id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.983 Rolnummer: A. 180945/X-13181 Zaak: Arrest 177983 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-02 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 04:43 Fiche Arrest nr 177.983 van 18 december 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 177.983 van 18 december 2007 in de zaak A. 180.945/X-13.
- In zake : Claude FIEVEZ, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Claude FIEVEZ op 5 februari 2007 heeft ingediend om aan het VLAAMSE GEWEST het bevel op te leggen om het besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 5 december 2006, houdende intrekking van het ministerieel besluit van 21 augustus 2006, en houdende bevestiging van de inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 6 november 2000, waarbij zijn beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kraainem van 25 januari 2000 houdende weigering van de vergunning voor het wijzigen van bestemming van een woning tot een kantoorgebouw aan de Mechelsesteenweg te Kraainem, kadastraal gekend onder sectie C, nr. 74/y ingewilligd wordt, in te trekken, minstens in zoverre het beroep van de gemachtigde ambtenaar ontvankelijk wordt verklaard, en deze intrekking aan de verzoekende partij mede te delen binnen een termijn van veertien dagen na de betekening van het tussen te komen arrest, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1250 euro per dag vertraging; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; X-13.181-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat P. AERTS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 9 december 1999 heeft de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kraainem een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het wijzigen van de bestemming van een woning tot kantoorgebouw gelegen aan de Mechelsesteenweg 366 te Kraainem, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 74/y. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse gelegen in woonpark. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling. Bij besluit van 25 januari 2000 heeft het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning geweigerd op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. X-13.181-2/8 1.
- Op 27 maart 2000 heeft de verzoeker tegen dit weigeringsbesluit beroep ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant. Bij besluit van 6 november 2000 heeft de bestendige deputatie het beroep ingewilligd en de gevraagde vergunning verleend. 1.
- Op 22 december 2000 heeft de gemachtigde ambtenaar beroep ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening tegen voormeld inwilligensbesluit van de bestendige deputatie. De Vlaamse minister van Finaciën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening heeft bij besluit van 12 september 2001 het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingewilligd en voormeld besluit van de bestendige deputatie van 6 november 2000 vernietigd. 1.
- Bij ’s Raads arrest nr. 154.882 van 14 februari 2006 werd het besluit van 12 september 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening vernietigd op grond van een middel afgeleid uit de schending van artikel 53, §2, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het coördinatiedecreet), “zoals het van toepassing was op het ogenblik van het bestreden besluit”. 1.
- Met een op 28 juli 2006 ter post aangetekend schrijven heeft de verzoeker vervolgens een rappelbrief gericht aan de diensten van de administratie van de minister waarin erop wordt aangedrongen het beroep van de gemachtigde ambtenaar formeel niet ontvankelijk te bevinden, o.m. gelet op “het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State”. 1.
- Bij ministerieel besluit van 21 augustus 2006 wordt het beroep van de gemachtigde ambtenaar niettemin toch ontvankelijk en andermaal gegrond bevonden. 1.
- Met een op 30 augustus 2006 ter post aangetekend schrijven vraagt de verzoeker aan de minister om het voormelde besluit in te trekken. Op 3 oktober 2006 dient de verzoekende partij bij de Raad van State een verzoekschrift in, strekkende tot het opleggen van een dwangsom indien de verwerende partij het ministerieel besluit van 21 augustus 2006 niet intrekt. X-13.181-3/8 1.
- Daarop wordt bij ministerieel besluit van 5 december 2006 enerzijds het ministerieel besluit van 21 augustus 2006 ingetrokken op grond van een schending van het gezag van gewijsde van het annulatiearrest van de Raad van State, doch anderzijds het beroep van de gemachtigde ambtenaar opnieuw ingewilligd, op grond van de toepassing van artikel 53, §2 van het coördinatiedecreet zoals het inmiddels was gewijzigd bij decreet van 21 november
- 1.
- Bij arrest nr. 170.932 van 8 mei 2007 werd de vordering verworpen gelet op de inmiddels tussengekomen intrekking van het bedoelde ministerieel besluit van 21 augustus
- 1.
