vorderingen, ook al betreffen zij verschillende akten, in werkelijkheid doet voorkomen als één enkele vordering. De regel “één vordering per proces”, welke een goede rechtsbedeling moet waarborgen, wordt niet overtreden indien de verzoeker in die omstandigheden de vernietiging van al de betrokken akten in één verzoekschrift vraagt. De verschillende ministeriële besluiten vertonen volgens de verzoeker een onmiskenbare samenhang zodat de uitbreiding van het voorwerp van zijn oorspronkelijk verzoekschrift moet worden toegestaan. 3.
  11. In haar laatste memorie wijst de verwerende partij erop dat het ministerieel besluit van 7 oktober 1998 het voorwerp heeft uitgemaakt van een afzonderlijke procedure met een afzonderlijk advies van de Commissie der XII. Het feit dat de verzoeker langdurig afwezig was na zijn evaluatiegesprek diende, aldus de verwerende partij, op zich niet te betekenen dat voor het eerste kwartaal van 1998 een zelfde beslissing werd geadviseerd en genomen als voor het vierde kwartaal van
  12. De verwerende partij besluit dat het ministerieel besluit van 7 oktober 1998 zowel procedureel als inhoudelijk losstaat van dat van 22 juni 1998 en dat het feit dat er qua motivering een onrechtstreeks verband bestaat, niet betekent dat het latere ministerieel besluit afgeleid is het van het vroegere in de zin dat de uitkomst van het ene noodzakelijk door het andere werd beïnvloed, wat volgens de verwerende partij een vereiste is opdat de uitbreiding van het voorwerp toelaatbaar zou zijn. 3.
  13. Overeenkomstig artikel 2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State bevat het inleidend verzoekschrift onder meer het voorwerp van het vernietigingsberoep. In beginsel kan het voorwerp dan ook niet worden uitgebreid. Wel wordt aanvaard dat het voorwerp van het beroep in de loop van de procedure uitgebreid kan worden tot nagekomen beslissingen die een directe en nauwe band vertonen met de oorspronkelijk bestreden beslissing. De besluiten van 29 januari 1998 en 22 juni 1998, die het voorwerp uitmaken van het oorspronkelijke beroep, hebben betrekking op de uitsluiting van de verzoeker uit het genot van de productiviteitspremies gedurende welbepaalde kwartalen. De motivering van elk van die besluiten is verschillend. Het IX-1330-7/15 besluit van 7 oktober 1998, waarvan de verzoeker met een schrijven van 27 oktober 1998 de vernietiging vraagt, is genomen op grond van een nieuw advies van de Commissie der XII, en heeft betrekking op een ander kwartaal dan de hiervóór bedoelde kwartalen. De motivering is bovendien anders dan die van de eerste twee besluiten, al was het maar omdat de prestaties van de verzoeker in een andere periode in aanmerking worden genomen. Het derde besluit kan niet beschouwd worden als het noodzakelijke gevolg van de eerste twee besluiten, en de eventuele nietigverklaring van de eerste twee besluiten brengt ook niet mee dat het derde besluit noodzakelijk hetzelfde lot moet ondergaan. De band tussen de eerste twee besluiten, enerzijds, en het derde besluit, anderzijds, is aldus niet van die aard dat de verzoeker het derde besluit door middel van een uitbreiding van het beroep tegen de eerste twee besluiten kan aanvechten. De exceptie is gegrond. De middelen zullen hierna slechts onderzocht worden in zoverre ze op de besluiten van 29 januari 1998 en 22 juni 1998 betrekking hebben. Over de gegrondheid van het beroep 4.
