id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.962 Rolnummer: A. 184925/IX-5739 Zaak: Arrest 177962 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 18/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-08 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 177.962 van 18 december 2007 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.962 van 18 december 2007 in de zaak A. 184.925/IX-
- In zake : Gisèle LAMBRECHT, die woonplaats kiest te LOCHRISTI, Bosdreef 67 tegen : VENECO, dienstverlenende vereniging voor Ruimtelijke Ordening en Economische Ontwikkeling, die woonplaats kiest bij advocaat T. MESSIAEN, kantoor houdende te DRONGEN, Baarledorpstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Gisèle LAMBRECHT op 21 augustus 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van : - de beslissing van de raad van bestuur van Veneco van 20 maart 2007 om over te gaan tot onmiddellijk ambtshalve ontslag van verzoekster; - de beslissing van de raad van bestuur van Veneco van 12 juni 2007 tot handhaving van de voornoemde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing, opgemaakt door auditeur P. DE SOMERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 31 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 november 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-5739-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat L. DE SCHRIJVER, die loco advocaat T. MESSIAEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. DE SOMERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoekster is sinds 1979 in dienst van de verwerende partij, een dienstverlenende vereniging voor ruimtelijke ordening en economische ontwikkeling, in de zin van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeente- lijke samenwerking. Op het ogenblik van de bestreden beslissing oefende de verzoekster de functie uit van administratief medewerker.
- Naar aanleiding van de uitwerking van een administratief statuut, dat uiteindelijk op 7 september 2006 is goedgekeurd door de raad van bestuur van de verwerende partij, ontstonden er spanningen tussen de verzoekster, gesteund door haar vakorganisatie, en de verwerende partij. De verzoekster kon in het bijzonder niet akkoord gaan met de nieuwe vakantieregeling. Die spanningen liepen dermate op dat de verzoekster op 27 oktober 2006 klacht indiende tegen H.V., directeur bij de verwerende partij, wegens pesterijen op het werk. Die klacht werd ontvangen door een preventie- adviseur bij een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. Die dienst beval een aantal maatregelen aan. Op 20 maart 2007 zou de raad van bestuur echter beslissen dat de directeur de klachten afdoende en duidelijk had weerlegd, en dat er geen reden was om enige maatregel te nemen.
- Ondertussen had het directiecomité op 9 november 2006 een uitvoerige bespreking gewijd aan de houding van de verzoekster in haar conflict met de directeur. Aan het einde van de vergadering maakt de voorzitter melding van de genoemde klacht inzake pesten op het werk, die haar door de hiervóór genoemde IX-5739-2/14 externe dienst was overgemaakt. Het directiecomité beslist vervolgens om te laten onderzoeken welke tuchtstraffen kunnen worden getroffen tegen de verzoekster, en dringt aan op haar ontslag. Aan de directeur wordt opdracht gegeven om het dossier aan de raad van bestuur voor te leggen. Op 7 december 2006 beslist de raad van bestuur een tuchtonder- zoek op te starten. Er wordt delegatie verleend aan het directiecomité “om alle nodige en nuttige maatregelen te nemen ten einde een duidelijke inventaris te bekomen van de gestelde problematiek zodat een gemotiveerd dossier kan worden samengesteld”. Ter uitvoering van deze opdracht nodigt het directiecomité de personeelsleden uit voor een gesprek met ieder van hen, op 3 januari
- Vier van de vijf personeelsleden gaan op de uitnodiging in; de verzoekster, die met ziekteverlof is, blijft afwezig. Tijdens de gesprekken gaan de personeelsleden uitvoerig in op de werksfeer bij de verwerende partij en op de houding van de verzoekster. Bij schrijven van 15 februari 2007 van de drie ondervoorzitters, optredend “namens de raad van bestuur”, wordt de verzoekster ervan in kennis gesteld dat tegen haar een tuchtdossier is samengesteld, dat de raad van bestuur beslist heeft een tuchtprocedure in te leiden en dat een tuchtstraf wordt overwogen met betrekking tot acht ten laste gelegde feiten, die in dat schrijven worden opgesomd. De verzoekster wordt verzocht te verschijnen “voor de raad”, die haar wenst te horen op 7 maart
