← België

Arrest 177961 - Varia (openbaar ambt) - 18/12/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.961 Rolnummer: A. 79861/IX-1369 Zaak: Arrest 177961 - Varia (openbaar ambt) - 18/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-15 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 177.961 van 18 december 2007 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.961 van 18 december 2007 in de zaak A. 79.861/IX-

  1. In zake : Erik DE RIDDER, wonende te ASSE, Breugelpark 17, bus 29 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Erik DE RIDDER op 18 augustus 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 19 mei 1998 van de directieraad van het departement Algemene Zaken en Financiën van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij zijn functionele loopbaan wordt vertraagd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 1 maart 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 december 2007; IX-1369-1/7 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VAN LOMMEL, die loco advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  3. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker ambtenaar met de graad van adjunct van de directeur bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Algemene Zaken en Financiën, administratie Budgettering, Accounting en Financieel Management, afdeling Financieel Management. 1.
  4. Op 30 januari 1998 heeft de verzoeker in het kader van zijn evaluatie over het jaar 1997 een evaluatiegesprek met zijn eerste evaluator. De resultaten worden in een evaluatieverslag vastgelegd, dat de eerste evaluator met een nota van 23 februari 1998 aan de verzoeker meedeelt, met de vraag dit binnen de kortst mogelijke tijd ondertekend en gedateerd terug te sturen. Het verslag zelf vermeldt dat de eerste evaluator “een vertraging” voorstelt en dat deze beoordeling ook tijdens het evaluatiegesprek werd medegedeeld. Het evaluatieverslag zelf is niet ondertekend of gedateerd. Omdat de verzoeker niet op het evaluatieverslag reageert, wordt hem met een nota van 12 maart 1998 door zijn twee evaluatoren ter kennis gebracht dat de termijn voor het terugsturen van het evaluatieverslag, al dan niet met bemerkingen van de functiehouder, overschreden is en dat hiermee rekening zal gehouden worden bij de verdere behandeling van het dossier. IX-1369-2/7 De verzoeker antwoordt bij schrijven van 16 maart 1998 dat het evaluatieverslag dat hij ontvangen heeft, in strijd met artikel VIII 28, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut niet gedateerd en niet ondertekend is. Niettemin ondertekent de verzoeker het evaluatieverslag voor ontvangst en kennisname, en zendt hij dit verslag terug. Tenslotte stelt hij voor een gesprek te hebben “teneinde in alle rust en billijkheid een consensus alsnog te bewerkstelligen”. Met een nota van 20 maart 1998 bevestigen de twee evaluatoren de ontvangst van verzoekers nota van 16 maart 1998 en nodigen zij de verzoeker uit voor een bijkomend gesprek over zijn prestaties in
  5. Van dit bijkomend evaluatiegesprek, dat in aanwezigheid van de twee evaluatoren plaatsheeft op 24 maart 1998, wordt een verslag opgemaakt, waarin onder meer wordt vastgesteld dat de verzoeker geen nieuwe elementen aanbrengt, zodat de oorspronkelijke evaluatie behouden blijft. Op 14 mei 1998 doet het college van afdelingshoofden van de administratie Budgettering, Accounting en Financieel Management een voorstel om de functionele loopbaan van de verzoeker te vertragen. Op 19 mei 1998 beslist de directieraad van het departement Algemene Zaken en Financiën om de functionele loopbaan van de verzoeker te vertragen. Deze beslissing wordt genomen op basis van de volgende motivering : “- afhandeling van opdrachten verloopt steeds vertraagd, - blijvend probleem in het formuleren van ideeën en bondig samenvatten, - zwak op gebied van teamwerk, resultaatgerichtheid en organisatie- vermogen, - geen inzicht in de eigen tekortkomingen.” Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt per aangetekende brief van 22 juni 1998 aan de verzoeker ter kennis gebracht. Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
  6. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van middelen tot staving van het beroep. Zij voert aan dat de verzoeker slechts in algemene bewoordingen verwijst naar een beweerde niet-naleving van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, maar niet aangeeft waarin de niet-naleving van die IX-1369-3/7 vormvereisten zou bestaan, welke vormen substantieel of op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven én in casu geschonden zijn. Het verzoekschrift voldoet aldus niet aan het vereiste vervat in het destijds vigerende artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State. 2.
  7. De verzoeker roept een enig annulatiemiddel in, waarin hij in het bijzonder de schending aanvoert van artikel VIII 28, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut. Zoals hierna zal blijken licht de verzoeker het middel toe in bewoordingen die voldoende duidelijk zijn opdat de verwerende partij zich daartegen heeft kunnen verdedigen. De exceptie kan niet aangenomen worden. Over de gegrondheid van het beroep 3.
  8. De verzoeker voert in een enig middel de schending aan van artikel VIII 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: Vlaams personeelsstatuut). Hij voert aan dat het evaluatieverslag dat hij op 23 februari 1998 ontving, door zijn evaluatoren niet werd gedateerd, noch ondertekend. De verzoeker meent dat hij zijn opmerkingen niet geldig heeft kunnen formuleren ten aanzien van dit “informeel” evaluatieverslag. Overigens heeft hij ook nadien geen “formeel” evaluatieverslag ontvangen. 3.