  14. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 31 van het koninklijk besluit van 14 januari 1969 betreffende de productiviteitspremies ten gunste van de burgerlijke ingenieurs bij het Ministerie van Openbare Werken. Hij voert aan dat, gelet op het bestaan en de bewoordingen van artikel 31, b), van voormeld besluit, de uitsluiting van het genot van de productiviteitspremies wegens onvoldoende rendement niet gebonden kan zijn aan de toegekende beoordeling of evaluatie. Mocht dat wel het geval zijn, dan zou voormeld artikel geen bestaansreden hebben. Dat een toegekende beoordeling niet automatisch de intrekking van de productiviteitspremies tot gevolg heeft, blijkt ook uit de aanhef van het koninklijk besluit van 14 januari 1969 waarin overwogen wordt: “Gelet op de ondervonden moeilijkheden bij de werving en de indiensthouding van de burgerlijke ingenieurs die onmisbaar zijn voor de investeringen in openbare werken”. Volgens de verzoeker kan er wel een verband bestaan tussen de evaluatie en de uitsluiting van het genot van de productiviteitspremies, maar dan moet worden aangetoond dat de feiten die aanleiding gaven tot de ongunstige evaluatie een invloed hebben gehad op de IX-1330-8/15 “investeringen in openbare werken”. Hij besluit dan ook dat de beslissing van de Commissie der XII om de toekenning van de productiviteitspremies te koppelen aan het evaluatiegebeuren, dewelke toegepast werd bij het advies over de verzoeker, strijdig is met artikel 31 van het koninklijk besluit van 14 januari
  15. 4.
  16. De verwerende partij antwoordt hierop, samengevat, dat overeenkomstig artikel 31 van het koninklijk besluit van 14 januari 1969, ambtenaren van wie het rendement onvoldoende wordt geacht, uitgesloten worden van het genot van productiviteitspremies. Zij stelt dat het rendement kan worden afgeleid uit de evaluaties, wat door de verzoeker overigens niet ontkend wordt. Volgens de verwerende partij vereist artikel 31 niet dat de feiten een invloed hebben gehad op de uitvoering van investeringen in openbare werken. 4.
  17. In zijn memorie van wederantwoord herhaalt de verzoeker zijn stelling dat het uitsluiten van de productiviteitspremies niet rechtstreeks en automatisch het resultaat kan zijn van de evaluatie. Hij wijst erop dat indien dit wel het geval was, het volstrekt overbodig was een bijzondere procedure in te stellen en een commissie op te richten die een advies dient te geven zoals bepaald in artikel 33 van het koninklijk besluit van 14 januari
  18. Uit de samenlezing van voormeld artikel met artikel 26, § 1, derde lid, leidt de verzoeker af dat het onvoldoende rendement, bedoeld in artikel 31, b), voornamelijk betrekking heeft op de uitvoering van de investeringen in openbare werken. 4.
  19. In zijn laatste memorie betwist de verzoeker de zienswijze van de auditeur-verslaggever, die in zijn verslag van oordeel is dat uit het dossier niet blijkt dat bij de beoordeling van het rendement van de verzoeker ervan uitgegaan is dat een bepaalde evaluatie automatisch leidt tot de uitsluiting van het genot van de productiviteitspremies. Volgens de verzoeker wordt in de bestreden beslissingen weliswaar niet formeel gezegd dat een bepaalde evaluatie automatisch tot de uitsluiting van het genot van de productiviteitspremies leidt, maar is het duidelijk dat zulks wel de bedoeling is. Dit blijkt ook uit het verslag van de Commissie der XII over zijn prestaties, dat zich beperkt tot het letterlijk parafraseren van de teksten van het beschrijven evaluatieverslag. In het ministerieel besluit van 29 januari 1998 wordt voorts onder meer vastgesteld “dat de minder goede evaluatie van betrokkene, zoals deze is weergegeven in het evaluatieverslag van het jaar 1996 ook in 1997 bevestigd wordt”. Dat betekent volgens de verzoeker duidelijk dat er een vrijwel volledig automatisme is tussen de evaluatie en het toekennen van de premies. IX-1330-9/15 Voorts stelt de verzoeker dat niet ontkend kan worden dat de redenen voor het niet toekennen van de productiviteitspremies te vinden zijn in de beschrijvende evaluatie. Hij verwijst vervolgens naar zijn vernietigingsberoep in de zaak A. 79.697/IX-