- De hoorzitting vindt plaats op 7 maart 2007, voor het directieco- mité. De verzoekster is afwezig wegens ziekteverlof, maar haar standpunt wordt door haar advocaat uiteengezet. Aan het begin van haar uiteenzetting vraagt deze waarom zij niet door de raad van bestuur wordt gehoord, zoals vermeld in de oproeping. Daarop wordt geantwoord “dat de aanwezige leden hiertoe mandaat van de raad van bestuur hebben gekregen”. De advocaat wijst er in haar uiteenzetting onder meer op dat vele van de ten laste gelegde feiten dateren van een lange tijd geleden. Zij besluit dat de tuchtprocedure opgestart blijkt te zijn nadat de verzoek- ster tegen de directeur klacht heeft ingediend, en dat de verwerende partij aldus misbruik maakt van de tuchtprocedure. IX-5739-3/14 Na afloop van de hoorzitting beraadslaagt het directiecomité over de zaak, en besluit het om aan de raad van bestuur het advies te geven de verzoek- ster van ambtswege te ontslaan. Op 20 maart 2007 vergadert de raad van bestuur. Het is de laatste vergadering in de bestuursperiode 2001-
- Zoals hiervóór reeds is opgemerkt, verwerpt de raad de klacht van de verzoekster tegen de directeur, wegens pesten op het werk. Vervolgens onderzoekt de raad de tegen de verzoekster ingestelde tuchtvordering. De raad stelt vast dat het directiecomité, “in het kader van het verleende mandaat en als emanatie van de raad van bestuur”, een hoorzitting heeft gehouden. Op de vraag van de voorzitter of de raad van bestuur de verzoekster of haar raadsman niet moet horen, wordt geantwoord dat de hoorzitting voor het directiecomité volstaat. Na beraadslaging beslist de raad van bestuur ten slotte om het advies van het directiecomité te volgen en over te gaan tot het ambtshalve ontslag van de verzoekster. Aan de raadsman van de verwerende partij wordt mandaat gegeven om het notificatiebesluit op te stellen, en aan de voorzitter en de ondervoorzitters wordt mandaat verleend om deze notificatie te ondertekenen namens de raad van bestuur. Deze beslissing wordt met een schrijven van 26 maart 2007 ter kennis van de verzoekster gebracht. In dat schrijven wordt gepreciseerd dat “minstens de punten 6, 7 en 8 zoals vermeld in de oproepingsbrief kunnen beschouwd worden als ernstige tekortkomingen die voor tuchtrechtelijke sanctione- ring in aanmerking komen”. De beslissing van 20 maart 2007 vormt het eerste voorwerp van de voorliggende vordering.
- Bij schrijven van 24 april 2007 dient de verzoekster tegen deze beslissing een bezwaar in bij de commissaris van de Vlaamse regering, in het kader van diens algemeen toezicht op de dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen, met verzoek de beslissing te schorsen. Bij schrijven van 10 mei 2007 deelt de commissaris van de Vlaamse regering aan de verwerende partij mede dat hij de beslissing van de raad van bestuur van 20 maart 2007 schorst, op grond van door hem vastgestelde procedurefouten en de miskenning van het evenredigheidsbeginsel. IX-5739-4/14 De zaak wordt vervolgens op 12 juni 2007 besproken door de raad van bestuur, die inmiddels opnieuw is samengesteld. De raad handhaaft de beslissing van 20 maart 2007 om de verzoekster ambtshalve te ontslaan. Deze beslissing wordt met een schrijven van dezelfde dag ter kennis van de verzoekster gebracht. De beslissing van 12 juni 2007 vormt het tweede voorwerp van de voorliggende vordering. Op 18 juni 2007 deelt de verwerende partij een dossier over de zaak aan de regeringscommissaris mee. Met een schrijven van 5 juli 2007 deelt de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur aan de verzoekster mede dat hij, na onderzoek van het dossier, onvoldoende redenen ziet om de beslissing van de raad van bestuur van 20 maart 2007 te vernietigen. Hij schaart zich integendeel achter het oordeel van de raad van bestuur, zoals die op 12 juni 2007 is bevestigd. Over de ontvankelijkheid van de vordering 5.