- Met een op 20 december 2006 ter post aangetekende brief maant de verzoeker de minister aan ook voormeld besluit van 5 december 2006 in te trekken. Het afdelingshoofd a.i. van de afdeling stedenbouwkundig beleid van het departement ruimtelijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed antwoordt op 25 januari 2007 dat er geen reden is om gevolg te geven aan die vraag, en dat een uitspraak van de Raad van State “definitief uitsluitsel (moet) geven over de zaak”. 1.
- Op 5 februari 2007 stelt de verzoeker bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in van voormeld ministerieel besluit van 5 december 2006 (zaak A. 180.796/X-13.172). 1.
- In huidige procedure vordert de verzoekende partij aan het Vlaamse gewest het bevel op te leggen om voormeld ministerieel besluit van 5 december 2006 in te trekken, minstens in zoverre het beroep van de gemachtigde ambtenaar ontvankelijk wordt verklaard, en deze intrekking aan de verzoeker mede te delen binnen een termijn van 14 dagen na de betekening van het tussen te komen arrest, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1250 euro per dag vertraging. X-13.181-4/8
- Ontvankelijkheid van de vordering 2.
- Standpunt van de partijen 2.1.
- In het verzoekschrift verantwoordt de verzoeker zijn vordering als volgt: “Met deze procedure vraagt de verzoekende partij aan uw Raad om de verwerende partij het bevel op te leggen, onder verbeurte van een dwangsom, om de beslissing van 5 december 2006 in te trekken. De procedure van artikel 36 van de gecoördineerde wetten kan worden gebruikt ‘wanneer uit een vernietigingsarrest voor de administratieve overheid een onthoudingsplicht ten aanzien van bepaalde beslissingen volgt’, en een beslissing wordt genomen die deze onthoudingsplicht schendt. Uit het arrest van 14 februari 2006 vloeit voor de minister de verplichting voort om zich te onthouden tot het nemen van een beslissing waarmee het beroep van de gemachtigde ambtenaar alsnog onontvankelijk zou worden verklaard. Aangezien de minister deze onthoudingsplicht heeft geschonden, kan de verzoekende partij de procedure van artikel 36 instellen. De verzoekende partij was ook de verzoekende partij in de procedure tot nietigverklaring die heeft geleid tot het arrest van 14 februari
- Dit arrest is meer dan drie maanden oud. De verzoekende partij heeft bovendien bij een ter post aangetekende brief een aanmaning tot het intrekken van de beslissing verstuurd. Tussen deze aanmaning en het indienen van dit verzoek verstreek een termijn van één maand, zonder dat de verwerende partij op deze aanmaning is ingegaan. De bestreden beslissing is een beslissing waarbij in één akte zowel een eerdere, voor de verzoekende partij griefhoudende en bestreden beslissing, wordt ingetrokken, alsook tegelijk een nieuwe, voor de verzoekende partij even griefhoudende beslissing, wordt genomen. De verzoekende partij heeft uiteraard geen belang bij een intrekking van de beslissing van 5 december 2006, inzoverre deze de beslissing van 21 augustus 2006 intrekt. Tegen de beslissing van 21 augustus 2006 heeft de verzoekende partij reeds een verzoek tot intrekking conform artikel 36 van de gecoördineerde wetten ingeleid. Over deze zaak werd een verslag gemaakt, waarin vastgesteld werd dat de vordering zonder voorwerp is. Deze zaak is vervolgens in beraad genomen op de zitting van 19 januari
- Indien uw Raad deze vordering inderdaad zonder voorwerp verklaart, ligt het in de logica der dingen dat uw Raad enkel de intrekking van de beslissing van 5 december 2006 beveelt in zoverre een nieuwe beslissing genomen wordt over het beroep van de gemachtigde ambtenaar, en niet in zoverre de beslissing van 5 december 2006 de beslissing van 21 augustus 2006 intrekt”. 2.1.
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering, samengevat, omdat een nieuw besluit van de minister formeel wel degelijk noodzakelijk was, omdat de minister zich bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep van de gemachtigde ambtenaar diende te steunen op de nieuwe decretale bepaling van artikel 53, §2 van het coördinatiedecreet, zoals X-13.181-5/8 gewijzigd bij het decreet van 21 november 2003, en omdat geen dwangsom kan worden opgelegd naar aanleiding van een betwisting omtrent de wijze van uitvoering van een vernietigingsarrest van de Raad van State. 2.