  20. In die zaak heeft de auditeur-verslaggever geadviseerd om de beslissing tot loopbaanvertraging in hoofde van de verzoeker te vernietigen, omdat de verzoeker, vooraleer hem op basis van zijn evaluatie definitief een loopbaanvertraging werd opgelegd, die evaluatie niet kon aanvechten voor een raad van beroep. De verzoeker meent dat wanneer zijn annulatieberoep tegen de loopbaanvertraging gegrond wordt geacht, ook zijn evaluatie vernietigd wordt, aangezien de loopbaanvertraging daarop is gebaseerd. De vernietiging van de evaluatie impliceert op haar beurt de vernietiging van de elementen waarop de evaluatie gesteund is, namelijk de inhoud van het beschrijvend evaluatieverslag, welke de verzoeker niet kon aanvechten voor de raad van beroep. In die omstandigheden ziet de verzoeker niet in hoe het niet-toekennen van de productiviteitspremies gegrond kan zijn, nu het niet-toekennen gebaseerd is op een evaluatie die de verzoeker niet heeft kunnen aanvechten voor de raad van beroep. 4.
  21. De verwerende partij merkt in haar laatste memorie aanvullend op dat er van een automatisme tussen een beslissing tot vertraging van de functionele loopbaan en de uitsluiting van een productiviteitspremie geen sprake is. Wel is er des te meer sprake van een afweging tussen de inhoud van de activiteitenverslagen en van de beschrijvende evaluaties. De omstandigheid dat Raad van State het annulatiemiddel van de verzoeker tegen de vertraging van zijn functionele loopbaan gegrond zou verklaren, heeft enkel tot gevolg dat de vertraging zou worden vernietigd. Het evaluatieverslag en de daarin voorkomende bevindingen blijven echter wel bestaan. Daar noch de Commissie der XII, noch de bevoegde Vlaamse minister hebben gesteund op de vertraging van verzoekers functionele loopbaan, is de mogelijke vernietiging ervan te dezen zonder belang. 4.6.
  22. Artikel 31, b), van het koninklijk besluit van 14 januari 1969 betreffende de productiviteitspremies ten gunste van de burgerlijke ingenieurs bij het Ministerie van Openbare Werken bepaalt dat “van het genot van de productiviteitspremies worden uitgesloten: de ambtenaren van wie het rendement onvoldoende wordt geacht. Het onvoldoende rendement wordt geconstateerd door de Minister, op advies van de in artikel 33 bedoelde commissie”. De stelling van de verzoeker dat een ongunstige evaluatie slechts kan leiden tot het ontnemen van de productiviteitspremies wegens onvoldoende IX-1330-10/15 rendement indien de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de evaluatie een invloed op de “investeringen in openbare werken” hebben gehad, kan niet worden bijgevallen. Weliswaar kan uit de aanhef van het koninklijk besluit van 14 januari 1969 worden afgeleid dat de productiviteitspremies bestemd zijn voor de burgerlijke ingenieurs die belast zijn met “de uitvoering van de investeringen in openbare werken”, en bepaalt artikel 26, § 1, dat het driemaandelijks verslag dat de burgerlijke ingenieurs moeten indienen onder meer “de stand van het investeringsprogramma voor het voorbije kwartaal” moet aangeven. Uit die teksten volgt echter niet dat het rendement van de burgerlijk ingenieur moet worden afgemeten aan de investeringen in openbare werken. Mocht een dergelijke interpretatie worden aangenomen, zou het overigens zeer de vraag zijn of de verzoeker, als ambtenaar bij de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen, wel voor de productiviteitspremies in aanmerking zou komen: uit geen enkel feitelijk gegeven blijkt immers dat de verzoeker met de uitvoering van investeringen in openbare werken belast is. Er moet integendeel worden aangenomen dat het koninklijk besluit van 14 januari 1969 ook van toepassing is op burgerlijk ingenieurs die, zoals de verzoeker, niet belast zijn met de uitvoering van investeringen in openbare werken. Die interpretatie brengt dan wel mee dat het begrip “rendement” een ruime inhoud heeft, in de zin van de resultaten die de betrokkene bij de uitoefening van zijn opdracht heeft behaald, ongeacht of die enige invloed hebben op de uitvoering van de investeringen in openbare werken. Die resultaten kunnen onder meer beoordeeld worden aan de hand van een beschrijvend evaluatieverslag dat over de betrokkene is opgesteld. 4.6.