- De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onontvan- kelijkheid op, afgeleid uit de laattijdigheid van de vordering. Zij voert aan dat de vordering gericht is tegen beslissingen die aan de verzoekster ter kennis gebracht zijn bij brieven van 26 maart 2007 en 12 juni 2007, terwijl de vordering is ingesteld bij verzoekschrift van 16 augustus 2007, dit is buiten de termijn van zestig dagen. De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvan- kelijkheid op, in zoverre de vordering gericht is tegen de beslissing van de raad van bestuur van 12 juni
- Volgens de verwerende partij houdt die beslissing een loutere bevestiging in van de eerdere beslissing van de raad van bestuur van 20 maart 2007, en is een dergelijke beslissing niet voor vernietiging vatbaar. 5.
- Gelet op de opgeworpen gronden van onontvankelijkheid, dient de tweede exceptie eerst onderzocht te worden. IX-5739-5/14 De raad van bestuur beperkt zich in zijn beslissing van 12 juni 2007 in wezen tot het verantwoorden van zijn beslissing van 20 maart 2007, naar de toezichthoudende overheid toe. Na onderzoek van de redenen die de commissaris van de Vlaamse regering ertoe gebracht hebben om de beslissing van 20 maart 2007 te schorsen, is de raad van bestuur van oordeel die beslissing te moeten handhaven. Aldus lijkt de beslissing van 12 juni 2007 geen eigen rechtsgevolgen met zich te brengen. Een dergelijke beslissing lijkt niet voor vernietiging of schorsing in aanmerking te komen. De tweede exceptie lijkt dan ook, in de huidige stand van de rechtspleging, gegrond. 5.
- De eerste exceptie dient slechts onderzocht te worden in zoverre zij betrekking heeft op de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 20 maart
- Weliswaar is de voorliggende vordering ingesteld meer dan zestig dagen na de kennisgeving van die beslissing. Zoals de Raad van State evenwel heeft overwogen in zijn arrest van 13 februari 2001, Van Middel, nr. 93.290, gewezen door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, wordt de termijn om een annulatieberoep in te stellen gestuit ten voordele van degene die een bezwaar indient bij de toezichthoudende overheid die bevoegd is om het algemeen administratief toezicht uit te oefenen, op voorwaarde dat dit bezwaar wordt ingediend vóór het verstrijken van de beroepstermijn en vóór het verstrijken van de termijn waarover de toezichthoudende overheid voor de uitoefening van haar schorsings- en vernietigingsbevoegdheid beschikt. De stuiting van de termijn duurt voort tot aan de mededeling aan de bezwaarindiener van het gevolg dat aan zijn bezwaar is gegeven. De verzoekster heeft binnen de genoemde termijnen tegen de eerste bestreden beslissing een bezwaar ingediend. Bij schrijven van 5 juli 2007 heeft de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur aan de verzoekster meegedeeld dat hij de beslissing van 20 maart 2007 niet vernietigde. De termijn is tot aan de kennisgeving van die beslissing van de minister gestuit. De voorliggende vordering, die is ingesteld bij een op 21 augustus 2007 ter post aangetekend verzoekschrift, lijkt dan ook tijdig te zijn ingediend. IX-5739-6/14 De eerste exceptie kan, in de huidige stand van de rechtspleging, niet worden aangenomen. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 7.
- De verzoekster roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 157ter en 157septies van het administratief statuut van de verwerende partij, en van de rechten van de verdediging. De verzoekster voert aan dat uit artikel 157ter van het administra- tief statuut volgt dat het ontslag van ambtswege een tuchtstraf is die wordt opgelegd door de raad van bestuur, en dat de raad van bestuur de betrokkene dan ook moet horen. De verzoekster is evenwel niet gehoord door de raad van bestuur, maar door het directiecomité. Hierdoor is niet enkel de genoemde bepaling geschonden, maar zijn ook de rechten van verdediging van de verzoekster geschonden, vermits de verzoekster niet de kans heeft gehad zich te verdedigen voor het orgaan dat de tuchtsanctie zelf uitspreekt. De verzoekster voert voorts aan dat artikel 157septies van het administratief statuut bepaalt dat de werknemer moet worden gehoord door de raad van bestuur, vooraleer deze een straf uitspreekt, zelfs wanneer de werknemer het voorwerp heeft uitgemaakt van een bestuurlijk onderzoek. Ook die bepaling is geschonden. De verzoekster stelt ten slotte vast dat de raad van bestuur op 12 juni 2007 geoordeeld heeft dat de hoorzitting, georganiseerd voor het directie- comité, gebaseerd was op een uitdrukkelijk mandaat door de raad van bestuur zelf, en dat de raadsvrouw van de verzoekster de samenstelling op dat ogenblik niet heeft betwist. Hiertegen voert de verzoekster aan, enerzijds, dat nergens in het tuchtstatuut wordt voorzien in de mogelijkheid om de bevoegdheid tot verhoor in het kader van IX-5739-7/14 de tuchtprocedure te delegeren, zodat de raad van bestuur geen mandaat kon geven, en anderzijds, dat dit element tijdens de hoorzitting wel degelijk opgeworpen is door de raadsvrouw van de verzoekster, zoals trouwens blijkt uit het schrijven van de verwerende partij van 26 maart 2007 waarbij aan de verzoekster de eerste bestreden beslissing wordt meegedeeld. 7.