- Onderzoek van de exceptie 2.2.
- Artikel 36, § 1, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt onder meer wat volgt: “Art.
- §
- (...) Wanneer uit een vernietigingsarrest voor de administratieve overheid een onthoudingsplicht ten aanzien van bepaalde beslissingen volgt, kan de persoon op wiens verzoek de vernietiging is uitgesproken, de Raad van State vragen de overheid het bevel te geven, op verbeurte van een dwangsom, de beslissingen in te trekken die ze zou hebben genomen met schending van de uit het annulatiearrest volgende onthoudingsverplichting”. In casu is bij ’s Raads arrest nr. 154.882 van 14 februari 2006 het besluit van 12 september 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening vernietigd waarbij, eensdeels het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd tegen het besluit van 6 november 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant waarbij aan de verzoeker de vergunning werd verleend voor het wijzigen van de bestemming van een woning tot kantoorgebouw aan de Mechelsesteenweg te Kraainem op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 74/y, en waarbij, anderdeels, voormeld besluit van de bestendige deputatie wordt vernietigd, op grond van het middel afgeleid uit de schending van een substantieel vormvoorschrift dat is vervat in artikel 53, § 2, eerste lid van het coördinatiedecreet zoals het van toepassing was op het ogenblik van het bestreden besluit. Ingevolge dit vernietigingsarrest, dat retroactieve werking heeft, dient de minister zich opnieuw uit te spreken over het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde beroep, rekening houdende met de motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen, m.a.w. zonder schending van het gezag van gewijsde van het door de Raad van State gewezen vernietigingsarrest. Zolang de minister zulks niet doet, blijft het beroep van de gemachtigde ambtenaar hangende, en blijft ingevolge dit beroep het vergunningsbesluit van de bestendige deputatie op grond van artikel 53, §2 van het coördinatiedecreet ook geschorst, waardoor de verzoeker in de onmogelijkheid X-13.181-6/8 verkeert om deze vergunning ten uitvoer te leggen. De verzoekende partij heeft overigens op 28 juli 2006 aan de minister een rappelbrief gericht met het verzoek om uitspraak te doen. In het litigieuze besluit van 5 december 2006 doet de minister andermaal uitspraak over het beroep van de gemachtigde ambtenaar, en wordt dit beroep ontvankelijk bevonden op grond van de argumentatie dat inzake het door de Raad van State geschonden geachte substantieel vormvoorschrift vervat in artikel 53, §2 van het coördinatiedecreet, de bepaling ervan bij het decreet van 21 november 2003 is gewijzigd, en de gewijzigde bepalingen ook van toepassing zijn op het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de door de bestendige deputatie aan de verzoeker verleende vergunning. De vraag is dus in wezen niet of uit het vernietigingsarrest van de Raad van State op zich voor de verwerende partij een “onthoudingsplicht” voortvloeit in de zin van artikel 36, §1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, maar in hoeverre de wijzigingen die het decreet van 21 november 2003 heeft aangebracht aan het “substantieel vormvoorschrift” dat besloten ligt in artikel 53, §2 van het coördinatiedecreet zoals het gold op het ogenblik dat het vernietigde besluit werd genomen, incidentie hebben op de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de gemachtigde ambtenaar door de minister. De vraag of de verzoeker terecht opwerpt dat de minister de ontvankelijkheid van het beroep van de gemachtigde ambtenaar dient te beoordelen op grond van de bepalingen van artikel 53, § 2 van het coördinatiedecreet zoals dit gold op het ogenblik dat het vernietigde besluit werd genomen, en niet op grond van de bij het decreet van 21 november 2003 gewijzigde bepalingen van dit decreet zoals deze worden geïnterpreteerd door de minister, kan, zoals elke betwisting omtrent de rechtmatigheid van een beslissing die na een vernietigingsarrest wordt genomen, enkel worden beslecht in het kader van een annulatieprocedure. Dergelijke procedure werd door de verzoeker ook ingesteld. Er kan derhalve te dezen geen beroep worden gedaan op de dwangsomprocedure. De vordering dient om deze reden te worden verworpen. X-13.181-7/8 OM DEZE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Enig artikel. Het beroep wordt verworpen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien december 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.181-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.983 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div