← België

Arrest 177960 - Varia (openbaar ambt) - 18/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.960 Rolnummer: A. 75117/IX-5 Zaak: Arrest 177960 - Varia (openbaar ambt) - 18/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-16 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 177.960 van 18 december 2007 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.960 van 18 december 2007 in de zaak A. 75.117/IX-

  1. In zake : Greta GRYSON, wonende te GENT, Berkenhof 8 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij, advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Greta GRYSON op 28 juli 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 25 april 1997 van de directieraad van het departement Algemene Zaken en Financiën van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij haar functionele loopbaan wordt vertraagd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 14 januari 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 december 2007; IX-5-1/7 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DEVERS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W.VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  3. De verzoekster is adjunct van de directeur bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Algemene Zaken en Financiën, admini- stratie Ambtenarenzaken, afdeling Statutaire Aangelegenheden. 1.
  4. Op 24 januari 1997 wordt met de verzoekster een evaluatiegesprek over het jaar 1996 gevoerd, waarvan de resultaten in een evaluatieverslag worden vastgelegd, dat op 4 februari 1997 ter kennisneming door de verzoekster wordt ondertekend. Op 14 februari 1997 deelt de verzoekster haar opmerkingen bij het evaluatieverslag mee. 1.
  5. Op 15 april 1997 doet het college van afdelingshoofden van de administratie Ambtenarenzaken een voorstel om de functionele loopbaan van de verzoekster te vertragen. Voor de motivering van dit voorstel wordt verwezen naar een verslag, dat onder meer de volgende overwegingen bevat: “Greta heeft als takenpakket (o.l.v. een teamverantwoordelijke) het syndicaal statuut en tevens is zij plaatsvervangend griffier van de eerste kamer van de Raad van beroep. (...) Vastgesteld wordt dat deze taken nog steeds ondermaats uitgeoefend worden. Greta slaagt er niet in de essentie van de discussies juist weer te geven maar meer nog, ook in routinetaken worden herhaaldelijk fouten gemaakt. Ook voor de Raad van beroep zijn de verslagen over de tuchtzaken onvolledig en onjuist. Deze functiebeschrijving is zeker niet te moeilijk voor een A1 ambtenaar. Hierbij dient rekening gehouden met het feit dat Greta reeds 8 jaar in niveau 1 werkt. Mijn conclusie is dat Greta niet de capaciteiten heeft om een A1 functie in te vullen (een gesprek met de HRM-coördinator werd aangevraagd). Van IX-5-2/7 manifeste onwil kan ik geen gewag maken. Zij geeft integendeel de indruk het steeds opnieuw te willen proberen. Om die laatste reden wordt een vertraging in plaats van een onvoldoende voorgesteld en ook omwille van het feit dat zij zich flexibel opstelt als er Sectorcomité/Hoog Overlegcomité is op haar vrije dagen. Qua inhoud zijn haar prestaties evenwel niet op het peil van A
  6. Door de teamverantwoordelijke werd een omvangrijk dossier aangelegd met fotokopie- en van de schriftelijke opdrachten + verbeteringen. (...)” Op 25 april 1997 wordt de verzoekster door de directieraad van het departement Algemene Zaken en Financiën gehoord. De directieraad beslist dezelfde dag om verzoeksters functionele loopbaan te vertragen. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “- ondanks 8 jaar ervaring als ambtenaar van rang A1 functioneert betrokkene inhoudelijk niet op het peil dat men van deze rang kan verwachten; de geleverde prestaties zijn kwalitatief ondermaats aan het gemiddelde van de afdeling; - ondanks het feit dat zij in een inhoudelijk lichtere materie werkzaam is, wordt vastgesteld dat er nog relatief veel fouten werden gemaakt in routineza- ken en dat de werkzaamheden eerder moeizaam, onzorgvuldig en onzelfstandig verlopen; - ondanks het feit dat de werkrelatie met de team-verantwoordelijke continu moeilijk lag, heeft betrokkene geen initiatief genomen om een functionerings- gesprek aan te vragen met de teamverantwoordelijke of met het afdelingshoofd en (heeft zij) aldus onvoldoende organisatie-betrokkenheid (...) betoond.” Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt bij aangetekende brief van 17 juni 1997 aan de verzoekster ter kennis gebracht. Over de gegrondheid van het beroep 2.
  7. De verzoekster voert in een derde middel de schending aan van verscheidene bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: Vlaams personeelsstatuut). Zij laat onder meer gelden dat noch in het evaluatiedossier noch in het evaluatiever- slag enig spoor te onderkennen is van persoonlijke nota’s en dat zij op geen enkel ogenblik van deze nota's in kennis werd gesteld, zoals nochtans vereist door artikel VIII 12 van het Vlaams personeelsstatuut. IX-5-3/7 2.
  8. De verwerende partij antwoordt, onder verwijzing naar artikel VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut, dat persoonlijke nota’s worden opgesteld door de evaluatoren “telkens (als) zij dat nodig achten, of op gemotiveerd verzoek van de belanghebbende ambtenaar of telkens de ambtenaar ter beschikking wordt gesteld van een project - waarbij de projectleider dan verantwoordelijk is voor het opstellen ervan”. De verwerende partij besluit dat het opstellen van dergelijke persoonlijke nota’s niet verplicht is, en voert voorts aan dat de verzoekster niet om een persoonlijke nota heeft verzocht en zij evenmin ter beschikking gesteld werd van een project. 2.
  9. De verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord dat het feit dat geen van haar evaluatoren het nodig vond om bemerkingen omtrent de uitvoering van haar taken in een persoonlijke nota te vermelden, niet alleen de vraag doet rijzen of er wel opmerkingen waren, maar ook of de evaluatoren zich wel voldoende bij het werk van de verzoekster betrokken voelden. 2.