- De verwerende partij antwoordt dat de oproepingsbrief voor de hoorzitting zeer duidelijk uitgaat van de raad van bestuur zelf. De verwerende partij merkt voorts op dat de raad van bestuur op 7 december 2006, overeenkomstig artikel 157sexies van het administratief statuut, aan het directiecomité een duidelijk mandaat heeft gegeven voor een bestuurlijk onderzoek. Het directiecomité, als emanatie van de raad van bestuur, kan door de raad van bestuur gemandateerd worden met specifieke opdrachten, ook in het kader van tuchtprocedures. Artikel 23 van de statuten van de verwerende partij bepaalt uitdrukkelijk dat de raad van bestuur weliswaar bevoegd is voor alle personeelsaan- gelegenheden, maar dat het individueel personeelsbeheer gedelegeerd kan worden aan het directiecomité. Het bedoelde mandaat is overigens bevestigd in de zitting van de raad van bestuur van 20 maart
- Het directiecomité diende over het tuchtdossier een advies op te stellen, zodat het alleszins aangewezen was dat zij dit met kennis van alle elementen kon doen. De verwerende partij voert aan dat de hoorzitting zelf werd voorgezeten en geleid door het bureau van de raad van bestuur, bestaande uit de voorzitter en de ondervoorzitters, wat ook uitdrukkelijk geacteerd is. Het is ook enkel het bureau geweest dat tijdens de hoorzitting is tussengekomen. Alleen de voorzitter van de raad van bestuur bleek op de dag van de hoorzitting zelf niet aanwezig te zijn, zonder dat zij zich vooraf had laten verontschuldigen. Uit geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt dat de hoorzitting dient door te gaan in aanwezigheid van de voltallige raad van bestuur. De verwerende partij besluit, gelet op het aan het directiecomité verleende mandaat, op de samenstelling van de hoorzitting die werd gehouden onder leiding van het bureau van de raad van bestuur, alsmede op de uitvoerige en objectieve verslaggeving door dit bureau aan de voltallige raad van bestuur van IX-5739-8/14 20 maart 2007, dat de raad van bestuur met voldoende kennis van zaken en met eerbiediging van de rechten van verdediging en de artikelen 157ter en 157septies van het administratief statuut, de bestreden tuchtstraf heeft kunnen uitspreken. 7.3.
- Volgens artikel 14 van de statuten van de verwerende partij, gecoördineerd op 15 december 2005, wordt de vereniging bestuurd door de raad van bestuur, waarvan de leden worden benoemd door de algemene vergadering. Artikel 19 van de statuten bepaalt onder meer dat de raad van bestuur de voorzitter aanstelt, en dat hij uit de leden van het directiecomité drie ondervoorzitters kiest. Artikel 23 van de statuten luidt als volgt: “De Raad van Bestuur laat zich bijstaan door de directeur die de functie van secretaris uitoefent. De Raad van Bestuur bepaalt de vergoeding van de secretaris in de bestuursorganen. De Raad van Bestuur beslist over de benoeming of het ontslag van het personeel, bepaalt hun bevoegdheid, hun statuut, hun wedde of vergoeding en in voorkomend geval hun borgstelling. De Raad van Bestuur van de dienstverlenende vereniging is bevoegd voor alle personeelsaangelegenheden. Het individueel personeelsbeheer kan gedelegeerd worden aan het Directiecomité.” Volgens artikel 31 van de statuten stelt de raad van bestuur in zijn midden een directiecomité aan, waarvan het totaal aantal leden ten hoogste één derde bedraagt van dat van de raad van bestuur. De voorzitter van de raad van bestuur is tevens voorzitter van het directiecomité. 7.3.