  23. In tegenstelling tot wat de verzoeker aanvoert, blijkt uit het dossier niet dat bij de beoordeling van zijn rendement werd aangenomen dat een bepaalde evaluatie automatisch tot de uitsluiting van het genot van de productiviteitspremies leidt. In de bij brief van 25 juni 1997 aan de verzoeker medegedeelde beslissing van de Commissie der XII wordt slechts gesteld dat de commissie beslist heeft de toekenning van de productiviteitspremies te koppelen aan het evaluatiegebeuren en de prestaties van de burgerlijke ingenieurs die voor een tweede maal een vertraging in hun functionele loopbaan kregen van nabij te onderzoeken. Uit die beslissing blijkt niet dat de betrokkenen na een ongunstige evaluatie automatisch worden uitgesloten. IX-1330-11/15 Het door de verzoeker aangevoerde automatisme blijkt evenmin uit de bestreden besluiten. In het ministerieel besluit van 29 januari 1998 wordt, overeenkomstig het advies van de Commissie der XII, onder meer vastgesteld “dat de minder goede evaluatie van betrokkene, zoals deze is weergegeven in het evaluatieverslag van het jaar 1996 ook in 1997 bevestigd wordt” en dat de verzoeker zijn opdracht om de bouwdossiers van de infrastructuurwerken permanent op te volgen in het tweede en het derde kwartaal van 1997 niet naar behoren vervuld heeft. In het ministerieel besluit van 22 juni 1998 wordt, overeenkomstig het advies van de Commissie der XII, vastgesteld dat, “in vergelijking met het vorige evaluatiejaar
(1996)in het resultaatgebied rond het onderzoeken, vaststellingen ter plaatse doen, adviseren en opvolgen van dossiers en procedures inzake vergunningen (dat voor de geëvalueerde als zijn belangrijkste taak moet aanzien worden) in 1997 geen noemenswaardige verbeteringen worden waargenomen”, en dat “het onderzoeken maar vooral het adviseren en opvolgen van dossiers nog steeds aanleiding gaven tot inhoudelijke bemerkingen van de gemachtigde ambtenaar (onvoldoende gemotiveerde adviezen - onvoldoende opvolging van de dossiers naar afhandeling)”. Uit dit alles moet besloten worden dat de bestreden ministeriële besluiten, door bij de beoordeling van het rendement van de verzoeker rekening te houden met diens evaluatie, artikel 31 van het koninklijk besluit van 14 januari 1969 niet schenden. Het middel faalt dan ook naar recht. 4.6.
  1. In zoverre de verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat het niet-toekennen van de productiviteitspremies onwettig is omdat die beslissing steunt op een evaluatie die de verzoeker niet voor een raad van beroep heeft kunnen aanvechten, moet worden opgemerkt dat de verzoeker hiermee een nieuwe grief aanvoert, die hij reeds zinvol in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren. Die nieuwe grief is dan ook onontvankelijk. 5.