  10. In haar laatste memorie laat de verwerende partij nog gelden dat het ontbreken van persoonlijke nota’s niet impliceert dat in het beschrijvend evaluatieverslag geen ongunstige feiten kunnen worden aangehaald, welke niet reeds in een persoonlijke nota zouden zijn omschreven. De verwerende partij verwijst ook naar het feit dat de verzoekster, overeenkomstig artikel VIII 10, § 6, van het Vlaams personeelsstatuut, opmerkingen op het beschrijvend evaluatieverslag geformuleerd heeft zodat de directieraad met kennis van zaken tot de bestreden beslissing is kunnen komen. De verwerende partij besluit dat verzoeksters evaluatie wel degelijk zorgvuldig en behoorlijk werd uitgevoerd. Voor elk resultaatgebied wordt concreet aangehaald met betrekking tot welke activiteiten de verzoekster ondermaats of onvoldoende heeft gepresteerd. 2.5.
  11. Artikel VIII 11, eerste lid, van het te dezen toepasselijke Vlaams personeelsstatuut, vervangen bij het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995, bepaalt dat over elke ambtenaar een jaarlijks individueel evaluatiedossier wordt aangelegd en dat dit evaluatiedossier onder meer omvat: “3/. de persoonlijke nota's bedoeld in( artikel) VIII 14 en de opmerkingen die de ambtenaar erbij heeft geformuleerd.” Artikel VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut, vervangen bij het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995, luidt als volgt: IX-5-4/7 “De persoonlijke nota’s bedoeld in artikel VIII 11-3/ handelen over de behaalde resultaten en/of over het functioneren. Zij handelen eventueel over gebeurtenissen of gedragingen buiten de dienst die de ambtsuitoefening kunnen beïnvloeden of in het gedrang brengen. Deze persoonlijke nota’s omvatten een nauwkeurig relaas van gunstige of ongunstige feiten die als evaluatiegrond kunnen dienen. Telkens de evaluatoren dat nodig achten, of op gemotiveerd verzoek van de belanghebbende ambte- naar, stellen de evaluatoren een persoonlijke nota op over feiten die hoogstens één maand voor de ondertekening van de nota plaatshadden. Een persoonlijke nota wordt eveneens opgemaakt telkens de ambtenaar gedurende een door de evaluatoren voldoende significant geachte periode ter beschikking wordt gesteld van een project. De projectleider is verantwoordelijk voor het opstellen van de persoonlijke nota. Elke persoonlijke nota wordt onmiddellijk aan de belanghebbende ambtenaar voorgelegd. Hij viseert dit document, krijgt er een afschrift van en beschikt over vijftien kalenderdagen om zijn eventuele opmerkingen te formuleren. Indien de ambtenaar opmerkingen formuleert, dan worden deze aan de nota toegevoegd en opgenomen in het evaluatiedossier.” 2.5.
  12. Te dezen steunt de beslissing om verzoeksters functionele loopbaan te vertragen op een beschrijvend evaluatieverslag waaruit wordt afgeleid dat de verzoekster ondermaats presteert en relatief veel fouten maakt in routineza- ken, dat haar werkzaamheden eerder moeizaam, onzorgvuldig en onzelfstandig verlopen en dat zij geen initiatief genomen heeft om een functioneringsgesprek aan te vragen met de teamverantwoordelijke of het afdelingshoofd, waardoor zij onvoldoende organisatiebetrokkenheid betoont. Geen enkele van de aan de verzoekster verweten tekortkomingen heeft evenwel het voorwerp uitgemaakt van een persoonlijke nota waarin, zoals voorgeschreven door voormeld artikel VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut, binnen de maand en met de mogelijkheid tot tegenspraak, een nauwkeurig relaas gegeven wordt van feiten die als evaluatiegrond kunnen dienen. De notulen van de vergadering van de directieraad vermelden bovendien “dat de begeleiding en opvolging van Greta GRYSON door zowel de teamverantwoordelijke als door de eerste evaluator niet beantwoorden aan de geldende normen wat onder meer het ‘verrassend’ effect van het evaluatieverslag bij betrokkene verklaart”. 2.5.
  13. De persoonlijke nota’s die overeenkomstig artikel VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut worden opgesteld, dienen te waarborgen dat de feiten die als grondslag voor de evaluatie in aanmerking komen juist, nauwkeurig en tegensprekelijk worden vastgesteld. Die persoonlijke nota’s, die onder meer moeten handelen over de behaalde resultaten en/of over het functioneren, hebben voorts tot doel de geëvalueerde nog tijdens de evaluatieperiode tijdig in te lichten over zijn persoonlijk functioneren zodat de betrokkene in voorkomend geval nog tijdens de IX-5-5/7 evaluatieperiode zijn functioneren kan bijsturen. De ontstentenis van dergelijke nota’s is derhalve van aard om aan te nemen dat er zich gedurende verzoeksters evaluatie geen feiten hebben voorgedaan die een loopbaanvertraging kunnen verantwoorden. De aan de verzoekster verweten tekortkomingen kunnen dan ook niet wettig als grondslag voor het beschrijvend evaluatieverslag en de daaruit voortvloeiende loopbaanvertraging in aanmerking worden genomen. De beslissing tot vertraging van de functionele loopbaan is derhalve gebeurd met miskenning van artikel VIII 14 van het Vlaams personeelsstatuut. In zoverre in het middel een schending van die laatste bepaling wordt aangevoerd, is het gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Vernietigd wordt de beslissing van 25 april 1997 van de directieraad van het departement Algemene Zaken en Financiën van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij de functionele loopbaan van Greta GRYSON wordt vertraagd. Artikel
  15. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-5-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 december 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.960 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.