- Deel VI van het administratief statuut van de verwerende partij, goedgekeurd door de raad van bestuur op 7 september 2006, en bestaande uit de artikelen 157 tot 157septies, bevat bepalingen in verband met tuchtmaatregelen. Artikel 157ter luidt als volgt: “§
- De waarschuwing en de berisping wordt (sic) uitgesproken door het directiecomité, na voorstel van de directie. §
- De overige tuchtstraffen worden uitgesproken door de Raad van Bestuur, op voorstel van de directie en na advies van het directiecomité. Het bevoegde orgaan voor het uitspreken van de tuchtstraf roept, binnen dertig kalenderdagen volgend op de datum van het voorstel, het personeelslid op om gehoord te worden in zijn verdediging.” IX-5739-9/14 Artikel 157sexies bepaalt voorts het volgende: “Er bestaat een onderzoekscommissie, samengesteld uit leden van de Raad van Bestuur met een minimum van 5 leden, voor het houden der bestuurlijke onderzoeken waarmede zij belast wordt door de Raad van Bestuur.” Artikel 157septies ten slotte luidt als volgt: “Zelfs dan wanneer de werknemer het voorwerp heeft uitgemaakt van een bestuurlijk onderzoek, spreekt de Raad van Bestuur geen straf uit zonder de belanghebbende gehoord te hebben in zijn verweer.” 7.3.
- Artikel 23, vierde lid, van de statuten van de verwerende partij draagt de personeelsaangelegenheden aan de raad van bestuur op. Ter uitvoering van die opdracht heeft de raad van bestuur op 7 september 2006 het administratief statuut aangenomen, dat blijkens artikel 1 van toepassing is op alle leden van het statutair personeel. Artikel 157ter, tweede lid, bepaalt dat het orgaan dat bevoegd is om een tuchtstraf uit te spreken, het betrokken personeelslid oproept om in zijn verdediging gehoord te worden. Uit het eerste lid, § 2, blijkt dat de raad van bestuur het bevoegde orgaan is voor onder meer het ontslag van ambtswege. Artikel 157sexies voorziet in de mogelijkheid voor de raad van bestuur om een onderzoekscommissie, bestaande uit leden van de raad van bestuur, met een “bestuurlijk onderzoek” te belasten. Artikel 157septies bepaalt dat, zelfs indien de werknemer het voorwerp heeft uitgemaakt van een bestuurlijk onderzoek, de raad van bestuur hem moet horen in zijn verweer. Het administratief statuut voorziet niet in de mogelijkheid voor de raad van bestuur om die bevoegdheid tot het horen van de betrokkene op te dragen aan een ander orgaan. Het gebruik van de woorden “zelfs dan” wijst er integendeel op dat het de bedoeling is dat de raad van bestuur zelf de betrokkene zou horen. Weliswaar bepaalt artikel 23, vierde lid, van de statuten dat het individueel personeelsbeheer door de raad van bestuur gedelegeerd kan worden aan het directiecomité. De raad van bestuur kan van die mogelijkheid echter geen gebruik maken buiten de grenzen die hij zelf, onder meer ter waarborging van de rechten van de personeelsleden, in het administratief statuut heeft vastgesteld. Bij gebreke van een algemene bepaling in dat statuut die in tuchtzaken in een IX-5739-10/14 mogelijkheid van delegatie van bevoegdheden aan het directiecomité voorziet, kan de raad van bestuur het directiecomité in een individueel geval dan ook geen van zijn bevoegdheden opdragen. 7.3.