  9. De verwerende partij antwoordt hierop, samengevat, dat de verplichting om het evaluatieverslag te ondertekenen en te dateren bij artikel VIII 28, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Evenmin gaat het om een substantieel vormvereiste, gelet op de vaststelling dat een dergelijk vereiste niet vermeld is in de opsomming vervat in artikel 14bis van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. Aanvullend voert de verwerende partij aan dat de verzoeker tijdens het evaluatiegesprek werd ingelicht over de inhoud van de evaluatie en dat hij ter gelegenheid van de kennisgeving van het evaluatieverslag in kennis werd gesteld van de mogelijkheid om zijn opmerkingen op het evaluatieverslag te formuleren. Na een herinneringsschrijven heeft de verzoeker gereageerd. Naar IX-1369-4/7 aanleiding van verzoekers reactie werd een tweede evaluatiegesprek georganiseerd, tijdens hetwelk de verzoeker geen nieuwe elementen aanbracht, zodat de oorspronkelijke evaluatie behouden kon blijven. Het evaluatieverslag was weliswaar niet ondertekend en niet gedateerd, maar het doel van de verplichting tot het opstellen van een evaluatieverslag werd bereikt. De verzoeker werd bij nota van 23 februari 1998 immers volledig in kennis gesteld van zijn evaluatie. Voor zover de vormvereisten van artikel VIII 28, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut niet zijn nageleefd, heeft de verzoeker hierdoor geen enkel nadeel geleden. 3.
  11. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat hij niet de kans heeft gekregen om zich te verweren daar hij geen formeel geldend evaluatieverslag heeft ontvangen. Hij meent dat het evaluatieverslag door beide evaluatoren gedateerd en ondertekend moet zijn en dat dit een substantieel vereiste is opdat de geëvalueerde zijn opmerkingen zou kunnen formuleren en zich zou kunnen verweren. 3.4.
  12. Artikel VIII 28, § 1, van het te dezen toepasselijke Vlaams personeelsstatuut, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995, luidt als volgt: “Het definitieve beschrijvende evaluatieverslag zoals bedoeld in artikel VIII 10, § 6 wordt door de evaluatoren in onderlinge overeenstemming opgesteld, gedateerd en ondertekend, en wordt binnen vijftien kalenderdagen na het evaluatiegesprek aan de geëvalueerde bezorgd. Indien in uitzonderlijke gevallen de evaluatoren geen consensus bereiken bezorgen zij terzelfdertijd de aparte verslagen aan de geëvalueerde. De evaluatie op basis waarvan beslissingen genomen worden, wordt uitgemaakt door het verslag van de evaluator met de hoogste rang. De geëvalueerde tekent dit document voor kennisneming en krijgt er een afschrift van; hij voegt binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst zijn eventuele opmerkingen toe en stuurt die naar de evaluatoren. De evaluatoren tekenen voor kennisneming en voegen de opmerkingen van de geëvalueerde op het evaluatieverslag aan het evaluatiedossier van de geëvalueerde toe. Indien het beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding ‘onvoldoende’ dan kan de geëvalueerde daartegen beroep instellen binnen de vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvend evaluatieverslag overeenkomstig afdeling 2.” Te dezen was het beschrijvend evaluatieverslag dat bij nota van 23 februari 1998 aan de verzoeker werd toegezonden door de evaluatoren niet gedagtekend en ondertekend, zulks in strijd met artikel VIII 28, § 1, eerste lid, van het Vlaams personeelsstatuut. De bedoelde nota was daarentegen wèl gedagtekend en ondertekend door de eerste evaluator. IX-1369-5/7 De inhoud van die nota luidt als volgt : “Betreft : Evaluatie
  13. Als vervolg op het evaluatiegesprek werd een evaluatieverslag gemaakt over uw prestaties in
  14. Mag ik u vragen dit evaluatieverslag aandachtig te lezen en mij ondertekend en gedateerd terug te bezorgen binnen de korst mogelijke tijd. Indien u over bepaalde punten verder uitleg wenst, gelieve met mij contact op te nemen voor een eventuele verdere bespreking.” Ingevolge deze nota kon er bij de verzoeker geen twijfel over bestaan dat op zijn minst de eerste evaluator met het beschrijvend evaluatieverslag akkoord ging. Het feit dat het aan de verzoeker toegezonden evaluatieverslag door zijn evaluatoren niet gedagtekend en ondertekend was, verhinderde de verzoeker ook niet om opmerkingen op dit verslag te maken. De verzoeker heeft er echter bewust voor gekozen geen opmerkingen mede te delen en heeft het verslag pas voor kennisneming en ontvangst ondertekend en aan de evaluatoren teruggezonden nadat hij daartoe in een door beide evaluatoren ondertekende nota van 12 maart 1998 was aangemaand. De twee evaluatoren hebben het verslag vervolgens ondertekend, respectievelijk op 16 en 17 maart
  15. Zij hebben bovendien op 24 maart 1998 een nieuw evaluatiegesprek met de verzoeker gehad. Dat gesprek resulteerde in een bijkomend verslag, door de eerste evaluator opgesteld en ondertekend, waarin gesteld werd dat de oorspronkelijke evaluatie behouden bleef. Uit deze gegevens blijkt dat de twee evaluatoren het eens zijn met de inhoud van het evaluatieverslag, dat zij beiden met de verzoeker een evaluatiegesprek hebben gehad, en dat zij na dat gesprek de oorspronkelijke evaluatie bevestigd hebben. De verzoeker toont aldus niet aan dat het in het middel aangevoerde vormverzuim hem enig nadeel heeft berokkend. Nu de betrokken vormvereisten niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, kan het bedoelde verzuim dan ook niet tot de nietigheid van het evaluatieverslag leiden. Het middel kan niet aangenomen worden. IX-1369-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 december 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1369-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.961 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.