  2. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Volgens de verzoeker bepaalt artikel 26, § 1, van het genoemde koninklijk besluit van 14 januari 1969 dat iedere burgerlijke ingenieur om het IX-1330-12/15 kwartaal een beknopt verslag nopens de uitvoering van zijn opdracht moet indienen, waarin hij de elementen aangeeft die in die bepaling worden opgesomd. Hij voert aan dat in de aanhef van het bestreden ministerieel besluit van 22 juni 1998 ter verantwoording van de uitsluiting van de productiviteitspremies wordt overwogen: “De heer G. B. deelt mee dat het driemaandelijks verslag van L. Catteeuw nog steeds oppervlakkig is”. Volgens de verzoeker is dit een nietszeggende zin, die bezwaarlijk als een afdoende motivering in de zin van voormelde wet van 29 juli 1991 kan worden beschouwd. 5.
  3. De verwerende partij is van oordeel dat de aangevochten besluiten naar behoren gemotiveerd zijn, nu daarin duidelijk gezegd wordt waarom de beslissing van uitsluiting van productiviteitspremies wordt genomen. De verwerende partij wijst erop dat in het eerste bestreden besluit verwezen wordt naar een oppervlakkige inhoud van de activiteitenverslagen, het gebrek aan omvangrijk en grondig onderzoek en het niet respecteren van de voorziene afhandelingstermijn en permanente opvolging. In het tweede bestreden besluit wordt opnieuw verwezen naar de oppervlakkige inhoud van de activiteitenverslagen en naar het feit dat, in vergelijking met het vorige evaluatiejaar, er met betrekking tot het onderzoeken, het adviseren en het opvolgen van dossiers geen noemenswaardige verbeteringen werden waargenomen. 5.
  4. In zijn laatste memorie gaat de verzoeker in op het standpunt van de auditeur-verslaggever, die in zijn verslag erop wijst dat de aanhef van het bestreden ministerieel besluit van 22 juni 1998 nog andere overwegingen bevat dan de overweging die in het middel is aangehaald. De verzoeker erkent dat de aanhef van het ministerieel besluit van 22 juni 1998 nog een parafrasering van zijn beschrijvend evaluatieverslag bevat. Hij is evenwel van oordeel dat die parafrasering niet als een motivering beschouwd kan worden voor het niet- toekennen van de productiviteitspremies, zodat de in het middel aangehaalde overweging uit de aanhef van het bestreden besluit de enige zin is die als de eigenlijke motivering beschouwd kan worden. 5.
  5. De motivering van het ministerieel besluit van 22 juni 1998 luidt als volgt: “De heer G. B. deelt mee dat het driemaandelijks verslag van L. Catteeuw nog steeds zeer oppervlakkig is. Wat de prestaties van betrokkene betreft kan na overleg met het afdelingshoofd G. K. het volgende worden geconcludeerd: IX-1330-13/15 in vergelijking met het vorige evaluatiejaar
(1996)werden in het resultaatgebied rond het onderzoeken, vaststellingen ter plaatse doen, adviseren en opvolgen van dossiers en procedures inzake vergunningen (dat voor de geëvalueerde als zijn belangrijkste taak moet aanzien worden) in 1997 geen noemenswaardige verbeteringen waargenomen. Het onderzoeken maar vooral het adviseren en opvolgen van dossiers gaven nog steeds aanleiding tot inhoudelijke bemerkingen van de gemachtigde ambtenaar (onvoldoende gemotiveerde adviezen - onvoldoende opvolging van de dossiers naar afhandeling).” Verzoekers kritiek dat de eerste van de aangehaalde volzinnen geen afdoende motivering bevat, berust kennelijk op een onvolledige lezing van de aanhef van het ministerieel besluit. In de erop volgende volzinnen worden immers, aan de hand van een beoordeling van de prestaties van de verzoeker in het jaar 1997, ook concrete redenen aangehaald waarop de minister steunt om de verzoeker voor het vierde kwartaal 1997 van de productiviteitspremies uit te sluiten. Het middel mist feitelijke grondslag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-1330-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 december 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS P. LEMMENS. IX-1330-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.959 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.79.958 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.