- Te dezen blijkt dat de raad van bestuur op 7 december 2006 aan het directiecomité opdracht heeft gegeven “om alle nodige en nuttige maatregelen te nemen teneinde een duidelijke inventaris te bekomen van de gestelde problema- tiek zodat een gemotiveerd dossier kan worden samengesteld”. Ter uitvoering van die opdracht kon het directiecomité de verzoekster horen, zo het dit nuttig achtte. Het directiecomité diende trouwens, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, overeenkomstig artikel 157ter, eerste lid, § 1, van het administratief statuut, over de voorgestelde tuchtstraf in elk geval een advies aan de raad van bestuur te geven. De raad van bestuur heeft het directiecomité echter niet opgedragen om de verzoekster in de plaats van de raad van bestuur te horen, wat de raad trouwens, bij gebreke van een machtiging daartoe in het administratief statuut, ook niet zou kunnen. Overigens heeft de raad van bestuur ook geen opdracht gegeven aan een onderzoekscommissie, als bedoeld in artikel 157sexies van het administra- tief statuut. De omstandigheid dat het directiecomité, zoals een onderzoekscommis- sie, is samengesteld uit leden van de raad van bestuur, doet aan die vaststelling geen afbreuk. De enige hoorzitting die te dezen heeft plaatsgevonden, is die van 7 maart
- Ook al is de verzoekster bij schrijven van 15 februari 2007 opgeroepen om te verschijnen “voor de Raad (van Bestuur)”, uit het verslag van de zitting van 7 maart 2007 blijkt dat de hoorzitting plaatsvond voor het directiecomité. Anders dan de verwerende partij suggereert, is toen door de raadsvrouw van de verzoekster wel degelijk de vraag gesteld waarom zij niet gehoord werd door de raad van bestuur. Op de vergadering van de raad van bestuur van 20 maart 2007, waarop over het voorstel van tuchtstraf is beraadslaagd, is door de voorzitter uitdrukkelijk de vraag gesteld of de raad van bestuur de verzoekster niet moest horen. Daarop is geantwoord “dat er reeds een formele hoorzitting is gehouden en dat sinds de hoorzitting en de samenstelling van het tuchtdossier geen nieuwe elementen aan het dossier werden toegevoegd. Het directiecomité heeft een zeer duidelijk mandaat gekregen vanwege de Raad van Bestuur en heeft conform de IX-5739-11/14 bepalingen van het statuut een bestuurlijk onderzoek gevoerd. De hoorzitting is doorgegaan in aanwezigheid van minstens twee ondervoorzitters. Het is bovendien duidelijk dat het Directiecomité fungeert als emanatie van de Raad van Bestuur en volledig binnen het (hem) verleend mandaat heeft gehandeld”. Zoals uit het voorgaande blijkt, is die uitleg niet deugdelijk: de raad van bestuur kan niet steunen op een algemene bepaling van de statuten om voorbij te gaan aan de specifieke verplichting om, ter waarborging van het recht van verdediging van het betrokken personeelslid, zelf die persoon te horen. Voorshands is de conclusie dan ook dat de raad van bestuur, door aan de verzoekster een tuchtstraf op te leggen zonder haar gehoord te hebben, artikel 157septies van het administratief statuut heeft geschonden. In zoverre is het middel ernstig. 8.1 In verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voert de verzoekster aan dat de bestreden beslissing haar treft, zowel op moreel als op pecuniair vlak. Het feit dat zij door de bestreden beslissing te boek staat als een onbetrouwbaar persoon die zeer slecht presteert, treft haar zeer zwaar. Ook het feit dat zij haar carrière niet kan verderzetten bij de verwerende partij bezorgt haar veel leed. Ten slotte ziet de verzoekster door de bestreden beslissing een zeker inkomen wegvallen, en zal zij zelfs zonder enig inkomen vallen. 8.
- De tuchtstraf van ontslag van ambtswege is te dezen de op één na zwaarste straf. Een dergelijke straf brengt de verwijdering van de betrokkene uit de professionele omgeving mee. De gevolgen zijn dermate ingrijpend, zowel op moreel als op pecuniair vlak, dat het daaruit voortvloeiende nadeel als ernstig beschouwd moet worden. Bovendien is dit nadeel in beginsel ook moeilijk te herstellen. Een ontslag van ambtswege houdt immers voor de betrokkene het risico in dat hij of zij moeilijkheden zal ondervinden bij het zoeken naar werk dat evenwaardig is aan het werk dat tot dan uitgevoerd werd. Er zijn te dezen geen bijzondere omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. De morele voldoening die de verzoekster kan putten uit een eventueel annulatiearrest, waarnaar de verwerende partij verwijst, is niet van aard om het nadeel op een passende wijze te herstellen. IX-5739-12/14 De omstandigheid dat de verzoekster kan terugvallen op een werkloosheidsuitkering, zoals door de verwerende partij wordt aangevoerd, doet aan het voorgaande geen afbreuk.
- Er is voldaan aan de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de raad van bestuur van de dienstverlenende vereniging VENECO van 20 maart 2007, waarbij aan Gisèle LAMBRECHT de tuchtstraf van ambtshalve ontslag wordt opgelegd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-5739-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 december 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5739-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.962 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.453 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.