id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.018 Rolnummer: A. 186246/IX-5807 Zaak: Arrest 178018 - Penitentiair recht - 18/12/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-24 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:44 Fiche Arrest nr 178.018 van 18 december 2007 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 178.018 van 18 december 2007 in de zaak A. 186.246/IX-
- In zake : Abdessamad BELHADJ, die woonplaats kiest bij advocaat P. VERPOORTEN, kantoor houdende te OOSTHAM, Heldenplein 42 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Abdessamad BELHADJ op 12 december 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de directeur van de strafinrichting Brugge - Mannenafdeling 1 van 12 november 2007, waarbij de verzoeker de volgende straffen worden opgelegd : - drie dagen strafcel, vanaf 10 november 2007 tot en met 13 november 2007, - twee weken strikt regime, aansluitend op de nog lopende sanctie (d.w.z. vanaf 6 januari 2008 tot en met 19 januari 2008), - één maand glasbezoek vanaf 20 januari 2008 tot en met 2 maart 2008, - telefoonverbod tot en met 19 februari 2008; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 december 2007 waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2007, om 11.00 uur; IX-5807-1/4 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VERPOORTEN, die verschijnt voor de verzoeker en van attaché P. VAN CAENEGHEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker verblijft in het Penitentiair Complex te Brugge. Op het ogenblik van de feiten deelde hij een cel met een medegevangene. Op 10 november 2007 werd in de gevangenis een drugscontrole met drugshond uitgevoerd. In de kast van de verzoeker werden sporen van drugsgebruik (een hasj-joint) gevonden. Meteen werd hierover een rapport aan de directeur opgesteld. De directeur van de gevangenis legde de verzoeker bij voorlopige maatregel een plaatsing op veiligheidscel op. Dezelfde dag besliste de directeur een tuchtprocedure te starten. Op 12 november 2007 vond een hoorzitting plaats. Bij beslissing van dezelfde dag legde de directeur een tuchtstraf op. Die beslissing, die dezelfde dag ter kennis van de verzoeker is gebracht, vormt het voorwerp van de voorliggende vordering. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing IX-5807-2/4 kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
- In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid voert de verzoeker aan dat de opgelegde straf ingaat op 6 januari 2008, binnen 26 dagen na de dagtekening van het verzoekschrift tot schorsing. Volgens de verzoeker is de zaak uiterst dringend, aangezien te vrezen valt dat de gewone schorsingsprocedure niet tijdig afgewerkt kan worden. 3.
- De verwerende partij wijst erop dat de bestreden beslissing reeds op 12 november 2007 aan de verzoeker betekend is, en dat deze een maand gewacht heeft om zijn vordering aanhangig te maken. Bij gebreke van de nodige diligentie van de zijde van de verzoeker is er volgens de verwerende partij geen uiterst dringende noodzakelijkheid. 3.
- De rechtspleging bij uiterst dringende noodzakelijkheid is van die aard dat het recht van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum beperkt wordt. Met het oog op de gelijkheid tussen de procespartijen is dan ook vereist dat de verzoeker zichzelf geen langere termijn toekent dan nodig om zijn vordering in te stellen. Van de verzoeker wordt met andere woorden verwacht dat hij de nodige diligentie aan de dag legt, en dat hij niet onredelijk lang wacht met het indienen van zijn verzoekschrift. Te dezen blijkt dat de bestreden beslissing is genomen op 12 november 2007, en dat de voorliggende vordering is ingesteld bij een verzoek- schrift dat op 12 december 2007 aangetekend naar de Raad van State is gestuurd. Ter zitting heeft de verzoeker de termijn van een maand, gelegen tussen de kennisgeving van de bestreden beslissing en het indienen van het verzoekschrift, verklaard door de moeilijkheden die het strikt gevangenisregime voor hem meebrengen. Er blijkt evenwel dat de raadsman van de verzoeker reeds op 19 november 2007 aan de directeur van de gevangenis uitleg gevraagd heeft over bepaalde aspecten van de tuchtprocedure en de bestreden beslissing, en dat hij daarop met een schrijven van 22 november 2007 een antwoord ontvangen heeft. De verzoeker legt niet uit waarom hij dan nog drie weken gewacht heeft alvorens de voorliggende vordering in te stellen. Het enkele feit dat de verzoeker onderworpen is aan een strikt regime volstaat niet als verantwoording, gelet op de mogelijkheid van verkeer tussen een gedetineerde en zijn raadsman. IX-5807-3/4 Nu de relatief lange termijn tussen de kennisgeving van de bestreden beslissing en het instellen van de voorliggende vordering niet op een overtuigende manier wordt verantwoord, kan de verzoeker zich niet op de uiterst dringende noodzakelijkheid beroepen.
- Er is aldus niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling leidt ertoe dat de vordering verworpen moet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 december 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5807-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.018 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.412 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.